1 - De Bulkenaar_vastgesteld_1_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 6 Quickscan flora en f.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA BP De Bulkenaar
Gemeente Roosendaal
13 NOVEMBER 2020
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Contactpersoon CHRISTEL WELLES
Arcadis Nederland B.V. Postbus 4205 3006 AE Rotterdam Nederland
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
2 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
5
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Leeswijzer
5
STUDIEGEBIED EN INGREEP
6
2.1
Huidige situatie
6
2.2
Voorgenomen ingreep
8
2.3
Afbakening effecten
8
WET NATUURBESCHERMING
9
3.1
Gebiedsbescherming
9
3.1.1
Methode
9
3.1.2
Ligging
9
3.1.3
Effecten
9
3.1.4
Voortoets
10
3.2
Soortbescherming
10
3.2.1
Methode
10
3.2.2
Aanwezigheid beschermde soorten
10
3.2.3
Effectbeschrijving
15
3.2.4
Toetsing
16
3.2.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
16
3.2.4.2
Overtreding verbodsbepalingen
16
3.2.5
Vervolg
17
3.2.5.1
Soortgericht onderzoek
17
3.2.5.2
Mitigerende maatregelen
18
3.2.6
Deelconclusie soortbescherming
20
NATUURNETWERK BRABANT
21
4.1
Methode
21
4.2
Ligging
21
4.3
Effecten
21
CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN
22
BIJLAGEN Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
3 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
BIJLAGE A WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING
23
Gebiedsbescherming
23
Soortbescherming
24
BIJLAGE B WETTELIJK KADER NNB
27
COLOFON
29
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
4 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Het Bravis-ziekenhuis (Roosendaal) wordt verplaatst naar een nieuwe locatie in het gebied De Bulkenaar in de gemeente Roosendaal. Hiervoor dient ook een nieuwe ontsluitingsweg naar de A58 te worden aangelegd. Om deze verplaatsing planologisch mogelijk te maken, wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Zie Figuur 1 voor de situering van het studiegebied.
Figuur 1: Situering van het studiegebied in De Bulkenaar.
Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten of kwalificerende waarden van Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) of effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). In de provincie Brabant wordt het NNN Natuur Netwerk Brabant (vanaf nu: NNB) genoemd. Zie Bijlage A en B voor een beschrijving van het wettelijk kader van deze soort- en gebiedsbescherming. Gemeente Roosendaal heeft Arcadis gevraagd hiervoor een quickscan op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen.
1.2
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het studiegebied in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de voorgenomen ingreep. Hoofdstuk 3 betreft de Wnb, hierin is een beschrijving van de ligging en effecten op Natura 2000-gebieden opgenomen, evenals een beschrijving van aanwezigheid van beschermde soorten met effectbeschrijving en toetsing. In hoofdstuk 4 is beschreven waar het NNB is gelegen en of sprake is van negatieve effecten. Bijlage A beschrijft het wettelijk kader van de Wnb en in Bijlage B is het kader van het NNB beschreven.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
5 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
2
STUDIEGEBIED EN INGREEP
2.1
Huidige situatie
Het studiegebied (Figuur 2) ligt in De Bulkenaar in Roosendaal. Dit gebied ligt ten zuidwesten van de bebouwde kom van Roosendaal en ten zuidoosten van het dorp Wouw. De omgeving van het studiegebied bestaat voornamelijk uit landbouwgebied en percelen met bebouwing. Dit zijn deels boerderijen en deels woonhuizen. De landbouwgronden worden gebruikt voor verschillende gewassen en grasland. Het studiegebied zelf bestaat grotendeels uit landbouwgrond met bebouwing en een klein park met enkele bomen. Het betreft meerdere kavels met verschillende gebruiken. Tussen de verschillende kavels liggen watergangen waar al dan geen water in staat. Ten noorden van het studiegebied loopt parallel aan het gebied de snelweg A58. In het oosten van het studiegebied is een klein parkachtig landschap met aangeplante bomen te vinden in het westen van het studiegebied ligt voor een klein deel de Plantagebaan. In het noordwesten buiten het studiegebied ligt een park met een aangelegd meertje erin. Zie Figuur 3 voor een foto impressie van het studiegebied.
Figuur 2: Luchtfoto met daarop met rode lijn bij benadering het studiegebied weergegeven (bron: Cyclomedia).
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
6 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Figuur 3: Foto-impressie van het studiegebied en de directe omgeving. Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
7 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
2.2
Voorgenomen ingreep
Voornemen Het voornemen is om het Bravis ziekenhuis te verplaatsen naar een nieuwe locatie in het gebied de Bulkenaar in de gemeente Roosendaal. Hiervoor dient tevens een nieuwe ontsluitingsweg naar de A58 te worden aangelegd. Om deze verplaatsing mogelijk te maken, dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Dit is inclusief de nieuwe ontsluitingsweg. Deze quickscan is uitgevoerd voor een door de gemeente Roosendaal opgesteld studiegebied. In het uiteindelijke bestemmingsplan ziet het werkgebied er echter anders uit, hier zal het een kleiner gebied betreffen waarbij de bebouwing buiten het werkgebied valt. In het plangebied van het bestemmingsplan wordt er om de bebouwing heen gewerkt. De bebouwing zal buiten het plangebied van het bestemmingsplan komen te liggen. Werkzaamheden De landbouwgronden worden verwijderd. De aanwezige bebouwing is in deze quickscan wel onderzocht, maar zal buiten het plangebied van het bestemmingsplan liggen. Aanwezige bomen worden zoveel mogelijk gespaard. Er wordt voor de ontsluitingsweg een wegdek aangelegd en er zal bebouwing in het gebied plaatsvinden. Uitgangspunten Een precieze planning was ten tijde van het opstellen van dit rapport nog niet beschikbaar: werkzaamheden kunnen in principe jaarrond plaatsvinden.
In deze quickscan is onderzoek verricht met als uitgangspunt een worst-case scenario binnen het gehele studiegebied zoals weergegeven in hoofdstuk 1. Hierbij zijn dus ook effecten onderzocht op alle watergangen, bomen en bebouwing die binnen het studiegebied vallen.
2.3
Afbakening effecten
Hieronder worden de mogelijke effecten op beschermde soorten door de geplande werkzaamheden genoemd. Er is onderscheid gemaakt tussen tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten vinden alleen plaats tijdens de werkzaamheden. Permanente effecten zijn de effecten die blijvend zijn na het uitvoeren van de werkzaamheden. Tijdelijke effecten: • Mechanische effecten (bijvoorbeeld heen en weer rijden (planten)) • Verstoring door geluid, licht en/of trilling Permanente effecten: • Oppervlakteverlies van leefgebieden of groeiplaatsen • Doden of verwonden • Verstoring door geluid, licht en/of trilling • Optische prikkels (bijvoorbeeld aanwezigheid mensen) • Vermesting en verzuring (bijvoorbeeld door stikstof uit de lucht)
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
8 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
3
WET NATUURBESCHERMING
Onder de Wet natuurbescherming valt de bescherming van Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) en beschermde soorten (hoofdstuk 3 Wnb). In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de Natura 2000-gebieden in § 3.1 en vervolgens op de soortbescherming in § 3.2. Het wettelijk kader is opgenomen in 5.
3.1
Gebiedsbescherming
3.1.1
Methode
Op basis van de ligging van het studiegebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en daarnaast de aard van de ingreep, is aan de hand van een bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van het voornemen.
3.1.2
Ligging
Het studiegebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is De Brabantse Wal, op ruim 4,5 kilometer afstand richting het westen (zie Figuur 4).
Figuur 4: Ligging van het studiegebied (bij benadering het rode vlak) ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (groene arcering) (bron: ArcGis).
3.1.3
Effecten
Omdat het studiegebied niet binnen een Natura 2000-gebied ligt, zijn directe negatieve effecten, bijvoorbeeld door aantasting, op voorhand uitgesloten. Gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebied (ruim 4,5 kilometer), zijn effecten als gevolg van verstoring door bijvoorbeeld geluid en licht eveneens op voorhand uitgesloten. Wel is er mogelijk sprake van externe effecten, namelijk als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van habitatsoorten als gevolg van de werkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw en de verandering van verkeersstromen. Het effect van stikstofdepositie heeft een grote reikwijdte en wordt daarom als indirect negatief effect op het Natura 2000-gebied gezien. Behalve een toename van stikstofdepositie is er ook sprake van een afname van stikstofdepositie vanwege de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering binnen het studiegebied. De inzet van verbrandingsmotoren en -installaties veroorzaken emissies (uitstoot) van stikstofverbindingen in de vorm van NOx. De stikstofverbindingen slaan via de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie). Stikstof is een voedingsstof voor planten. Dit kan gevolgen hebben voor de samenstelling en daarmee Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
9 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
kwaliteit van vegetaties en indirect dus ook habitattypen die daarvoor gevoelig zijn. Ook soorten die afhankelijk zijn van een bepaald habitattype kunnen nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door verandering van de samenstelling en structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod. Veel natuurlijke ecosystemen zijn stikstof-gelimiteerd. Door verzuring en vermesting kan de vegetatiesamenstelling veranderen en kunnen kenmerkende soorten uiteindelijk verdwijnen. Tijdens het bouwen van de nieuwe bebouwing worden diverse machines ingezet voor onder andere het verwijderen van vegetatie en gebouwen en de aan- en afvoer van materialen. Hierdoor vindt stikstofemissie plaats, met als gevolg depositie met een grote reikwijdte. Dit effect zal tijdelijk zijn. Een negatief effect door stikstofdepositie kan desondanks voor de aanlegfase niet op voorhand worden uitgesloten. Door de bouw van het ziekenhuis en aanleg van de ontsluitingsweg zal de agrarische bedrijfsvoering in het studiegebied beëindigd worden. Het aandeel stikstofdepositie als gevolg van de agrarische bedrijfsvoering zal hierdoor afnemen. Op dit moment wordt dit echter niet meegenomen. Uit de uitkomst van de stikstofberekening moet blijken wat het algehele effect van stikstofdepositie op De Brabantse Wal is.
Wanneer de nieuwe bebouwing gerealiseerd is en de gebruiksfase ingaat, vindt een verandering van verkeersstromen plaats. Het is noodzakelijk om berekeningen te doen om voorgaande zaken inzichtelijk te maken.
3.1.4
Voortoets
Op basis van de nog uit te voeren Aerius-berekening kan in de voortoets worden vastgesteld in hoeverre sprake is van tijdelijke en/of permanente effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied De Brabantse Wal. De resultaten van de Aerius-berekening dienen nader te worden geïnterpreteerd, alvorens een deelconclusie gebiedsbescherming kan worden opgesteld. Deze deelconclusie zal beschreven worden in de voortoets.
3.2
Soortbescherming
3.2.1
Methode
Om de soortbescherming te toetsen is een bureauonderzoek uitgevoerd en een veldbezoek gedaan. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen 5 jaar. Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • www.verspreidingsatlas.nl • www.zoogdiervereniging.nl • www.ravon.nl • www.vlinderstichting.nl • www.sovon.nl • www.vogelbescherming.nl • BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper Het veldbezoek is uitgevoerd op 9 oktober 2019 door Christel Welles, ecoloog van Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren bewolkt, regenachtig en een temperatuur van 12°C. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het studiegebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.
3.2.2
Aanwezigheid beschermde soorten
In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het studiegebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
10 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Tabel 1: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het studiegebied per relevante soortgroep. Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek Beschermde planten In de omgeving van het studiegebied zijn geen waarnemingen bekend van zijn uitgesloten. beschermde planten (NDFF). Het studiegebied ligt binnen het verspreidingsgebied van drijvende waterweegbree (website: Verspreidingsatlas). Veldbezoek Het studiegebied bestaat uit grasland, landbouwgrond, wegen en enkele greppels en sloten. Tijdens het veldbezoek zijn verschillende planten soorten waargenomen waaronder riet, braam, brandnetel, paardenbloem, fluitekruid, jacobskruiskruid, gewoon duizendblad, zwart knoopkruid en vlasbekje. Daarnaast zijn meerdere boomsoorten waargenomen waaronder zomereik, paardenkastanje, linde en populier. In de omgeving van het studiegebied staat aangeplante vegetatie in tuinen. Drijvende waterweegbree is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. De soort is niet waargenomen tijdens het veldbezoek, en dergelijke wateren zijn ook niet aanwezig binnen het studiegebied. Aanwezigheid van de soort is daarom uitgesloten.
Broedvogels Bureauonderzoek Broedvogels zonder zonder Binnen en in de omgeving van het studiegebied zijn verschillende jaarrond beschermd broedvogels zonder jaarrond beschermd nest waargenomen, waaronder: jaarrond nest kunnen in het blauwe reiger, boomklever, boomkruiper, ekster, fuut, groene specht, grote studiegebied broeden beschermd bonte specht, koolmees, pimpelmees, zwarte roodstaart (NDFF). nest in bomen, graslanden Veldbezoek en op het water. Tijdens het veldbezoek zijn verschillende soorten vogels waargenomen, waaronder soorten van de stad (kauw, ekster, houtduif, Turkse tortel, zwarte kraai) en vogels van het water (kokmeeuw en grauwe gans). Het studiegebied is marginaal geschikt voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Vogels kunnen broeden in de bomen in het oosten en midden van het studiegebied, in en rondom de bebouwing, in graslanden en in de waterhoudende watergangen. Broedvogels Bureauonderzoek Roofvogels als havik met jaarrond In de omgeving van het studiegebied zijn verschillende broedvogels met kunnen het beschermd jaarrond beschermd nest waargenomen: gierzwaluw, havik en huismus studiegebied nest gebruiken als (NDFF). foerageergebied en Veldbezoek leefgebied, maar Huismus zullen hier niet Tijdens het veldbezoek zijn meerdere huismussen waargenomen. De broeden.
Huismus en huismussen maken gebruik van de heggen en landbouwgronden in de gierzwaluw maken omgeving om te foerageren. De bebouwing in het studiegebied is mogelijk gebruik van voornamelijk oudere bebouwing met holten en gaten, maar er is ook (oudere) bebouwing relatief nieuwe bebouwing aanwezig. Veel van de gebouwen binnen het om in te broeden. studiegebied zijn geschikt voor de huismus om in te broeden. Alle bebouwing in het studiegebied heeft potentie als verblijfplaats van de huismus, behalve het woonhuis op het adres Bulkenaarsestraat 1 en de bebouwing zonder bedaking en muren. De bebouwing biedt geen (beschutte) holtes of andere ruimtes die geschikt zijn voor de huismus om in te broeden. Gierzwaluw Het veldbezoek heeft plaatsgevonden buiten het broedseizoen van de gierzwaluw, waardoor de soort niet is waargenomen. De bebouwing in het studiegebied is voornamelijk oudere bebouwing met dakpannen en holtes. Bebouwing met dakpannen, regenpijpen of andere geschikte holtes bieden mogelijkheden voor de gierzwaluw te broeden. De bebouwing zonder bedaking en muren en het woonhuis op adres Huijbergseweg 28 bieden geen mogelijkheden voor gierzwaluw. Hier zijn geen holtes of andere ruimtes aanwezig die geschikt zijn voor de gierzwaluw om in te broeden. Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
11 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soortgroep
Grondgebonden zoogdieren
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Havik De havik komt voor in landschappen met een combinatie van bos met geschikte nestbomen en open land om te jagen (website: vogelbescherming). Er zijn tijdens het veldbezoek geen horsten waargenomen in de bomen binnen het studiegebied. Wel is er verderop in de omgeving een (relatief klein) bos aanwezig. Als broedlocatie voor de havik is dit een potentieel geschikt. Dit in tegenstelling tot het studiegebied, waar slechts enkele (losse) bomen staan. Het studiegebied is wel geschikt als foerageergebied. Overige roofvogels Voor overige roofvogels geldt hetzelfde als voor de havik. Broedlocaties binnen het studiegebied zijn uitgesloten. Roofvogels kunnen wel binnen het studiegebied foerageren. Bij de start van het soortgericht onderzoek zijn actieve broedgevallen van sperwer en buizerd net buiten het plangebied waargenomen. Voor deze individuen maakt het studiegebied deel uit van hun leefgebied. Bureauonderzoek Binnen en in de omgeving van het studiegebied is de bunzing waargenomen (NDFF). Daarbij ligt het studiegebied binnen het verspreidingsgebied van aardmuis, boommarter, bosmuis, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, konijn, hermelijn, ree, rosse woelmuis, vos en wezel.
Veldbezoek Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen binnen het studiegebied en in de omgeving. Algemene soorten Tijdens het veldbezoek zijn muizenholen en molshopen waargenomen. Graslanden, akkers, losse zanderige bodems zijn de habitats van soorten zoals de aardmuis en haas. Voor een soort als de egel is meer beschutting van belang, waardoor verblijfplaatsen niet verwacht worden, in de zomer is het studiegebied mogelijk wel foerageergebied. Voor konijn is het landschap te open, hoewel geschikte leefgebied in het naastgelegen park (ten oosten van het studiegebied) aanwezig is. Ree wordt niet verwacht vanwege het ontbreken van hoog opgaande grassen en het ontbreken van schuilmogelijkheden in de omgeving. Het studiegebied is mogelijk foerageergebied voor vos maar dekking is te beperkt om verblijfplaatsen te hebben (website: Zoogdiervereniging). Eekhoorn en boommarter Het studiegebied is niet interessant voor eekhoorns en boommarter vanwege het gebrek aan groot bos in en in de omgeving van het studiegebied. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen (website: zoogdiervereniging). Het studiegebied is een onderdeel van een kleinschalig akkerlandschap met bosjes en heggen.
Binnen het studiegebied zelf is echter weinig beschutting te vinden, en is (daarom) ongeschikt voor de das om een burcht te maken. Tijdens het veldbezoek zijn daarbij geen burchten waargenomen. De das kan binnen het studiegebied foerageren, maar burchten zijn uitgesloten. Kleine marterachtigen en steenmarter Het studiegebied is onderdeel van een kleinschalig landschap. Er zijn op veel plaatsen greppels te vinden en er is voldoende voedsel aanwezig voor kleine marterachtigen. Voor soorten als bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter zijn voldoende schuilplaatsen in het studiegebied en in de omgeving aanwezig en zijn er locaties om te foerageren. Als schuil- en verblijfplaats kunnen struiken en heggen rondom de bebouwing gebruikt worden. Een deel van de bebouwing is oud en (lichtelijk) vervallen (onder anderen gaten in de bedaking), en een deel van de gebouwen heeft helemaal geen bedaking of mist muren. Vooral rondom deze gebouwen
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
Conclusie
Binnen het studiegebied kunnen algemene soorten en kleine marters foerageren en een verblijfplaats hebben. Das kan het gebied gebruiken om te foerageren, maar verblijft hier niet. Aanwezigheid van overige soorten is uitgesloten.
12 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soortgroep
Vleermuizen
Reptielen
Amfibieën
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat liggen materialen opgeslagen zoals pallets en zijn stallen van paarden en schapen gezien. Ook in deze locaties kunnen schuil- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen niet uitgesloten worden. Bureauonderzoek In de omgeving van het studiegebied is de gewone dwergvleermuis waargenomen (NDFF). Het studiegebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (verspreidingsatlas). Veldbezoek Foerageergebied Vleermuizen kunnen het studiegebied gebruiken om te foerageren. Het gaat voornamelijk om de randen van het studiegebied, daar waar beschutting te vinden is in de vorm van bomenrijen en bebouwing. In het midden van het studiegebied worden weinig foeragerende vleermuizen verwacht vanwege het gebrek aan beschutting. Vliegroute De bomen aan de oostelijke zijde van het studiegebied maken deel uit van een lijnvormig landschapselement wat geschikt is als vliegroute. Een groot deel van deze potentiële vliegroute ligt niet binnen het studiegebied maar aan de rand ervan. De bebouwing die binnen het studiegebied ligt maakt ook deel uit van (een) potentiële vliegroute(s): vleermuizen kunnen zich door middel van deze bebouwing in het landschap oriënteren.
Verblijfplaats In de bomen in het parkje in het oosten van het studiegebied zijn verblijfplaatsen van vleermuizen uitgesloten. De bomen zijn vrij laag en dun, en hebben daarbij dusdanig veel zijtakken en blad dat er geen vrije invliegopeningen voor vleermuizen aanwezig zijn. In het midden van het studiegebied is een drietal bomen aanwezig die mogelijke verblijfplaatsen hebben omdat deze bomen potentieel geschikt zijn als verblijfplaats. De drie eikenbomen aan de Bulkenaarsestraat (ten noorden van Bulkenaarsestraat 10) zijn gecontroleerd en hier zijn mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen in de vorm van holtes en plekken waar in het verleden takken afgebroken zijn. De groep bomen in het westen van het studiegebied tegen de A58 aan zijn ook gecontroleerd en hier zijn geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. De bomen rondom de bebouwing bestaat uit een variatie aan soorten en stamdiktes en daarbij staan bomen vaak dicht op elkaar. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn hier niet uit te sluiten. In de bebouwing binnen het studiegebied zijn mogelijkheden voor verblijfplaatsen onder dakpannen of bedaking, tussen raamkozijnen en potentieel binnen in gebouwen. Ook de bebouwing die (deels) ontdaan is van metalen golfplaten muren kan mogelijk verblijfplaatsen bevatten in de luwte tussen houten balken van de constructie.
Oude gebouwen bieden meer potentiële verblijfplaatsen dan de nieuwere bebouwing, maar alle bebouwing in het studiegebied is potentieel geschikt als verblijfplaats. Bureauonderzoek In de omgeving van het studiegebied zijn geen beschermde reptielen waargenomen (NDFF). Wel ligt het studiegebied binnen het verspreidingsgebied van de levendbarende hagedis. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. Binnen het studiegebied ontbreekt geschikt leefgebied voor reptielen vanwege het ontbreken van heidevegetatie en bos of ruig grasland (wat leefgebied vormt voor verschillende hagedissen). Aanwezigheid van de levendbarende hagedis is daarom uitgesloten. Bureauonderzoek
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
Conclusie
Binnen het studiegebied zijn mogelijkheden voor verblijfplaatsen, als vliegroute en als foerageergebied.
Beschermde reptielen kunnen binnen het studiegebied uitgesloten worden.
13 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soortgroep
Vissen
Overige soorten
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat In de omgeving van het studiegebied zijn beschermde soorten waargenomen, waaronder: alpenwatersalamander, bruine kikker en gewone pad. (NDFF). Het studiegebied ligt daarbij binnen het verspreidingsgebied van alpenwatersalamander, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (verspreidingsatlas). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen. Algemene soorten Er is wel geschikt habitat (voortplantingswater) aanwezig voor algemeen voorkomende beschermde soorten: dit zijn de watergangen met water en de watergangen die alleen periodiek droog staan. Het gaat om greppels tussen de verschillende landbouwgronden en aangrenzend aan de randen van het studiegebied. Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker Het voorkomen van deze soorten binnen het studiegebied is uitgesloten. De voortplantingswateren van deze soorten bevinden zich in een ruiger gebied met bijvoorbeeld (in de omgeving) houtwallen, struweel of bos. Ook is het water binnen het studiegebied niet voedselarm. Rugstreeppad De rugstreeppad is een typische soort van pioniershabitat met ondiepe (tijdelijke) wateren als voortplantingswater en een goed vergraafbare bodem. Binnen het studiegebied komt geen pionierhabitat voor, en geen ondiepe (tijdelijke) wateren of bodemtype wat geschikt is voor de rugstreeppad.
Wel ligt het studiegebied binnen het bereik van de rugstreeppad (5 kilometer), waardoor rekening gehouden moet worden met mogelijke toekomstige vestiging van de soort wanneer gebouwd wordt en het studiegebied pioniershabitat voor de soort gaat bieden. Bureauonderzoek In de omgeving van het studiegebied zijn geen beschermde vissen waargenomen (NDFF). Het studiegebied ligt wel in het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper. Veldbezoek Er is tijdens het veldbezoek geschikt habitat waargenomen voor beschermde vissen. Grote modderkruiper De habitats van de grote modderkruiper zijn gebieden met in het algemeen een rijke oever- en onderwatervegetatie en een “goede” modderbodem (BIJ12 kennisdocument grote modderkruiper). Binnen het studiegebied bevindt zich een netwerk aan watergangen die allemaal met elkaar verbonden zijn (website: legger van Brabantse delta) wat geschikt is voor de grote modderkruiper als habitat. Aanwezigheid van de soort is niet uitgesloten. Bureauonderzoek In de omgeving van het studiegebied zijn geen beschermde overige soorten waargenomen (NDFF). Wel ligt het studiegebied binnen het verspreidingsgebied van de bruine eikenpage en kleine ijsvogelvlinder. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is voor beschermde ongewervelden in het bijzonder gelet op de aanwezigheid van waardplanten en voedingsbronnen.
Kleine ijsvogelvlinder De kleine ijsvogelvlinder is uitgesloten binnen het studiegebied vanwege het ontbreken van zijn waardplant: wilde kamperfoelie en rode of gecultiveerde kamperfoelie (website: Vlinderstichting). Ook in de omgeving is deze plant niet waargenomen. Bruine eikenpage De bruine eikenpage is vooral afhankelijk van zomereik. Deze waardplant is waargenomen tijdens het veldbezoek. Aangezien de soort voorkomt in
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
Conclusie Algemeen voorkomende soorten kunnen voorkomen, andere, zwaarder beschermde soorten zijn uitgesloten. Tijdens werkzaamheden kan de rugstreeppad zich in het gebied gaan vestigen.
De grote modderkruiper komt mogelijk voor binnen het studiegebied.
Beschermde ongewervelden zijn binnen het studiegebied uitgesloten.
14 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soortgroep
3.2.3
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat en nabij eikenbossen (website: Vlinderstichting), welke niet aanwezig zijn in het studiegebied of in de omgeving, is aanwezigheid van de soort uitgesloten. Overige soorten Overige beschermde ongewervelden worden binnen het studiegebied niet verwacht. Er zijn geen kruidenrijke graslanden en ook de aanwezige, kleine wateren zonder sterke oeverbegroeiing zijn niet geschikt voor deze soorten.
Conclusie
Effectbeschrijving
In de onderstaande tabel is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de conclusie in de vorige paragraaf, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 2. Tabel 2: Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden. Soortgroep Mogelijke effecten
Effect?
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk broedende vogels verstoord. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk nestplaatsen, eieren of legsels van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest vernield of beschadigd.
Ja
Broedvogels met jaarrond beschermd nest
Huismus en gierzwaluw In deze quickscan is het gehele studiegebied meegenomen, waarbij de bebouwing binnen het studiegebied valt. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen van deze soorten worden mogelijk broedende vogels verstoord. Echter, de bebouwing binnen het studiegebied vallen buiten het plangebied van het bestemmingsplan en worden daardoor niet gesloopt. Nestplaatsen van huismus en gierzwaluw worden hierbij dus niet beschadigd of vernield.
Ja
Roofvogels Net buiten het studiegebied zijn twee actieve broedgevallen van sperwer en buizerd waargenomen. De werkzaamheden kunnen deze vogels verstoren en daardoor verjagen. Voor roofvogels die het studiegebied alleen gebruiken als foerageergebied en niet tegen het plangebied aan nestelen zullen de werkzaamheden geen negatieve effecten hebben. Tijdens de werkzaamheden zal het studiegebied als foerageergebied gemeden worden. Aangezien er in de omgeving meer dan voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is, namelijk allerlei landbouwgronden van vergelijkbare kwaliteit, is van verstoring geen sprake. Na het uitvoeren van de werkzaamheden is het studiegebied opnieuw geschikt als foerageergebied. Algemeen voorkomende soorten De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van verblijfplaatsen bij alle werkzaamheden. Kleine marterachtigen en steenmarter Bij het slopen van bebouwing en het verwijderen van omliggende materialen en lage begroeiing worden kleine marters mogelijk verstoord en worden mogelijk (essentiële) verblijfplaatsen vernietigd. Aangezien er voldoende vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving aanwezig is, namelijk alle andere landbouwgronden rondom het studiegebied, is er van afname van essentieel leefgebied geen sprake.
De soorten hebben voldoende ruimte om te kunnen vluchten tijdens de werkzaamheden en kunnen dan elders foerageren.
Ja
Grondgebonden zoogdieren
Das Aangezien voldoende vergelijkbaar gebied in de omgeving aanwezig is, namelijk alle andere landbouwgronden rondom het studiegebied, is er van verstoring geen sprake. Er vindt geen afname van essentieel leefgebied plaats. De soorten hebben voldoende ruimte om te kunnen vluchten tijdens de werkzaamheden en kunnen dan elders foerageren.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
Ja
Nee
15 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soortgroep
Mogelijke effecten
Effect?
Vleermuizen
Bij het kappen van bomen met holten worden mogelijk geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen aangetast. Daarnaast worden eventueel aanwezige dieren mogelijk verwond of gedood. Bij het uitvoeren van alle werkzaamheden na zonsondergang en voor zonsopkomst, is mogelijk sprake van verstoring van foeragerende vleermuizen. Daarnaast is het studiegebied tijdelijk minder geschikt als foerageergebied. Aangezien er in de omgeving meer dan voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is, is van verlies van foerageergebied geen sprake. De werkzaamheden leiden ook niet tot permanente aantasting van foerageergebied van vleermuizen. Na het uitvoeren van de werkzaamheden is dit opnieuw geschikt. Er is geen sprake van verlies van een essentiële vliegroute: het gaat om een klein deel van een langere vliegroute en daarbij zijn er in de omgeving voldoende alternatieven aanwezig van vergelijkbare kwaliteit. Dit zijn onder andere de huizenrijen aan de randen van het studiegebied en bomenrijen in de omgeving aan de randen van andere landbouwgronden.
Ja
Amfibieën
Algemeen voorkomende soorten De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van algemeen voorkomende soorten en aantasten van leefgebied bij alle werkzaamheden. Rugstreeppad Tijdens de werkzaamheden kan de rugstreeppad zich in het studiegebied vestigen wanneer hier veel zanderig pioniershabitat aanwezig is. De werkzaamheden leiden dan mogelijk tot aantasting van leefgebied en verwonden en doden van aanwezige individuen bij werkzaamheden aan zandige substraten.
Ja
Vissen
Grote modderkruiper De werkzaamheden leiden mogelijk tot aantasting van leefgebied en verwonden en doden van aanwezige individuen bij werkzaamheden aan de watergang.
Ja
3.2.4
Toetsing
3.2.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
In onderstaande tabel is per (soort)groep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort. Binnen de provincie Noord-Brabant geldt een vrijstelling voor de binnen het studiegebied algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën, zie bijlage A. Deze zijn in de verdere toetsing daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht wel, zie verder in paragraaf 3.2.5. Tabel 3: Beschermingscategorie van de relevante soorten.
Beschermingscategorie Vogelrichtlijnsoorten
Habitatrichtlijnsoorten Andere soorten zonder vrijstelling Andere soorten met vrijstelling
3.2.4.2
Soort/ soortgroep Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Huismus, gierzwaluw, sperwer, buizerd Vleermuizen, rugstreeppad Grote modderkruiper, kleine marterachtigen, steenmarter Algemeen voorkomende amfibieën en reptielen
Overtreding verbodsbepalingen
In de onderstaande tabellen is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf. Tabel 4: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn.
Soort Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Lid 1 x
Lid 2 x
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
Lid 3 x
Lid 4
Als gevolg van Werkzaamheden aan watergangen (oevers) en graslanden.
Lid 4 is niet van toepassing vanwege de aanwezigheid van voldoende alternatieve broedmogelijkheden in de omgeving van vergelijkbare kwaliteit. Dit zijn bomen, 16 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soort
Lid 1
Lid 2
Lid 3
Lid 4
Huismus
x
x
x
x
Als gevolg van gebouwen, landbouwgronden en watergangen in de nabije omgeving. Ook betreft het algemeen voorkomende vogelsoorten die ook in de omgeving voorkomen. Verwijderen van bebouwing.
Gierzwaluw
x
x
x
x
Verwijderen van bebouwing.
x
Herinrichting van het gebied.
Sperwer, buizerd
Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Tabel 5: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn.
Soort Vleermuizen Rugstreeppad
Lid 1|5 x x
Lid 2 x x
Lid 3 x
Lid 4 x x
Als gevolg van Verwijderen van bomen met holtes Bij kolonisatie van rugstreeppadden: Werkzaamheden waarbij zanderige substraten aangetast of verwijderd worden.
Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Tabel 6: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten.
Soort Grote modderkruiper Kleine marterachtigen en steenmarter
a x x
b x x
c
Als gevolg van Werkzaamheden aan watergangen inclusief oevers. Verwijdering omliggende materialen en struikgewassen.
Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
3.2.5
Vervolg
In deze paragraaf zijn een aantal vervolgstappen beschreven. Het gaat hierbij om soortgericht onderzoek waar mogelijk mitigerende en/of compenserende maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen.
3.2.5.1
Soortgericht onderzoek
Op basis van de quickscan van het studiegebied is de aanwezigheid van een aantal beschermde (soort)groepen niet uitgesloten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, is nader onderzoek vereist voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten zijn of welke maatregelen noodzakelijk zijn. Het soortgericht veldonderzoek dient als volgt uitgevoerd te worden: • Vleermuizen: Om vleermuizen te inventariseren dient gedurende twee perioden in het jaar in totaal 5 bezoeken gebracht te worden waarin met behulp van een batdetector geluisterd en bekeken wordt waar vleermuizen zich in de bebouwing ophouden en welke functie deze mogelijke verblijfplaatsen hebben. De eerste drie bezoeken vinden plaats in de zogenaamde kraamperiode, welke plaatsvindt tussen 15 mei en Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
17 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
•
•
•
•
•
15 juli, waarvan één bezoek in de ochtend plaatsvindt, en twee bezoeken in de avond met een tussenperiode van minimaal 30 dagen. De overige twee bezoeken vinden plaats in het najaar (de paarperiode) tussen 15 augustus en 1 oktober in de avond, met een tussenperiode van minimaal 20 dagen (Vleermuisprotocol, 2017). Om aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in losstaande bomen binnen het studiegebied uit te kunnen sluiten dient aanvullend eenmalig een veldbezoek gebracht te worden waarin alle bomen binnen het studiegebied geïnspecteerd worden met een endoscoop. Hiermee kan bepaald worden of er geschikte holtes in de bomen aanwezig zijn en of deze op dat moment gebruikt worden. Huismus: Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De veldbezoeken dienen met een tussenperiode van minimaal 10 dagen uitgevoerd te worden, onder bepaalde weersomstandigheden en op geschikte momenten op de dag (1 á 2 uur na zonsopkomst of 1 á 2 uur voor zondondergang). Gierzwaluw: Aangenomen kan worden dat er geen broedende gierzwaluwen aanwezig zijn als er tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 juni en 15 juli geen aanwezigheid kan worden aangetoond.
Hiervan dient één inventarisatiemoment plaats te vinden tussen 20 juni en 7 juli. De veldbezoeken dienen met minimaal 10 dagen tussenperiode uitgevoerd te worden. De veldbezoeken dienen uitgevoerd te worden tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang en tijdens droge weersomstandigheden. Grote modderkruiper: De soort kan door middel van verschillende methoden geïnventariseerd worden, waarvan inventarisatie door middel van e-DNA het meest betrouwbaar is. Deze methode kan in principe het gehele jaar door gedaan worden, maar de meest optimale periode is maart tot juli of september tot november. Door het nemen van monsters en deze te laten testen op aanwezigheid van DNA van de grote modderkruiper kan aanwezigheid in de watergangen aangetoond of uitgesloten worden (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017 en Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, 2017). Kleine marterachtigen en steenmarter: met losse cameravallen in combinatie met cameravallen in marterkisten (bijvoorbeeld Mostela) kunnen zowel de kleinste marterachtigen (wezel en hermelijn) als grotere marters (bunzing en steenmarter) onderzocht worden. Met cameravallen kan goed in beeld gebracht worden of de soorten gebruik maken van potentiële verblijfplaatsen (takkenhopen). De cameravallen dienen daarom in of nabij een takkenhoop geplaatst te worden.
Het aantal camera vallen dient nader bepaald te worden. De perioden voor het plaatsen van cameravallen zijn minimaal zes weken in de meest actieve periode van marters (maart tot en met augustus) of buiten het actieve seizoen minimaal twaalf weken (Handreiking wezel, hermelijn en bunzing beschermd in Noord-Holland, Omgevingsdienst Noord-Holland Noord en Handreiking Kleine marters in relatie tot soortbescherming, Provincie Noord-Brabant, 2017). Roofvogels: aan de start van het soortgericht onderzoek zijn twee actieve broedgevallen van roofvogels, buizerd en sperwer, waargenomen net buiten het plangebied. In combinatie met bovengenoemd soortgericht onderzoek worden de roofvogelnesten meegenomen om de kijken of de uitvoering van werkzaamheden in het studiegebied leiden tot negatieve effecten op deze soorten.
3.2.5.2
Mitigerende maatregelen
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Voor broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: • •
Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken: maak geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt en houd deze ongeschikt totdat de werkzaamheden zijn afgerond.
Een ontheffing is niet mogelijk: voorgenoemde maatregel moet genomen worden.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
18 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Broedvogels met jaarrond beschermd nest: Voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: • Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. • Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken: maak geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt en houd deze ongeschikt totdat de werkzaamheden zijn afgerond. • Biedt alternatieve nestlocaties aan ter compensatie van verstoring van huidige nestlocaties. Rugstreeppad Voor de rugstreeppad dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden, daarbij kan gedacht worden aan maatregelen als deze: •
Voorkom dat nieuw geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaat tijdens de werkzaamheden. Voorkom de aanwezigheid van tijdelijk water (in het bijzonder stagnerend regenwater of plassen die lang blijven liggen).
Mitigerende maatregelen voor de rugstreeppad dienen nader uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol. Zorgplicht De Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: •
•
Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het studiegebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg. Houd wel rekening met het broedseizoen van vogels. Voer de werkzaamheden rustig uit en dusdanig dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden.
Indien na soortgericht onderzoek blijkt dat onderstaande soorten zich binnen het studiegebied bevinden en hier verblijfplaatsen of andere functies hebben, dient gedacht te worden aan de volgende mitigerende maatregelen: Vleermuizen: • Bied 4 vervangende verblijfplaatsen aan voor iedere te verdwijnen verblijfplaats. • Er moeten daarbij verblijfplaatsen beschikbaar zijn voor, tijdens en na de werkzaamheden. • Houd rekening met een bepaalde gewenningsperiode, deze periode is afhankelijk van het type verblijfplaats. • Vervangende verblijfplaatsen zijn vaak vleermuiskasten en inbouwstenen. • Optimalisatie van de omgeving is onder anderen mogelijk door het aanbrengen of behouden van foerageergebied en bomenrijen of andere mogelijkheden tot vliegroutes. Huismus • Bied 2 vervangende verblijfplaatsen aan voor iedere te verdwijnen verblijfplaats. • Er moeten daarbij verblijfplaatsen beschikbaar zijn voor, tijdens en na de werkzaamheden. • Houd rekening met een gewenningsperiode van 3 maanden vóór de werkzaamheden. • Vervangende verblijfplaatsen zijn vaak (inbouw)neststenen. • Optimalisatie van de omgeving is onder anderen mogelijk door het creëren van een groene omgeving met jaarrond groene struiken, voldoende drinkmogelijkheden en zandplekken binnen 150 meter afstand van (nieuwe) nestlocaties.
Gierzwaluw • Bied 5 vervangende verblijfplaatsen aan voor iedere te verdwijnen verblijfplaats. • Er moeten daarbij verblijfplaatsen beschikbaar zijn voor, tijdens en na de werkzaamheden. • Houd rekening met een gewenningsperiode, dit kan één volledig broedseizoen zijn (mei tot en met juli). • Vervangende verblijfplaatsen zijn meestal (inbouw)neststenen.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
19 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Grote modderkruiper • Ter compensatie van het verwijderen van mogelijk aanwezig habitat dient nieuw alternatief habitat te worden aangeboden, en eventueel dient reeds beschikbaar habitat in de omgeving verbeterd te worden. • Realisatie van nieuw habitat of optimalisatie van aanwezig habitat zijn onder anderen aanleg van nieuwe watergangen of het creëren van natuurvriendelijke oevers. • Eventueel aanwezige grote modderkruipers zullen weggevangen en verplaatst moeten worden wanneer sloten gedempt worden. Kleine marterachtigen en steenmarter • Bied nieuwe schuilplaatsen en geleidende landschapselementen aan. • Ook kan de voedselsituatie verbeterd worden of kan extra dekking gecreëerd worden. • Dekking en schuilplaatsen worden onder anderen geboden door drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, struiken, dichte gewassen en opgestapeld puin. Bovenstaande mitigerende maatregelen voor vleermuizen, huismus, gierzwaluw, grote modderkruiper en marterachtigen zijn niet bindend. Aan de hand van de resultaten van soortgericht onderzoek kan bekeken worden welk van bovenstaande maatregelen van toepassing zullen zijn en hoe mitigatie het beste ingevuld kan worden.
3.2.6
Deelconclusie soortbescherming
Binnen het studiegebied kunnen beschermde soorten voorkomen. Het gaat om algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen, grote modderkruiper, kleine marterachtigen en tijdens de bouwfase rugstreeppad. Als gevolg van de werkzaamheden zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten en worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Met inachtneming van de maatregelen zoals beschreven in de vorige paragraaf, wordt het overtreden van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb voorkomen voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën en rugstreeppad. Voor vleermuizen, huismussen, gierzwaluw, roofvogels (buizerd, sperwer), grote modderkruiper, kleine marterachtigen en steenmarter is nader onderzoek vereist. Het is binnen het bestemmingsplan mogelijk om maatregelen voor deze soort te nemen, de exacte aard en omvang van de vervolgstappen voor deze soorten zijn afhankelijk van de resultaten van onderzoek.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
20 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
4
NATUURNETWERK BRABANT
4.1
Methode
Op basis van de ligging van het studiegebied ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant en daarnaast de aard van de ingreep, is door bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van het voornemen.
4.2
Ligging
In de kaart in Figuur 5 is de begrenzing van het NNB inclusief ecologische verbindingszones (vanaf nu: EVZ) ter hoogte van het studiegebied weergegeven.
Figuur 5: Begrenzing van het NNB (oranje en lichtgroene vlakken) en EVZ (oranje en lichtgroene lijnen) in de omgeving van het studiegebied (bij benadering het rode vlak) (bron: kaart natuurbeheerplan, provincie NoordBrabant).
4.3
Effecten
Aan de noordelijke zijde loopt het studiegebied langs een klein bos, en het zuidelijke deel van het studiegebied loopt door het Natuurnetwerk Brabant. De aan te leggen ontsluitingsweg doorkruist het aanwezige NNB en EVZ in het noordelijk deel van het studiegebied, net onder en parallel aan de A58. De weg zal dus ruimtebeslag op het NNB leggen. In het ontwerp staat opgenomen dat de weg via een brug over het NNB wordt aangelegd, of er wordt gebruik gemaakt van een ecoduiker. In dit geval zal er geen ruimtebeslag op het NNB liggen als gevolg van de aanleg van de ontsluitingsweg en hoeft er geen verzoek voor herbegrenzing ingediend te worden. Bovenstaande kaart laat zien dat er een ecologische verbindingszone, het Haiinkbeekje, door het studiegebied loopt. Deze ecologische verbindingszone is in september 2020 echter komen te vervallen. In de gebruiksfase treden echter ook nog permanente effecten op. Er zal verkeer van en naar het ziekenhuis rijden via de nieuwe autoweg, wat een verandering van geluid in de omgeving kan veroorzaken. Dit geluid kan van invloed zijn op de omliggende NNB-gebieden. Een verschilberekening voor geluid is nodig om te bepalen hoe groot het geluidseffect op NNB-gebied is, hierbij moet ook rekening gehouden worden met de aanwezigheid van andere geluidsbronnen als de A58.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
21 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
5
CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN
Natura 2000 Op basis van de nog uit te voeren Aerius-berekening kan worden vastgesteld in hoeverre sprake is van tijdelijke en/of permanente effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied De Brabantse Wal. De resultaten van de Aerius-berekening dienen nader te worden geïnterpreteerd, alvorens een deelconclusie gebiedsbescherming kan worden opgesteld. Er zal separaat een voortoets uitgevoerd worden waarin dit verder uitgewerkt wordt. Beschermde soorten Binnen het studiegebied kunnen beschermde soorten voorkomen. Het gaat om algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, vleermuizen, huismus, gierzwaluw, grote modderkruiper, kleine marterachtigen, steenmarter en tijdens de bouwfase rugstreeppad. Als gevolg van de werkzaamheden zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten en worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Met inachtneming van de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.2.5, wordt het overtreden van verbodsbepalingen in het kader van de Wnb voorkomen voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën en rugstreeppad. Voor vleermuizen, huismussen, gierzwaluwen, grote modderkruiper en kleine marterachtigen dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
Het is binnen het bestemmingsplan mogelijk om maatregelen voor deze soort te nemen, de exacte aard en omvang van de vervolgstappen voor deze soorten zijn afhankelijk van de resultaten van onderzoek. NNB Het studiegebied is dichtbij NNB-gebieden gelegen. Door de aanleg van de ontsluitingsweg zullen er effecten optreden op aanwezige soorten binnen het NNB als gevolg van verstoring door o.a. geluid en licht, optische verstoring en barrièrewerking. Door de aanleg van de ontsluitingsweg zal een toename in verstoring door licht, geluid en optische verstoring plaatsvinden als gevolg van toegenomen verkeersdrukte en de mogelijke aanwezigheid van een opgaande structuur (brug). Vooral lichtgevoelige soorten, zoals vleermuizen, en vogels zullen effecten van deze verstoring ondervinden. Echter, door de aanwezigheid van de A58 zal de toename van verstoring relatief beperkt zijn en dus een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB als gevolg hebben. Door de aanwezigheid van de ontsluitingsweg zou ook de barrièrewerking kunnen toenemen, waardoor het leefgebied van voorkomende soorten versnipperd kan raken. Door de aanleg van een brug is het aannemelijk dat barrières in de vorm van hekken ontstaan.
Negatieve effecten van verzuring en vermesting, als gevolg van stikstofdepositie door de aanleg van de ontsluitingsweg en bouw van het ziekenhuis, zijn op voorhand niet uit te sluiten. De stikstofberekeningen moeten uitsluitsel geven over het effect van stikstofdepositie. In een projectbrede MER is gekeken naar de mogelijke effecten van de werkzaamheden. Mochten er inderdaad negatieve effecten voor aanwezige soorten optreden dan dienen mitigerende maatregelen genomen te worden, of ontheffing worden aangevraagd.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
22 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
BIJLAGE A WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING Gebiedsbescherming Algemeen Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • • •
Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht.
Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat -gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). De vergunning voor een project wordt alleen verleend wanneer zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast en de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, dit geldt ook voor externe werking 1.
Hiervan mag alleen worden afgeweken wanneer alternatieve oplossingen voor het project ontbreken en wanneer sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang. Bovendien moet voorafgaande aan het toestaan van een afwijking zeker zijn dat alle schade gecompenseerd wordt (de ADC-toets) (art 2.8 lid 4). Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (uitgezonderd vogels) op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is. De richtlijn onderscheidt daarbij te beschermen gebieden en te beschermen soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn bestaat uit een lijst van zeldzame of bedreigde vogelsoorten. De leefgebieden en belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soorten worden aangewezen als speciale beschermingszones (Vogelrichtlijngebieden).
1 De nadelige invloed van activiteiten buiten een Natura 2000-gebied op natuurwaarden binnen het Natura
2000-gebied.
Onze referentie: D10003093:11 - Datum: 13 november 2020
23 van 29
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA
Soortbescherming Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gegeven. De Wnb kent een algemene zorgplicht. Deze houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen om schade aan soorten te voorkomen, ook voor soorten die niet beschermd zijn (art 1.11, lid 1). Dit houdt in ieder geval in dat handelen of nalaten van handelen dat schadelijk kan zijn zo veel mogelijk achterwege gelaten dient te worden (art 1.11, lid 2). Deze algemene zorgplicht geldt altijd en overal, met slechts als uitzondering handelingen die op grond van de Visserijwet worden uitgevoerd (art 1.11, lid 3).
Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • • •
Soorten Vogelrichtlijn (Wnb paragraaf 3.1) Soorten Habitatrichtlijn (Wnb paragraaf 3.2) Andere soorten (Wnb paragraaf 3.3)
Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • •
bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5)
Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat echter in de Wnb paragraaf 3.2 “soorten Habitatrichtlijn” als titel heeft, wordt dit ook hier zo gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).