CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05b - 62 - Quickscan Wnb soorten 2 percelen naast EvN-kazerne (29jan20).pdf

Gemeenteraad 1 december 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b : Voorstel 62 - Vaststelling bestemmingsplan Commandoterrein4.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal Inventarisatie en beoordeling in het kader van de bescherming van soorten

Rijksvastgoedbedrijf

Definitief

Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle T 0384236464 E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal Inventarisatie en beoordeling in het kader van de bescherming van soorten

19-435

29 januari 2020

Definitief

S. (Silvio) Lindhout & R. (Rutger) Olthof

R. (Rienk) Apperloo

Rijksvastgoedbedrijf

© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Lindhout, S. & R. Olthof (2020). Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal. Inventarisatie en beoordeling in het kader van de bescherming van soorten. Rapport 19-435. Ecogroen bv Zwolle.

Inhoud Samenvatting

1

1.

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen 1.3 Leeswijzer

3 3 3 4

2.

Kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.2 Onderzoeksmethode

5 5 5

3.

Resultaten, effectbeoordeling en advies 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.3 Broedvogels 3.4 Amfibieën 3.5 Vlinders 3.6 Overige soortgroepen

7 7 8 11 12 14 15

4.

Geraadpleegde bronnen

16

Samenvatting Aanleiding en doelstelling Het Rijksvastgoedbedrijf heeft het voornemen om twee percelen te verwerven /of in te richten om de Engelbrecht van Nassaukazerne (EvN-kazerne) in Roosendaal uit te breiden. De beoogde ontwikkelingen gaan mogelijk gepaard met (negatieve) effecten op beschermde dier- en plantensoorten. Ecogroen heeft hierop voorliggende quickscan natuurtoets opgesteld om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op aanwezige soorten die op kunnen treden door de toekomstige werkzaamheden.

Resultaten en effectbeoordeling • Binnen de planlocaties is geschikt leefgebied aanwezig voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart. • Binnen de planlocaties zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Van onmisbare foerageergebieden en/of vliegroutes is evenmin sprake. Wel wordt mogelijk de beplanting langs de Burgermeester Schneiderlaan gebruikt als (hetzij niet essentieel) vliegroute door vleermuizen. • Binnen de planlocaties zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen of te verwachten. Wel zijn enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen of te verwachten zoals winterkoning, houtduif, tjiftjaf, heggenmus, zwartkop, groenling, roodborst en merel. • Binnen de planlocaties zijn geen verblijfplaatsen of onmisbare foerageergebieden van beschermde vissen, reptielen of ongewervelden (niet-zijnde vlinders) aangetroffen of te verwachten die bescherming genieten.

Advies • Vervolgonderzoek naar alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart is noodzakelijk om de functie van de planlocaties voor deze soorten in kaart te brengen. Indien deze soorten worden aangetroffen is afhankelijk van welke werkzaamheden uitgevoerd worden een ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk. • Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) is noodzakelijk op het moment dat provincie Noord-Brabant bevoegd gezag is. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek en welke werkzaamheden uitgevoerd worden, is mogelijk ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming noodzakelijk. • Werkzaamheden die broedbiotopen van alle aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de verwachte soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten in de periode 15 november tot 15 februari en middels een veldbezoek een controle uit te voeren op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van de plannen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. • Bij de geplande werkzaamheden kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een vrijstelling verloren gaan.

Voor deze soorten geldt in voorliggende

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

01

situatie vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is. • Om lichtverstoring op de mogelijk aanwezige vliegroute langs de Burgermeester Schneiderlaan te voorkomen adviseren we als bovenwettelijke maatregel om toekomstige verlichting op planlocatie ‘C10740’ aan te passen op vleermuizen. Lichtverstoring kan voorkomen worden door de volgende maatregelen te nemen: » Toekomstige inrichtingswerkzaamheden die plaatsvinden binnen planlocatie ‘C10740’ in de actieve periode van vleermuizen bij daglicht uitvoeren. » Voor buitenverlichting gericht naar de beplanting langs de Burgermeester Schneiderlaan kan gebruik worden gemaakt van amberkleurige verlichting en wordt de lichtsterkte verlaagd tot wat minimaal noodzakelijk is door de werken met een dim-regime.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

02

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Het Rijksvastgoedbedrijf heeft het voornemen om twee percelen te verwerven om de Engelbrecht van Nassaukazerne (EvN-kazerne) in Roosendaal uit te breiden. Toekomstige inrichtingswerkzaamheden gaan mogelijk gepaard met (negatieve) effecten op beschermde dier- en plantensoorten. Voorliggende quickscan natuurtoets is bedoeld om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op aanwezige beschermde soorten die op kunnen treden door de toekomstige werkzaamheden. Het uitgevoerde onderzoek en de resultaten ervan zijn in voorliggende rapportage beschreven.

1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen De twee percelen (planlocaties) liggen ten noorden en oosten van de Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal (zie figuur 1.1). Het noordelijke perceel (Parabaan) is circa 0,65 hectare groot en bestaat uit grazige vegetatie en een retentievijver. Het oostelijke perceel (C10740) is circa 2,4 hectare groot, betreft een voormalige boomgaard en is niet toegankelijk doordat het perceel door een hekwerk wordt afgeschermd. Planlocatie ‘C10740’ bestaat uit grazige vegetatie, ruigten en enkele struiken en bomen. De planlocaties worden begrensd door de Engelbrecht van Nassaukazerne, bebouwing langs de Kortendijksestraat en wegen als de Parabaan, Commandobaan en Burgermeester Schneiderlaan. Met name planlocatie ‘Parabaan’ wordt ingesloten door wegen. Oppervlaktewater is enkel aanwezig in het noordelijke perceel, in de vorm van een (diepe) retentievijver. De retentievijver is vermoedelijk permanent gevuld met water. In het zuidelijke perceel ontbreekt permanent oppervlaktewater. Bebouwing ontbreekt binnen beide percelen. Op moment van schrijven ontbreken concrete inrichtingsplannen voor beide percelen. In voorliggende quickscan natuurinventarisatie wordt er vanuit gegaan dat al het mogelijke leefgebied van flora en fauna op termijn zal verdwijnen.

Figuur 1.1 De twee percelen (rood omlijnd) direct ten noorden (Parabaan) en oosten (C10740) van de Engelbrecht van Nassaukazerne te Roosendaal. Bron kaartondergrond: Nationaal Georegister.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

03

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader en de onderzoeksmethodiek beschreven. Vervolgens wordt een effectanalyse en -beoordeling gegeven ten aanzien van beschermde soorten (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 zijn de geraadpleegde bronnen vermeld.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

04

2. Kader en methode 2.1 Wettelijk kader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Staatsblad, 2016) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. Conform de vraagspecificatie gaan we niet in op de bescherming van gebieden en houtopstanden, maar wordt enkel het onderdeel soortbescherming behandeld. Voor de volledige wettekst van de Wet natuurbescherming verwijzen wij naar: http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/201701-01. In onderstaand kader 2.1 geven we een samenvatting van de relevante wetteksten. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet eist van iedereen zorgplicht voor de natuur. Zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat niemand moedwillig natuurgebieden of in het wild levende dieren of planten of hun directe leefomgeving mag verstoren, schaden of doden. Dit kan door het achterwege laten van een handeling of door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van voorzorg is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk.

Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer er voor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken en aan welk wettelijk belang wordt voldaan.

2.2 Onderzoeksmethode Om de aanwezige of te verwachten beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden in beeld te brengen is gestart met een literatuuronderzoek. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

05

De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek. De planlocaties zijn op 16 oktober 2019 (15°C, bewolkt, miezerregen, matige wind) onderzocht door een ecoloog van Ecogroen. Tijdens het veldbezoek is aandacht besteed aan beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. Er is in kaart gebracht of (mogelijke) jaarrond beschermde nesten van broedvogels aanwezig zijn in bomen. Daarnaast zijn de bomen gecontroleerd op de geschiktheid als vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen en grondgebonden zoogdieren. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is beoordeeld welke soorten (mogelijk) aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voornemen bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Indien sprake is van negatieve effecten is advies gegeven over de te nemen vervolgstappen.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

06

3. Resultaten, effectbeoordeling en advies 3.1 Flora Binnen planlocatie ‘Parabaan’ zijn in het water en op de oevers van de retentievijver algemene plantensoorten van vochtige omstandigheden aangetroffen (zie figuur 3.1). Op het gemaaide gazon van planlocatie ‘Parabaan’ groeien plantensoorten van intensief onderhouden gazon (zie figuur 3.1). Binnen planlocatie ‘C10740’ groeien soorten van braakliggende terreinen en ruigtes op zandgronden (zie figuur 3.2).

Figuren 3.1: Links: Vegetatie in de retentievijver met soorten als grote lisdodde, grote waterweegbree, pitrus, grote kattenstaart en harig wilgenroosje. Rechts: Het gemaaide gazon binnen planlocatie ‘Parabaan’ met soorten als paardenbloem, smalle weegbree, sint-janskruid, zilverschoon en diverse grassen.

Figuur 3.2: Ruige vegetatie binnen planlocatie ‘C10740’. Aangetroffen soorten: gewone braam, bijvoet, teunisbloem spec., pitrus en brem.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

07

Er zijn op beide planlocaties geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) worden in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is voor flora niet aan de orde.

3.2 Zoogdieren Vleermuizen Vleermuizen zijn beschermd in de Wet natuurbescherming. Het leefgebied van de in artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV) beschermde vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.

Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Verblijfplaatsen Tijdens het veldbezoek zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Binnen de planlocaties ontbreekt het aan voor vleermuizen geschikte bebouwing en holten of spleten in bomen. Vervolgstappen voor verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn niet aan de orde. Vliegroutes Binnen de planlocaties ontbreken geschikte lijnvormige elementen die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Mogelijk maakt de beplanting grenzend aan planlocatie ‘C10740’ langs de Burgermeester Schneiderlaan deel uit van een vliegroute van vleermuizen. Het betreft geen onmisbare vliegroute doordat in de omgeving voldoende alternatieve vliegroutes voor vleermuizen aanwezig zijn in de vorm van laanbeplanting en bebouwing. Negatieve effecten op onmisbare vliegroutes van vleermuizen worden daarom uitgesloten. Vervolgstappen voor vliegroutes van vleermuizen zijn niet aan de orde.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

08

Bovenwettelijk advies Om lichtverstoring op de mogelijk aanwezige vliegroute langs de Burgermeester Schneiderlaan te voorkomen adviseren we om toekomstige verlichting op planlocatie ‘C10740’ aan te passen op vleermuizen. Vleermuizen zijn gevoelig voor verstoring door nachtelijke verlichting in de actieve periode van vleermuizen (april tot en met oktober). Lichtverstoring kan worden voorkomen door de volgende (bovenwettelijke) maatregelen te nemen: • Toekomstige inrichtingswerkzaamheden die plaatsvinden binnen planlocatie ‘C10740’ in de actieve periode van vleermuizen en bij daglicht uitvoeren. • Voor buitenverlichting gericht naar de beplanting langs de Burgermeester Schneiderlaan kan gebruik worden gemaakt van amberkleurige verlichting en wordt de lichtsterkte verlaagd tot wat minimaal noodzakelijk is door te werken met een dim-regime. Foerageergebieden De aanwezige beplanting op beide planlocaties en de retentievijver vormen mogelijk geschikt foerageergebied voor vleermuizen als gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF, 2019). Wanneer de beplanting of de retentievijver verwijderd wordt gaat echter een geringe oppervlakte foerageergebied verloren.

In de directe omgeving van de planlocaties blijft ruim voldoende geschikt foerageergebied voor vleermuizen aanwezig in de vorm van oppervlaktewater als de Dijkwetering, bomen in en rondom de kazerne en verruigd grasland rondom Cultuurhuis ‘het Taalhuis’ ten zuiden van de kazerne. Van onmisbaar foerageergebied is daarom geen sprake. Negatieve effecten op onmisbaar foerageergebied van vleermuizen worden daarom uitgesloten. Vervolgstappen voor foerageergebieden voor vleermuizen zijn niet aan de orde.

Grondgebonden zoogdieren Kleine marterachtigen Planlocatie ‘C10740’ bevat vanwege de dekking biedende ruigten, grootte en rust (zeer weinig menselijke verstoring) geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Tevens zijn waarnemingen van bunzing en hermelijn bekend in de directe omgeving van dit perceel (NDFF, 2019). Zo is hermelijn in 2016 aangetroffen op circa twintig meter ten noorden van planlocatie ‘C10740’. In (braam)struweel en ruig begroeide perceelranden (zie ook figuur 3.2; pagina 6) zijn mogelijke verblijfplaatsen van deze soorten te vinden. Daarnaast is mogelijk foerageergebied aanwezig binnen deze planlocatie. Planlocatie ‘Parabaan’ is gezien de beperkte aanwezigheid van beplanting weinig geschikt voor kleine marterachtigen waardoor verblijfplaatsen niet verwacht worden. Kleine marterachtigen worden uitsluitend incidenteel foeragerend verwacht binnen planlocatie ‘Parabaan’. In figuur 3.3 is het geschikte leefgebied van kleine marterachtigen op kaart weergegeven. Afhankelijk van de definitieve plannen gaat mogelijk leefgebied van kleine marterachtigen verloren. Afhankelijk van het bevoegd gezag dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van kleine marterachtigen (zie kader 3.2; pagina 11).

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

09

Figuur 3.3 Geschikt leefgebied van kleine marterachtigen (geel gearceerd). Bron kaartondergrond: Google Earth.

Vervolgonderzoek Mogelijk gaan bij toekomstige werkzaamheden verblijfplaatsen en leefgebieden van kleine marterachtigen verloren door het verwijderen van beplanting, struweel en overige ruigtes binnen planlocatie ‘C10740’. Provincie Noord-Brabant Wanneer provincie Noord-Brabant bevoegd gezag is, is nader onderzoek naar de functie van planlocatie ’C10740’ voor kleine marterachtigen noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek en de concrete werkzaamheden is mogelijk ontheffing en het nemen van mitigerende maatregelen nodig. Onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen is mogelijk door het plaatsen van inventarisatiemiddelen zoals cameravallen, struikrovers of sporenbuizen. Onderzoek dient uitgevoerd te worden in de actieve periode van kleine marterachtigen (maart tot september) waarbinnen de inventarisatiemiddelen gedurende zes weken binnen de planlocatie geplaatst worden. Buiten de actieve periode geldt een onderzoeksperiode van minstens twaalf weken. De hoeveelheid in te zetten inventarisatiemiddelen is afhankelijk van de gebruikte methode en de omvang van het te onderzoeken gebied (Bouwens, 2017). Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) Onderzoek naar aanwezigheid van kleine marterachtigen is niet verplicht als RVO bevoegd is. Wel is het in het kader van de zorgplicht gewenst om rekening te houden met het voorkomen van kleine marterachtigen.

Dit is mogelijk door het verwijderen van beplanting, struweel en overige ruigtes uit te voeren in de minst kwetsbare periode van kleine marterachtigen. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden is 1 september tot 15 maart.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

10

Kader 3.2 Bescherming kleine marterachtigen Omdat de toekomstige bestemming en inrichting van de percelen nog onbekend is, is op dit moment onduidelijk wie bevoegd gezag is (provincie Noord-Brabant of Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO). In geval RVO het bevoegd is geldt dat kleine marterachtigen vrijgesteld zijn van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Deze vrijstelling is niet van toepassing wanneer provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is. Op het moment dat provincie Noord-Brabant bevoegd gezag is, dient er bij toekomstige ontwikkelingen altijd getoetst te worden aan het voorkomen van kleine marterachtigen. Wanneer schade aan kleine marterachtigen niet uitgesloten kan worden, is aanvullend onderzoek en mogelijk het aanvragen van ontheffing bij de provincie Noord-Brabant noodzakelijk.

Overige beschermde grondgebonden zoogdieren Vaste verblijfplaatsen van andere beschermde grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren (zoals steenmarter en eekhoorn) worden gezien het ontbreken van bosgebied, bomen met geschikte holtes en bebouwing, het veldbezoek en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Vrijgestelde zoogdieren Wel zijn binnen de planlocaties vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdiersoorten met vrijstelling te verwachten. Dit zijn onder andere de huisspitsmuis, bosmuis, rosse woelmuis en konijn. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.

3.3 Broedvogels Bij broedvogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 2.1).

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Binnen de planlocaties en de directe omgeving zijn geen (geschikte) nestplaatsen of onmisbaar foerageergebied aangetroffen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.3). Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde. Kader 3.3 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

11

Overige broedvogels Door de aanwezigheid van opgaande beplanting (zoals bomen en struweel) is binnen en in de directe omgeving van de planlocaties broedbiotoop aanwezig voor algemene vogelsoorten als de winterkoning, houtduif, tjiftjaf, heggenmus, zwartkop, groenling, roodborst en merel. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Omdat soorten als houtduif en merel zeer vroeg tot laat in het jaar tot broeden kunnen komen, adviseren we om toekomstige inrichtingswerkzaamheden op locaties met beplanting en bomen zoveel mogelijk tussen de periode half november – half februari uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, adviseren we om voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uit te laten voeren om na te gaan of er binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden broedende vogels aanwezig zijn.

3.4 Amfibieën Alpenwatersalamander Voortplanting Alpenwatersalamander is bekend uit een sloot direct ten westen van de Engelbrecht van Nassaukazerne, circa 300 meter ten zuiden van de retentievijver op planlocatie ‘Parabaan’ (NDFF, 2019). Het betreft een waarneming uit 2019 van in totaal 11 larven van alpenwatersalamander. Omdat de soort weinig eisen stelt aan zijn voortplantingsbiotoop en gezien de nabijheid van vastgestelde exemplaren, valt voortplanting van alpenwatersalamander in de retentievijver niet uit te sluiten (planlocatie Parabaan). Bij werkzaamheden in of aan de retentievijver (zoals dempen van het water) gaat mogelijk voortplantingswater van de alpenwatersalamander verloren. Voortplantingswater op de planlocatie C10740 ontbreekt waardoor voortplanting van alpenwatersalamander op deze locatie wordt uitgesloten. Overwintering Alpenwatersalamander overwintert binnen 400 meter rond zijn voortplantingswater (Blab, 1986). De wegen aan de west- en noordzijde van planlocatie ‘C10740’ (Zeelandweg/A58 en Burgermeester Schneiderlaan) vormen voor alpenwatersalamander vermoedelijk een onoverkoombare barrière voor migratie van voortplantingswater naar overwinteringsbiotoop. Potentieel overwinteringsbiotoop rondom de retentievijver wordt daarom alleen verwacht ten zuiden/zuidoosten van de planlocatie (zie figuur 3.4).

De soort kan binnen dit gebied overwinteren onder hout, stenen, mos, afval en overige ruigtes (Creemers & van Delft, 2009). Werkzaamheden op beide planlocaties kunnen mogelijk overwinteringsplekken van de alpenwatersalamander schaden.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

12

Figuur 3.4 Mogelijk overwinteringsgebied van de alpenwatersalamander binnen een straal van 400 meter rond de retentievijver (rood omlijnd). De A58 en de Burgemeester Schneiderlaan functioneren als barrières. Bron kaartondergrond: Google Earth.

Vervolgonderzoek Vervolgonderzoek naar alpenwatersalamander is noodzakelijk om de functie van de planlocaties voor alpenwatersalamander in kaart te brengen. Dit onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken in de periode maart-augustus. Tijdens deze bezoeken wordt de retentievijver bemonsterd met een schepnet op volwassen en juveniele exemplaren van alpenwatersalamander en wordt een omgevingscheck gedaan naar mogelijke overwinteringsplekken. Indien alpenwatersalamander wordt aangetroffen is afhankelijk van welke werkzaamheden uitgevoerd worden een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Overige amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) wordt voortplanting en overwintering van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën (zoals poelkikker en knoflookpad) uitgesloten. Wel is binnen planlocatie ‘Parabaan’ in de retentievijver voortplanting te verwachten van algemene soorten amfibieën zoals kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Daarnaast is op beide planlocaties overwintering van deze (algemene) soorten te verwachten in aanwezige ruigtes, onder boomstronken en de strooisellaag. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van vrijgestelde beschermde amfibieën geschaad worden.

In voorliggende situatie geldt een vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

13

3.5 Vlinders Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is vanuit de Habitatrichtlijn een beschermde nachtvlinder die in Nederland afgelopen jaren heeft geprofiteerd van de warmere zomers en milde winters en bezig is met een opmars in Noord-Brabant. In 2019 is de soort op veel plekken verspreid over Noord-Brabant aangetroffen, waaronder ook het stedelijk gebied (NDFF, 2019). De dichtstbijzijnde waarneming van teunisbloempijlstaart is gedaan in het buiten gebied van Breda op 15 kilometer afstand van de planlocaties (NDFF, 2019). Hierbij dient opgemerkt te worden dat waarnemingen van teunisbloempijlstaart schaars zijn doordat de soort nachtactief is en waarnemingen met name worden gedaan tijdens nachtvlinderonderzoek door specialisten. De teunisbloempijlstaart benut warme plekken met voornamelijk waardplanten uit de geslachten Epilobium (harig wilgenroosje, basterdwederik) en Oenothera (teunisbloem) als voortplantingslocatie. Dergelijke habitats zijn te vinden op het braakliggende terrein op planlocatie ‘C10740’ en op de oevers van de retentievijver op planlocatie ‘Parabaan’. Wanneer de vegetatie op deze locaties wordt verwijderd, gaat mogelijk leefgebied van de teunisbloempijlstaart verloren. Gezien de opmars van de soort in NoordBrabant en de aanwezigheid van optimaal leefgebied binnen de planlocaties, kan het voorkomen van de soort niet uitgesloten worden.

Figuur 3.5 Locaties met geschikte waardplanten/leefgebied voor teunisbloempijlstaart. (roze gearceerd). Bron kaartondergrond: Google Earth.

Vervolgonderzoek is nodig om vast te stellen of de soort aanwezig is op de planlocaties. Tijdens een éénmalig dagbezoek in juli worden waardplanten geïnspecteerd op de aanwezigheid van rupsen. Indien de teunisbloempijlstaart wordt aangetroffen is afhankelijk van welke werkzaamheden op de planlocaties worden uitgevoerd mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

14

Overige vlinders Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) wordt het voorkomen van overige beschermde vlinders zoals sleedoornpage of bruine eikenpage uitgesloten.

3.6 Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2019) worden binnen de planlocaties geen voortplanting of vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde vissen, reptielen en ongewervelden (niet-zijnde vlinders). Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

15

4. Geraadpleegde bronnen Literatuur Blab, J. (1986). Biologie, Ökologie und Schutz von Amphibien. Schriftenreihe für Landschaftspflege und Naturschutz 18 (derde oplage). Kilda Verlag, Bonn. Bouwens, S. (2017) Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging Rapport 2017.32, Nijmegen. Broekhuizen, S. et al. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EISKenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlands Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey, Leiden. Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van EZ (2015). Besluit van de Minister van Economische zaken van 15 oktober 2015, DGAN-PDJNG / 15129301, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna. Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Staatsblad van het koninkrijk der Nederlanden (2016). Jaargang 2016, Nr. 34. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming).

Internet NDFF (https://ndff-ecogrid.nl). Geraadpleegd op 19 december 2019. RAVON.nl (website met soortinformatie over reptielen, amfibieën en vissen). SOVON.nl (website met soortinformatie over vogels). Vlinderstichting.nl (website met soortinformatie over vlinders en libellen). Zoogdierenvereniging.nl. (Website met soortinformatie over de Nederlandse zoogdieren).

Quickscan natuurtoets 2 percelen naast de EvN-kazerne te Roosendaal

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1363/documents/36173