05g - 4.B. Wijziging GR OMWB.pdf
Tekst van het document
kennisgeving Overeenkomstig artikel 60 van de Provinciewet kan het algemeen bestuur regelen van welke beslissingen van het dagelijks bestuur aan de leden van algemeen bestuur kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan. Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. Het dagelijks bestuur maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de omgevingsdienst gebruikelijke wijze openbaar. Hij laat de openbaarmaking achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang. Artikel 4.4 Besluitvorming De deelnemers hebben besloten op de besluitvorming van het dagelijks bestuur artikel 58 van de Provinciewet van toepassing te verklaren. a. Stemming Overeenkomstig artikel 58 juncto 28, eerste tot en met vierde lid, van de Provinciewet neemt een lid van het dagelijks bestuur niet deel aan de beraadslaging en stemming over: 1°. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; 2°. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.
Op die beraadslaging en stemming is artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Het niet deelnemen aan de beraadslaging en stemming geldt niet bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden; b. beslissing bij stemming Overeenkomstig artikel 58 juncto artikel 30 van de Provinciewet wordt voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.
Tweede lid Staken stemmen Indien de stemmen, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, staken dan heeft de voorzitter een doorslaggevende stem. Artikel 4.5 Taken en bevoegdheden
23
In de artikelen 19a, 19b en 57b van de Wgr, zijn de taken en bevoegdheden aangegeven die het dagelijks bestuur in ieder geval heeft. Artikel 4.5 vormt daar een aanvulling op. Artikel 19a Wgr 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. Artikel 19b Wgr 1. Over al hetgeen het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan betreft dient het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur desgevraagd van bericht en raad. 2.
Het dagelijks bestuur, het bestuur onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan doet mededeling van het verzoek en de inhoud daarvan aan de deelnemers. Artikel 57b Wgr Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd: a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam; d. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wgr; e. te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
Artikel 5.1 Voorzitter Artikel 13, negende lid, van de Wgr, bepaalt dat de voorzitter van het openbaar lichaam door en uit het algemeen bestuur wordt aangewezen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. In dit artikel is bepaald dat het algemeen bestuur tevens een plaatsvervanger door en uit haar midden aanwijst. De voorzitter is zowel de voorzitter van het openbaar lichaam, het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur. Overeenkomstig artikel 32a van de Provinciewet tekent de voorzitter alle stukken die van het algemeen bestuur uitgaan. De deelnemers hebben ervoor gekozen ook artikel 59a van de Provinciewet overeenkomstig toe te passen op de ondertekening van stukken van het dagelijks bestuur, zodat ook die door de voorzitter worden ondertekend. Zie ook de toelichting bij de artikelen 3.4 en 4.3 in deze regeling inzake de vergaderorde.
24
Artikel 5.2 Directeur Ingevolge de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) beslist het dagelijks bestuur over het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur. Sinds de invoering van de Wnra betreft de arbeidsovereenkomst met een ambtenaar een privaatrechtelijke overeenkomst. Het dagelijks bestuur regelt bij de arbeidsovereenkomst ook het salaris en eventuele overige emolumenten van de directeur. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst met de directeur, maar ook met de overige ambtenaren in dienst van de omgevingsdienst gebeurt door de voorzitter. De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte ingevolge artikel 57d, eerste lid, van de Wgr. Het tweede lid bepaalt dat de voorzitter de vertegenwoordiging, waaronder het namens de omgevingsdienst ondertekenen van arbeidsovereenkomsten, via volmacht kan opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon, bijvoorbeeld de directeur, met uitzondering van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst van de directeur zelf. Artikelen 6.1 en 6.2 Externe verantwoording en externe inlichtingenplicht Artikel 16, 18 en 19 van de Wgr en artikel 17, eerste lid, van de Wgr bepalen dat de gemeenschappelijke regeling bepalingen dient in te houden omtrent: a.
de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam door de raad of Provinciale Staten, ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid; b. de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, de door een of meer leden van raad of Provinciale Staten gevraagde inlichtingen dient te verstrekken; c. de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten de door een of meer leden van die raden of staten gevraagde inlichtingen worden verstrekt; d. de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld onder c, worden verstrekt. De artikelen 6.1 en 6.2 voorzien in al deze verplichtingen. Waarbij nog een extra verantwoordingsplicht en inlichtingenplicht is vastgelegd richting de colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten. Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd.
Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten. Artikel 6.3 Externe actieve inlichtingenplicht Artikel 17, tweede van de Wgr bevat de verplichting dat het bestuur van het openbaar lichaam de raden en Provinciale Staten van de deelnemers alle inlichtingen geeft die zij nodig hebben voor uitoefening van hun taken. Het derde lid van artikel 17 van de Wgr bepaalt dat de gemeenschappelijke bepalingen dient in te houden omtrent de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt. Het is niet mogelijk om te voorzien in een uitputtende regeling over de actieve informatieplicht. Het artikel is derhalve vormgegeven als kapstokartikel waar nader invulling aan kan worden gegeven. Het is aan partijen om daar in overleg nadere afspraken over te maken. Het artikel omvat een zelfde bepaling als de actieve informatieplichten tussen het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad en Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. Het bestuur van het openbaar lichaam informeert de raden en Provinciale Staten schriftelijk over ontwikkelingen die hij van belang acht en die de raden en Provinciale Staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Hierbij kan
25
gedacht worden aan ontwikkelingen in het beleid en onvoorziene ontwikkelingen in de organisatie. De vorm waarop de inlichtingen kunnen worden verstrekt is schriftelijk, danwel op een andere passende wijze, zoals bijvoorbeeld een webinar, een informatiebrief na vergaderingen, reguliere bijeenkomsten. Het staat de raden en Provinciale Staten vrij om aan te geven aan welke informatie zij aanvullend behoefte hebben en de wijze waarop zij deze informatie wensen te ontvangen. Artikel 6.4 Interne inlichtingenplicht Artikel 19a, tweede lid, van de Wgr regelt dat het dagelijks bestuur het algemeen bestuur alle inlichtingen geeft die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Artikel 6.4 is aanvullend op de verplichtingen van de Wgr. Artikel 6.5 Geheimhouding In artikel 23, eerste lid, van de Wgr, is geregeld dat het algemeen bestuur in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding kan opleggen. Deze geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft.
Het tweede lid bepaalt dat op grond van de belangen genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid de geheimhouding eveneens kan worden opgelegd door het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam en door een commissie als bedoeld in artikel 24 of 25 van de Wgr, ieder ten aanzien van stukken die zij aan het algemeen bestuur of aan de leden van het algemeen bestuur overleggen. Daarvan dient dan op de stukken melding te worden gemaakt. In de bepalingen over de secretaris is dat geregeld in deze regeling. In het derde lid is vervolgens geregeld dat de aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd. Het vierde lid bepaalt dat de aan leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding door hen in acht wordt genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft.
Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht. Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten. Artikel 7.1 Begroting en jaarrekening De procedure inzake de begroting en de jaarrekening van de omgevingsdienst is reeds dwingend geregeld in artikel 58, 58a, 58b en 59 van de Wgr. Daarom zijn de bepalingen niet opgenomen in de regeling zelf.
26
Artikel 58 Wgr 1. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 58a Wgr 1. Indien het openbaar lichaam een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiëleverhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen ontvangt van de deelnemende provincies en gemeenten, die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, zijn de artikelen 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet op de informatie ten behoeve van de verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a.
voor gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b. de in artikel 17b, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiëleverhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. 2. De ingevolge artikel 186, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a. voor het college wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b. de in artikel 186, achtste lid, van de Gemeentewet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. Artikel 58b Wgr Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten van de deelnemende provincies. Artikel 59 Wgr 1.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan provinciale staten van de deelnemende provincies. 2. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de deelnemende gemeenten en provincies voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raad van een deelnemende gemeente en provinciale staten van een deelnemende provincie kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincies schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel
27
5.
6.
7.
over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en de staten der deelnemende provincies, die ter zake bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. De artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken.
In artikel 7.1 is een aanvulling opgenomen voor de begrotingswijziging in een specifiek geval. Artikel 7.5 Financiële voorschriften Artikel 216 Provinciewet 1. Provinciale staten stellen bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. De verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. 2. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van door het provinciebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 225; c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. Artikel 217 Provinciewet 1. Provinciale staten stellen bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. 2.
Provinciale staten wijzen een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen. 3. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of: a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten als de grootte en de samenstelling van het vermogen; b. de jaarrekening is opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel 190 en c. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is. 4. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en b. de tabel van fouten en onzekerheden voor de specifieke uitkeringen. 5. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen aan provinciale staten en een afschrift daarvan aan gedeputeerde staten. 6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid. 7.
Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in provinciale dienst worden genomen. In dat geval besluiten provinciale staten tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
28
8.
9.
Indien provinciale staten op grond van het tweede lid accountants heeft aangewezen die in provinciale dienst zijn genomen, is: a. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, 25a en 27 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op deze accountants; b. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de provincie; en c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van de provincie waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam zijn. Indien een provincie wordt aangewezen als organisatie van openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en met 24 van die wet van overeenkomstige toepassing op deze provincie.
Artikel 217a 1. Gedeputeerde staten verrichten periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. Provinciale staten stellen bij verordening regels hierover. 2. Gedeputeerde staten brengen schriftelijk verslag uit aan provinciale staten van de resultaten van het periodiek onderzoek. 3. Gedeputeerde staten stellen de rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken die zij doen instellen en zenden haar een afschrift van een verslag als bedoeld in het tweede lid. Artikel 8.1 Archieven Artikel 40 van de Archiefwet 1995 bepaalt dat een gemeenschappelijke regeling tevens een voorziening dient in te houden omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van het bij die regeling ingestelde openbare lichaam. Deze voorziening moet zoveel mogelijk getroffen worden overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet 1995. Omdat de provincie Noord-Brabant deelneemt in de gemeenschappelijke regeling zijn de bepalingen van de Archiefwet 1995 die van toepassing zijn op de provincie van overeenkomstige toepassing op de omgevingsdienst. Het gaat hierbij om de artikelen 27, 28 en 29 van de Archiefwet 1995. In artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 is vervolgens bepaalt dat het dagelijks bestuur ten aanzien van hun archiefbescheiden beheersregels vast.
In artikel 8.1 is uitvoering gegeven aan de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995, doordat het algemeen bestuur een archiefverordening dient op te stellen en het dagelijks bestuur regels omtrent informatiebeheer, waarbij de VNG het voortouw heeft genomen om modellen hiervoor te ontwikkelen. Het vijfde lid bevat de verplichting om de gevolgen van uittreding uit of opheffing van de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de archiefbescheiden te regelen. Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats Onder b Brabants Historisch Informatie Centrum Artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 bepaalt ook dat voorzien moet zijn in voldoende ruimte voor de archiefbescheiden. Voor de omgevingsdiensten in de provincie Noord-Brabant is daartoe het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) aangewezen. Het BHIC is gevestigd aan de Zuid-Willemsvaart 2 te ’s-Hertogenbosch. Artikel 8.3 Archivaris Als archivaris van de omgevingsdienst is aangewezen de archivaris van het BHIC. Deze archivaris beschikt over een diploma archivistiek en voldoende deskundigheid ter zake. Artikel 8.4 Verantwoording
29
In artikel 19a van de wet is geregeld dat het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur verantwoording schuldig zijn aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur daarbij alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Artikel 8.4 is een uitwerking van deze wettelijke bepaling, specifiek gericht op de archivering en afgestemd op de Handreiking Inrichting Informatie- en Archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden van november 2021 van het Landelijk overleg van provinciale archiefinspecteurs (LOPAI), de sectie archieftoezicht van de Branchevereniging van Archiefinstellingen in Nederland (BRAIN), de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA). Artikel 8.5 Ter beschikking stellen archiefbescheiden Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij die deelnemers. Artikel 9.1 Toetreding Voor toetreding van nieuwe deelnemers moet artikel 51 van de wet in acht worden genomen. Het staat de deelnemers vrij om een toetredingsdatum voor de nieuwe deelnemer af te spreken. Het verdient de voorkeur de inwerkingtreding van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling gelijk te stellen met de gewenste toetredingsdatum van de nieuwe deelnemer.
Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van een voorstel hiertoe. Artikel 9.2 Uittreding Het artikel is een uitwerking van artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9 van de wet over uittreding. Het artikel omvat de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon alsmede de deelnemers. De eerste zes leden bevatten de uitgangspunten van uittreding. Indien toepassing van deze bepalingen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kunnen de deelnemers en de uittredende partij, met inachtneming van artikel 51 van de wet, afwijkende afspraken maken. Dit is geregeld in het zevende lid. Het algemeen bestuur draagt in dat geval zorg voor het aanleveren van het voorstel tot uittreding bij de deelnemers. Na de uittreding dienen de gevolgen van de uittreding vervolgens te worden verwerkt in de gemeenschappelijke regeling. Hiervoor wordt het proces van artikel 51 van de wet gevolgd. Overigens is uittreding uit de gemeenschappelijke regeling niet eenvoudig, maar niet onmogelijk. Op grond van artikel 5.3 van de Wabo (Hoofdstuk 18 Omgevingswet) komt het werkgebied van een omgevingsdienst overeen met het gebied van een veiligheidsregio dan wel met het gebied van een kring van aangewezen gemeenten. Een kring wordt bij ministeriële regeling vastgelegd.
Door uittreding van een deelnemer wijzigt de kring en kan daarom alleen met aanpassing van de ministeriële regeling geschieden. Artikel 9.3 Wijziging Conform artikel 51 van de wet wordt de gemeenschappelijke regeling gewijzigd indien de colleges en Gedeputeerde Staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk Provinciale Staten, eensluidend besluiten. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van het voorstel hiertoe. Artikel 9.4 Opheffing Indien de deelnemers besluiten tot opheffing van het openbaar lichaam draagt het algemeen bestuur zorg voor het opstellen van een liquidatieplan. Het liquidatieplan wordt vooraf ter raadpleging voorgelegd aan de deelnemers. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, eerste lid, van de wet vindt besluitvorming over opheffing plaats door de deelnemende bestuursorganen. Bij de opheffing van het openbaar lichaam dient tevens de gemeenschappelijke regeling te worden ingetrokken via een intrekkingsregeling. Het algemeen bestuur doet hiervoor een voorstel.
30
Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, derde lid, van de wet blijft het bij een regeling ingestelde openbaar lichaam na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften Eerste lid 1 Informeel gesprek Dit artikel ziet zowel op geschillen als bezwaarschiften. Bij een geschil is geen besluit vereist, maar is sprake van een geschil als een van de deelnemers die mening is toegedaan. Zowel bij geschillen als in het stadium dat reeds een formeel bezwaarschrift is ingediend is het belangrijk dat steeds wordt getracht het geschil of bezwaar op informele wijze samen met een onafhankelijke bemiddelaar op te lossen. Derde lid Beslissing op bezwaar Het orgaan van het bestuur dat het besluit heeft genomen, zijnde het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter van de omgevingsdienst nemen een beslissing op het bezwaarschift, indien het informele gesprek niet tot een oplossing heeft geleid. De partij die het bezwaarschrift heeft ingediend kan daarna de daarvoor bestemde rechtsgang vervolgen. Artikel 10.2 interne klachten Dit artikel is enkel van toepassing op de behandeling van interne klachten over gedragingen van het bestuur van het openbaar lichaam. Dit kan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn.
Klachten over de uitoefening van bevoegdheden van de omgevingsdienst zullen vaak betrekking hebben op gemandateerde bevoegdheden die namens de deelnemers worden uitgevoerd. In die gevallen blijft de deelnemer bevoegd om zelf de klacht af te handelen. Artikel 11.1 Evaluatie Algemeen Het algemeen bestuur geeft de opdracht tot evaluatie en bepaalt daarbij of de evaluatie op onderdeel a, op onderdeel b of op beide onderdelen van dit artikel betrekking zal hebben. In het geval het algemeen bestuur overgaat tot een evaluatie overweegt zij ook op welke wijze de gemeenteraden en Provinciale Staten worden betrokken. Onder a Doeltreffendheid en effecten Een periodieke evaluatie van de gemeenschappelijke regeling ligt voor de hand. De vorm en inhoud van een evaluatieverslag zijn vrij. Mogelijkheden zijn een apart verslag, een rapportage in de begrotingstoelichting, een beleidsnota of een onderdeel van de toelichting bij een wijzigingsreglement. Wat de inhoud betreft geldt als algemene eis dat een adequaat inzicht wordt gegeven in doeltreffendheid en effecten van het reglement in de praktijk. Aangezien het reglement een algemeen kader bevat voor de samenwerking tussen de deelnemers ligt het voor de hand dat de evaluatie van het reglement zich met name beperkt tot een procesmatige evaluatie, waarbij het vooral technische, juridische en procedurele aspecten betreft.
Onder b Functioneren Ook het functioneren van de Omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers zelf zal periodiek geëvalueerd worden. Dat kan een beperkte evaluatie zijn, maar natuurlijk ook een meer omvattende evaluatie naar het functioneren van de samenwerking en het samenwerkingsverband en eventuele verbeterpunten. Artikel 11.2 Intrekking
31
Vanwege het grote aantal aanwijzings-technische wijzigingen is ervoor gekozen de oude regeling in te trekken en een geheel nieuwe regeling vast te stellen. Aan de citeertitel van de nieuwe regeling is het jaartal 2024 toegevoegd om deze nieuwe regeling te onderscheiden van haar voorgangers. Artikel 11.4 Inwerkingtreding Het provinciebestuur dat daartoe bij de regeling is aangewezen, onderscheidenlijk het bestuur van de provincie van de plaats van vestiging, dient ingevolge artikel 26 Wgr, juncto artikel 52, eerste lid, onder l, van de Wgr, de regeling bekend te maken in het door dat provinciebestuur uitgegeven provinciaal blad. Artikel 11.4 regelt dit. De regeling treedt vervolgens in werking de dag na publicatie. De regeling treedt niet in werking voordat zij is bekendgemaakt. Het openbaar lichaam of bij gebreke hiervan, het provinciebestuur, voegt vervolgens in het register, bedoeld in artikel 136, eerste lid, van de Wgr, de gegevens toe, bedoeld in artikel 136, tweede lid, van de Wgr. Deze procedure is ook van toepassing op besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.
32
Bijlage 2: Motivatie inhoudelijke wijzigingen Inhoudelijke wijzigingen Hieronder worden de keuzes toegelicht die zijn gemaakt voor de inhoudelijke wijzigingen van de GR OMWB 2024 in het kader van de wijziging van de Wgr. Burgerparticipatie: (artikel 1.3 GR OMWB 2024 en artikel 10 lid 7 Wgr) ‘Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden worden niet bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken’. De gewijzigde Wgr verplicht om in elke GR te beschrijven hoe om te gaan met participatie van burgers en belanghebbenden en daarom wordt artikel 1.3 toegevoegd. De reden voor de keuze om geen burgerparticipatie bij de OMWB te organiseren is dat de OMWB (als uitvoeringsorganisatie) een beleidsarme gemeenschappelijke regeling is. De OMWB voert met name het beleid uit dat door het bevoegd gezag (gemeente/provincie) wordt vastgesteld. Het is daarom voor de hand liggend om de inspraak bij het orgaan te laten waar het beleid gemaakt wordt. Deze keuze voldoet ook het meest aan de wens om de inspraak te laten verlopen via het orgaan met de meeste democratische legitimiteit.
Actieve informatieplicht: (artikel 6.2 GR OMWB 2024 en artikel 17 lid 2 en 3, artikel 52 lid 1 Wgr.) ‘De inlichtingen, bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet, worden schriftelijk of op een andere passende wijze verstrekt.’ In artikel 17 lid 2 van de Wgr wordt geregeld dat het bestuur van de OMWB een actieve informatieplicht heeft naar de raden/Staten. Het bestuur dient alle inlichtingen te verstrekken die de raden/Staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. In de GR dient vervolgens (op grond van artikel 17 lid 3) te worden opgenomen de wijze waarop die inlichtingen worden verstrekt. We hebben ervoor gekozen op te nemen dat deze inlichtingen schriftelijk of op een andere passende wijze worden verstrekt. Een andere passende wijze kan dan b.v. zijn via bijeenkomsten, digitaal, via een Webinar, podcast enz. In de hedendaagse tijd zijn de mogelijkheden voor informatieverstrekking immers talrijk. In de GR hoeft dus niet beschreven te worden welke inlichtingen of documenten verstrekt worden. Daar kiezen we ook uitdrukkelijk niet voor, omdat dit teveel aan verandering onderhevig is en te operationeel is om in een GR op te nemen. Tot op heden is het gebruik dat de begroting en jaarrekening door de OMWB wordt toegezonden aan de raden en Staten. Tevens heeft de OMWB een nieuwsbrief waarop raad- en Statenleden zich kunnen abonneren en is de OMWB actief op social media.
Sinds kort heeft de OMWB ook een podcast. De directie bezoekt op eigen initiatief of op verzoek commissie-, raads- en/of Statenvergadering om een nadere toelichting te geven op voorstellen. OMWB wil graag in gesprek met raads- en Statenleden om te bespreken op welke wijze we de actieve informatieplicht nadere invulling kunnen geven. Zienswijzeprocedure: (artikel 7.1 GR OMWB 2024 en artikel 10 lid 5 en 6 Wgr) Op besluiten tot wijziging van de begroting is artikel 59, vijfde lid, eerste volzin, van de Wgr van toepassing, indien door de wijziging de totale bijdrage van de deelnemers als gevolg van de taken, bedoeld in artikel 2.1, stijgt ten opzichte van het bedrag dat in de vastgestelde begroting is opgenomen. In de GR van de OMWB is reeds opgenomen dat, onder voorwaarden, een besluit tot het wijzigen van de begroting wordt voorgelegd voor zienswijze. Naast deze zienswijzeprocedure (en de andere in de Wgr reeds geregelde situaties) zien wij geen noodzaak voor het uitbreiden van de besluiten waarvoor een zienswijze wenselijk is. De Memorie van Toelichting van de Wgr noemt besluiten met een aanzienlijk financieel belang, een politiek gevoelig karakter en besluiten over beleidsmatige keuzes.
Besluiten met een aanzienlijk financieel belang worden vrijwel altijd ondervangen door de zienswijzeprocedure op de begroting en de begrotingswijzigingen. De formulering van een aanzienlijk financieel belang of politiek gevoelig karakter moet naar onze mening ook gespecificeerd worden. Deze begrippen zijn te ruim om in een GR te gebruiken. Het zal tot interpretatieverschillen leiden en daarmee een bron voor discussies waar geen van de partijen mee gediend is. De extra zienswijzeprocedure is naar onze mening bij uitstek bedoeld voor samenwerkingsverbanden waarin beleidsmatige keuzes gemaakt worden. Dan moet een raad/Staten de mogelijkheid hebben bij te sturen en te bewaken dat het samenwerkingsverband die taken uitvoert die bijdragen aan de doelstelling als raad/Staten voor je gemeente/provincie. Aangezien de OMWB een beleidsarme gemeenschappelijke regeling is maken wij geen beleidskeuzes. De OMWB voert met name het beleid uit dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Het opnemen van een zienswijzeprocedure daarop, treft daarom voor de OMWB geen doel. Uittredingsregels: (artikel 9.2 GR OMWB 2024 en artikel 9 lid 1 Wgr) Artikel 9.2 Uittreding 1. Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van een daartoe strekkend besluit van haar bestuursorgaan. 2. De opzegging geschiedt met in achtneming van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. 3.
De uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. 4. De uittredende deelnemer en het algemeen bestuur houden de kosten die verband houden met de uittreding zo laag mogelijk. 5. De uittredende deelnemer betaalt in jaar een van uittreding 66% en in jaar twee 33% van de bijdrage aan de begroting die de deelnemer voldeed in het jaar voorafgaand aan de uittreding. 6. Tot aan de datum van de uittreding behoudt de uittredende deelnemer alle rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan de gemeenschappelijke regeling. 7. De deelnemers kunnen afwijken van het eerste tot en met het vijfde lid, voor zover toepassing, gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 8. Het algemeen bestuur brengt indien sprake is van een afwijking als bedoeld in het zevende lid, een voorstel met daarin de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van de uittreding in procedure bij de deelnemers. Deze aanvulling in de wet is een vrij technische wijziging. Bij een uittreding ontstond vaak een juridische en financiële discussie die wel tot jaren kon duren. In de jurisprudentie is daarom een berekeningswijze ontwikkeld voor de kosten. Deze wordt vaak als erg kostbaar gezien. Wij hebben als algemeen uitgangspunt gekozen dat de uittreder de kosten van uittreding betaalt.
De ‘achterblijvers’ moeten niet opgezadeld worden met extra kosten. Daarbij moeten beide partijen zich inspannen om de kosten zo laag mogelijk te houden. Voor het omschrijven van een methode waarmee de kosten van uittreding bepaald worden, is uit praktijkvoorbeelden de hier omschreven afspraak als meest praktische naar voren gekomen. Daarbij merken wij op dat uittreding uit een omgevingsdienst technisch gezien wel mogelijk is, maar zeer lastig te verwezenlijken en daarom niet, dan wel zeer sporadisch zal voorkomen. Evaluatie van de GR: (artikel 11.1 GR OMWB 2024 en artikel 11a Wgr) Artikel 11.1 Evaluatie 1. Op verzoek van het algemeen bestuur wordt een verslag opgesteld: a. over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk; b. over het functioneren van de Omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers. 2. Het algemeen bestuur overlegt het verslag van de evaluatie en de daaruit getrokken conclusies, bedoeld in het eerste lid, aan de deelnemers.
De wetswijziging ziet op een evaluatie van de juridische regeling, maar doelt ook op een evaluatie van het functioneren van het samenwerkingsverband als orgaan. Wetgeving en omgeving kunnen immers veranderen. Er kan voor gekozen worden om een termijn op te nemen waarna geëvalueerd wordt. Daarbij is een raadsperiode van vier jaar een vrij logische keuze. Wij hebben ervoor gekozen om geen termijn op te nemen, maar dit over te laten aan het Algemeen Bestuur. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom een evaluatie eerder of juist later gewenst is. Het Algemeen Bestuur kan in zijn verzoek dan ook de opdracht van de evaluatie concreter omschrijven. We hebben opgenomen dat het verslag van die evaluatie altijd verstrekt wordt aan de deelnemers, zodat ook een raad/Staten hierover geïnformeerd wordt. Veranderende termijnen in de P&C-cyclus: (artikel 59 Wgr) In de huidige GR OMWB worden termijnen genoemd in het kader van de P&C cyclus. Het gaat dan om de artikelen 30, 31 en 33 van de huidige GR. We hebben ervoor gekozen deze termijnen niet opnieuw over te nemen in de nieuwe GR OMWB 2024. Reden hiervoor is dat de termijnen in de Wgr genoemd worden en dus niet herhaald hoeven te worden in de eigen GR. Daarnaast willen we flexibiliteit houden in de tijdsplanning van de P&C producten.
Door de langere zienswijzetermijn kan het voorkomen dat het ene jaar de begroting nog vóór de zomervakantie kan worden vastgesteld en soms zal dit pas begin september gebeuren. Het is dus niet nodig of wenselijk om hierover bepalingen op te nemen in de GR OMWB 2024. Gemeenschappelijke adviescommissie (artikel 24a Wgr) De mogelijkheid voor de raden om gezamenlijk een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen is geregeld in artikel 24a van de Wgr. Hierover hoeft niets opgenomen te worden in de GR OMWB 2024. Indien de raden gezamenlijk met een voorstel daartoe komen is het AB verplicht die commissie in te stellen en het AB regelt dan de bevoegdheden, taken en werkwijze van de commissie. Dit geschiedt door middel van een aparte regeling en komt dus niet in de GR OMWB 2024 te staan. Andere inhoudelijke wijzigingen: Hieronder worden de keuzes toegelicht van andere inhoudelijke wijzigingen vanwege actualisering van de gemeenschappelijke regeling. 2.4 Algemene leveringsvoorwaarden of dienstverleningsovereenkomsten. De OMWB heeft nu met elke deelnemer een dienstverleningsovereenkomst. Deze zijn opgesteld in 2013 en inmiddels aan actualisatie toe. Een (privaatrechtelijke) dienstverleningsovereenkomst is eigenlijk een vreemd construct om in een bestuursrechtelijke omgeving tussen overheidsorganen toe te passen.
Het contract wordt met iedere deelnemer individueel afgesloten, maar er is eigenlijk geen ruimte voor afwijkingen. Het is ook mogelijk om te werken met algemene leveringsvoorwaarden die door het AB worden vastgesteld. Deze discussie hoeft niet op dit moment gevoerd te worden, omdat we beide opties in de GR benoemen. Daarom geeft de GR flexibiliteit in het maken van deze keuze op een later moment. 3.1 Vervanging AB lid In de oude regeling stond dat een AB lid dat ontslag neemt als AB lid, in functie blijft totdat een nieuw lid is aangewezen. Dit vinden we geen afspraak die past in de bestuurlijke context die in zo’n situatie ontstaat. In de praktijk gebeurde het ook vrijwel nooit dat het AB lid dan nog een periode in functie bleef. Daarom is in de nieuwe regeling bepaald dat bij ontslag het plaatsvervangend lid de vacante positie gaat vervangen. 4.2 Einde lidmaatschap DB Een lid van het dagelijks bestuur kan aan het algemeen bestuur verzoeken hem ontslag te verlenen als lid van het dagelijks bestuur. Hiervoor is dus een besluit van het algemeen bestuur nodig en dat dient daarom schriftelijk te gebeuren. Volgens de oude regeling kon dit slechts door mededeling aan het AB. Dit is ons inziens niet in overstemming met de Wgr.
5.3 De secretaris In de GR is voor vrijwel alle functies geregeld dat er een plaatsvervanger is om bij ontstentenis de zaken te laten doorgaan. Dit was niet geregeld voor de functie van secretaris. Dit is nu wel geregeld door toevoeging van artikel 5.3 lid 2. Let wel, de plv secretaris hoeft niet ook plv. directeur te zijn. Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht Het artikel over het Bestuurlijk platform omgevingsrecht is vervallen. Bij de oprichting van de omgevingsdiensten is ook het BPO opgericht. Het heeft als doel om gezamenlijk de aanpak van Brabantbrede en regio-overstijgende zaken te bepalen en provinciebrede afstemming te regelen. De instelling en werkwijze ervan hoeven niet in de GR OMWB 2024 geregeld te worden, omdat de wettelijke grondslag is te vinden in de WABO en Bor. Er is daarom voor gekozen dit artikel te laten vervallen. Paragraaf 8 Archief De paragraaf over het archief is herzien in samenspraak met de provinciearchivaris. De tekst is geactualiseerd naar de huidige wetgeving en richtlijnen. De veranderingen zijn dat de archivaris van het BHIC toezicht houdt op alle archiefbescheiden van de OMWB, dus ook die van de gemandateerde taken van de deelnemers. Daarnaast kan de archivaris op verzoek of eigen initiatief advies uitbrengen aan het dagelijks bestuur. Ook de verantwoording door het dagelijks bestuur aan het algemeen bestuur is nu beschreven in de GR.
Tot slot is het artikel over ter beschikking stellen van archiefbescheiden aangepast aan de huidige werkwijze (geen fysieke dossiers meer) en is de mogelijkheid van het opstellen van algemene leveringsvoorwaarden ook hier opgenomen, conform artikel 2.4. 9.1 Toetreding Volgens de wet is niet het Algemeen Bestuur, maar zijn de deelnemers gerechtigd om in te stemmen met het toetreden van een nieuwe deelnemer. Dit is aangepast. 10.1 Informele aanpak interne geschillen en bezwaarschriften In de huidige GR was opgenomen dat een geschil werd voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Dit is op zich een bijzondere afspraak met een ongewisse uitkomst. Ook heeft de Minister geen bevoegdheid bij bezwaarschriften. We hebben ervoor gekozen dit aan te passen aan de hedendaagse meer gebruikte interventie mediation. 10.2 Interne klachten In de huidige regeling ontbrak een artikel over de afhandeling van interne klachten op grond van artikel 9.2 Awb. Deze omissie is hersteld waarbij de directeur gemandateerd kan worden om die klachten af te handelen.
OUD (geel = verwijderd)
Voorstel nieuw (geel = nieuw of wijziging)
Achtergrond / Toelichting
Andere vindplaats
Artikel 1 Begripsbepaling 1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. de regeling: deze gemeenschappelijke regeling; b. deelnemers: alle aan de regeling deelnemende publiekrechtelijke lichamen en rechtspersonen; c. Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; d. colleges: colleges van burgemeester & wethouders van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; e. Provinciale Staten: Provinciale Staten van Noord-Brabant; f. raden: gemeenteraden van de gemeenten waarvan het college deelneemt aan deze regeling; g. Omgevingsdienst: Het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, ook wel aangeduid als Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; h. de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; i. boekjaar: Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar; j. het werkgebied: het totale grondgebied van de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeenten, alsmede het daarmee overeenkomende grondgebied van de provincie Noord-Brabant.
Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: boekjaar: boekjaar dat samenvalt met het kalenderjaar; colleges: colleges van burgemeester en wethouders van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; deelnemers: alle aan deze regeling deelnemende publiekrechtelijke lichamen; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant; Landelijk basistakenpakket: verplichte Landelijke Basistakenpakket, als opgenomen in artikel 13.12 Omgevingsbesluit juncto bijlage VI van het Omgevingsbesluit; omgevingsdienst: Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant; Provinciale Staten: Provinciale Staten van NoordBrabant; raden: gemeenteraden van de aan deze regeling deelnemende gemeenten; werkgebied: totale grondgebied van de deelnemers aan deze gemeenschappelijke regeling, alsmede het daarmee overeenkomende grondgebied van de provincie Noord-Brabant; wet: Wet gemeenschappelijke regelingen.
Nummering losgelaten om latere wijzigingen makkelijker te verwerken. Nieuwe nummering van de regeling geïmplementeerd met paragrafen.
n.v.t.
Een toevoeging of verwijdering uit de begrippenlijst vereist daardoor geen verlettering en verdere wijzigingen in de rest van de regeling. Latere verwijderingen of toevoegingen aan de regeling zullen minder snel leiden tot grote impact op de nummering. Begripsbepaling op alfabetische volgorde gezet. Definities toegevoegd van: Landelijk basistakenpakket. Definities verwijderd van: regeling. Behoeft niet gedefinieerd te worden. tweede lid verwijderd omdat conform de Aanwijzingen voor de regelgeving dit niet in de regeling hoeft te worden opgenomen.
2.
Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of Gemeentewet, dan wel andere wettelijke regelingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt, tenzij anders vermeld, in die artikelen voor de provincie, Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de commissaris van de Koning, respectievelijk de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders, de burgemeester, gelezen: de Omgevingsdienst, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
artikel 2 – openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet, genaamd omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te Tilburg. 3. De Omgevingsdienst is ingesteld om ten behoeve van de deelnemers taken uit te voeren op het gebied van het omgevingsrecht en om als verlengstuk van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan een leefbare en veilige werk- en leefomgeving van de regio Midden- en West-Brabant. Door het aangaan van de gemeenschappelijke regeling worden ten aanzien van deze uitvoerende taken geen bevoegdheden overgedragen, die bij of krachtens een wettelijke regeling aan een of meer van de deelnemers zijn toegekend. Nieuw
Artikel 1.2 Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet, genaamd Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. 2. Het openbaar lichaam is gevestigd te Tilburg.
Artikel 1.3 Participatie
Doel verplaatst naar de aanhef.
aanhef
Artikel 3 – bevoegdheden 1. De Omgevingsdienst heeft geen verordenende bevoegdheid overgedragen gekregen van de deelnemers. 2. Het algemeen bestuur heeft een eigen verordenende bevoegdheid met betrekking tot de vaststelling van de verordeningen ex artikel 212 en 213 Gemeentewet juncto artikel 216 en 217 Provinciewet, de vaststelling van de organisatieverordening en de vaststelling van de arbeidsvoorwaardenverordeningen als bedoeld in artikel 125 Ambtenarenwet. 3. Het algemeen bestuur en dagelijks bestuur hebben voorts verordenende en regelgevende bevoegdheid met betrekking tot de aangelegenheden die de bedrijfsvoering van de Omgevingsdienst betreffen. 4. Het algemeen bestuur kan met inachtneming van de hoofdstukken VIII en IX van de wet een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de Omgevingsdienst enkel op het gebied van de ondersteunende processen. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling dan nadat tenminste twee derde van het aantal deelnemers met het aangaan van de regeling heeft ingestemd. Onder het treffen van een gemeenschappelijke regeling wordt in dit
Ingezetenen van de deelnemers en belanghebbenden worden niet bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken. -
Dit artikel bevat bevoegdheden van het algemeen bestuur en overbodige bepalingen die al uitputtend in de wet zijn geregeld. Lid 3, 4 en 5 zijn verplaatst naar artikel 3.6. (bevoegdheden algemeen bestuur) Lid 2, 3 (voor zover het ziet op het dagelijks bestuur) en 6 zijn komen te vervallen omdat de regeling hierin niet hoeft te voorzien. Óf de wet regelt dit, óf het behoeft niet genoemd te worden indien de regeling hierin niet voorziet. In de toelichting bij 3.6 en 4.5 is opgenomen welke bevoegdheden de wet inherent in voorziet.
Artikel 3.6 Artikel 4.5
artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een gemeenschappelijke regeling. 5. Het algemeen bestuur is bevoegd te besluiten tot de oprichting van of deelname in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperaties en verenigingen, dan wel de ontbinding daarvan of beëindiging van deelneming daaraan ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de Omgevingsdienst enkel op het gebied van de ondersteunende processen op voorwaarde dat de raden en Provinciale Staten vooraf in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorgenomen besluit aan het algemeen bestuur kenbaar te maken. 6. Het dagelijks bestuur kan enkel op basis van de door de heffingsambtenaren van de deelnemers verleende externe mandaten leges innen voor het op aanvraag door de Omgevingsdienst leveren van diensten en het uitvoeren van taken voor derden. De leges worden vastgesteld op basis van de door iedere deelnemer gehanteerde norm. De leges komen ten goede aan de betrokken deelnemer. artikel 4 Landelijke basistaken 1. De Omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers uitvoeren van de taken bedoeld in versie 2.3 van het Basistakenpakket regionale uitvoeringsorganisaties omgevingsrecht,
Artikel 2.1 basistaken 1. De omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers uitvoeren van het Landelijk Basistakenpakket met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid.
Definitie Landelijk basistakenpakket opgenomen in artikel 1.1 begripsbepaling.
n.v.t
2.
3.
zoals vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu op 25 mei 2011. Bij opname van het Landelijk Basistakenpakket in wetgeving of anderszins door wijziging van het Landelijk Basistakenpakket geldt het Landelijk Basistakenpakket na die opname of wijziging. Tot het Landelijk Basistakenpakket wordt ook gerekend het in dit kader vervullen van adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers, alsmede coördinerende en afstemmende taken die voor de deelnemers tezamen worden verricht.
artikel 5 – verzoektaken 1. In aanvulling op de taken uit het Landelijk Basistakenpakket kan de Omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de taken uit het Landelijk Basistakenpakket, op verzoek van een of meer deelnemers ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake de vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op het gebied van de fysieke leefomgeving verrichten. 2. Op verzoek van een of meer deelnemers kan de Omgevingsdienst naast de in lid 1 van dit artikel vermelde taken en onder dezelfde voorwaarde als in dat lid vermeld ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden
2.
Onder de taken, bedoeld in het eerste lid, behoort ook het vervullen van: a. adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers; b. coördinerende taken voor de deelnemers tezamen; en c. afstemmende taken voor de deelnemers tezamen.
Artikel 2.2 Verzoektaken Onverminderd artikel 2.1 kan de omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de basistaken, op verzoek van een of meer deelnemers de volgende andere taken uitvoeren: a. verzoektaken met betrekking tot andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van de fysieke leefomgeving; of b. andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving.
Conform Aanwijzingen voor de Regelgeving herschreven.
n.v.t.
op het gebied van de fysieke leefomgeving voor hen verrichten Artikel 6 – Dienstverleningsovereenkomst 1. Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in artikel 4 en 5 genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur enerzijds en elk van de deelnemers afzonderlijk anderzijds, schriftelijke werkafspraken gemaakt in de vorm van contracten, waarin in ieder geval is vastgelegd welke producten en diensten de Omgevingsdienst aan de deelnemers zal leveren en wat de vergoeding daarvoor zal zijn. 2. Met betrekking tot de beëindiging van de in artikel 5 genoemde taken worden door of namens het dagelijks bestuur enerzijds en de deelnemer die het aangaat anderzijds, in deze contracten eveneens schriftelijke afspraken gemaakt met betrekking tot in ieder geval de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan, alsmede compensatie voor de overige rechten en verplichtingen.
Artikel 2.4 Algemene leveringsvoorwaarden of dienstverleningsovereenkomsten 1. Het algemeen bestuur stelt algemene leveringsvoorwaarden vast of geeft het dagelijks bestuur opdracht tot het aangaan van een dienstverleningsovereenkomst met elk van de deelnemers afzonderlijk, met betrekking tot de uitvoering van de taken, genoemd in de artikelen 2.1 en 2.2. 2. In de algemene leveringsvoorwaarden of dienstverleningsovereenkomst, bedoeld in eerste lid, wordt in ieder geval vastgelegd: a. welke producten en diensten de omgevingsdienst aan de deelnemers zal leveren; en b. de afwikkeling van de financiële gevolgen, alsmede compensatie voor de overige rechten en verplichtingen bij beëindiging van de in artikel 2.2. genoemde taken.
Artikel 7 – Werkzaamheden voor andere publiekrechtelijke lichamen Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel 4 en 5 bedoelde taken, kan de Omgevingsdienst op verzoek van andere publiekrechtelijke rechtspersonen voor hen adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving verrichten, indien die uitvoering geen
Artikel 2.3 werkzaamheden voor andere publiekrechtelijke rechtspersonen Onverminderd de taken, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, kan de omgevingsdienst op verzoek van een andere publiekrechtelijke rechtspersoon, indien dit geen verstoring veroorzaakt, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden voor die rechtspersoon
Mogelijkheden opgenomen voor flexibiliteit. Dienstverleningsovereenkomst of werkprogramma met algemene voorwaarden. De vergoeding dient te worden vastgesteld bij begroting en jaarrekening.
verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de in beide artikelen aangeduide taken voor de deelnemers.
verrichten op het gebied van de fysieke leefomgeving.
Artikel 8 Bestuursorganen De Omgevingsdienst kent de volgende bestuursorganen: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter; d. door het algemeen bestuur ingestelde bestuurscommissies. Artikel 9 Het algemeen bestuur 1. De Omgevingsdienst heeft een algemeen bestuur. Gedeputeerde Staten en de colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan. Ook wijzen zij uit hun midden ieder tenminste één lid aan die het door hen benoemde lid bij diens ontstentenis vervangt. 2. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van 4 jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de raden respectievelijk Provinciale Staten een nieuw geïnstalleerd college respectievelijk de nieuw geïnstalleerde Gedeputeerde Staten een besluit neemt tot aanwijzing van een lid en plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. 3. Wanneer het lidmaatschap van Gedeputeerde Staten of van het college eindigt, eindigt ook het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het algemeen bestuur.
Vervalt
De wet voorziet in artikel 12 van de Wgr dat het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. Daarmee is het niet nodig om dit artikel op te nemen.
Artikel 3.1 Samenstelling en aanwijzing 1. De colleges en Gedeputeerde Staten wijzen ieder uit hun midden een lid aan en wijzen een plaatsvervangend lid aan. 2. Een plaatsvervangend lid vervangt het aangewezen lid bij: a. ontstentenis; of b. ontslag.
Artikel 13, tweede lid, van de Wgr, bepaalt reeds dat het lidmaatschap van het algemeen bestuur van rechtswege eindigt, zodra men ophoudt wethouder van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn. De bepalingen in dit lid zijn daar een aanvulling op.