CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

06f - Bijlage Was _wordt Verordening financieel beleid beheer en organisatie.pdf

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 6f: Voorstel 145 Verordening Financieel beleid, beheer en organisatie 202313.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) Gemeente Roosendaal 2023 Paragraaf 1. Algemene bepalingen Oud Artikel 1 Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: a. administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd; b. overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met één of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

Nieuw Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: 1. administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. 2. overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording Oud Artikel 2 Planning & Control-cyclus 1. Aan het begin van een begrotingsjaar biedt het college een overzicht (het “spoorboekje”) aan met daarin in elk geval de data voor het aanbieden door het college en voor zover van toepassing het vaststellen door de raad van de jaarstukken, de kadernota, de tussentijdse rapportage, de technische richtlijnen van de begroting en de begroting met de meerjarenraming. 2.

Er is een continu beleidsproces waarin beleidsverantwoording en bijsturing gespreid over het jaar plaatsvindt gedurende de raadsperiode. Jaarlijks bepaalt de raad welke onderwerpen aan de orde komen.

Nieuw Artikel 2 Planning & Control-cyclus 1. Aan het begin van een begrotingsjaar bieden burgemeester en wethouders een overzicht (het “spoorboekje”) aan met daarin in elk geval de data voor het aanbieden door burgemeester en wethouders en voor zover van toepassing het vaststellen door de raad van de jaarstukken, de kadernota, de tussentijdse rapportage, de technische richtlijnen van de begroting en de begroting met de meerjarenraming. 2.

Er is een continu beleidsproces waarin beleidsverantwoording en bijsturing gespreid over het jaar plaatsvindt gedurende de raadsperiode. Jaarlijks bepaalt de raad welke onderwerpen aan de orde komen.

Pagina | 1

Artikel 3 Programma-indeling 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast. 3. De raad stelt op voorstel van het college relevante indicatoren vast voor het meten en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijk beleid. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 4. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij middels extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Vaststelling programma-indeling en paragrafen 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling (voor die raadsperiode) vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van burgemeester en wethouders per programma vast: a. de taakvelden, en b. de beleidsindicatoren. Het voorstel van burgemeester en wethouders bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 4 Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de begroting en de jaarstukken worden de baten en de lasten weergegeven onder elk van de programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead. 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 4. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. 5. In de begroting en in de jaarrekening worden de afwijkingen op exploitatie baten en lasten afzonderlijk toegelicht als deze groter dan of gelijk aan € 50.000 zijn. De afwijkingen op investeringen die groter of gelijk zijn aan € 100.000 worden toegelicht in de jaarrekening. De incidentele baten en lasten worden in de begroting en jaarrekening afzonderlijk opgenomen en toegelicht als deze groter dan of gelijk zijn aan € 100.000.

Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt: a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven, en b. in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. 3. In de begroting en in de jaarrekening worden de afwijkingen op exploitatie baten en lasten afzonderlijk toegelicht als deze groter dan of gelijk aan € 100.000 zijn. De afwijkingen op investeringen die groter of gelijk zijn aan € 250.000 worden toegelicht in de jaarrekening. De incidentele baten en lasten worden in de begroting en jaarrekening afzonderlijk opgenomen en toegelicht als deze groter dan of gelijk zijn aan € 250.000.

Pagina | 2

Artikel 5 Kaders begroting 1. Het college biedt de raad jaarlijks, met uitzondering van het verkiezingsjaar, een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen. 3. Het college is geautoriseerd de in lid 2 genoemde middelen aan te wenden indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Het college legt hierover zo snel als redelijkerwijs mogelijk verantwoording af aan de raad. Artikel 6 Autorisatieniveau begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten per programma en het overzicht algemene dekkingsmiddelen. 2.

Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan voor welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden via het investeringsplan met het vaststellen van de programmabegroting geautoriseerd.

3.

Voor investeringen en uitgaven groter dan € 250.000 die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een voorstel voor de investering of uitgaven en het autoriseren van een investerings- of uitgavenbudget aan de raad voor.

Verschuivingen in jaarschijven binnen een krediet. De raad verleent het college mandaat om verschuivingen van inkomsten en uitgaven tussen jaarschijven in een bestaand investeringskrediet te realiseren. De totale kredietruimte wordt hierbij niet overschreden. De inkomsten en uitgaven worden hiermee realistischer begroot.

Artikel 5. Kaders begroting en meerjarenraming 1. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks, met uitzondering van het verkiezingsjaar, een Kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen. 3. Burgemeester en wethouders zijn geautoriseerd de in lid 2 genoemde middelen aan te wenden indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Burgemeester en wethouders leggen hierover verantwoording af aan de raad middels de reguliere P&C producten. Artikel 6. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de programmabegroting geautoriseerd. 3. Burgemeester en wethouders informeren de raad actief als zij verwachten dat a. een geautoriseerd programmabudget dreigt af te wijken met meer dan € 250.000, b.

de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigt af te wijken met meer dan € 250.000, c. de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigt af te wijken met meer dan € 250.000. 4. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid. 5. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportage in de raad bedoeld in artikel 7, eerste lid, doen burgemeester en wethouders voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en/of lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doen burgemeester en wethouders indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

Pagina | 3

6.

Artikel 7 Tussentijdse rapportage 1. Het college informeert de raad door middel van een tussentijdse rapportage over de realisatie van de programmabegroting. 2.

De tussentijdse rapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering van beleid en de bijstelling van beleid en een overzicht met de: a. afwijkingen > € 100.000 op baten en lasten per product; b. afwijkingen > € 100.000 op de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves; c. afwijkingen > € 100.000 tussen de realisatie en raming van de investeringskredieten.

Artikel 8 Informatieplicht Het college besluit niet over: a. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000; b. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Bij investeringen met een meerjarig karakter stellen burgemeester en wethouders aan de raad voor op welke wijze de jaarschijven binnen het investeringsbudget worden opgebouwd. Goedkeuring voor verschuivingen tussen de jaarschijven van meer dan € 250.000 aan lasten van een investeringsbudget worden aan de raad integraal voorgelegd bij de tussentijdse rapportage(s).

Artikel 7. Tussentijdse rapportage(s) 1. Burgemeester en wethouders informeren de raad door middel van tussentijdse rapportage(s) over de realisatie van de begroting van de gemeente van het lopende boekjaar. 2. Een tussentijdse rapportage bevat in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de: a. afwijkingen > € 100.000 op baten en lasten per begroot product; b. afwijkingen > € 100.000 op de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves; c. afwijkingen > € 100.000 tussen de realisatie en raming van de investeringskredieten. Artikel 8. Jaarstukken 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kunnen burgemeester en wethouders de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Artikel 9. Informatieplicht Burgemeester en wethouders besluiten niet over: 1. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 250.000; 2.

het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van Burgemeester en wethouders te brengen.

Pagina | 4

Artikel 9 EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 10. EMU-saldo Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Paragraaf 3. Financieel beleid Oud Artikel 10 Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen historische kostprijs, eventueel vermeerderd met bijkomende (verkrijgings)kosten (o.a. notaris- taxatiekosten). 2. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage 1 ‘Afschrijvingsbeleid Vaste activa’ bij deze verordening. 3. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 4. Afgeschreven wordt totdat het actief een waarde bereikt van € 1,-.

Nieuw Artikel 11. Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen historische kostprijs, eventueel vermeerderd met bijkomende (verkrijgings)kosten (o.a. notaris- taxatiekosten). 2. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage 1 ‘Afschrijvingsbeleid Vaste activa’ bij deze verordening. 3. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 4. Afgeschreven wordt totdat het actief een waarde bereikt van € 1,-. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode. Artikel 12. Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. 2. Voor openstaande vorderingen betreffende: a. onroerendezaakbelasting; b. precariobelasting;

Pagina | 5

Artikel 11 Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen plaats, tenzij een voorziening gewaardeerd wordt tegen contante waarde. 2. In bijlage 2 ‘Beleidskader Reserves en Voorzieningen’ is het beleidskader ten aanzien van reserves en voorzieningen opgenomen. Deze geeft inzicht in de wettelijke voorschriften en begrippen. Het beleidskader behandelt tevens de bevoegdheidsverdeling en nadere richtlijnen. De omvang van de reserves en voorzieningen wordt jaarlijks geactualiseerd en aan de raad ter kennis gebracht. Artikel 12 Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten de overheadkosten betrokken. 2.

Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen uit voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde baten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

3.

Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen,

c. hondenbelasting; d. parkeerbelasting; e. rioolheffing; f. afvalstoffenheffing, en g. bijstandsverstrekking, wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 100.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. Artikel 13. Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen plaats, tenzij een voorziening gewaardeerd wordt tegen contante waarde. 2. In bijlage 2 ‘Beleidskader Reserves en Voorzieningen’ is het beleidskader ten aanzien van reserves en voorzieningen opgenomen. Deze geeft inzicht in de wettelijke voorschriften en begrippen. Het beleidskader behandelt tevens de bevoegdheidsverdeling en nadere richtlijnen. 3. De omvang van de reserves en voorzieningen wordt jaarlijks geactualiseerd en aan de raad ter kennis gebracht. Artikel 14. Kostprijsberekening 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten betrokken. 2.

Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen uit voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde baten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld

Pagina | 6

werken en diensten, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën salarissen en sociale lasten en ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën salarissen en sociale lasten en ingeleend personeel. Hierbij worden salarislasten voor personen die niet van de faciliteiten gebruik maken uitgezonderd. 4.

4.

5.

Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald door de aan de producten toe te rekenen rente (in Euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal zijn gefinancierd. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een kwart procent (naar boven) afgerond. 6.

overhead apart geadministreerd en in die desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten, rechten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald door de aan de producten toe te rekenen rente (in Euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal zijn gefinancierd. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een kwart procent (naar boven) afgerond.

Artikel 13 Resultaten grondexploitatie

Artikel 15. Resultaten grondexploitatie

1.

1.

2.

3.

In de Nota Grondbeleid zijn nadere regels vastgelegd voor het beheer van grondexploitaties. Bij grondexploitaties moeten verliezen worden genomen wanneer deze te voorzien zijn. Dat betekent dat voor een grondexploitatie met een negatief saldo een voorziening dient te worden getroffen ter grootte van dat saldo op het moment dat het desbetreffende project operationeel wordt verklaard. Winsten worden tussentijds beoordeeld. De grondexploitatie wordt indien nodig hierop aangepast. Indien een deel van de grondexploitatie gerealiseerd is wordt tussentijds winst genomen (realisatiebeginsel). Hierbij wordt de

2.

3.

In de Nota Grondbeleid zijn nadere regels vastgelegd voor het beheer van grondexploitaties. Bij grondexploitaties moeten verliezen worden genomen wanneer deze te voorzien zijn. Dat betekent dat voor een grondexploitatie met een negatief saldo een voorziening dient te worden getroffen ter grootte van dat saldo op het moment dat het desbetreffende project operationeel wordt verklaard. Winsten worden tussentijds beoordeeld. De grondexploitatie wordt indien nodig hierop aangepast. Indien een deel van de grondexploitatie gerealiseerd is wordt tussentijds winst genomen (realisatiebeginsel). Hierbij wordt de

Pagina | 7

percentage of completion methode gehanteerd conform het Besluit Begroting en Verantwoording. 4. Tussentijdse winsten worden toegevoegd aan de Bestemmingsreserve Grondexploitatie. Bij afronding van de grondexploitatie wordt een besluit voorbereid om de winst te alloceren. Over afwijkingen van het resultaat van de grondexploitaties wordt gerapporteerd en besloten bij de programmabegroting en de jaarstukken. Artikel 14 Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd. 3.

Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a. leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

4.

percentage of completion methode gehanteerd conform het Besluit Begroting en Verantwoording. Tussentijdse winsten worden toegevoegd aan de Bestemmingsreserve Grondexploitatie. Bij afronding van de grondexploitatie wordt een besluit voorbereid om de winst te alloceren.

Over afwijkingen van het resultaat van de grondexploitaties wordt gerapporteerd en besloten bij de programmabegroting en de jaarstukken. Artikel 16. Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. 4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd. 5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: a.

leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; b. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; c. een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; d. een bevoordeling van sociale werkplaatsen; e. een bevoordeling van onderwijsinstellingen; f. een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

Pagina | 8

d. e. f. g.

een bevoordeling van sociale werkplaatsen; een bevoordeling van onderwijsinstellingen; een bevoordeling van publieke media-instellingen; en een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

g.

een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 15 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen, rechten en leges. De raad stelt deze tarieven vast.

Artikel 17. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1. Burgemeester en wethouders doen de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, rechten en leges. De raad stelt deze tarieven vast.

Het college besluit over het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen voor overige dienstverlening.

Burgemeester en wethouders besluiten over het vaststellen van nieuwe prijzen en het wijzigen van prijzen voor overige dienstverlening. Artikel 18. Financieringsfunctie 1. Burgemeester en wethouders nemen bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. 2. Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingen burgemeester en wethouders indien mogelijk zekerheden. 3. Burgemeester en wethouders stellen nadere richtlijnen vast in het treasurystatuut.

Artikel 16 Financieringsfunctie 1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1c Wet financiering decentrale overheden, met dien verstande dat het college in bijzondere situaties hiervan af kan wijken mits de raad voorafgaand aan dit besluit expliciet de gelegenheid wordt geboden zijn zienswijze kenbaar te maken. 2. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van waarborgen en garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden. 3. Het college stelt nadere richtlijnen vast in het treasurystatuut.

Pagina | 9

Paragraaf 4. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken Oud Artikel 17 Verplichte paragrafen 1. In de begroting en jaarrekening van de gemeente Roosendaal worden minimaal de navolgende verplichte paragrafen opgenomen: a. Lokale heffingen; b. Weerstandsvermogen en risicobeheersing; c. Financiering; d. Onderhoud kapitaalgoederen; e. Verbonden partijen; f. Grondbeleid; g. Bedrijfsvoering. 2. In deze paragrafen wordt een toelichting gegeven op het te voeren beleid en wordt verantwoording afgelegd over het gevoerde financiële beleid. Het college gaat hierbij in op ten minste de verplichte onderdelen op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording voor provincies en gemeenten.

Nieuw Artikel 19. Verplichte paragrafen 1. In de begroting en jaarrekening van de gemeente Roosendaal worden minimaal de navolgende verplichte paragrafen opgenomen: a. Lokale heffingen; b. Weerstandsvermogen en risicobeheersing; c. Financiering; d. Onderhoud kapitaalgoederen; e. Verbonden partijen; f. Grondbeleid; g. Bedrijfsvoering; h. Wet Open Overheid. 2. In deze paragrafen wordt een toelichting gegeven op het te voeren beleid en wordt verantwoording afgelegd over het gevoerde financiële beleid. Burgemeester en wethouders gaan hierbij in op ten minste de verplichte onderdelen op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording voor provincies en gemeenten.

Paragraaf 5. Financiële organisatie en financieel beheer Oud Artikel 18 Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is aan: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatieonderdelen; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

Nieuw Artikel 20. Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: 1. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatieonderdelen; 2. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten; 3. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

Pagina | 10

d. e. f.

het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 19 Financiële organisatie Het college draagt zorg voor: a. een éénduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een éénduidige toewijzingen van de gemeentelijke taken aan de organisatieonderdelen; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorzieningen van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de organisatieonderdelen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van activiteiten en uitputting van middelen; f. de kostenverdeelsleutels voor het éénduidig toewijzen van baten en lasten; g. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; h. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen en i. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

4. 5.

6.

het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; het afleggen van verantwoording door burgemeester en wethouders aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 21. Financiële organisatie Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor: 1. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de organisatieonderdelen; 2. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; 3. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; 4. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; 5. de te maken afspraken met de organisatieonderdelen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; 6. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; 7. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen, en 8. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Pagina | 11

9.

Artikel 20 Interne controle 1. Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel. 2.

Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 22. Interne controle 1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen op basis van het Interne Controle Plan. Indien afwijkingen in totale omvang boven de verantwoordingsgrens komen, dienen deze, zoals in het Controleprotocol 2023 nader beschreven, opgenomen te worden in de Rechtmatigheidsverantwoording. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over de genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen in de paragraaf Bedrijfsvoering 2. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Paragraaf 6. Slotbepalingen Oud Artikel 21 Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1. De Financiële verordening 2020 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt . 2.

Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2021 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 22 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Gemeenteblad en werkt terug t/m 1 januari 2022.

Nieuw Artikel 23. Intrekking oude regeling De financiële verordening 2022 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 01-01-2023.

Pagina | 12

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening.

2.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie gemeente Roosendaal 2023.

Pagina | 13

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 11 Grensbedrag voor afschrijving Activa (zowel met economisch nut als met maatschappelijk nut) met een verkrijgingsprijs minder dan € 15.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen die altijd worden geactiveerd. Bij de bepaling van het bedrag van € 15.000 wordt gekeken naar het totaal van de investering en niet naar de prijs per afzonderlijk goed. Afschrijvingssystematiek Activa die geactiveerd zijn worden lineair afgeschreven. Bedrijfsmiddelen mogen annuïtair worden afgeschreven. Zonder limitatief te zijn worden onder bedrijfsmiddelen begrepen: Voertuigen, automatiserings- en telecommunicatieapparatuur, software, inrichting (tenzij aard- of nagelvast), meubilair, keukenapparatuur en overige kleine apparatuur. Zaken als gemeentelijke gebouwen vallen niet onder het hier gehanteerde begrip bedrijfsmiddelen. Investeringsuitgaven worden direct geactiveerd onder de betreffende categorie en blijven niet als onderhanden werk op de balans staan. In het jaar van gereedkomen van de investering vindt een vol jaar afschrijving plaats. Activa die in bezit zijn en volledig zijn afgeschreven blijven een boekwaarde van € 1 behouden. Indirecte kosten De toerekening van indirecte kosten gebeurt conform de definities voor overhead zoals vastgesteld in de BBV.

Deze organisatiekosten worden doorbelast op basis van de verhouding tussen totale loonkosten ambtelijk apparaat en toegerekende loonkosten primaire teams aan investeringswerken en grondexploitaties. Het verhoudingsgetal is gebaseerd op de verwachte ureninzet. Kosten van rente Kosten van rente worden zo volledig mogelijk toegerekend aan de investering die de rentekosten veroorzaakt en dit geschiedt vanaf het eerste jaar waarin investeringsuitgaven worden gedaan. Over het eerste jaar van de uitgaven wordt een half jaar rente berekend. Vanaf het tweede jaar wordt een vol jaar rente berekend. De rentekosten worden direct ten laste van het betreffende begrotingsprogramma gebracht. Kosten van watertaken (waaronder riolering) en de rioolheffing De opbrengsten van de rioolheffing dienen twee hoofddoelen: a. de jaarlijkse kosten van exploitatie en onderhoud en de kosten van het meerjarig onderhoud van de watertaken waaronder van het rioolstelsel en b. het sparen voor toekomstige vervangingsinvesteringen. Het tarief van de rioolheffing wordt vastgesteld om de kosten van de onder a en b genoemde doelen te dekken. Daarbij wordt uitgegaan van meerjarige ramingen op lange termijn gezien de fluctuaties in kosten en vervangingsinvesteringen.

Het bestanddeel van de rioolheffing voor de jaarlijkse kosten van exploitatie en onderhoud en voor de kosten van het meerjarig onderhoud wordt verantwoord binnen de “gesloten financiering exploitatie en onderhoud riolering”. Daarbinnen worden ook de jaarlijkse kosten van exploitatie en onderhoud en de kosten van het meerjarig onderhoud verantwoord. Een jaarlijks overschot of tekort wordt verrekend met de voorziening resultaten rioolexploitatie (cf. artikel 44, lid 2 BBV) teneinde de tarieven te egaliseren. Dit in verband met de fluctuaties in het meerjarig onderhoud waarbij het niet gewenst is het tarief mee te laten fluctueren.

Pagina | 14

Het bestanddeel van de rioolheffing waarmee wordt gespaard voor toekomstige vervangingsinvesteringen wordt gestort in de daarvoor bestemde voorziening rioleringsinvesteringen (cf. artikel 44 lid 1d BBV). Vervangingsinvesteringen worden geactiveerd binnen de gesloten financiering “vervanging riolering” buiten de “gesloten financiering exploitatie en onderhoud riolering”. De in de voorziening gespaarde bedragen voor vervangingsinvesteringen worden binnen het jaar tot het maximum van de investering in mindering gebracht op het investeringsbedrag waardoor de investering op nihil wordt gebracht. Indien de gespaarde bedragen niet voldoende zijn blijft het restant bedrag van de investering geactiveerd. Op uitbreidingsinvesteringen mogen geen in deze voorziening gespaarde bedragen vanuit de rioolheffing in mindering worden gebracht. Nieuwe investeringen vallen buiten de gesloten financieringen en worden betaald uit de algemene middelen of worden betaald door bijdragen van derden (zoals via de grondexploitatie).

Indien uit actualisatie van de meerjarenramingen blijkt dat er teveel of te weinig wordt gespaard voor vervangingsinvesteringen en/of dat er te veel of te weinig rioolheffing wordt opgelegd voor de jaarlijkse kosten van exploitatie en onderhoud en de kosten van het meerjarig onderhoud van de watertaken waaronder van het rioolstelsel, kan een overheveling tussen de saldi van beide voorzieningen plaatsvinden. Indien beide voorzieningen echter een tekort ramen, dan dient de rioolheffing te worden verhoogd. Indien beide voorzieningen of reserves op lange termijn een overschot ramen dan dient de rioolheffing te worden verlaagd. Het VGRP geeft dit lange termijn inzicht. Afschrijvingsduur Voor de bepaling van de gebruiksduur kan worden gelet op: a. de technische levensduur van het actief; b. de economische gebruiksduur in het algemeen; c. de economische gebruiksduur voor de gebruiker. De laagste van deze drie is bepalend voor de afschrijvingsduur. De in de verordening opgenomen afschrijvingstermijnen zijn maximale termijnen. Bij ieder investeringsvoorstel dient te worden beoordeeld of deze maximale termijn realistisch is. Omdat onzekerheid bestaat over de definitieve gebruiksduur dient vanuit voorzichtigheidsoogpunt de gebruiksduur eerder (te) kort dan te lang te worden geschat.

Afschrijvingstermijnen vaste activa De volgende vaste activa worden afgeschreven in ten hoogste de hieronder genoemde termijnen. Immateriële vaste activa: 1. kosten sluiten geldleningen: 0 jaar 2. saldo van agio en disagio: 5 jaar 3. geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling: 5 jaar 4. bijdragen aan activa in eigendom van derden: 5 jaar Materiële vaste activa met economisch nut: 1. Bedrijfsgebouwen a. Nieuwbouw: 40 jaar b. Restauratie: 20 jaar c. Renovatie: 25 jaar

Pagina | 15

2.

3.

4.

5.

d. Overige voorzieningen: 15 jaar e. Woonwagens: 15 jaar f. Tijdelijke huisvesting: 15 jaar g. Scholen: bouwkosten: 40 jaar h. Scholen: noodlokalen: 15 jaar Gronden en terreinen a. Gronden: op gronden wordt niet afgeschreven b. Sportvelden/ - voorzieningen: aanleg velden: 30 jaar c. Sportvelden/ - voorzieningen: renovatie: 20 jaar d. Sportvelden/ - voorzieningen: sporthal / kleedlokalen: 25 jaar e. Sportvelden/ - voorzieningen: installaties: 15 jaar f. Sportvelden/ - voorzieningen: speeltoestellen: 10 jaar Grond-, weg- en waterbouwkundige werken a. Riolering: vrij verval: 60 jaar b. Riolering: randvoorzieningen: 60 jaar c. Riolering: persleiding en drukriolering: 60 jaar d. Riolering: gemalen, bouwkundig: 60 jaar e. Riolering: gemalen, mechanisch (pompen, afsluiters, etc): 15 jaar f. Riolering: gemalen, elektrotechnisch en besturing: 15 jaar Vervoermiddelen a. Dienstauto’s: 5 jaar b. Huisvuilwagens: 8 jaar c. Vrachtauto’s: 8 jaar d. Service wagens: 8 jaar e. Bestelwagens: 8 jaar f. Electro wagens: 5 jaar g. Veegwagens: 8 jaar h. Aanhangwagens: 8 jaar i. Hoogwerkers: 10 jaar j. Strooiwagens: 10 jaar k. Tractors: 10 jaar l. Maaimachines: 5 jaar m. Schaftwagens: 8 jaar Machines, apparaten en installaties

Pagina | 16

6.

7.

8. 9.

a. Houtversnipperaar: 5 jaar b. Frees: 5 jaar c. Trilmachine: 5 jaar d. Handgereedschap: 5 jaar e. Overige machines: 10 jaar Inventarissen a. Kantoorinventaris: 10 jaar b. Overige inventaris: 10 jaar c. Scholen: eerste inrichting: 20 jaar Overige materiële vaste activa van economisch nut a. Ict: applicatiesoftware: 6 jaar b. Ict: besturingssysteemsoftware: 5 jaar c. Ict: systeemsoftware: 4 jaar d. Ict: desktop, laptop, tablet: 4 jaar e. Ict: server en componenten: 4 jaar f. Ict: dataopslag: 5 jaar g. Ict: printers: 6 jaar h. Ict: telefooncentrale en- installatie: 7 jaar Erfpachtgronden: op gronden wordt niet afgeschreven Werk in uitvoering: 0 jaar (zie deze bijlage inzake afschrijvingssystematiek / onderhanden werken)

Materiële vaste activa met maatschappelijk nut: 1. Grond-, weg- en waterbouwkundige werken a. Wegen, fiets en voetpaden: aanleg / vervanging / reconstructie: 40 jaar b. Parken en plantsoenen: aanleg / vervanging / reconstructie: 30 jaar c. Parken en plantsoenen: voorziening: 15 jaar d. Civieltechnische kunstwerken: bruggen / viaducten, aanleg en vervanging / reconstructie: 40 jaar e. Civieltechnische kunstwerken: houten bruggen, aanleg / vervanging: 20 jaar f. Civieltechnische kunstwerken: damwanden, aanleg en vervanging: 25 jaar g. Civieltechnische kunstwerken: overig, aanleg en vervanging: 25 jaar h. Verkeersregelinstallaties: 15 jaar i. Overige grond-, weg- en waterbouwkundige werken: 20 jaar 2. Machines, apparaten en installaties a. Openbare verlichting lichtmasten: 40 jaar

Pagina | 17

3.

b. Openbare verlichting armaturen: 20 jaar Overige materiële vaste activa met maatschappelijk nut a. Bushaltes / abri’s: 20 jaar b. Straatmeubilair: 10 jaar

Pagina | 18

Bijlage 2: 2.1

Beleidskader Reserves en Voorzieningen (bij artikel 13)

Wettelijk kader

De gemeentewet bevat twee bepalingen die relevant zijn voor ons beleid reserves en voorzieningen. Ten eerste is bepaald (in artikel 212) dat elke gemeente een verordening opstelt waarin de uitgangspunten van het financiële beleid en beheer zijn vastgelegd. Dit betreft deze Verordening Financieel beleid, beheer en organisatie. Onze Verordening Financieel beleid, beheer en organisatie schrijft voor dat de raad een beleidsnota reserves en voorzieningen moet vaststellen. Deze nota behandelt de vorming en aanwending van reserves en voorzieningen. Ten tweede bevat de Gemeentewet regels over de wijze van begroten en verantwoorden die zijn uitgewerkt in het Besluit begroting en verantwoording (BBV). Deze regels vormen de leidraad voor deze nota en worden toegelicht in de begripsbepalingen en de bevoegdheidsverdeling. 2.2

Begripsbepalingen

Reserves Reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken en die vrij te besteden zijn. Reserves hebben verschillende functies en worden ingedeeld in bestemmingsreserves en algemene reserves. Verschillende functies van reserves De functies van reserves kunnen zijn:  Bufferfunctie: om onverwachte tegenvallers en optredende risico's in de exploitatie op te vangen. Dit vormt grotendeels de weerstandscapaciteit en versterkt daarmee het weerstandsvermogen van de gemeente.  Financieringsfunctie: om kapitaalinvesteringen met eigen middelen te financieren.  Bestedingsfunctie: om geld te reserveren voor specifieke activiteit of doel. Algemene en bestemmingsreserves Reserves zijn (conform BBV artikel 43) te onderscheiden in algemene reserves en bestemmingsreserves. Onder de algemene reserves vallen de vrij besteedbare reserve en de bufferreserve. De algemene reserves worden gevoed door overschotten op de jaarrekeningen en tekorten op de jaarrekeningen worden onttrokken aan de algemene reserve. Ook kan door de raad structureel of incidenteel een bepaald bedrag opgenomen worden in de begroting om toe te voegen aan de algemene reserve. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan door de raad een bepaalde bestemming is gegeven.

Bij een voorstel voor een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen dient het volgende opgegeven te worden: het specifieke doel, de voeding (product), de maximale en minimale hoogte en de maximale looptijd van de reserve. Indien een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. Een bestemmingsreserve wordt opgeheven zodra het doel bereikt is of de reserve onder het minimumniveau is gedaald. Instellen, dotaties en onttrekkingen

Pagina | 19

In de begroting wordt een zo reëel mogelijk beeld gegeven van de mutaties van de reserves in een bepaald jaar. Daar komt aan de orde of nieuwe reserves moeten worden gevormd of dat reserves op basis van nieuwe keuzes moeten worden verhoogd of verlaagd. In afzonderlijke raadsbesluiten kan dit ook, maar in het kader van een integrale afweging is het wenselijk dit bij de vaststelling van de begroting te doen. Mutaties in reserves vinden ook plaats na vaststellen van de jaarrekening, als onderdeel van de resultaatbestemming. Tussentijdse mutaties zijn niet te voorkomen bij grote bedragen of wanneer de uitvoering van een programma in het gedrang komt. Bij de begroting wordt bekeken welke bestemmingsreserves nog actueel zijn voor het doel waarvoor ze zijn ingesteld. Deze actualisatie van reserves en voorzieningen wordt in het begrotingsproces separaat naar de raad (ter kennisgeving) gebracht. Bij afschaffing van de bestemmingsreserve wordt het vrijgevallen bedrag toegevoegd aan de algemene reserve. Reserves worden gevoed door de bestemming van het resultaat. Dit vindt plaats in de begroting en/of de jaarrekening of tussendoor middels raadsbesluit. Voorzieningen Bij voorzieningen gaat het om (on)zekere verplichtingen die tot schulden en/of lasten kunnen leiden en ter egalisatie van kosten.

Daarom worden voorzieningen gerekend tot het vreemd vermogen en kan er alleen over beschikt worden voor het doel waarvoor het is ingesteld. Functies voorzieningen De voorzieningen hebben, in tegenstelling tot de reserves, formeel slechts één doel en bestemming, namelijk een bufferfunctie met betrekking tot dekking van reeds voorziene verplichtingen en risico's. Voorzieningen worden op basis van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV artikel 44 lid 1) gevormd wegens:  verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs in te schatten;  op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;  kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;  bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen waarvoor heffing wordt geheven. Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume (artikel 44 lid 3 BBV).

Specifieke voorzieningen: Voorzieningen voor oninbare vorderingen (dubieuze debiteuren) Voor de vorderingen wordt een voorziening gevormd wegens oninbaarheid op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. Deze voorzieningen worden gepresenteerd als een waarde correctie op de post financiële vaste activa of openstaande vorderingen en worden jaarlijks bij de jaarrekening geactualiseerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen;  voorziening oninbaarheid publieksrechtelijk;  voorziening oninbaarheid privaatrechtelijk;  voorziening oninbaarheid sociale zaken.

Pagina | 20

Specifieke voorzieningen: Voorzieningen grondexploitatie Voorzieningen grondexploitaties hebben een ander karakter dan gewone voorzieningen. Als de boekwaarde hoger is dan de verwachte marktwaarde, dan wordt een verliesvoorziening getroffen, de boekwaarde wordt daarmee afgewaardeerd. Ook als duidelijk wordt dat de door de raad voorgenomen bestemming in het geheel niet of slechts gedeeltelijk zal worden gerealiseerd en daardoor een lagere verwachte marktwaarde ontstaat, dan wordt een verliesvoorziening getroffen c.q. afgewaardeerd. Deze voorzieningen worden gepresenteerd als een waarde correctie op de balanspost (grond)voorraden. Instellen, dotaties en bestedingen Vorming van een voorziening en dotaties aan een voorziening worden in de begroting geraamd of vinden plaats in de jaarrekening voor vaststelling van het exploitatiesaldo. De voeding van de voorzieningen vindt daarmee plaats via de exploitatie (lasten) en vereist een besluit van de gemeenteraad (via de begroting of een wijziging daarop). De bestedingen geschieden rechtstreeks ten laste van de voorziening. De aanwending van een voorziening wordt dus rechtstreeks ten laste van de voorziening geboekt en is daarmee geen last die via de exploitatie loopt. Een begrotingswijziging is om deze reden dan ook niet nodig. Het verloop van de voorzieningen wordt toegelicht in de begroting en jaarrekening.

Elke voorziening moet de omvang hebben van de desbetreffende verplichting of het desbetreffende risico. Mutaties in voorzieningen vloeien daarom uitsluitend voort uit het aanpassen op grond van nieuwe inschattingen van het te betalen bedrag. Verhoging van een voorziening omdat de omvang ontoereikend is geschiedt via een begrotingswijziging. Is de kans dat een risico zich zal voordoen en de omvang van het risico niet goed in te schatten, dan kan geen voorziening worden getroffen. In dat geval wordt een risicoinschatting gemaakt bij de bepaling van het aan te houden weerstandsvermogen. 2.3 Bevoegdheidsverdeling Het BBV schrijft voor dat de gemeenteraad het enige orgaan is, vanuit zijn kaderstellende rol, dat kan beslissen over de instelling, opheffing, wijziging van, én dotaties en onttrekkingen aan reserves (budgetrecht). Tevens is de gemeenteraad bevoegd tot het instellen, opheffen, samenvoegen, wijzigen en voeden van voorzieningen. Hier dient rekening gehouden te worden met de minimale keuzevrijheid voor de gemeenteraad als gevolg van wettelijke verplichtingen en/of het zich voordoen van risico’s. De uitvoering van het vorenstaande beleid is belegd bij burgemeester en wethouders. Dit komt tot uitdrukking in de aanwendingen van voorzieningen (bestedingen).

Indien bij de uitvoering van dit beleid blijkt dat de middelen ontoereikend zijn op programmaniveau, wordt een begrotingswijziging voorbereid. Tabel 1: Beslissingsbevoegdheid Activiteit Instellen / opheffen van reserves en voorzieningen Samenvoeging / wijziging van reserves en voorzieningen

Gemeenteraad X X

Burgemeester en wethouders

Pagina | 21

Vaststellen boven- en/of ondergrens van reserves Voeding van reserves en voorzieningen Onttrekkingen aan reserves Bestedingen ten laste van voorzieningen

X X X X

2.4 Beleidskader Bovenstaand(e) wettelijk kader, begripsbepalingen en beslissingsbevoegdheid leiden tot de beleidsregels in dit hoofdstuk. Deze beleidskaders zijn verplichte richtlijnen voor de organisatie hoe om te gaan met reserves en voorzieningen. Algemene uitgangspunten Algemene uitgangspunten voor reserves en voorzieningen zijn: 1. Het instellen van reserves en voorzieningen moet passen binnen geldende wet- en regelgeving (BBV). 2. Het beleid met betrekking tot reserves en voorzieningen moet simpel en transparant zijn en daarom streven wij naar een beperkt aantal (noodzakelijke) reserves en voorzieningen. 3. Instelling van reserves en voorzieningen kan alleen door middel van expliciete besluitvorming door de gemeenteraad. In het besluit zal in ieder geval de volgende informatie zijn opgenomen: a. doelstelling / bestemming; b. wijze waarop reserve / voorziening wordt gevormd (structureel/incidenteel); c. werkelijke omvang; d. wijze van besteding / toelichting; e. maximale / minimale omvang (boven- en/of ondergrens; bandbreedte); f. (maximale) looptijd; g. bestedingsraming voor begrotingsperiode; h. dekking van de voeding(en). 4. Reserves en voorzieningen worden alleen ingezet als die leiden tot het aantoonbaar beter realiseren van het gestelde beleidsdoel dan via een reguliere begrotingspost. 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1456/documents/40909