CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05b - Bijlage 1 230706 milieuparagraaf.pdf

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 132 Vaststellen bestemmingsplan Philipslaan 635.868 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Postbus 75 5000 AB Tilburg 013 – 206 01 00 info@omwb.nl www.omwb.nl

Milieuparagraaf voor bestemmingsplan “Philipslaan 63 te Roosendaal” Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant

Auteur M. van der Wielen Datum 5 juli 2023 Status Definitief Zaaknummer 2022-021900 Versie 1.0

Inhoudsopgave

1

Verzoek

3

2

Milieuplanologische aspecten

3

2.1

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

3

2.2

Bedrijven en milieuzonering

6

2.3

Geluid

7

2.4

Luchtkwaliteit

9

2.5

Geur

10

2.6

Externe veiligheid

11

2.7

Bodem

15

2.8

Stikstofdepositie

16

Bijlagen Notitie geluid, realiseren van appartementen aan de Philipslaan 63 te Roosendaal, OMWB d.d. 10 juni 2022 Standaard advies Veiligheidsregio Bodemonderzoek d.d. 28 juli 2022 Aerius-berekening, d.d. 18 juli 2022

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 2 van 18

1

Verzoek

De gemeente Roosendaal heeft de OMWB gevraagd de milieuparagraaf op te stellen voor het bestemmingsplan “Philipslaan 63 te Roosendaal”. Het plan voorziet in de bouw van 21 woningen. De opdracht omvat ook het uitvoeren van een aantal onderzoeken voor de milieuparagraaf. Voorliggende milieuparagraaf bevat de aspecten: m.e.r.-beoordeling (milieueffectrapportage), bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, geur, externe veiligheid, bodem en stikstofdepositie.

2

Milieuplanologische aspecten

2.1

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

2.1.1

Toetsingskader

Het maken van een milieueffectrapport is nodig bij de voorbereiding plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) staan de activiteiten benoemd waarvoor het maken van een milieueffectrapport verplicht is. In onderdeel D van de bijlage het Besluit m.e.r. staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet worden beoordeeld of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is het maken van een milieueffectrapport niet nodig. Voor de activiteiten in onderdeel D gelden indicatieve drempelwaarden. Boven de drempelwaarden is een m.e.r.-beoordeling nodig. Beneden de drempelwaarden is voor deze activiteiten sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.rbeoordeling noodzakelijk; • Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een milieueffectrapportage.

Bij beoordeling of een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, moet rekening worden gehouden met de in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU aangegeven criteria. Deze luiden: a. de kenmerken van het project; b. de plaats van de voorgenomen activiteit; c. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 3 van 18

2.1.2

Toetsing

Het realiseren van woningen is geen activiteit die voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt daarom geen rechtstreekse plicht tot het maken van een milieueffectrapport. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is als activiteit 11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’ opgenomen. Hiervoor zijn in het Besluit m.e.r. drie indicatieve drempelwaarden opgenomen: • een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De ontwikkeling van (maximaal) 21 woningen, waarin het plan voorziet, kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het plan blijft ruimschoots onder de gestelde drempelwaarden. Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de daarvoor geldende criteria. Kenmerken van het project Het plangebied ligt aan de Philipslaan 63 te Roosendaal. Het project beoogt woningbouw te realiseren. Woningen betreffen – afgezien van de verkeersaantrekkende werking – geen milieubelastende activiteit. De bouw van de woningen zal tijdelijk wel leiden tot een geluidsbelasting naar de omgeving, het gebruik van grondstoffen een toename aan afvalproductie etc.

Plaats van het project Het plangebied is gelegen in binnenstedelijk gebied en ligt dus in een omgeving waar verstedelijking reeds heeft opgetreden. Het plangebied is reeds bebouwd en voorheen in gebruik als bedrijfsperceel. Het gebied heeft geen cultuurhistorische waarde. Gebieden, die deel uit maken van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen op ruime afstand. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu In deze paragraaf worden de (mogelijke) verwachte milieueffecten van het project beoordeeld om per milieuaspect te bepalen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor deze beoordeling zijn de gebiedsen milieuonderzoeken gebruikt die zijn uitgevoerd in het kader van het nieuwe bestemmingsplan. Bodem In het kader van de ruimtelijke procedure is een bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat geen reden om nader onderzoek uit te voeren. De milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen milieuhygiënische risico's op voor de gebruikers of voor het milieu. Woningbouw is geen bodembelastende functie. Om die reden worden er geen significant negatieve ontwikkelingen verwacht t.a.v. de ontwikkeling. Externe veiligheid Een woning is geen risocobron in het kader van externe veiligheid. Het project leidt tot een beperkte toename van het aantal personen binnen een aantal toxische invloedsgebieden.

Dit aspect wordt nader afgewogen in de paragraaf externe veiligheid, maar betreft geen significant negatief milieu-effect.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 4 van 18

Akoestiek Tijdens de bouw zal tijdelijk geluidsbelasting naar de omgeving toe kunnen onstaan als gevolg van de inzet van materieel en bouwwerkzaamheden. Daarnaast zullen de woningen een verkeersaantrekkende werking hebben, hetgeen enige geluidsbelasting met zich mee kan brengen. De geluidsbelasting die afkomstig is van het extra verkeer van dit project is in een stedelijk gebied als dit te verwaarlozen en is op enige afstand nauwelijks waarneembaar voor het menselijk oor. Er zijn geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu. Milieuzonering Woningen zijn geen milieubelastende functie als bedoeld in de VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering. In de directe omgeving liggen uitsluitend woonfuncties. Op ten minste 70 meter afstand liggen enkele bestemmingen ‘Detailhandel’, ‘Gemengd – 3’ of ‘Maatschappelijk’ waarvoor een richtafstand van maximaal 30 meter geldt ten opzichte van een rustige woonwijk. In het algemeen liggen andere woningen bovendien op kortere afstand van deze bestemmingen. Om die reden worden omliggende bedrijven of voorzieningen niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Luchtkwaliteit Het toevoegen van 21 woningen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Er zijn geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu. Stikstof Een Aerius-berekening is uitgevoerd.

Hieruit blijkt dat er geen significant negatieve gevolgen zijn voor Natura 2000-gebieden vanuit het aspect stikstofdepositie. Archeologie en cultuurhistorie Voor de motivering van dit onderdeel wordt verwezen naar de paragraaf in het ruimtelijk plan. Verkeer Voor de motivering van dit onderdeel wordt verwezen naar de paragraaf in het ruimtelijk plan. Ecologie Voor de motivering van dit onderdeel wordt verwezen naar de paragraaf in het ruimtelijk plan. Water Voor de motivering van dit onderdeel wordt verwezen naar de paragraaf in het ruimtelijk plan. 2.1.3

Conclusie

Het plan voorziet niet in activiteiten met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het maken van een milieueffectrapport of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is daarom niet nodig.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 5 van 18

2.2

Bedrijven en milieuzonering

2.2.1

Toetsingskader

Milieuzonering is het voldoende afstand houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009). Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes milieucategorieën. Voor elke categorie is aangegeven welke afstand tot de woonbebouwing ‘passend’ is. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die milieubelastende functies toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn indicatief en er mag gemotiveerd van worden afgeweken. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 1500

Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’* in meters 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000

Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden zijn afgestemd op een omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of rustig buitengebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Binnen een gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In een gemengd gebied mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 6 van 18

2.2.2

Toetsing

Woningen zijn op basis van de VNG-publicatie gevoelige functies. Om die reden moet worden beoordeeld of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aanvaardbaar is en in hoeverre omliggende bedrijven of voorzieningen door het plan worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Het plan voorziet niet in het realiseren van milieubelastende activiteiten als bedoeld in de VNG-publicatie. Gevoelige functies in de omgeving van het plangebied worden daarom niet negatief beïnvloed door de ontwikkelingen die met het plan mogelijk worden gemaakt Omgevingstype De beoogde woningen in het plangebied maken deel uit van een rustige woonwijk, omdat de woonfunctie in het gebied dominant aanwezig is. Voor de toetsing van het plangebied is daarom uitgegaan van het omgevingsype ‘rustige woonwijk’. Toetsing richtafstanden In de directe omgeving van het plangebebied zijn de volgende milieubelastende functies aanwezig dan wel planologisch mogelijk: • Philipslaan 80, bestemming ‘Detailhandel’ (supermarkt), op circa 80 meter afstand; • Voltastraat 9, bestemming ‘Detailhandel’ (slagerij), op circa 70 meter afstand; • Voltastraat 9a, bestemming ‘Maatschappelijk’, op circa 90 meter afstand; • Voltastraat 16, bestemming ‘Gemengd – 3’, op circa 80 meter afstand. Voor alle genoemde bestemmingen geldt dat deze bestemmingen functies mogelijk maken die in milieucategorie 1 of 2 vallen.

Er is daarom maximaal sprake van een richtafstand van 30 meter in een rustige woonwijk. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. 2.2.3

Concluie

Het plangebied ligt in een rustige woonwijk. Met de planvorming worden woningen mogelijk gemaakt. Dit is geen milieubelastende functie. In de omgeving van het plangebied liggen enkele bestemmingen waar (lichte) milieubelastende functies planologisch mogelijk zijn. Aan de richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Om die reden kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen worden gegarandeerd en worden aanwezige voorzieningen of bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering gelden er geen belemmeringen voor de planvorming.

2.3

Geluid

2.3.1

Toetsingskader

De Wet geluidhinder beschermt woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen tegen wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. De grenswaarden van deze wet gelden binnen wettelijk vastgestelde zones langs wegen en spoorwegen en binnen zones rond gezoneerde industrieterreinen. Voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen een zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 7 van 18

De Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen die liggen binnen een woonerf en 30 km/u-wegen. Omdat langs deze wegen geen zones gelden is een akoestisch onderzoek volgens de Wet geluidhinder niet verplicht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet echter ook voor deze wegen aannemelijk worden gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 2.3.2

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in het realiseren van nieuwe woningen. Woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder. Spoorweglawaai Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van het spoor. Middels een akoestisch onderzoek1, dat is opgenomen in de bijlage, is de geluidsbelasting berekend. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een geluidbelasting vanwege het spoorwegverkeer op de spoorlijn Roosendaal – Breda een geluidbelasting van ten hoogste 48 dB Lden wordt berekend. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB Lden wordt daarmee niet overschreden. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen een onderzoekszone van een gezoneerde weg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting van de omliggende 30 km/uur wegen wel in beeld gebracht. Op het zuidelijke deel van het perceel is de geluidbelasting op alle beoordelingshoogtes hoger dan 53 dB Lden. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 58 dB Lden. Met een vereiste minimale geluidwerking van 20 dB is het niet zeker dat het binnenniveau minder dan 33 dB bedraagt (zoals als uitgangspunt wordt genomen in het Bouwbesluit). Om binnen de woningen een goed woon- en leefklimaat te bewerkstelligen, wordt geadviseerd de gevelwering van de woningen af te stemmen op een binnenniveau van 33 dB of minder, uitgaande van de gecumuleerde geluidbelasting. 2.3.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Aangezien geen van de wegen onder de Wet geluidhinder vallen en de maximale geluidbelasting van de spoorweg minder dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB bedraagt, is het niet nodig een hogere waarde procedure te doorlopen. Wel is er sprake van een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 58 dB Lden ten gevolge van de niet-gezoneerde wegen op de te realiseren woningen. Geadviseerd wordt de gevelwering af te stemmen op een binnenniveau van 33 dB of minder.

1

Notitie geluid, realiseren van appartementen aan de Philipslaan 63 te Roosendaal, OMWB d.d. 10 juni 2022

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 8 van 18

2.4

Luchtkwaliteit

2.4.1

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht vastgelegd. Deze grenswaarden moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht worden genomen. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5) het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden. Kleine projecten en ruimtelijke plannen, die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit is geregeld in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijbehorende ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Een plan draagt in niet betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit als het: • een effect heeft van minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10), of • in een categorie valt die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en maximaal 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat gevoelige bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 2.4.2

Toetsing

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 21 woningen mogelijk. Gezien de beperkte omvang draagt het plan niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling behoort rechtstreeks tot de categorien, zoals opgenomen in de Regeling niet in betekenende mate bijdragen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In onderstaande tabel staan de concentraties in de nabijheid van het plangebied. Jaar

Hoogste concentraties geraadpleegde rekenpunten* Stikstofdioxide (NO2)

Fijn stof (PM10)

Fijn stof PM2.5

2020

15,5 μg/m3

15,5 μg/m3

8,5 μg/m3

2030

11,6 μg/m3

13,7 μg/m3

7,1 μg/m3

Grenswaarden

40 μg/m3

40 μg/m3

25 μg/m3

* Rekenpunt 3656 op Philipslaan 63, monitoringsronde 2021

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 9 van 18

Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in 2020 als in 2030 ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Woningen worden niet gerekend tot de gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. Om die reden gelden vanuit dit besluit geen nadere aandachtspunten. 2.4.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

2.5

Geur

2.5.1

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij beschermt geurgevoelige objecten zoals woningen tegen geurhinder van veehouderijen. Bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu) vormt deze wet het toetsingskader voor geurhinder uit dierverblijven. De Wet geurhinder en veehouderij maakt onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals varkens en pluimvee) gelden normen voor geurbelasting, die wordt uitgedrukt in aantal odour units in kubieke meter lucht (ouE/m3). Daarnaast gelden voor dieren met geuremissiefactoren minimumafstanden tot (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals melkrundvee en paarden) gelden alleen minimumafstanden, die moeten worden aangehouden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Voor ruimtelijke plannen is de Wet geurhinder en veehouderij ook van belang. Dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Als een ruimtelijk plan de realisatie van geurgevoelige objecten mogelijk maakt moeten twee aspecten bekeken worden.

Ten eerste moet worden gemotiveerd dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ten tweede is van belang dat omliggende veehouderijen niet onevenredig hun zijn belangen worden geschaad. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Roosendaal heeft geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Dit betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. 2.5.2

Toetsing

Met het plan wordt een nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn een geurgevoelig object. Omdat het plangebied in stedelijk gebied ligt, zijn er geen veehouderijen in de directe omgeving aanwezig. Op de kaart in onderstaande afbeelding wordt de achtergrondbelasting voor geur weergegeven. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 10 van 18

veehouderijen in de omgeving. Uit de kaart blijkt dat het woon- en leefklimaat voor het aspect geur ter plaatse van het plangebied zeer goed is.

Afbeelding: Achtergrondbelasting voor geur in ouE/m3 (Bron: Kaart Provincie Noord-Brabant – Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 2022, met als bronnenbestand een export van het bestand veehouderijen Brabant (maart 2022)).

2.5.3

Conclusie

Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

2.6

Externe veiligheid

2.6.1

Inleiding

Externe veiligheid gaat over de risico’s voor de omgeving door opslag, productie en transport van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden bij ruimtelijke ontwikkelingen beoordeeld aan de hand van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 11 van 18

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een (berekende) afstand vanaf een risicobron, waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand (de plaatsgebonden risicocontour) mogen geen kwetsbare objecten zoals woningen aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Voor kwetsbare objecten is het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar (PR 10-6) een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Als het plangebied binnen het invloedsgebied van een risicobron ligt is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Over twee aspecten van die verantwoording, de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking, wordt de Veiligheidsregio om advies gevraagd.

2.6.2

Toetsingskader

Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag vanwege het plaatsgebonden risico bepaalde afstanden aan te houden tussen (beperk) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven. In het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het groepsrisico geeft het Bevi een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht Besluit externe veiligheid transportroutes In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen. Er is een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over snelwegen, hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). In de Regeling basisnet staan per trajectdeel vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstanden zijn kwetsbare objecten niet toegestaan. Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied: een zone van 30 m naast de infrastructuur, waarin aanvullende bouweisen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Bij ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen, is een verantwoording van het groepsrisico nodig.

Deze verantwoording heeft in elk geval betrekking op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking. Indien het plan binnen 200 meter van een transportroute ligt, moeten ook andere elementen in de verantwoording worden meegenomen. Het gaat daarbij om een berekening van de hoogte van het groepsrisico en het betrekken van mogelijke ruimtelijke maatregelen in het besluit. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen. De normstelling ten

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 12 van 18

aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Daarnaast hebben buisleidingen waarop het Bevb van toepassing is een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt 4 of 5 meter van 4 of 5 meter aan weerzijden van de buisleiding, afhankelijk van de druk in de leiding. Gemeentelijke kaders De gemeente Roosendaal beschikt over een standaard verantwoording als hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf ‘externe veiligheid’ in ruimtelijke plannen. 2 De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario’s en de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking en gaat op globale wijze in op het groepsrisico. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld, dat is afgestemd op de standaard verantwoording van de gemeente.3 2.6.3

Toetsing

Met het plan worden maximaal 21 woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangemerkt als kwetsbare objecten. Binnen het plangebied worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt die leiden tot externe veiligheidsrisico's binnen of buiten het plangebied. Met behulp van de risicokaart en EV-signaleringskaart is daarom nagegaan welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Inrichtingen Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) of invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Transportroutes Ten noorden van het plangebied is de spoorlijn Roosendaal-Breda gelegen op circa 490 meter afstand. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De PR 10-6 contour reikt niet tot het plangebied. Het plangebied ligt buiten de zone van 200 meter van het spoor, waardoor een berekening van het groepsrisico niet aan de orde is. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario. Ten zuidoosten van het plangebied ligt op circa 750 meter de Rijksweg A58. Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand is voldoende om buiten de reikwijdte te vallen van een incident met brandbare vloeistoffen of gassen. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario.

Vanwege een eventueel toxisch incident op de spoorlijn of A58 wordt getoetst aan artikel 7 van het Bevt. Toxisch scenario In dit scenario komt een wolk met toxische stoffen vrij die zich verspreidt in de omgeving. Deze kan ontstaan als gevolg van het lek raken van een container/tankwagen/etc. met gevaarlijke stoffen (door uitdamping verspreiding in de omgeving).

2

Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019 Gemeente Roosendaal, Omgevingsdienst Middenen West-Brabant d.d. juli 2019. 3 Standaardadvies 2020 Verantwoording Groepsrisico, Veiligheidsregio d.d. 23 december 2020

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 13 van 18

Aanwezigen in het plangebied die worden blootgesteld aan de toxische wolk kunnen ernstige gezondheidsschade oplopen en kwetsbare groepen (longpatiënten) kunnen in het ‘worstcase scenario’ overlijden. Overige gevolgen zijn irritatie van de luchtwegen en branderige ogen. Zelfredzaamheid Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). De Veiligheidsregio adviseert in nieuwe bouwwerken een afsluitbare mechanische ventilatie toe te passen. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd. De detaillering van gevels, ramen en kozijnen volgt uit het Bouwbesluit 2012. Belangrijk is het controleren van een juiste uitvoering hiervan tijdens de bouw. Het toepassen van een afsluitbare mechanische ventilatie kan niet middels het Bouwbesluit worden afgedwongen. Om de toepassing hiervan te bevorderen wordt, hierover actief gecommuniceerd met initiatiefnemers van bouwprojecten. De Veiligheidsregio adviseert daarnaast in het algemeen om actief te communiceren met gebruikers/bewoners van het invloedsgebied over de risico’s en mogelijk te nemen maatregelen. Dit vraagt om een actief beleid op het gebied van risicocommunicatie.

Bestrijdbaarheid Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Volstaan kan worden met het standaard advies van de Veiligheidsregio. Het standaard advies is opgenomen in de bijlage. Buisleiding Het plangebied ligt niet binnen een PR10-6 contour of een invloedsgebied van buisleidingen. Vanuit buisleidingen gelden er derhalve geen belemmeringen voor de planvorming. 2.6.4

Conclusie

Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van een spoorlijn en A58 ligt, is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld waarbij de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn afgewogen. Hiervoor wordt verwezen naar de standaard advies van de Veiligheidsregio in de bijlage.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 14 van 18

2.7

Bodem

2.7.1

Toetsingskader

In het kader van het bestemmingsplan en het wijzigingsplan moet worden bepaald of de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies. Uit het Besluit ruimtelijke ordening volgt dat er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Een eventuele bodemverontreiniging kan namelijk gevolgen hebben voor de beoogde functies of de financiële haalbaarheid van het plan. De Wet bodembescherming stelt regels voor bescherming van de bodem en sanering van verontreinigde bodem. 2.7.2

Toetsing

Historische informatie De onderzoekslocatie betreft een deel van het perceel gelegen aan de Philipslaan 63 te Roosendaal. De onderzoekslocatie is gelegen aan de noordkant van Roosendaal, op de hoek van de Philipslaan en de Voltastraat. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Roosendaal, sectie B en nummers 5325, 6599 en 6600. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt 1.800 m2. Op de onderzoekslocatie is momenteel ca. 950 m2 bebouwd. Het overige deel is verhard met tegels. Op de locatie bevinden zich nu leegstaande winkels met parkeerterrein. In het verleden was het terrein in gebruik als agrarisch gebied. Zover zichtbaar hebben geen sloten gelopen over de locatie. Op basis van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is het pand gebouwd in 1968. De locatie is in gebruik geweest door winkels, onder andere een supermarkt. In het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant staat een ondergrondse brandstoftank van 3.000l geregistreerd (“gesaneerd pre BOOT”). De exacte locatie is niet bekend. Op het terrein is in 2004 door RMD een verkennend bodemonderzoek verricht (kenmerk4/3441/mze). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de verkoop van de locatie. Er zijn geen inpandige boringen verricht. In de bovengrond zijn zwakke bijmengingen met puin waargenomen.

Er zijn licht verhoogde gehalten aan minerale olie en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in de grond gemeten. De licht verhoogde olie gehalten zijn toegeschreven aan humuszuren en niet aan verontreiniging van de gesaneerde olietank (destijds is de ligging ook niet meer achterhaald). In het grondwater is hoogstens een licht verhoogde concentratie chroom gemeten. De resultaten geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek. De locatie is onderzocht conform de NEN 5740 strategie “voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie” (ONV-NLNL). Bodemopbouw Uit de veldwaarnemingen blijkt dat de bodem tot de maximale boordiepte van 3,5 meter beneden maaiveld (m-mv) is opgebouwd uit zand. Plaatselijk is in de ondergrond een kleilaag aanwezig. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 1,5 m-mv. Zintuiglijke waarnemingen

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 15 van 18

De betonvloer heeft een dikte van circa 30 cm. Er zijn in de opgeboorde grond zintuiglijk geen bodemvreemde materialen aangetroffen, de zwakke bijmengingen met puin zijn derhalve niet bevestigd. Grond Uit de analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bovengrond maximaal licht verontreinigd is met kwik. De overige parameters zijn niet verhoogde aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In de ondergrond is maximaal een licht verhoogde gehalte polychloorbifenyl (PCB) aangetoond. De overige parameters zijn niet verhoogde aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. Bij hergebruik van de grond dient men rekening te houden met verhoogde gehalten aan PFAS (de grond is indicatief beoordeeld als kwaliteitsklasse ‘wonen/industrie’ op basis van PFAS). Grondwater In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Conclusie bodemonderzoek De conclusie van de onderzoeken is dat de resultaten geen aanleiding geven voor het uitvoeren van een vervolgonderzoek.

2.7.3

Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

2.8

Stikstofdepositie

2.8.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn moeten worden beschermd. Veel van die gebieden in Nederland zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Het is verboden zonder vergunning op grond van de Wet natuurbescherming projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Er moet daarom worden beoordeeld of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Een plan dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied in een Natura 2000-gebied heeft in potentie een significant negatief effect.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 16 van 18

2.8.2

Situatie ter plaatse

Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op circa 9,3 kilometer. Het gaat om het Natura-2000 gebied Brabantse Wal. Gelet op deze afstand zijn externe effecten als licht- en geluidsverstoring uit te sluiten. Het plan genereert in twee fases stikstof: in de aanlegfase en in de gebruiksfase. Om te bepalen of het plan een stikstofdepositie met een negatief effect op Natura 2000gebieden kan veroorzaken is voor de bouw- en gebruiksfase een berekening uitgevoerd met het rekenprogramma Aerius (versie: Aerius 2022). Hierbij zijn de volgende aannames gedaan: In de aanlegfase gelden de volgende uitgangspunten: Er is uitgegaan van de volgende inzet aan mobiele werktuigen conform tabel 2. Tevens is rekening gehouden met 50 uur aan onvoorziene werktuigen. Uitgangspunt is dat stageklasse IV werktuigen (bouwjaar 2014 en later) worden ingezet. Voor het vrachtverkeer is uitgegaan van 500 zware vrachtwagenbewegingen en 2.000 lichte verkeersbewegingen per jaar. Aangenomen is dat het bouwverkeer op de Van Beethovenlaan opgaat in het heersende verkeersbeeld. De Van Beethovenlaan is een drukke ontsluitingsweg waar het bouwverkeer niet meer herleidbaar is tussen het overige verkeer. Er is bij de mobiele werktuigen niet uitgegaan van AdBlue verbruik of de toepassing van elektrische werktuigen.

Dit is een belangrijk worst-case uitgangspunt aangezien de toepassing van AdBlue leidt tot substantieel lagere NOx-emissies en het gebruik van elektrische werktuigen niet leidt tot relevante emissies. Type werktuig Mobiele kraan (Stage IV) Graafmachine (Stage IV) Heistelling (Stage IV) Betonstorter (Stage IV) Hoogwerker (Stage IV) Trilplaat (2-takt) Onvoorzien (Stage IV)

Vermogensklasse in kW 75-560

Ureninzet

Brandstofverbruik

200

3.000

Ad Blue Nee

75-560

200

2.000

Nee

75-560

60

1.200

Nee

75-560

80

800

Nee

56-75

100

600

Nee

20

40

80

Nvt

75-560

50

500

Nee

Totaal

2-takt < 75 kW 75-560 kW Tabel 2: Overzicht mobiele werktuigen bouwfase

80 600 7.500

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 17 van 18

Voor de gebruiksfase zijn deze uitgangspunten gedaan: De woningen worden gasloos gerealiseerd; Met de huidige emissie wordt niet gesaldeerd (interne saldering); De verkeersaantrekkende werking is ingeschat op maximaal 8,6 verkeersbewegingen per woning (worst-case); De rijlijn is ingevoerd voor 70% naar de A58 en voor 30% naar het centrum voor dagelijkse boodschappen en overige voorzieningen. De werkelijke verkeersverdeling ligt genuanceerder maar andere aannames zullen op deze afstand tot Natura 2000-gebied niet leiden tot andere resultaten.

Uit de berekeningen, die is opgenomen in de bijlage, blijkt dat het plan leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000gebieden. Significante effecten zijn uit te sluiten. Een passende beoordeling is niet noodzakelijk.

2.8.3

Conclusie

De bijdrage van het plan aan de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is voor de bouw- en gebruiksfase gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Om die reden zijn significante effecten op de Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Een passende beoordeling is niet aan de orde.

Zaaknummer: 2022-021900 5 juli 2023

pagina 18 van 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1456/documents/40759