1 - b_NL.IMRO.1674.2123EXPLOITATIEBUL-0401_tb11.pdf
Tekst van het document
Gemeente Roosendaal Team Beheer
57
• Van het tegeltype en kleur mag alleen na goedkeuring van de wegbeheerder van de gemeente Roosendaal worden afgeweken. Fietspaden • Uit te voeren in 30 mm asfalt (AC11 surf D5 rood) gefundeerd op 60 mm onderlaag (AC 22base 03) en op 0,25 m menggranulaat. • Alleen bij uitzondering en met instemming van de beheerder van de gemeente Roosendaal betonstraatstenen 210x105x80 kleur rood toe te passen in halfsteensverband loodrecht op de rijrichting; • Intrillen na afstrooien en invegen met brekerzand; • Van het tegeltype en kleur mag alleen na goedkeuring van de wegbeheerder van de gemeente Roosendaal worden afgeweken.
7.2.4. 01.
Markeringen Op gesloten verhardingen dienen markeringen te worden aangebracht met thermoplastisch materiaal, bij elementenverharding, dienen speciale witte markeringselementen te worden toegepast.
7.2.5. 1.
Overgangsconstructies Bij overgangen van asfalt- naar elementenverharding de fundering van menggranulaat doortrekken tot 3,00 m onder de elementenverharding.
2.
Waar de asfaltverharding overgaat in een klinkerverharding, tussen de beide verhardingen drie streklagen aanbrengen, te stellen in specie op een funderingslaag, overeenkomstig het voorgeschreven dwarsprofiel van de weg.
3.
De voegen dienen te worden ingegoten met bitumenkit.
4.
Waar de toplaag van nieuw asfaltbeton aansluit op een bestaande toplaag dient "densoband" te worden verwerkt in de aansluiting volgens voorschriften van de fabrikant. Tevens dient deze naad gesealed te worden.
8. Openbare verlichting 8.1.
Ontwerpeisen
8.1.1. 1.
Algemeen Het doel is de openbare verlichting ( OVL) optimaal te benutten, waardoor de openbare-, verkeers- en sociale veiligheid zoveel mogelijk wordt gewaarborgd.
2.
De initiatiefnemer is verplicht het ondergrondse deel van de openbare verlichting te laten ontwerpen en te laten aanleggen door Enexis B.V. De gemeente Roosendaal heeft slechts twee eigen kleine OVL-netwerken, te weten: Oude markt en Parkeerterrein de Stok
3.
Voor het aansluiten, verplaatsen en verwijderen van lichtmasten komen de door de Energiekamer (voorheen de DTe, Dienst uitvoering en Toezicht Energie) vastgestelde tarieven voor rekening van de initiatiefnemer.
4.
Voor het aansluiten, verplaatsen en verwijderen van lichtmasten komen naast de ondergrondse
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
58
netwerkkosten (vastgesteld oor de Energiekamer) ook de kosten voor Klicmeldingen, kosten van het kadaster ,doorberekende leges van een aanlegvergunning ( bij kabelwerk meer dan 15 strekkende meter en de overige kosten voor het bovengrondse deel voor rekening van de initiatiefnemer. 5.
Alle toegepaste armaturen moeten minimaal voldoen aan de G3 klasse.
6.
Alvorens de lichtberekening wordt gemaakt, moet door middel van voldoende proefsleuven duidelijk zijn gemaakt aan de lichtontwerper waar lichtmasten wel of niet kunnen worden geplaatst. Daarbij is het van belang dat zowel het horizontale als het verticale grondprofiel in kaart wordt gebracht en wordt verzonden met de opdracht aan de lichtontwerper.
7.
Het op te stellen groenplan/bodemplan moet worden afgestemd op het goedgekeurde OVLverlichtingsplan, waarbij de maatvoering in het kader van het PKVW (Politie Keurmerk Veilig Wonen) in acht wordt genomen. Afwijkingen hierop kunnen alleen plaatsvinden na overleg en goedkeuring van de OVL - en Groenbeheerder van de gemeente Roosendaal.
8.
De gemeente Roosendaal hanteert het dimmen van de OVL-installatie . Er dient derhalve de extra eis met betrekking tot de gelijkmatigheid te worden aangehouden. De eis geldt is dat bij dimmen een gelijkmatigheid van 0,3 gehaald moet worden.
9.
Daar waar OVL-masten op de kop van parkeervakken staan, dienen deze op de scheidingslijn tussen twee parkeervakken te worden gepositioneerd. Hetzelfde geldt bij langsparkeren.
10.
Indien de afstand tussen mast en parkeervak bij haaksparkeren minder dan 70 cm is, dient voor de lichtmast een beugel te worden geplaatst, ter voorkoming van het aanrijden van de lichtmast bij het doorsteken in het parkeervak.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
59
11.
De gemeente Roosendaal wil, uit oogpunt van beheer en onderhoud géén armaturen of spandraden aan gevels gemonteerd hebben van woningen, dan wel kantoren of ander gebouwen. Afwijken van deze regel kan alleen met goedkeuring van de OVL-beheerder en na het nemen van een collegebesluit o.g.v. de APV.
12.
Straatwerk rondom een OVL-mast moet strak tegen de mast worden aangebracht en moet voldoen aan het gestelde onder 7.2.3. art. 03 en 04. De masten in Roosendaal zijn daarvoor af fabriek speciaal uitgerust met een vierkante flens op maaiveldniveau.
13.
Tijdens de uitvoering dienen bestaande masten deugdelijk te worden beschermd en mogen deze masten ook nooit worden gebruikt om omleidingsrouteborden en/of bewegwijzering tegen aan te zetten, te plakken of te hangen.
14.
De gemeente Roosendaal levert de nummertekening op verzoek aan bij de initiatiefnemer. Deze dient de stickers te bestellen die moeten voldoen aan onderstaand eisen: • De teksten dienen in een watervaste- en UV-bestendige uitvoering te zijn vervaardigd; • Aluminiumkleurig retro-relflecterende die: • weer-, watervast en UV bestendige zelfklevende stickers; • met afmetingen breedte x hoogte 150 x 65 mm; • materiaal 3M ScotchliteTM; • Sticker dient uit één geheel te bestaan; • Tekst opmaak sticker; - Lichtmastnummer minimaal 4 cijfers en maximaal 5 cijfers; - Zware cijfers: lettertype Arial (westers); - Bold, cijferhoogte 35 mm.
15.
Omdat de uitwerking van een gebied nog wisselend kan zijn, kan de gemeente Roosendaal in overleg met de ontwikkelaar treden over mogelijk aanvullende wegprofielen in relatie tot de verlichtingsparameters en/of lichtpunthoogtes, maar ook over de keuze in mastmateriaal en armaturen;
16.
Wanneer een lichtmast wordt geplaatst binnen de 30 cm gemeten vanaf de snijlijn maaiveld/talud moet de lichtmast worden voorzien van grondvleugels. De OVL beheerder moet bij het vermoeden van een dergelijke situatie altijd vooraf geïnformeerd worden.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
60
8.2.
Materiaaleisen
8.2.1. 2.
Lichtmasten Binnen Roosendaal kennen we drie standaardgebieden: • Woongebieden • Wijkontsluitingswegen • Buitengebied
3.
Bij woongebieden bestaan drie mast/armatuur combinatiemogelijkheden, afhankelijk van de lichtberekening • Een 4 metersepaaltop (conische mast) ( standaard versie ); o Thermisch verzinkte stalen mast; o De mast dient te worden uitgevoerd in DCC in de standaardkleur RAL 7032 (kiezelgrijs) en worden voorzien van een HMR maaiveldbeschermming o De maat- en uitvoering van de mast overeenkomstig fabricaat VDLMastenfabriek met tekeningnummer 62.1303.1589 voorzien van VDLlfixsluiting; Het Lighttronics KFK LED2WELL kegelarmatuur, lichtkleur 4000 Kelvin, lichtstroom minimaal 2150 Lumenoutput, af fabriek voorzien van dimregiem 3A* en met intern geplaatste Zhaga book 18 connector of: • Een 4 metersepaaltop (conische mast) ( special versie ); o Thermisch verzinkte stalen mast; o De mast dient te worden uitgevoerd in DCC in de standaardkleur RAL 7032 / RAL 7043 (kiezelgrijs of Verkeersgrijs, in overleg met de OVL beheerder) en worden voorzien van een HMR maaiveldbeschermming o De maat- en uitvoering van de mast overeenkomstig fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.1303.1589 voorzien van VDLlfixsluiting; o
Het Attiva 1202 Polar LED silver street/.breedstralend kegelarmatuur, lichtkleur 4000 Kelvin, lichtstroom minimaal 2770 Lumenoutput 530mA, af fabriek voorzien van dimregiem 3A* en met een intern geplaatste Zhaga book 18 connector of: • Een 6 meter cilindrisch verjongde verloopmast met een 0,6 meter uithouder; o Thermisch verzinkte stalen mast; o De mast en uithouder dienen te worden uitgevoerd in DCC in de standaardkleur RAL 7032 (kiezelgrijs) en worden voorzien van een HMR maaiveldbeschermming o de maat- en uitvoering van de mast overeenkomstig fabricaat VDLl Mastenfabriek met tekeningnummer 62.1303.1620 voorzien van VDLfixsluiting; o De mast moet worden voorzien van een losse uithouder 0,6 meter van het fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 90.0606.0010 of een dubbele uithouder 2x 0,6 meter van het fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.8008.3005 o Het Lighttronics Brisa LED2WELL LCH lichtkleur 4000 Kelvin, lichtstroom 2350 Lumen output, af fabriek voorzien van dimregiem 3A* en voorzien van een Zhaga book 18, een op de bovenkant en een aan de onderkant van het armatuur.
of: • Een 8 meter cilindrisch verjongde verloopmast; o Thermisch verzinkte stalen mast; o De mast dient te worden uitgevoerd in DCC in de standaardkleur RAL 7032 (kiezelgrijs) en worden voorzien van een HMR maaiveldbeschermming o de maat- en uitvoering van de mast overeenkomstig fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.8403.2473 voorzien van VDLfixsluiting; Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
60
o o
De mast moet worden voorzien van een losse uithouder 1.0 meter van het fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.7021.3001A Het Schreder Teceo 1 5068 street armatuur, lichtkleur 4100 Kelvin, lichtstroom 3600 lumen output bij 350mA, af fabriek voorzien van dimregiem 3A* * en voorzien van een Zhaga book 18, een op de bovenkant en een aan de onderkant van het armatuur.
o 4.
Wijkontsluitingswegen voeren we uit met de volgende lichtmast/armaturen combinatie: • Een 8 meter cilindrisch verjongde verloopmast; • Thermisch verzinkte stalen mast; • De mast en uithouder dient te worden uitgevoerd in DCC in de standaardkleur RAL 7032 (kiezelgrijs) en worden voorzien van een HMR maaiveldbeschermming • de maat- en uitvoering van de mast overeenkomstig fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.62.8403.2473 voorzien van VDLl fixsluiting; • De mast moet worden voorzien van een losse uithouder 1.0 meter van het fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.7021.3001A. • Het Innolumis Victoria armatuur, RAL 7035 Lichtkleur Golden Orange WIde , 40 watt, 5581 Lm, Levensduur 100.000 branduren , standaard voorzien van 2x Zhaga ( onder en boven), af fabriek met A3 dimregiem geprogrammeerd en SR driver. • * Ter plaatse van rotondes en grote kruisingen, wordt de Innolumis Victoria vervangen door de Schreder Teceo 1 street, lichtkleur 4100 Klevin, 6000 Lumen output bij 350mA of 9600 Lumen bij 500 mA en af fabriek voorzien van dimregiem 3A** en voorzien van een Zhaga book 18, een op de bovenkant en een aan de onderkant van het armatuur. Dit geldt voor de kruising/rotonde zelf, als voor het overgangsgebied van en naar de kruising/rotonde. Hiervoor dient altijd vooraf met de OVL beheerder overleg plaats te vinden alvorens de lichtberekening wordt opgesteld.
5.
In het Buitengebied plaatsen we incidenteel op doorgaande wegen en standaard bij gevaarlijke kruisingen en/of bochten: • Een 8 meter cilindrisch verjongde verloopmast; • Thermisch verzinkte stalen mast; • De mast en uithouder dient te worden uitgevoerd in DCC in de standaardkleur RAL 7032 (kiezelgrijs) en worden voorzien van een HMR maaiveldbeschermming • de maat- en uitvoering van de mast overeenkomstig fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.8403.2473 voorzien van VDL lfixsluiting; o De mast moet worden voorzien van een losse uithouder 1.0 meter van het fabricaat VDL Mastenfabriek met tekeningnummer 62.7021.3001A. • • Het Innolumis Golden Green 36 watt , lichtstroom 2656 Lumen output, af fabriek voorzien van dimregiem 3A* * en voorzien van een Zhaga book 18 connector aan de bovenkant van het armatuur.
6.
Dimscenario 3A: • • • • •
7.
Aan 22:00 00:00 05:0006:00 -
22:00 00:00 05:00 06:00 Uit
100% 70% 50% 70% 100%
Incidenteel
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
61
In overleg met de OVL beheerder kan incidenteel gekozen worden voor een tien meter hoge cilindrisch verjongde mast met uithouder van 1,5 meter. Zowel bij de 6 meter, als de 8 en 10 meter masten kan indien nodig gekozen worden voor masten met dubbele uithouders. In die situaties gelden de volgende materialen: 6 meter cilindrisch verjongde mast met dubbele uithouder: VDLl mast tekeningnummer 62.1303.1620, uithouder tekeningnummer 62.8008.3005 8 meter cilindrisch verjongde mast met dubbele uithouder: VDL mast tekeningnummer 62.8403.2473, uithouder 62.7030.3002C 10 meter cilindrisch verjongde mast voor enkele en dubbele uithouder: VDL mast tekeningnummer 62.1003.2460, enkele uithouder 62.7006.3002B, dubbele uithouder 62.7006.3003C
8.2.2.
Gebied met camerabewaking
1.
Voor het gebied waar camerabewaking vereist is moet worden uitgegaan van een verlichtingsniveau dat noodzakelijk is voor camerabewaking, vooraf afgestemd met de OVL beheerder in samenspraak met de Politie Roosendaal.
2.
In het winkelkerngebied van Roosendaal, hanteren we specials in de OVL. Hiervoor moet vooraf met de OVL beheerder specifiek worden afgestemd de mastkeuze en armatuurkeuze. De kleur die toegepast wordt in dit kerngebied is Ultra Dark Grey, een door Philips gepatenteerde kleur of AKZO 900 of RAL 7043. ( kleurtemperatuur van de lampen/LED is 3000K in tegenstelling tot de rest in Roosendaal (4000K)
8.2.3.
Algemeen
01.
Zonder overleg met de OVL-beheerder van de gemeente Roosendaal, kan niet worden afgeweken van de Roosendaalse standaard. Dit betekent wel dat aan de hand van de verlichtingsberekening de masthoogte en armatuurtype nog nader moeten worden bepaald in verband met de specifiek gestelde lichteis. Uitgangspunt hierbij is witlicht in de wijken, groen licht in het buitengebied en golden orange op de wijkontsluitingswegen. Hiervoor zal vooraf met de OVL-beheerder nader overleg moeten plaatsvinden.
8.3. Overige eisen lichtmasten 1.
Voor alle masten geldt dat de uitvoering van het mastdeurtje in een perfecte pasvorm dient te worden uitgevoerd en een maatvastheid moet hebben ( laser gestuurde maatvoering ).
2.
De deursluiting dient zodanig te zijn uitgevoerd, dat het mastdeurtje alleen met een speciaal daarvoor gemaakt gereedschap kan worden geopend, opdat het mastdeurtje tegen elke vorm van vandalisme is beschermd. VDL hanteert hiervoor de VDL-Fix sluiting
3.
De afstand van het maaiveld tot aan de onderkant van het mastdeurtje dient in overeenstemming te zijn met de op de ontwerptekeningen aangegeven waarde.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
62
4.
De mastdeursluiting dient zich aan de bovenkant te bevinden van het kastdeurtje.
8.4.
Indringingsweerstand na aanvullen en verdichten
8.4.3.
Verdichtingsgraad
1.
Op het einde van iedere werkdag dienen alle sleuven conform onderstaande staat te zijn verdicht.
2.
Voor aanvullingen van de sleuf gelden op een diepte van maximaal 100 mm onder bovenkant maaiveld de volgende sondeerwaarden: • Trottoirs en inritten: minimaal 4 N/mm²; • Onder open bestrating van rijwegen en parkeerstroken: minimaal 4 N/mm²; • Plantsoen(paden) en bermen: minimaal 1,5 N/mm²; • Aanvullingen dienen te worden aangebracht in laagdikten van maximaal 200 mm, waarbij per laagdikte moet worden voldaan aan genoemde sondeerwaarden.
3.
De meting van de verdichting van de sleuf dient de indringingswaarde met behulp van een continuregistrerend sondeerapparaat (penetograaf) met een conusoppervlak van 100 mm² en een tophoek van 60º te worden vastgesteld. Het meetbereik dient tenminste 5 N/mm² te bedragen en het dieptebereik ten minste 0,8 meter.
4.
De meting van de verdichting van de grond rondom de OVL-mast dient de indringingswaarde op 3 plaatsen (per 120 graden) met behulp van een continuregistrerend sondeerapparaat (penetograaf) met een conusoppervlak van 100 mm² en een tophoek van 60º te worden vastgesteld. Het meetbereik dient tenminste 5 N/mm² te bedragen en het dieptebereik ten minste 0,3 meter onder de onderkant van de OVL-mast. De gegevens worden per mast samen met de revisie aangeleverd bij de OVL-Beheerder.
8.4.4.
Plaats masten
1.
De aannemer wordt geacht met kennis van zaken te handelen, zodat lichtmasten niet op onjuiste locaties komen te staan of uitnodigen tot criminaliteit. De aannemer dient de directie onverwijld mee te delen wanneer dit wel dreigt te gebeuren: • Bij een trottoirbreedte van 1,5 meter dient de lichtmast 0,45 meter uit de voorkant van de band te worden geplaatst; • Bij een trottoirbreedte van minder dan 1,5 meter dient de lichtmast tegen de erfscheiding te worden geplaatst; • In het buitengebied en stroomwegen dienen de masten minimaal 1,0 meter uit de kant van de weg te worden geplaatst. • Bij vrijliggende fietspaden dient een afstand van 0,6 meter ten opzichte van de achterkant van het fietspad te worden gehouden. • De minimale vrije ruimte op het trottoir moet 1,2 meter bedragen. • Het straatwerk moet passend aansluiten tegen de mast en mag niet bestaan uit losse knip- of vulstukken. • Masten direct geplaatst tegen een laaggebouw, moeten worden voorzien van een inklimbeveiliging, VDL tekeningnummer 7060063002 Ral 7032 DCC. • Masten moeten tot 5 cm onderkant mastdeurtje te zijn afgevuld met droog maaszand
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
63
2.
Lichtmasten moeten de dag van plaatsing functioneel zijn geïnstalleerd (brandend getest door gebruik te maken van het inschakelen van de laagspanningsruimte ( Castelschakelaar ) op de stand Nachtregiem). Wanneer de gemeente Roosendaal in haar overeenkomst het PKVW oplegt voor de wijk, dient de OVL installatie te voldoen aan de gestelde eisen uit het PKVW.De lichtontwerper dient met deze plaatsingseisen vooraf rekening te houden. Wanneer dat niet is gebeurd en verplaatsing nodig mocht blijken, moet er een nieuwe lichtberekening worden gemaakt om aan te tonen dat er wordt voldaan aan de NPR 13201+A1:2018nl (of de laatst vastgestelde norm). De kosten voor een herberekening en alle hieruit voortvloeiende extra kosten komen voor rekening van de ontwikkelaar.
8.5.
Bouwstoffen Lichtmasten
1.
De lichtmasten moeten voldoen aan de volgende specificaties. Materiaal: • CE-markering of label aan de binnenkant van mast nabij het mastdeurtje. NEN-EN 40 1, 2 en 3 en NEN-EN 10025; • Staal Fe 360 B (St 37-2), bandstaal siliciumgehalte tussen 0,12% en 0,25%; • 1e keus gelaste stalen buis volgens NEN-EN 10025 conische buis NEN-EN 10025, DIN 17100 en DIN 1768.
Constructie: • NEN-EN 40-3-1, 40-3-2, 40-3-3 en 40-5, en de NPR 988; • De te leveren masten dienen minimaal geschikt te zijn voor windgebied 2 (= 25 meter per seconde); • De terreinklasse dient minimaal te voldoen categorie 2; • Belastingfactor volgens klasse B; • De stijfkabel in de masten moet van het type RTPR zijn, minimaal 4 x 1,5 mm² en af fabriek worden geleverd met de armaturen. • Materiaalfactor voor Staal ym = 1,05; • De maximale horizontale uitbuiging volgens klasse 2 (= 0,06 (h+w)); • Gewicht van het toe te passen armatuur mag niet meer dan maximaal 15 kg bedragen.
Oppervlaktebehandeling: • Thermisch verzinken volgens NEN-EN ISO 146. • Het verzinkte materiaal dient nabewerkt te worden volgens NEN 5254. • De lichtmasten en uithouders dienen te zijn voorzien van DCC met de voorgeschreven standaard RAL-kleur 7032, tenzij er een vooraf afgesproken specialkleur wordt toegestaan.
Grondstuk(behandeling): • Het grondstuk tot 250 mm boven het straatniveau moet uitwendig zijn voorzien van een HMR maaiveldbescherming. De bovenzijde van de speciaal op de Roosendaalse masten aangebrachte vierkante flens moet strak aansluiten op de bovenzijde van het straattegelwerk en geeft ook direct de positie van het
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
64
maaiveld aan, waardoor de lichtpunthoogte is gegarandeerd.
Montagerail: • De montagerail ten behoeve van aansluitblok moet voldoen aan het gestelde in NEN-EN 50 024. De montagerail dient van het type C20 te zijn en een lengte te hebben, die gelijk is aan de hoogte van de mastdeur. De montagerail dient op gelijke hoogte ten opzichte van het inspectieluik te zijn geplaatst; • De montagerail dient te zijn voorzien van twee onverliesbare glijmoeren, voorzien van M6 schroefdraad; • De glijmoeren dienen te voldoen aan het gestelde in NEN-EN 50 024. • De twee glijmoeren dienen te zijn voorzien van een cilinderkopschroef met zaagsleuf, staal verzinkt M6 x 16 mm; • De cilinderkopschroeven dienen te voldoen aan het gestelde in DIN-EN-ISO 1207.
Aarding: • In de mast moet aan de binnenkant nabij de montagerail een aardbout van minimaal M8 zijn aangebracht. • Aan deze aardbout moet een label "aardingsteken" zijn bevestigd. • De mast moet zowel via de nuldraad als via een aparte Aardlitze zijn geaard en afgeschermd met een groen/gele mantel.
Aanbrengen aansluitblok (wordt verzorgd door de netbeheerder): • Het aansluitblok (langmatzblok) met behulp van de meegeleverde boutjes M6 moet deugdelijk worden bevestigd op de aanwezige glijmoeren van de montagerail. • De smeltveiligheid in het aansluitblok dient voor ieder armatuur te zijn aangebracht met een maximumwaarde van I(n) = 6 A., danwel aangepast op het daarvoor benodigde vermogen. • De tijdspanne tussen de productiedatum van de aansluitblokken en de datum van opdrachtverstrekking mag niet meer dan één (1) jaar bedragen. Het aansluitblok wordt geleverd en aangesloten door de Netbeheerder en blijft ook eigendom van de netbeheerder Nummeren van lichtmasten: • Alle lichtmasten dienen in overleg met de gemeente Roosendaal voorzien te worden van een standaard sticker met daarop een nummer welke door de gemeente Roosendaal wordt bepaald (zie 7.1.1.15). Galvanische werking tussen RVS en Aluminium: • Alle bevestigingsbouten en moeren moeten vooraf zijn ingevet met zuurvrije vaseline en of kopervet om te voorkomen dat de RVS bouten nadien niet meer los gaan, tgv oxidatie/galvanische werking •
8.6.
Plaatsen reclameborden, verkeersborden e.d.
1.
Daar waar VRI, ANWB, verkeersborden in de omgeving staan van OVL-masten, moeten combinaties worden geoptimaliseerd. Dat betekent OVL plaatsen op VRI en/of ANWB en verkeersborden monteren aan OVL-masten, waarbij de kleur van de DCC coating van de OVL wordt aangepast aan
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
65
de uiteindelijke kleur van de dragende mast (ANWB of VRI). Altijd vooraf afstemmen met de OVLbeheerder. 2.
Ter voorkoming van galvanische corrosie van de mast dient tussen het bevestigingsmateriaal van de lichtreclamebakken, verkeersborden, straatnaamborden en overige borden een 360 graden gesloten isolatiering te worden aangebracht van het type Rubber, type FPR (flooring rubbers) zware belasting.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
66
9.
Straatmeubilair en bebording
9.1.
Ontwerpeisen
9.1.1. 1.
Algemeen De ruimte tussen straatmeubilair en de verharding dient uit het oogpunt van voorkomen van ontstaan van onkruid te worden afgekit. Hiertoe moet rondom het object 1 cm vrij gehouden worden tussen bestrating en object. Deze ruimte moet worden ingeveegd met zand.
2.
Naast de bank dient een plek voor een rolstoel of kinderwagen te worden gemaakt van minimaal 1,50 meter breed.
3.
Onder hekwerken dient verharding te worden aangebracht in verband met maaiproblemen.
9.2.
Materiaaleisen
9.2.1. Algemeen 1. Onderdelen van straatmeubilair die in de grond staan moeten worden voorzien van een voet of poer van beton of een andere vorm van verankering. 9.2.2.
Afzetpalen
1.
Als standaard paal dient te worden gebruikt: • Onbreekbare recycling diamantkoppaal; • Wit of zwart; • Lengte 1400 mm, afmeting 150x150mm; • Massieve uitvoering van POL Heeteren; • Voorzien van 2 reflectiebanden.
2.
Als paal binnen het Centrum dient te worden gebruikt: • Velopa Inox 105 (RVS 316);
3.
Afhankelijk van de functie dient een vast, afneembaar of anti-ram model toegepast te worden.
9.2.3.
Verkeersborden c.a.
1.
De verkeersborden met bijbehoren dienen te bestaan uit de volgende materialen. RVV-borden: • Standaard verkeersborden DOR (dubbel omgezette rand) volgens RVV 1990 en NEN 3381; • Aluminium, dikte 2,0 mm bij een oppervlakte tot 0,36 m²; • Aluminium, dikte 2,5 mm bij een oppervlakte > 0,36 m²; • Retroreflecterende werking volgens advies voor toepassingsgebied.
Overige standaardborden: • Standaard verkeersborden DOR (dubbel omgezette rand); • Aluminium, dikte 2,0 mm bij een oppervlakte tot 0,36 m²; • Aluminium, dikte 2,5 mm bij een oppervlakte > 0,36 m²;
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
67
• U-profiel, K-, L-modellen (bewegwijzering) en R-modellen in nader af te stemmen afmetingen in overleg met de gemeente Roosendaal; • Niet reflecterend. 9.2.4.
Straatnaamborden: • Aluminium straatnaamborden, blauw-witte uitvoering in zowel enkel- als dubbelzijdig beletterd; • Aluminium, systeem 2000, blauw-wit high intensity; • Lettertype ANWB-E 60/45 mm, met kaderrand; • Pijlnummer 3, 15/20 mm profiel.
9.2.5.
Verkeerszuilen: • Type BM 18/BM 19 compleet; • Aluminium koker Ø 160 mm; • Afdekking en RVV-bord Ø 400 mm in retroreflecterende klasse II.
9.2.6.
Verkeersbordpalen
1.
Flespalen: • Vervaardigd van fabrieksnieuwe stalen buis; • Met een verloop van Ø 76 mm naar Ø 48 mm; • Voorzien van gaten t.b.v. bij te leveren grondanker-pijpjes Ø 22 mm; • In- en uitwendig thermisch verzinkt, middels compleet volbad; • Lengte afhankelijk van aantal te bevestigen borden en situering binnen gebruiksgebied.
2.
Buispalen: • Vervaardigd van fabrieksnieuwe stalen buis Ø 48 mm; • Voorzien van gaten t.b.v. bijgeleverde grondanker-pijpjes Ø 22 mm; • In- en uitwendig thermisch verzinkt, middels compleet volbad; • Lengte afhankelijk van aantal te bevestigen borden en situering binnen gebruiksgebied.
9.3.
Overig straatmeubilair
9.3.1.
Afvalbakken
1.
Als standaard bak dient te worden gebruikt: • Bammens Capitole (50 liter); • Kleur oranje RAL 2004; • Voorzien van logo van de gemeente Roosendaal; • Logo in “Tidy Man” in zwart RAL 9005; • Voorzien van Bammens anti-graffiticoating.
2.
Als optie indien standaard bak van 50 liter te klein (bij kleine winkelcentra): • Bammens Capitole XL Hoogglans zwarte inwerpopening • Kleur oranje RAL 2004; • Voorzien van logo van de gemeente Roosendaal; • Logo in “Tidy Man” in zwart RAL 9005; • Voorzien van Bammens anti-graffiticoating.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
68
3.
Afvalbakken Centrum: • Bammens Capitole XL Hoogglans zwarte inwerpopening • Kleur antraciet grijs RAL 7016; • Voorzien van logo van de gemeente Roosendaal; • Logo in het “Tidy Man” grijs-aluminium RAL 9007; • Voorzien van Bammens anti-graffiticoating.
9.3.2.
Banken
1.
Banken in woonwijken enz: • Kupepro, type London; • Met verlengde poten met dwarsbalken in de grond (model Roosendaal); • Koppen van de schroeven uitgeboord, zodat deze er niet meer uitgedraaid kunnen worden; • Rugleuning vastgezet met rvs slotbouten M10; • Indien van toepassing ook verkrijgbaar met of zonder rugleuning en als tafel voor een picknickset.
2.
Banken in parken: • Velopa Artisteel Classica 3-zits met rugleuning in de kleur mosgroen (RAL 6005); • Indien deze niet op bestrating, maar in het groen wordt geplaatst dient de bank geplaatst te worden op een vlakke betonnen plaat van 1m x 2m.
3.
Banken Centrum: • Plane bank van Grijsen met RVS staanders en ongelakt hout (Louro Gamela, FSC-gekeurd).
9.3.3.
Fietsleunhekken Standaard fietsleunhekken: • Velopa Leon 600; • Verzinkt staal, zonder dwarsstang en vaste betonvoet; • H.o.h. 1200 mm.
Fietsleunhekken Centrum: • Velopa Leon 600; • RVS 316, zonder dwarsstang en vaste betonvoet; • H.o.h. 1200.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
69
10.
Kabels en leidingen
10.1. Ontwerpeisen 10.1.1. Coördinatie en maatvoering 1.
De initiatiefnemer verzorgt de coördinatie van de aanleg en instandhouding van kabels en leidingen, inclusief die voor de openbare telecommunicatie-infrastructuren en inclusief de bovengrondse infrastructuur zoals gasregelstations, trafo’s, schakelkasten enz.
2.
De initiatiefnemer stemt de matentekening, volgens de richtlijnen van de kabel- en leidingbeheerders, voor de ondergrondse leidingen af op de boven- en ondergrondse situatie (bebouwing, eigendomsgrenzen, bomen enz.).
3.
Alle kabels en leidingen dienen tenminste 2,5 meter vanaf het hart van bestaande of toekomstige bomen geprojecteerd te worden, of indien kortere afstand dan toepassen van mantelbuizen
4.
Kabels en leidingen mogen niet in taluds worden aangelegd.
5.
Kabels en leidingen mogen niet in uit te geven en/of private gronden gelegd worden. Gasregelstations, trafo’s, schakelkasten e.d. mogen eveneens niet worden geplaatst op uit te geven en/of private gronden.
6.
Bij asfaltverharding moeten kabel- en leidingkruisingen met mantelbuizen worden gerealiseerd.
7.
Bij kruisingen dienen extra mantelbuizen te worden gelegd om in toekomstige behoefte te kunnen voorzien.
8.
Kruisingen met oppervlakte water dienen te worden gerealiseerd met zinkers die 1 meter onder het theoretische profiel liggen en deze moeten worden afgedekt met betonplaten
9.
In overleg met de gemeente Roosendaal dienen voorzieningen te worden aangebracht waardoor voor een periode van 10 jaren geen opbrekende werkzaamheden hoeven plaats te vinden.
10.
Voorzieningen zoals hand-holds dienen vanaf het maaiveld bereikbaar te zijn, zonder dat de aanwezige verharding opgebroken hoeft te worden.
10.2. Materiaaleisen 10.2.1. Kabels en leidingen c.a. 01. De materialen van de noodzakelijke kabels en leidingen en de daarbij behorende boven- en ondergrondse onderdelen en accessoires worden bepaald door de betreffende verantwoordelijke kabel- en leidingbeheerders. 10.2.2. Mantelbuizen 1. De toe te passen mantelbuizen dienen te worden uitgevoerd in PVC.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
70
2.
De mantelbuizen voor de nutsleidingen dienen minimaal PVC stijfheidsklasse SN8 te zijn.
3.
Minimale diameter van de mantelbuizen voor: • Kabels : diameter 125 mm, afgestemd op aantal kabels; • Gasleiding : diameter gasleiding + minimaal 50 mm onder toepassing van afstandhouders; • Waterleiding : diameter waterleiding + minimaal 50 mm onder toepassing van afstandhouders; • Persleiding : diameter persleiding + minimaal 50 mm onder toepassing van afstandhouders.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
71
11. Groenvoorzieningen 11.1. Ontwerpeisen 11.1.1. Inrichting met betrekking tot bestaande beplanting
1.
Voorafgaand aan uit te voeren werkzaamheden dient een werkplattegrond gemaakt te worden, met als doel de aanwezige bomen en de standplaats te beschermen. De volledige kroonprojectie moet vooraf worden aangegeven.
2.
Binnen de kroonprojectie mogen geen ophogingen of afgravingen plaatsvinden. Indien ophogingen of ontgravingen binnen de kroonprojectie noodzakelijk zijn, dienen in overleg met de groenbeheerder van de gemeente Roosendaal aanvullende maatregelen te worden bepaald.
3.
Binnen de kroonprojectie mogen geen uitritten worden aangebracht. Indien uitritten binnen de kroonprojectie noodzakelijk zijn, dienen in overleg met de beheerder aanvullende maatregelen te worden bepaald.
4.
Binnen de kroonprojectie mag geen opslag worden ingericht voor de benodigde civieltechnische materialen en gereedschappen. Voertuigen dienen ook buiten de projectie te worden gestald / geparkeerd i.v.m. mogelijke olielekkage en verdichting.
5.
Binnen de kroonproject mogen geen parkeerplaatsen worden ingericht. Wanneer deze toch noodzakelijk zijn binnen het ontwerp dient, in overleg met de beheerder noodzakelijk onderzoek te worden uitgevoerd om verder aanvullende maatregelen te kunnen nemen.
6.
Leidingtracés bij te handhaven bomen worden buiten de kroonprojectie geprojecteerd.
7.
Boombescherming geschiedt op kroonprojectie, volgens brochure “boombescherming op bouwlocaties” van de vereniging STADSWERK Nederland.
8.
Voor boomschades is het rekenmodel boomwaarde NVTB versie 2010 van toepassing.
9.
Bij ontgravingen of andere maatregelen die de waterhuishouding bij te handhaven bomen (kunnen) beïnvloeden, dienen compenserende maatregelen te worden getroffen.
10.
Voor het inzaaien van bermen bij alle voorkomende werkzaamheden, inclusief herstelwerkzaamheden en of het verlagen van bermen, moeten biodiversiteietsmengsels worden gebruikt. Het te gebruiken mengsel kan per locatie verschillen.
11.1.2. Groene terreininrichting toekomstig openbaar gebied 1. Kabel- en leidingtracés dienen minimaal 3,50 meter uit het hart van nieuwe bomen te worden geprojecteerd. 2.
De helling van in te zaaien taluds niet steiler uitvoeren dan 1:3 met uitzondering van wateroevers. De helling van in te planten taluds niet steiler uitvoeren dan 1:2.
3.
Afstand van hart van de boom tot lichtmast bedraagt minimaal 8 meter. Uitsluitend in overleg met de
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
72
beheerder kan hiervan worden afgeweken.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
73
4.
Afstand van boom tot verharding: 1 meter.
5.
Artikel 713 van het Burgerlijk Wetboek verbiedt het planten van hoog opschietende bomen binnen twee meter van de grens tussen twee buurerven. Onder hoog wordt volgens de wet verstaan, bomen die meer dan drie meter hoog zijn. Hagen dienen minimaal 50 cm van de erfgrens te worden geplant. Hagen met een gemeenschappelijk doel kunnen op een erfgrens worden geplant.
6.
De minimale afstand van te planten boom tot gevel van bebouwing moet voldoen aan de volgende formule: De helft van de toekomstige kroondoorsnede van de volwassen boom x 70% + 2mtr
11.1.3. Grondwerkzaamheden 1. Ter plaatse van te planten bomen in openbare groenstroken geldt een ondergronds ruimte beslag voor de bomen van minimaal 3 x 3 x1 mtr. Geldt voor alle maten te leveren bomen
2.
In dit ondergrondse ruimtebeslag dienen goede groeiplaatsomstandigheden aanwezig te zijn. Inrichten van de groeiplaats: Onder de verharding van fietspad of rijbaan bomengranulaat toepassen, onder voetpaden bomenzand. In open grond of binnen de boomspiegel kan bomengrond worden toegepast. Bij toepassing van bomenzand of bomengranulaat dient een beluchtingssysteem te worden aangebracht, bestaande uit harde buizen, géén drainageslang.
3.Kwaliteitseisen voor toe te passen grondstoffen: Bomengrond dient naast het artikel in de Standaard RAW-bepalingen 2015, Groenvoorzieningengroenvoorzieningen algemeen-bomenzand, te voldoen aan: - organisch stofgehalte: 4 à 5 %; - organische stof (%) plus afslibbaar (%) is maximaal 8 %; - zuurgraad (ph) tussen 5 en 7; - zoutgehalte maximaal 150 mg CL-/kg droog zand; - N-houdend; - P-AL: 30 mg/100g droge grond (streefwaarde); - K: 17 mg/100g droge grond (streefwaarde); - Mg: 50 mg/kg droge grond (streefwaarde). Bomenzand dient naast het in artikel in de Standaard RAW-bepalingen 2015, Groenvoorzieningengroenvoorzieningen algemeen-bomenzand, te voldoen aan: - ééntoppig zand met een M50-cijfer van ca. 500 µm; - organisch stofgehalte: 4 à 5 %; - organische stof (%) plus afslibbaar (%) is maximaal 8 %; - zuurgraad (ph) tussen 5 en 7; - zoutgehalte maximaal 150 mg CL-/kg droog zand; - N-houdend; - P-AL: 30 mg/100g droge grond (streefwaarde); - K: 17 mg/100g droge grond (streefwaarde); - Mg: 50 mg/kg droge grond (streefwaarde). Bomengranulaat in overleg af te stemmen op de situatie.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
74
4.
Ter plaatse van al het overige groen dient minimaal 30 cm goede en zuivere teelaarde aangebracht te worden. Teelaarde spitten door aanwezige grond minimale diepte 60 cm.
5.
Bij ophoging(en) dient de oude bouwvoor vooraf te worden doorgespit/gefreesd en mogen geen storende lagen achter blijven.
6.
De aangegeven waarden voor teelaarde, zoals genoemd onder punt 11.1.3.03 en 11.1.3.04, dienen voor de aanleg goed te worden doorgespit met de bestaande onderlaag.
7.
Locaties in de toekomstige openbare ruimte waar tijdens de uitvoeringsfase keten hebben gestaan, een (grond)depot heeft gelegen, materiaalopslag is geweest of parkeren heeft plaatsgevonden, dienen tot 1,50 meter diepte te worden doorgespit;
8.
Ter plaatse van de te planten bomen dient een groeiplaatsonderzoek uitgevoerd te worden om de groeiplaats en de boomsoort op elkaar af te kunnen stemmen.
9.
Ter plaatse van de te planten bomen en planten dient een onderzoek uitgevoerd te worden naar groeiplaats verbetering om organische verrijking en benodigde bemesting te kunnen vaststellen.
11.1.4. Verlaging grondwaterstand 1. Het tijdelijk verlagen van de grondwaterstand door middel van bronbemaling kan tijdens het groeiseizoen problemen geven bij bomen in een grondwaterprofiel. Deze bomen moeten regelmatig worden gecontroleerd op verdroging door een boomverzorger. Bij verdroging dient water gegeven te worden. Dit water dient schoon oppervlaktewater te zijn of belucht bemalingswater. 2.
Een permanente verlaging van de grondwaterstand wordt door bomen beter verdragen dan een permanente verhoging. Verlaging moet wel langzaam gebeuren zodat de wortels van de boom achter de verlaging kunnen aangroeien. Hierbij moet gedacht worden aan 10 tot 20 cm per jaar.
11.1.5. Bomen in verharding 1. Ter plaatse van bomen in toekomstige openbare verharding, geldt een doorwortelbare ruimte voor de bomen van: • 1e grootte (15 meter en hoger) 6 x 6 x 1,2 meter = ± 40 m³, (onder verharding bestaande uit bomenzand, elders mag dit bomengrond zijn); • 2e grootte (8 - 15 meter hoog) 4 x 4 x 1,2 meter = ± 20 m³, (idem); • 3e grootte (6 - 8 meter hoog) 3 x 3 x 1,2 meter = ± 10 m³, (idem). 2. Voor alle drie genoemde categorieën geldt: bomenzand niet dieper in het profiel aanbrengen dan tot 0.20 meter boven het freatisch vlak. 3.
Ter plaatse van de te planten bomen dient een groeiplaatsonderzoek uitgevoerd te worden om de groeiplaats en de boomsoort op elkaar af te kunnen stemmen.
4.
Ter plaatse van de te planten bomen en planten dient een onderzoek uitgevoerd te worden naar groeiplaats verbetering om organische verrijking en benodigde bemesting te kunnen vaststellen.
11.1.6. Wortelgeleidingssysteem 1. Ter plaatse van bomen in de openbare verharding worden per boomgat een wortelgeleidingssysteem toegepast met een hoogte van 0.45 m, bijvoorbeeld Rootcontrol of DeepRoot schotten, type DR, circulair aangebracht tegen de buitenrand van de boomspiegel. 2.
Het aantal DeepRoot schotten per boom wordt afgestemd op de afmetingen van de boomkransbanden, te plaatsen aan de binnenzijde tegen de opsluitband.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
75
3.
De plaatsing van wortelgeleiding geschiedt met de bovenzijde tot op 0,03 meter onder de bovenzijde van de boomkransen.
4.
Ter plaatse van bomen in toekomstig openbaar groen, dienen bij bomen langs verharding, die binnen een afstand van 1,50 meter uit de verharding staan, per boom Rootcontrolschermen langs de verharding geplaatst te worden. Deze schermen hebben een lengte van 4 meter en een hoogte van 0,50 meter.
5.
De Rootcontrolschermen dienen tegen de achterzijde van de opsluiting te worden geplaatst met de bovenzijde 3 cm onder de hoogte van de opsluiting;
6.
De plaatsing van de wortelgeleidingssystemen dient volgens de richtlijnen van de fabrikant te geschieden.
11.1.7. Leveranties levende materialen 01. Bomen dienen minimaal in de maat 18-20, bij voorkeur in het najaar, te worden aangeplant. Als andere afmetingen gewenst zijn dan wordt dit door de groenbeheerder van de gemeente Roosendaal aangegeven.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
76
12. Speelvoorzieningen 12.1. 1.
Algemeen Alle speeltoestellen en ondergronden moeten voldoen aan het ‘W.A.S.’.
2.
De speelvoorziening moet voldoen aan de NEN-EN 1176-1 t.e.m. NEN-EN 1176-7 en NEN-EN 1177 en de NEN-EN 10/11.
3.
Als er hekwerk (Type Roosendaal, standaard hekwerk speelvoorzieningen) om de speelvoorziening wordt geplaatst in het toegangspad tot een speelveld dienen hondenroosters te worden geplaatst. Het hondenrooster dient in breedte gelijk te zijn aan de breedte van het toegangspad tot het gazon of het park.
4.
Indien binnen het speelveld openbare verlichting is geplaatst, dient het hondenrooster een aslast van 5 ton te kunnen dragen.
5.
De speelvoorzieningen dienen sterk te verschillen in diversiteit van gebruikte materialen, speeltoestellen en speelmogelijkheden.
6.
Minimaal 33 % van de speelvoorzieningen naar leeftijdsgroep dienen mede geschikt te zijn voor kinderen met een functiebeperking.
7.
Minimaal 33 % van de speelvoorzieningen moeten dusdanig ingericht zijn met speeltoestellen die mede geschikt zijn voor bewegen voor alle leeftijden conform vastgesteld TNO (zie rapport Ouderen in Beweging ISBN nummer 978-90-5986-241-8).
8.
Minimaal 20 % van de speelvoorzieningen moeten dusdanig ingericht zijn dat ze mede geschikt zijn als buurontmoetingsplaats voor alle leeftijden.
9.
De wegen waar de speelvoorziening aan grenst moeten voorzien zijn van veilige oversteekplaatsen. De waterlopen in de omgeving van de speelvoorziening moeten voorzien zijn van een plasberm.
10.
Er moet bezonning en schaduw zijn op de speelvoorziening.
11.
De valdempende materialen dienen aangebracht te worden op een laag bestaande uit een verdicht zandbed van minimaal 30 cm diep ten opzichte van het maaiveld.
12.
Het valdempend zand wat gebruikt wordt dient te voldoen aan het type ‘Van Loon’. Het valdempend zand moet een laagdikte van 50 cm hebben.
13.
De rubbertegels die gebruikt worden dienen te zijn van de firma Damen Rubber te Den Haag o.g. De rubbertegels moeten in een cunet van 30 cm met een zandlaag afhankelijk dikte rubber tegels van 21 tot 27 cm erop te komen liggen.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
77
Speelvoorziening voor kinderen van 0 tot 6 jaar en 6 tot 13 jaar Eisen speelvoorziening 0 - 13jaar Oppervlak speelvoorziening 0 tot 6 jaar Bereik 0 tot 6 jaar Oppervlak speelvoorziening 6 tot 123 jaar Bereik 6 tot 123 jaar Ondergrond speelvoorziening
Soort speeltoestellen
Variatiepercentage Ruimtecoëfficient Hekwerk rondom speelvoorziening Hondenrooster bij ingang speelvoorziening Bank
Afvalbak
Minimaal tussen de 200 en 500 m² Binnen een loopafstand van 100 meter Miminaal tussen de 500 en 2000 m² Binnen een loopafstand van 300 meter Speelzand en/of rubber tegels zoals standaard in gemeente Roosendaal worden gebruikt. Combinatietoestel Bewegend spelelement Fantasiestimulerend spelelement Vlak spelelement (knikkertegel, hinkelbaan enz.) dat geschikt is voor de beoogde doelgroep 70% conform methode firma ABOS b.v. 70% conform methode firma ABOS b.v. Type ‘Roosendaal’ (spijlenhekwerk). 1.5 meter x 1 meter . standaardbank speelvoorzieningen zoals in gemeente Roosendaal worden gebruikt. Standaard afvalbak zoals in gemeente Roosendaal bij speelvoorzieningen wordt geplaatst.
Speelvoorziening voor kinderen van 13 jaar en ouder Eisen sport/speelvoorziening 13 jaar en ouder
Ondergrond speelvoorziening Soort speeltoestellen
Bank
Hekwerk rondom speelvoorziening Afvalbak
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Asfalt of tegelverharding. Volley-voetbal/basketbalveld / 2x ballenvanger Pannafield Tafeltennistafel in combinatie met Speeltoestel voor 10-plussers standaardbank speelvoorzieningen zoals in gemeente Roosendaal worden gebruikt. Type ‘Roosendaal’ (spijlenhekwerk) Standaard afvalbak zoals in gemeente Roosendaal bij speelvoorzieningen wordt geplaatst.
Gemeente Roosendaal Team Beheer
78
Fietsenrekken
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Type ‘Leon’ 26700600 firma Velopa te Leiderdorp
Gemeente Roosendaal Team Beheer
79
13.
Oevers
13.1. Ontwerpeisen 13.1.1. Openbare stroken 1. Watergangen en waterpartijen ter plaatse van openbare gronden moeten ingericht worden als natuurvriendelijke oevers. 2.
In overleg met de Roosendaalse Hengelsport Agglomeratie en het Waterschap Brabantse Delta dienen paaiplaatsen en overwinteringsplaatsen aangebracht te worden.
3.
De plasberm dient een breedte van minimaal 1,00 meter en een waterdiepte (bij gemiddeld peil) van 0,20 meter te hebben.
4.
Het bovenwaterbeloop en onderwatertalud mag niet steiler zijn dan 1:3 in verband met de stabiliteit en onderhoud (o.a. mechanisch maaien).
13.1.2. Op plaatsen waar een rietoever wordt aangelegd dient een onderwater betuining te worden aangebracht om de ontwikkeling van de rietoever te begeleiden. Particuliere stroken 1.
Op de grens van de waterpartij en uit te geven tuin dient een eenvoudige beschoeiing (bestaande uit een enkele horizontale plank, een hardhouten vlechtmat en gronddichtdoek die aan hardhouten paaltjes zijn bevestigd) te worden geplaatst. Deze oeverafwerking wordt eigendom van de eigenaar van het perceel inclusief een onderhoudsplicht ten aanzien van de beschoeiing.
2.
De tuin achter de oeverafwerking (beschoeiing) dient te worden afgewerkt onder een helling die niet steiler is dan 1:3. De taluds tot de waterlijn en beschoeiing dienen door de eigenaar in dusdanige conditie te worden gehouden, dat het profiel van de watergang niet in gevaar komt.
3.
Daar waar bebouwing direct grenst binnen de invloedsfeer van het water (watergevels) gelden bijzondere voorwaarden. De eisen die aan dergelijke 'watergevels' worden gesteld hebben verstrekkende gevolgen voor de constructie omdat deze onder andere bestand moeten zijn tegen het droogzetten van de waterpartij en het waterdicht zijn van de constructie.
13.2. Materiaaleisen 13.2.1. Openbare stroken 02. De beschoeiing dient uit niet-belastend materiaal te worden/ zijn vervaardigd dat, geen bezwaar vormt voor grond en grondwater. 2.
Als stabiliteitsvoorziening kan onder het waterpeil een betuining worden aangebracht.
3.
Een eventueel toe te passen betuining dient te bestaan uit niet verduurzaamd inlands houten palen met gevlochten wilgentenen.
13.2.2. Particuliere stroken 1. De beschoeiing dient uit niet-belastend materiaal te worden/zijn vervaardigd dat geen bezwaar vormt voor grond en grondwater. Materialen voor een houten beschoeiing dient te zijn voorzien van FSCkeurmerk.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
80
14.
Civieltechnische kunstwerken
14.1. Ontwerpeisen 14.1.1. Bruggen 1. Het ontwerp moet duurzaam, vandalismebestendig en onderhoudsarm zijn. 2.
Bij het ontwerp dient te worden uitgegaan van een luchtige detaillering van de verbindingen tussen de diverse elementen.
3.
Voor de toe te passen bruggen voor alle verkeer geldt een ontwerp eis van verkeersklasse 45 of hoger, waarbij de sterktebelasting van de brug ook afgestemd dient te zijn op de uitvoeringsfase van het project. De NEN 6706 (NEN-EN-1991-2) is van toepassing. Voor alle werkzaamheden aan bruggen moeten de nieuwe berekeningswijzen toegepast worden.
4.
Verkeersbruggen dienen uitgevoerd te worden met een verhoogd voetpad aan beide zijden. De breedte van de brug dient conform de aanliggende wegen te worden uitgevoerd.
5.
Het vrije profiel voor de doorgang onder de brug dient te zijn afgestemd op het gebruik van de te kruisen weg, watergang, etc.
6.
Bij de dimensionering van fiets- en fiets/voetgangersbruggen dient rekening te worden gehouden met het gebruik van deze bruggen door veegwagens, strooiwagens en voertuigen van hulpdiensten en geldt een ontwerpeis van verkeersklasse 30.
14.1.2. Metselwerkmuurtjes 01. Metselwerkmuurtjes moeten voldoen aan de bepalingen in de brochure “vrijstaande muren” van www.knb-baksteen.nl.
14.2. Materiaaleisen 14.2.1. Bruggen 1. De draagconstructie van bruggen mag niet uitgevoerd worden in hout. 2.
De landhoofden en fundering van de constructie dienen te worden vervaardigd van beton.
3.
Contact tussen staal met grond en water dient te worden voorkomen.
4.
Delen die na voltooiing van het kunstwerk moeilijk te bereiken zijn, dienen te worden geconserveerd, opdat gedurende de levensduur geen onderhoud nodig is.
5.
Het dek moet voorzien zijn van een stroeve slijtlaag.
14.2.2. Voorzieningen aan kademuren 1. Op plaatsen waar kademuren worden geplaatst dient om de 50 meter een thermisch verzinkte trap te worden aangebracht met wrijfstijlen conform CUR 211 Kademuren. 2.
Op de wettelijk voorgeschreven afstanden dienen reddingsmiddelen aanwezig te zijn.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
80
14.2.3. Voorzieningen aan geluidsschermen 01. Geluidsschermen moeten worden voorzien van een permanent anti graffitisysteem AG 6010 van CAS NL B.V. of gelijkwaardig. 14.2.4. Voorzieningen aan tunnels 01. Geluidsschermen moeten worden voorzien van een permanent anti graffitisysteem AG 6010 van CAS NL B.V. of gelijkwaardig. 14.2.5. Voorzieningen aan muurtjes 1. Voor muurtjes mogen alleen volle (geen holle) stenen toegepast worden; 2.
Voegen tussen afdekplaten moeten met kit gevuld worden
3.
Voldoende dilatatievoegen toepassen.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
81
15. Huisvuilinzameling 15.1. Ontwerpeisen 15.1.1. Grondgebonden woningen 1. Bij grondgebonden woningen wordt restafval, gft-afval en oud papier gescheiden ingezameld met minicontainers (240 liter). Bij de inrichting van het openbaar gebied moet er rekening mee worden gehouden dat de minicontainers aan de zijkant van de rijbaan worden aangeboden en met een zijlader worden geledigd. 15.1.2. Niet grondgebonden woningen 2. Bij niet grondgebonden woningen moeten voor de inzameling van restafval ondergrondse containers worden geplaatst volgens het type Smartlift 4500 ten behoeve van zijbelading, te bestellen bij Saver. 3.
Als norm geldt dat 1 ondergrondse container wordt toegepast voor maximaal 35 woningen. De loopafstand vanaf de woning tot aan de container mag maximaal 75 meter bedragen.
4.
Voor de inzameling van oud papier moet bij niet grondgebonden woningen inpandig ruimte worden opgenomen voor de opslag van minicontainers ter grootte van 240 liter, 1 stuks per woning.
15.2
Materiaaleisen
15.2.1 Inzamelvoorzieningen op wijkniveau 1. Op wijkniveau moeten ondergrondse brengvoorzieningen worden gemaakt voor de gescheiden inzameling van glas, textiel en kunststof verpakkingen volgens het Subway 3 haken te bestellen bij Saver. 2.
Per afvalstroom moet 1 ondergrondse container worden geplaatst voor maximaal 650 woningen.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
82
16.
Brandblusvoorzieningen
16.1. Algemeen 1.
De primaire bluswatervoorziening is bedoeld voor de inzet direct na aankomst van de brandweer. Uitgangspunt is hierbij dat die brandkranen aangesloten op een (drink-) waterleiding moeten zijn.
2.
Met betrekking tot de projectering, uitvoering, bereikbaarheid en controle dient te worden getoetst aan onderstaande richtlijnen.
3.
De uitvoering van onderstaande dient te voldoen aan het gesteld in de richtlijn “de omgeving van een brandveilig gebouw”, zoals deze is uitgegeven door de Nederlandse Brandweer Federatie.
4.
Met betrekking tot aanpassing/realisatie van het onderstaande dient overleg te worden gepleegd met de afdeling Preventie van de Brandweer.
16.2
Projectering
1.
Brandkranen moeten direct en onbemeterd zijn aangesloten op de dienstleiding van de drinkwaterleiding en voor direct gebruik gereed zijn.
2.
Brandkranen dienen zodanig te worden geprojecteerd dat zijn binnen 40 meter van de door de brandweer te gebruiken toegang van een gebouw zijn gelegen. Bij grote objecten kunnen meerdere brandweeringangen aanwezig zijn.
3.
Brandkranen dienen op een onderlinge afstand van maximaal 80 meter te worden geprojecteerd.
4.
Een brandkraan dient geprojecteerd te worden op een straathoek. Hierdoor wordt het vinden van een brandkraan versneld en is de kraan in 2 straten beschikbaar.
5.
Binnen een afstand van 35 meter van een voedingspunt van een droge blusleiding dient een brandkraan aanwezig te zijn (er kunnen meerdere voedingspunten zijn).
6.
Op of nabij een bouwterrein waar brandkranen zijn geplaatst dient rond de brandkraan een voorziening te worden geplaatst te bescherming.
7.
Als wegen fysiek zijn gescheiden dienen er aan twee zijden brandkranen geprojecteerd te worden.
8.
Brandkranen dienen zodanig te worden geplaatst dat zij zich bevinden buiten de rijloper.
9.
Ondergrondse brandkranen mogen zich niet bevinden op plaatsen waar geparkeerd kan worden. Tevens moeten brandkranen die in trottoirs zijn gelegen, zich op ten minste 35 cm van de trottoirband bevinden, indien langsparkeren wordt toegepast. Bij dwarsparkeren moet de afstand tenminste 75 cm zijn.
10.
De tekeningen van het ontwerpwaterleidingnet met brandkranen dienen te controle te worden voorgelegd aan de afdeling Preventie van de Brandweer.
11.
De dimensionering van het waterleidingnet dient zodanig te worden uitgevoerd dat deze in overeenkomstig is met de risicofactor van het plaatselijk bestemmingsplan.
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
83
16.3
Uitvoering
1.
Bij uitvoering als ondergrondse brandkraan dient te worden voldaan aan het gestelde in de norm NEN 947.
2.
Bij uitvoering als bovengrondse brandkraan dient te worden voldaan aan het gestelde in de DIN 3222. In verband met normalisatie gaat de voorkeur uit naar het toepassen van brandkranen merk Mittelmann PN type P5 DN100.
3.
Met betrekking tot de daadwerkelijke plaatsing van de brandkranen dient er voor te worden zorggedragen dat ook in de toekomst de brandkranen vrij blijven van begroeiing, zodat een onmiddellijk gebruik van de brandkranen wordt gewaarborgd. De brandkranen dienen derhalve indien zij in plantsoen, berm en dergelijke liggen rondom te worden omgeven met tenminste 1 meter (4 m²) verharding. In de trottoir dient de witte brandkraantegel geplaatst te worden.
4.
Bij ondergrondse brandkranen dienen in de uitvoering van het straatwerk, voorzieningen (zogenaamde witte brandkraantegels) te worden getroffen, zodat deze brandkranen voldoende herkenbaar in het straatwerk voorkomen.
16.4
Bereikbaarheid
01.
Brandkranen dienen met brandweervoertuigen (asbelasting 100 kN) tot op 15 meter kunnen worden benader vanuit de rijloper.
16.5
Controle
01.
Met betrekking tot de controle van brandkranen wordt verwezen naar: Handboek 7 “Brandveiligheidsuitwerkingen” Hoofdstuk C-2 “Brandwaterwinplaatsen” Paragraaf 3 “Controle van ondergrondse brandkranen als onderdeel van de openbare bluswatervoorziening”
16.6 01.
Capaciteit Met betrekking tot de capaciteit van bluswatervoorziening wordt verwezen naar: Handboek 7 “Brandveiligheidsuitwerkingen” Hoofdstuk C-2 “Brandwaterwinplaatsen” Paragraaf 4 “Te stellen capaciteitseisen bluswatervoorziening”
Ontwerp- en materiaaleisen Versie: 1 mei 2020
Gemeente Roosendaal Team Beheer
84