CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

1641566-E-OMWB-Kaderbrief 2027 (Geanonimiseerd).pdf

Gemeenteraad 5 maart 2026, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4a: Lijst van aan de gemeenteraad geadresseerde brieven8.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Geachte

griffiers,

Bijgaand ontvangt

de door

u

het

dagelijks

bestuur

West-Brabant

vastgestelde

Op grond

artikel 58b

van

de Wet

de raden

van

de deelnemende

kaderbrief de

van aan

provincie

de

van

Omgevingsdienst

Kaderbrief 2027.

gemeenschappelijke regelingen gemeenten

en

aan

zenden

is tevens te vinden via

vriendelijke groet,

Concernjurist/

directiesecretaris

(geanonimiseerd) Werkdagen maandag Omgevingsdienst 181

tot en

Midden-

5038

CB

met

donderdag

en

West-Brabant

| Postbus

75 5000

AB

| Tilburg

Orngevings dienst . Midden-

en

West-Brabant

SKO Kinkel)

meer

deze van

https://omwb.begrotingsapp.nl/kaderbrief-

(geanonimiseerd)

Lees

wij

Provinciale Staten

2027

Spoorlaan

en

Noord-Brabant.

De Kaderbrief 2027

Met

Midden-

over

onze

bijdrage aan

de

leefomgeving

in

ons

online

magazine.

Kaderbrief 2027

2

Inhoudsopgave Inhoudsopgave . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Toekomstige ontwikkelingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Concrete ontwikkelingen 2027 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 Bedrijfsvoering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21 Financiële uitgangspunten

. .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. .

24

3

Inleiding Voorwoord De kaderbrief 2027 vormt het vertrekpunt in de Planning & Control (P&C) cyclus voor het begrotingsjaar 2027. we de belangrijkste (te verwachten) Hierin beschrijven ontwikkelingen op milieu- en duurzaamheidsgebied voor de korte en middellange termijn en schetsen we de financiële kaders waarbinnen we werken. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) staat voor een schone , gezonde , veilige en duurzame leefomgeving. We richten ons op thema’s als zeer zorgwekkende stoffen , de Kaderrichtlijn Water , de energietransitie en de circulaire economie. Deze onderwerpen raken iedereen: inwoners en ondernemers , steden en dorpen , industrie en platteland. We leven bovendien in een tijd van grote veranderingen. Klimaat , landbouw , energie en digitalisering ontwikkelen zich gelijktijdig , wat ons voor flinke uitdagingen stelt. Tegelijkertijd zien wij hierin ook kansen om samen met onze partners vooruitgang te boeken. De kwaliteit van onze leefomgeving is cruciaal voor onze gezondheid , veiligheid en toekomstbestendigheid. De OMWB speelt daarin een sleutelrol door middel van vergunningverlening , toezicht , handhaving en advisering. Om die rol goed te vervullen , is het nodig om te blijven investeren in de kennis en deskundigheid van onze medewerkers en in slimme informatiesystemen die ons in staat stellen risicogericht en data-gestuurd te werken.

Daarbij is het essentieel dat we onze opdrachtgevers tijdig informeren en samen duidelijke afspraken maken over het vervolg. Alleen zo kunnen we de noodzakelijke transities daadwerkelijk ondersteunen. Gelukkig staat de OMWB er niet alleen voor. Samen met de andere omgevingsdiensten delen we steeds vaker kennis en inzichten. Dat voorkomt dubbel werk en vergroot onze slagkracht. Toch staat kennismanagement nog in de kinderschoenen. De kaderbrief 2027 baseerden we daarom grotendeels op de eigen inspanningen van de OMWB , aangevuld met documenten van Omgevingsdienst NL. In de toekomst verwachten we dat gezamenlijke kennis steeds vaker de basis vormt , waarbij we deze vertalen naar de lokale situatie. De komende jaren werken we verder aan het vertalen van complexe maatschappelijke vraagstukken naar uitvoerbare oplossingen en bereiden we ons voor op veranderende weten regelgeving , zoals de Kaderrichtlijn Water , Klimaatwet en energietransitie. De opgaven nemen toe , waardoor we extra capaciteit nodig hebben en sterker inzetten op datagestuurd werken. Het nieuwe geografische systeem gaat vanaf 2027 een belangrijke rol spelen in onze manier van werken. Naast deze inhoudelijke uitdagingen staan we ook voor een financiële werkelijkheid. Vanaf 2026 nemen de rijksinkomsten voor gemeenten en omgevingsdiensten af.

Dat betekent dat we , naast het ontwikkelen van nieuwe thema’s , voortdurend scherp moeten kijken naar waar we slimmer en efficiënter kunnen werken. De kaderbrief biedt daarmee een eerste inzicht in de ontwikkelingen die ons de komende jaren te wachten staan en in de manier waarop wij daarop inspelen. Onze medewerkers zetten zich met kennis , passie en enthousiasme in voor een leefomgeving waarin gezondheid , veiligheid en duurzaamheid vooropstaan. Met gezamenlijke inzet en betrokkenheid zijn wij ervan overtuigd dat we de komende jaren belangrijke stappen vooruit zetten.

4

Aansluiten bij missie

en

visie

van

de organisatie

In 2030 profileert de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) zich als een robuuste , wendbare en toekomstgerichte organisatie. Wij richten ons niet alleen op de uitvoering van onze kerntaken , maar spelen ook proactief in op de steeds complexere uitdagingen in de fysieke leefomgeving. Deze leefomgeving staat onder toenemende druk , wat ons werk relevanter maakt dan ooit. Samen met onze deelnemers , ketenpartners , stelselpartners en bedrijven leveren wij een wezenlijke bijdrage aan het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van onze regio. Onze medewerkers zijn gedreven hoeders van de leefomgeving: betrokken professionals die met passie werken aan het behouden en verbeteren van de omgevingskwaliteit. In onze visie voor 2030 streven we naar een kennis- en datagedreven organisatie die werkt met risicogericht toezicht en besluitvorming. Door middel van geavanceerde dataverzameling en -analyse voeren we niet alleen onze VTH-taken (Vergunningverlening , Toezicht en Handhaving) effectief uit , maar monitoren en sturen we ook bredere thema’s op het gebied van milieu , natuur en duurzaamheid. Ons doel is om te werken met betrouwbare informatie en robuuste processen , zodat we snel en zorgvuldig kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen , veranderende wet- en regelgeving en de toenemende complexiteit van de fysieke leefomgeving.

We willen steeds meer integraal werken , zowel binnen onze eigen organisatie als in samenwerking met onze partners in de regio. Dit stelt ons in staat om gezamenlijk de grote maatschappelijke opgaven aan te pakken , zoals stikstofreductie , de energietransitie , het terugdringen van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en de transitie naar een circulaire economie. Ook versterken we onze rol als adviserend en ondersteunend orgaan voor onze deelnemers en andere overheden , zodat we bijdragen aan beleidsontwikkeling én de uitvoering van concrete projecten met impact op de regio. Ons netwerk binnen Omgevingsdienst NL biedt daarbij kansen om niet alleen lokaal , maar ook landelijk bij te dragen aan beleidsontwikkeling en kennisdeling. Adaptief werken vormt een essentieel uitgangspunt. De OMWB blijft flexibel en alert , zodat we snel kunnen reageren op relevante veranderingen in weten regelgeving of maatschappelijke trends. Door ons netwerk actief in te zetten en voortdurend te monitoren wat er speelt , signaleren we tijdig welke ontwikkelingen invloed hebben op onze concrete werkgebieden. Deze kennis vertalen we naar adviezen en handelingsperspectieven voor onze deelnemers en partners , zodat we als organisatie altijd voorbereid zijn op de toekomst.

Daarnaast blijft de OMWB in 2030 een aantrekkelijke werkgever , die ruimte biedt voor persoonlijke ontwikkeling in een cultuur van samenwerking , vakmanschap en betrokkenheid. We stimuleren een werkomgeving waarin medewerkers zich gewaardeerd voelen en hun passie voor het vak kunnen blijven voeden. Dit draagt bij aan de vitaliteit en het succes van onze organisatie. We willen niet alleen een uitvoeringsorganisatie zijn , maar ook een waardevolle adviseur die bijdraagt aan de transitie naar een duurzamere en veerkrachtigere fysieke leefomgeving. Onze kernwaarden – samenwerkingsgericht , ontwikkelingsgericht en omgevingsgericht – vormen hierbij de leidraad. We werken op basis van betrouwbare gegevens , gestandaardiseerde processen en continue verbetering. Door te leren van zowel interne ervaringen als externe ontwikkelingen blijven we vooruitkijken en goed voorbereid op de toekomst.

5

In 2030 is de OMWB dus niet alleen een organisatie die haar kerntaken uitstekend uitvoert , maar ook een proactieve partner die kennis deelt , adviseert en samenwerkt aan de grote vraagstukken van onze tijd. Onze medewerkers blijven de drijvende kracht achter deze ambities en leveren met hun expertise een betekenisvolle bijdrage aan een gezonde , veilige en duurzame regio. Leeswijzer De kaderbrief 2027 volgt in opzet de lijn van voorgaande jaren en bestaat uit de volgende onderdelen: •

•

•

•

Toekomstige ontwikkelingen Een beschrijving van recente of verwachte ontwikkelingen , die voortkomen uit nieuwe wet- en regelgeving of maatschappelijke discussies , waarvan we de gevolgen voor de OMWB en haar deelnemers nog niet concreet kunnen duiden. Toekomstige ontwikkelingen met doorwerking in het uitvoeringsprogramma Een toelichting op de ontwikkelingen die we kunnen vertalen naar concrete producten of activiteiten binnen het uitvoeringsprogramma van de OMWB (P1 , P2 , P3 of concernbudget). Ontwikkelingen binnen de bedrijfsvoering Een overzicht van interne verbeteringen en initiatieven die bijdragen aan de versterking van de organisatie , processen en medewerkers. Financiële paragraaf Een toelichting op de financiële kaders en verwachtingen voor het boekjaar 2027 , inclusief relevante begrotings- en investeringsaspecten.

6

Toekomstige ontwikkelingen Introductie De wereld om ons heen verandert in hoog tempo. Deze veranderingen hebben directe invloed op de fysieke leefomgeving en daarmee op het werk van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). Om effectief te blijven inspelen op nieuwe omstandigheden , houdt de OMWB continu rekening met veranderende wet- en regelgeving , beleidsontwikkelingen en maatschappelijke trends. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar de Europese , nationale en regionale ontwikkelingen , die de toekomstbestendigheid van onze organisatie kunnen beïnvloeden. Ook het maatschappelijk debat – bijvoorbeeld over duurzaamheid , gezondheid of energie – beïnvloedt steeds vaker de inhoud , prioriteiten en werkwijze van de OMWB. In deze kaderbrief brengen we de belangrijkste ontwikkelingen in beeld. Sommige zijn nieuw , andere vloeien voort uit eerder ingezette trajecten of lopende werkzaamheden. Door deze samen te beschrijven ontstaat een actueel overzicht van factoren die richting geven aan onze strategie , taakuitvoering en samenwerking met gemeenten. In het volgende hoofdstuk werken we de onderwerpen verder uit die naar verwachting in 2027 concrete (financiële) impact hebben op de OMWB of haar deelnemers.

Daarbij beschrijven we niet alleen de aard van de impact , maar ook zo concreet mogelijk de benodigde middelen en de wijze waarop we deze kunnen financieren uit specifieke begrotingsposten.

Green Deal De komende jaren zal Europese milieuwetgeving steeds meer invloed hebben op de nationale en lokale regelgeving. Nieuwe richtlijnen uit de Europese Green Deal – zoals de herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijn , de natuurherstelverordening , de bodemmonitoringsrichtlijn en de herzieningen van de richtlijnen stedelijk afvalwater en industriële emissies – zullen leiden tot strengere normen voor lucht , water , bodem en natuur. De overheid zal deze richtlijnen vertalen naar nationale regels die door gemeenten en omgevingsdiensten moeten worden uitgevoerd. De nadruk verschuift daarbij van beheer naar herstel en van sectorale naar integrale aanpakken. Gemeenten krijgen te maken met nieuwe verplichtingen rond monitoring , participatie , rapportage en naleving , terwijl bestaande opgaven zoals woningbouw , energietransitie en klimaatadaptatie blijven doorlopen.

Klimaatwet De Klimaatwet geeft richting aan hoe Nederland stap voor stap klimaatneutraal wordt. Het uiteindelijke doel is dat we in 2050 vrijwel geen broeikasgassen meer uitstoten en volledig overstappen op duurzame energie. Onderweg zien we duidelijke mijlpalen: in 2030 moet de uitstoot bijna gehalveerd zijn ten opzichte van 1990 , en de elektriciteitsproductie moet in 2050 helemaal CO2-neutraal zijn. Jaarlijks vindt controle plaats en elke vijf jaar stelt het Rijk een Klimaatplan op , zodat duidelijk blijft welke keuzes en maatregelen nodig zijn om deze doelen te halen. Dit raakt dus de VTH-taken (Vergunningverlening , Toezicht en Handhaving). Bedrijven , instellingen en gemeenten moeten immers maatregelen nemen om emissies te beperken en energie-efficiëntie te verhogen. 7

Nota Ruimte Nederland is een dichtbevolkt land. Met ruim 18 miljoen mensen op een relatief klein oppervlak moeten we voortdurend slimme keuzes maken over hoe we onze ruimte inrichten. Wonen , werken , landbouw , natuur , energie , waterveiligheid – alles vraagt om plek. Om te zorgen dat Nederland ook in 2050 en 2100 een gezond , leefbaar en aantrekkelijk land blijft , werkt het Rijk aan een nieuwe Nota Ruimte. Deze nota vervangt de huidige Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en schetst de koers voor de lange termijn. De Nota Ruimte gaat niet alleen over mooie vergezichten of abstract beleid. Het is een document dat de praktijk van alledag raakt. Want de keuzes die het Rijk samen met provincies , gemeenten en waterschappen maakt , hebben direct invloed op hoe wij bouwen , de energietransitie vormgeven , natuur herstellen en landbouw toekomstbestendig maken. Het gaat dus over concrete vraagstukken van nu , straks (2050) en later (2100). De uitdagingen zijn groot: • • • • •

er moeten voldoende woningen komen; de overgang naar een klimaatneutrale samenleving moet worden versneld; de circulaire economie vraagt nieuwe kaders en innovaties; natuur en waterkwaliteit moeten verbeteren; landbouw en voedselvoorziening moeten duurzaam en toekomstgericht worden

ingericht. Daarbovenop lopen er grote nationale programma’s voor het energienetwerk , waterveiligheid , defensie en economie. Al deze thema’s hebben een sterke milieudimensie – en daar komen de omgevingsdiensten nadrukkelijk in beeld. Voor omgevingsdiensten betekent dit dat hun werk verandert. Niet alleen bij de uitvoering van vergunningverlening , toezicht en handhaving , maar ook in hun adviserende rol bij ruimtelijke ontwikkelingen. Milieuaspecten – zoals externe veiligheid , geluid , luchtkwaliteit , bodem , energie en klimaat – moeten we vanaf de start integraal meenemen in plannen en projecten. De Nota Ruimte legt hiervoor de richting vast en dat betekent dat omgevingsdiensten zich nu al moeten voorbereiden. Zodra de Nota Ruimte definitief is , voert de OMWB een impactanalyse uit. Daarmee brengen we in kaart hoe groot de invloed van de nota is op onze taken en waar we onze rol moeten versterken. Eén ding staat vast: de Nota Ruimte is niet alleen een Rijksdocument. Het is een koerswijziging die de dagelijkse praktijk van de omgevingsdiensten rechtstreeks raakt.

Wet op de defensiegereedheid (Wodg) , uitzondering defensie De wereldwijde veiligheidssituatie verslechtert en de dreiging richting Nederland neemt toe. Deze toegenomen dreiging raakt niet alleen Defensie , maar ook onze maatschappij als geheel. Hoewel het moeilijk te voorspellen is in welke situaties deze dreiging zich concreet zal manifesteren , moeten wij als regio wel voorbereid zijn op de mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving en onze taken daarin. Binnen de Omgevingswet mag de overheid in uitzonderlijke gevallen afwijken van normale procedures , wanneer dit noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. Dit betekent een uitzondering voor Defensie van reguliere regels voor vergunningverlening , inspraak en openbaarheid in bepaalde situaties. Concreet houdt dit in dat: 8

• • • •

bij militaire noodzaak geen verplichte participatie- of inspraakprocedures hoeven plaats te vinden; bepaalde milieugegevens niet openbaar worden gemaakt; vergunningprocedures versneld kunnen worden uitgevoerd bij acute veiligheidsbelangen; toezicht en naleving grotendeels binnen de eigen Defensieorganisatie plaatsvindt.

Defensie-inrichtingen vallen onder een eigen toezichtstructuur. Alleen wanneer Defensie als civiele partij optreedt — bijvoorbeeld bij bouwprojecten , samenwerkingen met gemeenten of gebruik van publieke infrastructuur — komen de bevoegde gezagen in onze regio in beeld. In die gevallen speelt ook onze omgevingsdienst een rol bij de advisering of uitvoering van civiele milieuregelgeving.

Uitzondering toelevering defensie bedrijven (dual use) Ook bedrijven die civiele producten maken kunnen onder de uitzonderingsregel vallen. Dit is het geval bij dual use , ofwel goederen , technologieën en stoffen die zowel civiele als militaire toepassingen kennen . Denk aan chemicaliën , hightech apparatuur of kennis gebruikt voor zowel medische toepassingen als de productie van wapens of raketten. De Europese Unie en de Nederlandse overheid richtten hiervoor enerzijds een vergunningstelsel en toezichtstructuur in om te voorkomen dat dergelijke goederen of kennis in handen komen van partijen die de internationale veiligheid kunnen ondermijnen. Anderzijds hoeven deze bedrijven niet altijd aan bepaalde milieuwetgeving te voldoen om vertraging van de productie te voorkomen. De vormgeving hiervan vraagt nog om uitwerking.

Schaarste drinkwater Het produceren , transporteren en gebruik van drinkwater is in toenemende mate gebonden aan nationale en internationale regels. De Europese Drinkwaterrichtlijn (2020/2184) stelt minimumeisen aan de kwaliteit van drinkwater , versterkt het recht op toegang tot drinkwater en bevat nieuwe normen voor opkomende stoffen. Lidstaten implementeren deze richtlijn in 2026 volledig. De Drinkwaterwet (Nederland) regelt de levering , kwaliteit en beschikbaarheid van drinkwater in Nederland. De wet verplicht tot het waarborgen van veilig , schoon en betrouwbaar drinkwater voor alle gebruikers en legt nadruk op leveringszekerheid , volksgezondheid en duurzaam gebruik van grondstoffen. Voor bedrijven betekent dit vooral: •

•

Strengere kwaliteitsnormen Bedrijven die drinkwater gebruiken of leveren aan derden krijgen te maken met aangescherpte eisen voor parameters zoals PFAS , lood , microbiologische verontreinigingen en andere opkomende stoffen. Dit sluit aan bij de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water , die uiterlijk in 2027 een goede chemische en ecologische toestand van water voorschrijft. Bedrijven moeten hun productieprocessen , monitoring en rapportage hierop afstemmen. Meer verantwoordelijkheid en transparantie Voor bedrijven geldt een uitgebreidere informatieplichten richting overheid en afnemers , onder meer over waterkwaliteit , risico’s en eventuele incidenten. Dit vraagt om verbeterde interne controlesystemen , risicobeoordelingen en periodieke rapportages.

9

•

•

Efficiënt gebruik en beperking van verspilling Zowel de Drinkwaterwet als de Europese richtlijn bevatten bepalingen over duurzaamheid en efficiënt gebruik van water. Bedrijven moeten verspilling actief tegengaan , bijvoorbeeld door het beperken van waterverliezen in leidingnetten en het optimaliseren van productieprocessen. Dit stimuleert investeringen in waterbesparende technieken , hergebruik en circulaire oplossingen , waaronder proceswaterrecycling en het gebruik van alternatieve waterstromen. Vergunnings- en toezichtdruk De aansluiting op de Kaderrichtlijn Water betekent dat bedrijven ook indirect te maken krijgen met een strengere toetsing van lozingen en onttrekkingen. Dit heeft gevolgen voor vergunningverlening en toezicht. Tijdige afstemming met omgevingsdiensten en waterbeheerders wordt essentieel om naleving te waarborgen en vertraging in procedures te voorkomen.

Deze wet- en regelgeving is zowel voor gemeenten als voor omgevingsdiensten relevant. Gemeenten blijven een rol spelen bij de uitvoering van de richtlijn , onder meer bij het bevorderen van toegang tot drinkwater voor kwetsbare groepen , communicatie richting en afstemming met waterbedrijven over ruimtelijke plannen en inwoners moeten met leveringszekerheid. Bij vergunningverlening zij meer rekening houden drinkwaterbelangen , bijvoorbeeld bij bouwprojecten of grondwateronttrekking. Omgevingsdiensten krijgen een grotere rol in toezicht en handhaving op naleving door bedrijven , met name waar het gaat om lozingen , wateronttrekking en de naleving van kwaliteitseisen. Zij moeten hun kennis naar nieuwe stoffen verder uitbreiden , zoals PFAS , microplastics en residuen van geneesmiddelen , en daarnaast nauwer samenwerken met waterschappen en drinkwaterbedrijven. Op termijn gelden naar verwachting ook expliciete regels voor het tegengaan van drinkwaterverspilling.

Gezondheid De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) concludeerde in 2023 dat de bescherming van omwonenden tegen langdurige industriële uitstoot tekortschiet. Hierop reageerde het Rijk met de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Deze richt zich onder meer op strengere luchtkwaliteitsnormen en het opnemen van gezondheid als volwaardig criterium in vergunningverlening. De provincie Noord-Brabant streeft naar drie extra gezonde levensjaren per inwoner in 2030. Daarnaast kunnen gemeenten via het omgevingsplan regels stellen om milieubelasting te beperken. De Europese Unie nam in 2024 een nieuwe richtlijn voor luchtkwaliteit aan die striktere luchtemissie-eisen stelt aan industrieën en andere vervuilingsbronnen. Deze richtlijn is onderdeel van het bredere EU-actieplan voor een “Zero Pollution” beleid tegen 2050. Voor de OMWB is een gezonde leefomgeving al langer een belangrijk thema , met ervaring op het gebied van milieukwaliteit en de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). De uitdaging zit in het structureel borgen van gezondheid in vergunningverlening , toezicht , handhaving en advies . Samenwerking met GGD is hierbij essentieel. De focus op milieu gerelateerde gezondheid heeft de volgende impact voor de VTHA-uitvoering van de OMWB. Vergunningverlening •

•

(Nog) meer aandacht voor maatregelen om emissies en hinder te beperken , met gebruikmaking van de adviezen uit het OvV-rapport en de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Toetsing aan strengere emissie-eisen.

10

Toezicht en handhaving • • •

Verscherpt toezicht op naleving van de te controleren aspecten bij luchtemissies , zoals de verplichtingen voor beheersplannen en meetplannen. Meer druk om overtredingen met betrekking tot emissiereductie en hinder actief te sanctioneren. Meer aandacht voor proactieve inzet van instrumenten als (specifieke) zorgplicht.

Advisering • •

Adviseren van gemeenten bij het stellen van regels voor het omgevingsplan om milieubelasting en hinder te beperken (project SPRONG). Samen met de GGD de belasting van de omgeving op leefniveau visueel in beeld brengen. Dit geeft gemeenten sturingsinformatie voor het stellen van regels in het omgevingsplan en vastleggen van decentrale omgevingswaarden. En dat geeft provincie en gemeenten sturingsinformatie om VTHA-middelen meer te concentreren op gebieden met een grote milieu-impact en gezondheidsrisico’s.

Stikstofproblematiek De stikstofontwikkeling in Nederland laat sinds 1990 een duidelijke daling zien , vooral door maatregelen in de landbouw , industrie en het verkeer. Hoewel de gemiddelde stikstofdepositie inmiddels met ongeveer 51% daalde ten opzichte van 1990 , komt er op grote delen van het Nederlandse natuuroppervlak nog altijd te veel stikstof neer. Vooral de intensieve veehouderij vormt een belangrijke bron van ammoniakemissie , die in de natuur als voedingsstof neerslaat en leidt tot verdringing van kwetsbare flora en afname van biodiversiteit. Binnen het thema stikstof richten we ons daarom zowel op de neerslag van ammoniak uit de landbouw , als op de uitstoot van stikstofoxiden uit verkeer en industrie. Door de huidige regels is het nagenoeg onmogelijk om invulling te geven aan nieuwe ontwikkelingen. De provincie Noord-Brabant probeert voor agrarische bedrijven een deel van deze impasse te doorbreken. Het proces dat de provincie Noord-Brabant momenteel doorloopt – gebaseerd op de notitie 'Bijstellen aanpak ammoniakemissie-eisen en veehouderijen' – richt zich primair op het agrarische deel van de stikstofopgave. Tegelijkertijd speelt stikstof ook nadrukkelijk in het industriële domein , waar gemeenten het bevoegd gezag zijn.

Daardoor raakt de provinciale koers niet alleen de landbouw , maar heeft deze mogelijk ook gevolgen voor gemeentelijke VTH-taken richting industriële bedrijven. In beide domeinen blijft de stikstofproblematiek een complex en veranderlijk dossier , met veel landelijke en regionale beleidswijzigingen , die de afgelopen jaren grote impact hadden op onze VTHKA-activiteiten. We verwachten dat deze dynamiek voorlopig niet afneemt en blijven daarom nauw afstemmen met onze opdrachtgevers. De provincie paste in december 2025 de Omgevingsverordening aan om ruimte te creëren voor ontwikkelingen in de veehouderij. Door plaatsing van emissiearme stalsystemen toe te staan via een melding in plaats van een vergunning , kan worden voldaan aan de strenge emissie-eisen uit de Omgevingsverordening. Momenteel ligt de vergunningverlening vrijwel stil door een gerechtelijke uitspraak , die stelt dat elk emissiearm stalsysteem moet worden beoordeeld via een passende beoordeling – iets waarvoor de kaders nog ontbreken. De provincie ziet nu echter de opgenomen eisen in de Omgevingsverordening als die passende beoordeling , waardoor een vergunning niet langer nodig is.

11

Veehouders kunnen hierdoor hun lopende natuurvergunningaanvraag (circa 1. 700 in Brabant) intrekken en een melding indienen voor het beoogde emissiearme stalsysteem. Wel geldt als harde randvoorwaarde dat uitbreiding van het aantal dieren in Brabant niet langer is toegestaan. De emissie-eisen blijven onverminderd van kracht , waardoor boeren emissiearme systemen moeten installeren binnen de bestaande stalruimte. Voor gemeenten kan deze provinciale wijziging leiden tot een toename van het aantal aanvragen voor gewijzigde milieuvergunningen: wie wijzigt ten opzichte van natuur , wijzigt vaak automatisch ook voor milieu. Wat dit alles voor de werklast van de OMWB betekent , kunnen wij op dit moment nog niet voorspellen.

STOER (versnellen

van

de bouw)

STOER staat voor Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (2025). Het is een initiatief van minister Mona Keijzer , met als doel om de woningbouw te versnellen , kosten te verlagen , en procedures eenvoudiger te maken. In deze notitie staan meer dan 100 aanbevelingen voor het versnellen en vereenvoudigen van het “bouwproces”. De aanbevelingen hebben betrekking op de volgende onderdelen: • • • • •

Verkorten van de planvormingsfase door middel van standaardisatie en parallelle uitvoering van trajecten Verminderen van de onderzoeklast Bezwaar- en beroepsprocedure eenvoudiger en sneller inrichtingen Landelijke bouweisen i. p. v. lokale varianten Aanpassen/versimpelen van eisen op gebied van milieuthema’s: milieu , natuur , bodemonderzoek , grondverzet , milieuzonering , etc.

De concrete uitwerking van STOER moet nog plaatsvinden , maar wordt zeker binnen een periode van 5 jaar worden geïmplementeerd. De impact voor de OMWB heeft met name betrekking op ruimtelijke initiatieven waarbij provinciale en/of gemeentelijke bedrijven een rol spelen.

Hoe

gaan

we

meer

sturen op outcome

Outcome op het gebied van milieu betekent dat we niet alleen kijken naar wát we doen , maar vooral naar wát ons werk oplevert voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het gaat om inzicht in de daadwerkelijke effecten van onze inzet: dragen ons toezicht , advisering en handhaving bij aan schonere lucht , gezonder water , minder overlast of veiliger gebruik van bodem en ruimte?

12

Door deze milieuresultaten beter zichtbaar te maken , kunnen we de waarde van ons werk voor de samenleving versterken en onze bijdrage aan brede maatschappelijke doelen beter onderbouwen. Voor de omgevingsdienst betekent deze manier van werken een verdere verschuiving van uitvoeringsgericht naar resultaatgericht werken. We ontwikkelen onze informatiepositie verder door data uit toezicht , vergunningverlening en handhaving structureel te verzamelen , analyseren en vertalen naar bruikbare inzichten. Deze gegevens helpen ons om patronen te herkennen , trends te duiden en beter te sturen op wat écht effect heeft in de leefomgeving. Vanaf 2027 sturen we steeds meer op inhoudelijke KPI’s waarop we daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen , zoals naleefgedrag , het aantal overtredingen en de effectiviteit van toezicht en interventies. We gaan niet sturen op brede maatschappelijke indicatoren zoals biodiversiteit of levensverwachting , maar op meetbare resultaten binnen onze eigen uitvoeringssfeer. In aanloop daarnaartoe actualiseren we het Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) en voeren we opnieuw een omgevings- en beleidsanalyse uit , samen met de beleidsafdelingen van onze opdrachtgevers. Zo bepalen we gezamenlijk waar de grootste maatschappelijke opgaven liggen en hoe we daar met onze inzet het meest effectief aan kunnen bijdragen.

13

Concrete ontwikkelingen

2027

Introductie Voor een aantal ontwikkelingen is inmiddels duidelijk welke VTHKA-werkzaamheden (Vergunningverlening , Toezicht , Handhaving , Klachten en Advies) de OMWB in voort 2027 kan/moet uitvoeren. Deze mogelijke werkzaamheden vloeien uit beleidsvoornemens , wettelijke verplichtingen en lopende programma’s , maar ook uit maatschappelijke discussies die de richting en prioriteiten van ons werk beïnvloeden. Denk daarbij aan thema’s energietransitie , gebruik van staalslakken en agrarische ontwikkelingen , waarover het publieke debat steeds nadrukkelijker richting geeft aan beleid en uitvoering. In de volgende paragrafen worden deze ontwikkelingen verder uitgewerkt. Per onderwerp wordt beschreven welke opties er zijn voor de inzet van de OMWB , welke kennis en capaciteit daarvoor nodig kunnen zijn , en hoe dit zich vertaalt naar de uitvoering binnen de regio Midden- en West-Brabant. Elke paragraaf sluit af met een overzichtstabel waarin de geraamde kosten voor de gehele regio zijn weergegeven. In overleg met de deelnemers kan worden bepaald of deze inzet leidt tot aanvullende kosten , of dat door middel van herschikking binnen bestaande middelen een kostenneutraal scenario mogelijk is. Deze tabellen bieden daarmee een eerste financieel kader voor de verdere uitwerking van de begroting en de bestuurlijke besluitvorming richting 2027.

Energietransitie De regio Midden- en West-Brabant staat voor grote uitdagingen in de energietransitie: de uitstoot moet fors omlaag , terwijl het elektriciteitsnet overbelast is en de energievraag blijft stijgen. Doelen voor 2030 lijken zonder extra inspanning niet haalbaar. Bedrijven , verantwoordelijk voor circa 70% van het energieverbruik , spelen hierin een sleutelrol. De OMWB levert al een bijdrage door de uitvoering van energietoezicht bij bedrijven. In 2026 vindt een herijking plaats van het gewenste uitvoeringsniveau. Dit zal naar verwachting leiden tot een aanpassing van de budgetadviezen voor deze taak in 2027. Naast de uitvoering van energietoezicht en samenwerking met bedrijven , gaat de OMWB haar rol verbreden. De organisatie verschuift van een reactieve naar een meer ondersteunende en proactieve houding. Door kennis en expertise in te zetten , helpt de OMWB gemeenten en bedrijven sneller en effectiever te verduurzamen. Daarbij ligt de focus op twee sporen: 1. 2.

Externe oriëntatie: landelijke en lokale ontwikkelingen tijdig signaleren en vertalen naar de eigen organisatie , zodat gemeenten en partners adequaat worden ondersteund. Interne voorbereiding: versterken van kennis , capaciteit , voorschriften en processen zodat de OMWB voorbereid is op nieuwe taken en uitdagingen rond duurzame energie.

Om deze twee sporen kracht bij te zetten heeft de OMWB een visie ontwikkeld die in de loop van 2026 /2027 wordt uitgewerkt en geïmplementeerd. De energievisie heeft daarbij de volgende impact voor d OMWB en haar eigenaren: Voor OMWB:

14

• • • •

Groeiende behoefte aan gespecialiseerde kennis (o. a. waterstof , warmtenetten , netcongestie). Meer capaciteit nodig voor VTHKA-taken en adviesfuncties. Investeringen in interne organisatie: standaardvoorschriften , aanvraagformulieren , beoordelingskaders. Rol als strategische gesprekspartner in regionale projecten (Powerport , RES/REKS , Delta Rhine Corridor).

Voor gemeenten: • • • •

Gemeenten kunnen rekenen op meer ondersteuning bij vergunningverlening en toezicht , met snellere en beter voorbereide processen. Meer inhoudelijke advisering bij omgevingsplannen en gebiedsontwikkelingen. Betere benutting van kansenkaarten en informatie om duurzame initiatieven ruimtelijk mogelijk te maken. Vergroting van bestuurlijke handelingsperspectieven door vroegtijdige signalering van landelijke en regionale ontwikkelingen door de OMWB.

Impact OMWB 2027 en verder: Impact

Fin. post

Bedrag

A opbouwen en zorgen gespecialiseerde kennis op gebied van energie

opleiding

€. 20.000-,

B investeren in interne organisatie

P3

€. 75.000-,

C gesprekspartner

P3

€. 10.000-,

Geothermie Geothermie , het winnen van warmte uit de diepe ondergrond , biedt grote kansen als duurzame energiebron voor Brabant. Het is een vrijwel onuitputtelijke , ruimtelijk efficiënte en kosteneffectieve manier om warmte te leveren aan bijvoorbeeld wijken en glastuinbouw. In Midden- en West-Brabant zijn meerdere gebieden kansrijk , en lopend onderzoek (SCAN) zal het potentieel verder in kaart brengen. Naar verwachting zal het aantal geothermische installaties vanaf 2027 gaan toenemen. Daarmee vormt geothermie een belangrijke aanvulling op zon en wind in de regionale energietransitie. Het realiseren van een geothermie installatie is niet geheel zonder risico’s. De bevoegdheden voor plaatsen en controleren van de installatie is versnippert over meerdere instanties. Geothermieprojecten valt namelijk onder complexe wet- en regelgeving en kennen meerdere vergunningen toezichtbevoegdheden. Afstemming met andere bevoegde gezag is noodzakelijk. Geothermie valt naast de Omgevingswet namelijk ook deels onder de Mijnbouwwet waar Staatstoezicht op de Mijnen ( SodM ) toezicht op uitvoert. Het is van belang dat kennis over geothermie en de VTH uitvoering goed en tijdig binnen OMWB wordt geborgd en wordt afgestemd met de gemeenten.

Geothermie heeft de volgende impact voor de VTHKA uitvoering van de OMWB.

15

•

•

•

VTH-medewerkers zullen vaker te maken krijgen met nieuwe toetsings- en toezichtvragen rond ondergrond , veiligheid en milieu , wat vraagt om extra kennisopbouw en samenwerking. Voor de OMWB betekent dit uitbreiding van taken binnen de basistaak milieubelastende activiteiten , in nauwe afstemming met SodM en gemeenten. De OMWB moet gemeenten actief informeren , adviseren over inpassing in omgevingsplannen en instemming vragen met werkafspraken over toezicht en

handhaving.

Impact OMWB 2027 en verder: Impact

Fin. post

Bedrag

A opbouwen en borgen gespecialiseerde kennis op gebied van geothermie

opleiding

€. 5.000-,

B afstemmen van VTH taken met gemeenten en bevoegd gezag Mijnbouwet

P3

€. 15.000-,

C aanvullende VTH uitvoering geothermische installaties (basistaak)

P1

€. 10.000-,

Staalslakken (niet gemeld

op

risicovolle plekken)

De staalslakkenproblematiek in Nederland is in 2025 uitgegroeid tot een urgent milieuvraagstuk. Staalslakken zijn restproducten uit de staalproductie , voornamelijk afkomstig van Tata Steel , en bevatten zware metalen. Ze worden al jarenlang toegepast wegen , fietspaden , dijken en als funderingsmateriaal bijvoorbeeld in in parkeerterreinen. Echter , uit onderzoek blijkt dat deze toepassingen kunnen leiden tot water , vissterfte , ernstige milieuschade , zoals verontreiniging van bodem en gezondheidsklachten bij mensen en aantasting van riolering. Tegelijkertijd is er druk vanuit de circulaire economie om grondstoffen zo veel mogelijk te hergebruiken , in plaats van te storten. Dit spanningsveld maakt de staalslakkenproblematiek complex. Daarom geldt sinds medio 2025 een verbod van een jaar en een vergunningplicht voor bepaalde toepassingen van staalslakken. Binnen die periode wordt gewerkt aan structurele regelgeving – o. a. een meldingsplicht en risicoanalyse voorafgaand aan toepassing - en innovatieve methoden om staalslakken schoner en veiliger in te zetten. Naast staalslakken zijn er meer reststoffen die als bouwstof mogen worden gebruikt.

Inmiddels heeft het IPO het Rijk opgeroepen bovengenoemde periode tevens te benutten voor fundamentele keuzes , niet alleen over staalslakken , maar over hoe we omgaan met reststoffen , risico’s en verantwoordelijkheid in een circulaire economie. Omdat de toepassing van staalslakken – en veel andere reststoffen - niet gemeld hoefde te worden heeft de OMWB weinig informatie beschikbaar van eerdere toepassingslocaties in onze gemeenten en eventuele risico’s van deze toepassingen. De staalslakkenproblematiek heeft de volgende impact voor de VTHKA uitvoering van de OMWB. 16

•

• •

VTH-medewerkers zullen vaker te maken krijgen met nieuwe toetsings- en toezichtvragen rond staalslakken , gezondheidsrisico’s en milieu , wat vraagt om extra kennisopbouw en samenwerking met de GGD. Voor de OMWB betekent dit uitbreiding van taken binnen de basistaak milieubelastende activiteiten , in nauwe afstemming met gemeenten. De OMWB moet gemeenten actief informeren , adviseren over inpassing in omgevingsplannen en instemming vragen met werkafspraken over toezicht en handhaving.

Impact OMWB 2027 en verder: Impact

Fin. post

Bedrag

A Verkenning problematiek staalslakken en zo nodig andere toegepaste reststoffen die landelijk als risicovol voor mens en/of milieu worden aangemerkt , in afstemming met andere omgevingsdiensten , provincie en het ministerie van IenW

P3

€. 7. 500

B Regionale strategie voor inventarisatie toepassingslocaties staalslakken en risico-inschatting in afstemming met gemeenten en GGD

P3

€. 7. 500

C opbouwen en borgen gespecialiseerde kennis op gebied van staalslakken

opleiding

€. 3. 000

D afstemmen van VTH taken met gemeenten en GGD

P3

€. 13. 000

E aanvullende VTH uitvoering staalslakken (basistaak)

P1

€. 17. 000

Ontwikkelingen in de agrarische sector

en

de VTH-impact

De Nederlandse agrarische sector staat al jaren onder druk door de stikstofproblematiek en het verlies van derogatie. Derogatie hield in dat Nederlandse boeren , vanwege de grote hoeveelheid grasland , tijdelijk méér dierlijke mest mochten uitrijden dan in Europa was toegestaan. Dit uitzonderingsrecht is de afgelopen jaren stapsgewijs ingetrokken. Het verlies hiervan vergroot de druk op bedrijven: mestafzet wordt duurder , bedrijfsvoering moeilijker en stallen komen sneller leeg te staan. Leegstaande locaties brengen nieuwe risico’s met zich mee: een verhoogde kans op broedplaatsen voor malariamuggen en de opkomst van illegale activiteiten in het buitengebied , zoals drugslabs en illegale opslag.

17

Naast deze ruimtelijke en veiligheidsrisico’s speelt ook een milieuvraagstuk. De afgelopen jaren is er in de paardensector steeds meer gebruik gemaakt van polyvlokken of tapijtsnippers als bodembedekking bij maneges. Hoewel dit restproducten zijn , kunnen ze zich verspreiden in de omgeving. De samenstelling bevat bovendien Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) , wat schadelijke effecten kan hebben op bodem en waterkwaliteit. VTH-impact voor de Omgevingsdienst en eigenaren Voor omgevingsdiensten en hun eigenaren (gemeenten) betekent dit dat de vergunningverlening , toezicht en handhaving (VTH)-opgave verandert en intensiever wordt: • • •

Vergunningverlening: nieuwe milieuaspecten (zoals polyvlokken met ZZS) vragen om scherpere toetsing bij aanvragen. Toezicht: leegstand vereist gerichte aandacht om risico’s op muggenplagen en illegale activiteiten vroegtijdig te signaleren. Handhaving: bij overtredingen rondom gebruik van restmaterialen of illegale activiteiten in leegstaande agrarische gebouwen is stevig optreden noodzakelijk.

Kortom: de transitie van de agrarische sector – versterkt door het wegvallen van derogatie – heeft directe gevolgen voor milieu , veiligheid en leefbaarheid. Omgevingsdiensten spelen hierbij een cruciale rol door samen met gemeenten en andere partners tijdig risico’s te signaleren , toezicht te houden en de leefomgeving te beschermen. Impact OMWB 2027 en verder: Impact

Fin. post

Bedrag

P3 (verkennen)

€. 20.000-,

P1 (VTH)

€. 20.000-,

B Malariamug (problematiek)

P3

€. 10.000-,

C Polyvlokken (problematiek en uitwerken VTH strategie)

P3

€. 20.000-,

A stikstofproblematiek verkenning en inrichten VTH proces

Kader Richtlijn Water Nederland moet uiterlijk eind 2027 voldoen aan de waterkwaliteitseisen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Schoon water versterkt biodiversiteit en natuurwaarden en draagt bij aan een prettige , groene leefomgeving voor inwoners. Door strikte normen voor waterkwaliteit te stellen , draagt de richtlijn bovendien direct bij aan de veiligheid en beschikbaarheid van schoon drinkwater. De KRW stelt eisen aan bedrijven , overheden , burgers en andere watergebruikers om de waterkwaliteit te verbeteren en verbiedt tevens verslechtering van de waterkwaliteit. Gemeenten moeten , net als Rijk , waterschap en de provincie , met hun beleid en uitvoering helpen om de waterkwaliteit te verbeteren. Als Nederland of een gemeente zich niet aan de regels houdt , kan dat leiden tot Europese boetes of het ongeldig verklaren van omgevingsvergunningen. Dat kan opnieuw zorgen voor vertraging van projecten , zoals we ook zien bij het stikstofdossier.

18

Hoewel er de afgelopen jaren veel is gedaan , is nu al duidelijk dat niet alle wateren in 2027 zullen voldoen aan de KRW-eisen. Gemeenten moeten daarom duidelijk kunnen laten zien dat hun besluiten bijdragen aan de KRW-doelen. Daarnaast moeten zij aantonen dat zij de afgelopen jaren maatregelen hebben genomen om deze doelen te halen. Omdat de Brabantse wateren nog niet op orde zijn , startten Rijk en regio gezamenlijk een ‘KRW-impulsprogramma’ om ‘alles op alles te zetten om aan de KRW te voldoen’. De KRW-impuls Brabant 2025-2027 beschrijft aanvullende maatregelen voor de Brabantse overheden voor de KRW-opgave in 2027. Gemeenten hebben een sleutelrol bij het verminderen van indirecte lozingen door bedrijven. Het gaat daarbij om chemische stoffen die tijdens productieprocessen vrijkomen en via het riool in het watersysteem terechtkomen. De OMWB is door de provincie en regio-gemeenten gemandateerd voor de VTH-taken op indirecte lozingen. In 2025 is de OMWB gestart met het uitbreiden van kennis en capaciteit om de VTHtaken rond indirecte lozingen ‘op niveau’ te brengen. Dat is op dit moment nog onvoldoende het geval. Deze uitbreiding is in lijn met de KRW-impuls Brabant.

Voor gemeentelijke KRW-maatregelen beschrijft de impuls concreet het intensiveren van risico gestuurd toezicht bij relevante indirecte lozingen van bedrijfsafvalwater en inclusief bijbehorende bemonstering op KRW-stoffen , in samenwerking met omgevingsdiensten en waterschappen. Om de bestuurlijke awareness te voeden ontvangen de leden van het Algemeen Bestuur rond de publicatie van deze Kaderbrief een brief van waterschap Brabantse Delta , portefeuillehouder dhr. Scholze en OMWB waarin de sleutelrol van de gemeenten bij de KRW-impuls Brabant wordt verduidelijkt en wordt ingegaan op de mogelijke consequenties bij het niet voldoen aan de KRW. Tevens wordt gevraagd de KRW bestuurlijk te agenderen en de KRW als prioriteit vast te leggen voor de komende bestuursperiode. De KRW-impuls heeft de volgende impact voor de VTHKA 1. 2. 3.

uitvoering van de OMWB.

Vergunningverlening: het “KRW-proof” maken van gemeentelijke vergunningen samen met de Brabantse waterschappen op basis van de in 2025/2026 ontwikkelde blauwdruk voor provinciale vergunningen. Toezicht: het verhogen van het aantal toezichtscontroles , met name op indirecte lozingen en het nemen van meer afvalwatermonsters bij geselecteerde bedrijven. Handhaving: bij overtredingen rondom afvalwaterlozingen is stevig optreden noodzakelijk.

Impact OMWB 2027 en verder: Impact

Fin. post

Bedrag

Afvalwaterbemonsteringen

P1/P2

€ 500.000-* ,

Onderhouden netwerk indirecte lozingen

P3

€5.000-,

Programmeren van de taken in het werkprogramma

P1/P2

€10.000-,

19

Uitbreiding kennis op indirecte lozingen bij de VTKHA-medewerkers

concernuren

€10.000-,

*Dit budget i. k. v. de KRW-impuls Brabant is deels toe te schrijven aan uitbreiding van het toezicht op indirecte lozingen bij basistaakbedrijven en monsterneming als onderdeel van dit toezicht. Daarnaast is dit budget ook bestemd voor monsterneming bij gemalen en in de riolering om vervuilers op te sporen. Analysekosten zijn een substantieel onderdeel van het budget. Financiering van deze kosten kan wellicht voor een deel uit de rioolbudgetten van de gemeenten.

20

Bedrijfsvoering Inleiding Bedrijfsvoering 2027 De herijkte door het DB vastgestelde visie van de OMWB en de daaruit voortvloeiende strategische opgaven (communicatie , sturing en leiderschap , kennismanagement , kwaliteitsmanagement en datagedreven werken) vragen veel capaciteit en tijd van de afdeling bedrijfsvoering. Er resteert in 2027 niet veel ruimte voor andere (beleids-) ontwikkelingen. Een tweetal autonome ontwikkelingen spelen echt wel een rol: de aanbesteding van onze kernapplicatie en de (landelijke) ontwikkeling betreffende de financieringsmethodiek. Opstarten aanbesteding VTH applicatie RX Mission is de kernapplicatie voor de primaire taken van de OMWB. Deze applicatie ondersteunt alle VTH zaaktypeprocessen en de archivering van alle documenten gerelateerd aan deze primaire taken. Daarnaast is het omgevingsdossier binnen RX Mission een belangrijke bron voor het in kaart brengen en houden van de inrichtingen en de MBA’s. Binnen de applicatie wordt belangrijke data vastgelegd die noodzakelijk zijn voor de interne bedrijfsvoering en externe regionale en landelijke verantwoording. Het contract met Roxit (leverancier van RX Mission) loopt per 1 januari 2029 af en kan niet meer verlengd worden. Dit betekent dat we een nieuwe Europese aanbesteding gaan opstarten.

De mogelijke uitkomst betekent dat we mogelijk overgaan naar een nieuwe applicatie en een dergelijke overgang heeft een enorme impact. Vandaar dat we tijdig starten met deze voorbereidingen. Financieringssystematiek Binnen de regio Midden- en West-Brabant hanteren we de MWB-norm. Dit is een robuuste norm voor de financiering van onze taken. In eerdere P&C documenten en momenten spraken we over de herziening van deze norm. Aanleiding voor deze herziening was het feit dat sinds de intrede van de omgevingswet en het GUK het werk en de werkwijzen lijken te gaan veranderen. En tegelijkertijd is er een landelijk financieringsmodel voor omgevingsdiensten ontwikkeld: het zogenaamde voorkeursmodel. Dit landelijk voorkeursmodel bestaat uit een vijftal elementen: • •

• • •

Het opzetten van een apart begrotingsonderdeel bedrijfsvoering; Het komen tot locatiegebonden financiering (in het kort gezeg: omgevingsdiensten worden gefinancierd door een vast bedrag per locatie waarin alle VTHKA-kosten zijn verwerkt); Het opzetten van een programma Collectieve Taken; Het opzetten van een programma voor plustaken; Het (duidelijk) definiëren van projecten.

In dit model kennen de vijf elementen ieder een aparte financiering. Voor het begrotingsonderdeel bedrijfsvoering en de locatie gebonden financiering is het uitgangspunt dat afgerekend wordt op begroting , de overige onderdelen worden afgerekend op realisatie.

21

Landelijk nam een werkgroep de opdracht aan om dit voor een aantal omgevingsdiensten verder uit te werken met behulp van een extern bureau. Dit betekent dat deze omgevingsdiensten begeleiding krijgen bij het maken van een start voor de implementatie van de financieringssystematiek. Dit project neemt naar verwachting geheel 2026 in beslag. De complexiteit kunnen we niet onderschatten. Er vindt landelijk bij sommige omgevingsdiensten nog steeds discussie plaats over bijvoorbeeld basistaken. Er dient een uniformering van begrippen plaats te vinden. De wijze van financiering per omgevingsdienst is verschillend. Daarnaast verloopt diezelfde financiering via provinciën en gemeenten , waardoor het IPO en de VNG belangrijke stakeholders zijn. Uiteindelijk dienen de afzonderlijke besturen van de omgevingsdiensten akkoord te gaan. De OMWB participeert niet in bovenstaand project , maar we volgen de voortgang nauwgezet . We weten namelijk goed waar we staan. Voor een drietal elementen werken we al volgens het voorkeursmodel. Er bestaat al geruime tijd een programma voor Collectieve Taken (P3) en voor plus taken (P2). De afrekening vindt al conform het voorkeursmodel plaats. We registreren , calculeren en rekenen projecten afzonderlijk. Voor een tweetal elementen ligt er nog wel een opgaaf.

Het oprichten van een afzonderlijk begrotingsonderdeel bedrijfsvoering is inhoudelijk niet complex , maar vraagt bestuurlijke goedkeuring gezien het feit dat de indeling van de begroting wijzigt en dit mogelijk consequenties heeft voor de opbouw van het uurtarief. Echter , het meest complexe element is de locatiegebonden financiering. Deze methode gaat uit van een kostprijs per individuele locatie (op basis van meerjarige gemiddelden). Denk hierbij aan de kosten van toezicht , rapportages , vergunningverlening , klachten en handhaving. Dit vergt de volgende voorwaarden voor een goed werking: • • • •

Een up-to-date locatiebestand met bijbehorende Milieu Belastende Activiteiten; Een vastgesteld Gemeenschappelijk Uitvoeringskader (GUK) met (meerjarig) normen en kengetallen; Een systematiek van werken met , sturen op en evalueren van normen en kengetallen (PDCA); Regionale afspraken over excessen.

De OMWB heeft een aantal onderdelen op orde , zoals een vastgesteld GUK. We moeten als organisatie wel constateren dat het locatiebestand nog van onvoldoende kwaliteit is om te dienen als basis voor de uitvoerige berekeningen , en dat voor diverse taakgebieden het werken met én sturen op normen en kengetallen nog niet voldoende ingebed is. Voor wat betreft het locatiebestand draagt een projectleider zorg voor een stevige kwaliteitsimpuls. Dit traject loopt geheel 2026. Voor de overige onderdelen , inclusief het begrotingsonderdeel bedrijfsvoering , stelden we nog nog geen plan van aanpak op. Dit pakken we in de loop van 2026 op , waarbij de vraag is of alle elementen van het voorkeursmodel van toepassing zijn op onze organisatie. Dit uiteindelijke besluit moet het Algemeen Bestuur nemen en vergt nog (landelijk) onderzoek en kritische beschouwingen.

22

Dit betekent concreet dat voor de begroting 2027 de MWB-norm nog steeds geldt als basis voor de financiering. In 2027 komt duidelijkheid over de richting waarin de organisatie zich qua financieringssystematiek gaat bewegen en worden de (eventuele) consequenties voor de deelnemers meer inzichtelijk. De systematiek blijft overeind , de onderliggende aantallen (zoals hoeveelheden bedrijven) kunnen wel wijzigen.

23

Financiële uitgangspunten Inleiding In voorgaande hoofdstukken is op thema’s een kwalitatieve doorkijk geschetst van verwachte en beoogde ontwikkelingen en trends voor de aanstaande planperiode. In deze paragraaf worden de financiële uitgangspunten benoemd voor de Begroting 2027 en de Meerjarenraming 2028-2030.

Algemene uitgangspunten De OMWB hanteert de volgende algemene financiële uitgangspunten bij het opstellen van de begrotingsdocumenten: •

• • • •

De begroting 2027 gaat uit van het bestaande beleid , rekening houdend met de financiële effecten die betrekking hebben op de in deze kaderbrief genoemde beleidsontwikkelingen. De begroting 2027 , inclusief meerjarenraming 2028-2030 , is structureel financieel sluitend. De MWB- norm vormt de basis voor het financieringsmodel 2027 voor de deelnemende gemeenten. Om mogelijke tegenvallers adequaat te kunnen opvangen , houden we rekening met een post 'Onvoorzien' van € 150. 000. De begroting 2027 stellen we op met inachtneming van het Besluit Begroting en Verantwoording voor provincies en gemeenten (BBV).

MWB-norm In afwachting van de uitkomsten vanuit het IBP over de financieringsmethodiek blijft de MWB-norm de basis voor de deelnemersbijdrage. Zodra de uitkomsten vanuit het IBP bekend zijn treden we in overleg met de deelnemers.

Baten

en

tariefontwikkeling

Als uitgangspunt voor de tarief bepaling 2027 hanteren we het voorcalculatorisch uurtarief van 2026. Op dit tarief stellen we vervolgens aanpassingen voor naar actuele inzichten (inflatie , ziekteverzuim , et cetera). Conform de Financiële verordening OMWB 2025 , artikel 5 , volgt een correctie met een herberekening over de twee jaren vóór het begrotingsjaar , mocht de begrote en werkelijke indexering van elkaar afwijken. De indexeringspercentages zijn volgens de Septembercirculaire 2025 als volgt:

Begrot ing

Begrotingswi jziging

Circul aire 2025*

Begrot ing

Circul aire 2025*

Circul aire 2025*

24

2025

2025

2025

2026

2026

2027

Loonvoet sector overheid

58% ,

47% ,

60% ,

38% ,

29% ,

51% ,

Prijs overheidsconsump tie , netto materieel (imoc)

16% ,

27% ,

29% ,

22% ,

24% ,

22% ,

* Uit tabel 4. 2. 2 Prijsindexen CPB MEV 2026 en CEP 2025

Cao-ontwikkelingen De Cao Gemeenten/SGO 2025-2027 loopt vanuit 2025 door tot en met 31 maart 2027. Voor de periode na deze datum is nog geen Cao vastgesteld. Conform onze financiële richtlijnen gaan we voor de tariefbepaling 2027 uit van de indexen uit de Macro Economische Verkenningen 2027 in de septembercirculaire 2025 van het Centraal Planbureau.

Ziekteverzuim Voor 2027 houden we rekening met een verzuimpercentage van 50% , (2026: 6%). Op dit moment is het ziekteverzuimpercentage 55% , Het mogelijke verschil rekenen we niet in het tarief door. De hierdoor gemiste declarabele uren compenseren we door het verminderen van uren op niet-declarabele projecten.

Declarabiliteit De door met deelnemers afgestemde werkprogramma's 2026 vormen de basis voor het werkaanbod 2027. In totaal bedraagt het werkaanbod maximaal 389. 000 declarabele uren.

De declarabiliteitsnorm van 1. 295 uur per fte kent de volgende opzet: Bruto netto berekening Beschikbare uren

Totaal uren 1. 879

Verlof en feestdagen

284

Verzuim

94

Niet-declarabele uren (o. a. overleg , opleiding , kwaliteitsmanagement , uren key users , OR/BHV

206

Totaal declarabele uren

1. 295

25

Lasten Het belangrijkste onderdeel van de kostenstructuur betreft de personele kosten. Dit is circa 80% van de totaal begrote lasten en bestaat uit kosten behorend bij personeel in loondienst en inhuur derden. Dit laatste is wenselijk in termen van flexibiliteit en noodzakelijk vanwege de krapte van de arbeidsmarkt.

Personeel in loondienst Het personeelsbestand is in te delen in medewerkers voor uitvoering van het primaire proces en , medewerkers in de bedrijfsvoering. De met de deelnemers afgestemde werkprogramma’s 2026 dienen als basis voor de begroting 2027. Het werkaanbod is geraamd op maximaal 389. 000 declarabele uren. Een onzekerheid hierin betreft de uitvoering van taken gericht op 'toezicht en handhaving energiebesparingsplicht' (THE). De looptijd van de specifieke uitkering ter dekking van deze werkzaamheden eindigt ultimo 2026. De verwachting is dat de financiering per 2027 via het Gemeentefonds verloopt. In beginsel voeren eigen werknemers werkzaamheden uit , wat we aanvullen met inhuur van derden. Gedurende 2025 nam de inzet van eigen medewerkers ten opzichte van inhuur verder toe. Het is onze ambitie om deze stijgende lijn door te zetten , waarbij we naar een verhouding tussen eigen personeel en inhuur toewerken met voldoende flexibiliteit om in te kunnen (blijven) spelen op een mogelijk veranderend werkaanbod.

Personeel niet in loondienst Als gevolg van de situatie op de arbeidsmarkt en de ontwikkeling van het werkprogramma is de OMWB bij de uitvoering van haar taken genoodzaakt extern personeel in te huren. Dit geldt voornamelijk voor het primair proces. Daarnaast streeft de OMWB ernaar om door middel van inhuur voldoende flexibiliteit aan te houden om te kunnen op- of afschalen bij een wijzigend werkaanbod. Aangezien externe inzet duurder is dan de uitvoering met eigen personeel leidt dit tot extra kosten. Per uiterlijk 1 januari 2026 neemt de OMWB afscheid van ZZP'ers als gevolg van het opheffen van het handhavingsmoratorium vanuit de Wet VBAR (voorgeen Wet DBA).

Overige (materiële) kosten Deze worden opgenomen op basis van de meest recente inzichten rondom de ontwikkeling van overige kosten (huur , servicekosten , ICT-licenties , et cetera); rekening houdend met bovenstaande indexering.

Investeringen In 2027 moeten we een aantal bedrijfsmiddelen opnieuw aanschaffen of vervangen. Het uitgangspunt is dat het Algemeen Bestuur met het vaststellen van de begroting goedkeuring verleent aan deze (vervangings-)investeringen. Met het vaststellen van de begroting stellen we ook de vermelde afschrijvingstermijnen voor investeringen vast.

26

Tarief Uitgangspunt voor de tariefbepaling 2027 is het tarief zoals vastgesteld in de begroting 2024 , zijnde € 10875. , Op dit tarief voerden we voor 2025 en 2026 een correctie door voor de Marco Economische Verkenningen (MEV) conform de Financiële Verordening. Door kostenbeheersing konden we op het geïndexeerde tarief van 2026 een korting doorvoeren. Hierdoor verlaagt het tarief van € 11980 , naar € 11500. , Dit tarief is de basis voor de indexatie 2027 (loonstijging en prijsstijging) volgens de septembercirculaire 2025. Het herberekende tarief voor 2026 bevat , zoals bij de eerste begrotingswijziging 2026 is aangegeven , ruimte. In 2026 wordt deze ruimte gebruikt voor organisatieontwikkeling , voor 2027 wordt deze ruimte structureel gebruikt voor het in de integrale kostprijs opnemen van de kosten van onze meetdienst.

Indexatie - Loonstijging en prijsstijging Voor de indexering maken we gebruik van de indexen uit de Macro Economische Verkenningen , gepubliceerd in de septembercirculaire 2025 van het Centraal Planbureau. We passen de volgende indexen toe: • •

Loonvoet sector overheid: 51% , Prijs netto materiële overheidsconsumptie: 22% ,

Conform de vastgestelde begroting 2026 beslaan de lonen afgerond 80% van de totale lasten (exclusief de post ‘Onvoorzien’) en de overige lasten (waar de prijsverhoging relevant is) 20%. Dit leidt tot een gewogen gemiddelde indexering van 452%. ,

Schematische weergave van het tarief In onderstaand schema staat een weergave van de impact van de hiervoor genoemde maatregelen op het tarief van 2027.

Tarief 2024

Gemiddeld

MBO

HBO

Specialist

, 10875

, 8595

, 10538

, 12474

Bijstelling indexering 2024 o. b. v. MEV 2024

57% , i. p. v. 606% ,

€ 038 ,

€ 031 ,

€ 037 ,

€ 044 ,

Aanpassing ziekteverzuim van 55% , naar 50% ,

€ 061 ,

€ 061 ,

€ 061 ,

€ 061 ,

€ 061 ,

€ 10776 ,

€ 8503 ,

€ 10440 ,

€ 12369 ,

Subtotaal 2025 Stijging tarief

-

092% ,

-

107% ,

-

093% ,

-

084% ,

27

Indexering 2025 (o. b. v. september circulaire 2025):

538% ,

€ 580 ,

€ 457 ,

€ 562 ,

€ 665 ,

Impact voorstellen kaderbrief 2025

€ 337 ,

€ 337 ,

€ 337 ,

€ 337 ,

€ 337 ,

Extra verlofdagen 2025

€ 101 ,

€ 101 ,

€ 101 ,

€ 101 ,

€ 101 ,

Herrekend tarief 2025 o. b. v. septembercirculaire 2025:

€ 11795 ,

€ 9400 ,

€ 11440 ,

€ 13470 ,

846% ,

936% ,

856% ,

798% ,

€ 330 ,

€ 263 ,

€ 320 ,

€ 377 ,

Stijging tarief

Indexering 2026 (o. b. v. september circulaire 2025):

280% ,

Kostencorrectie

-

€ 100 ,

-

€ 100 ,

-

€ 100 ,

-

€ 100 ,

-

€ 100 ,

Korting

-

€ 525 ,

-

€ 525 ,

-

€ 525 ,

-

€ 525 ,

-

€ 525 ,

Tarief 2026 o. b. v. septembercirculaire 2024: Stijging tarief (t. o. v. herzien tarief 2025)

Indexering 2027 (o. b. v. september circulaire 2025): Tarief 2027 o. b. v. septembercirculaire 2025: Mutatie tarief

452% ,

€ 11500 ,

€ 9040 ,

€ 11135 ,

€ 13220 ,

-250% ,

-383% ,

-266% ,

-185% ,

€ 520 ,

€ 409 ,

€ 503 ,

€ 598 ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1903/documents/52921