CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

05a - BPtb_1 Rapportage Snelfietsroute F58 te Roosendaal.pdf

Gemeenteraad 6 april 2023, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5.a: Voorstel 87: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan snelfietsroute f58- oostelijk deel14.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 10: Locatie tunnel t.o.v. inrit "Dit is de Plek".

Het verschuiven van de inrit (richting het westen) heeft invloed op de lengte van de helling naar (en vanuit) de fietstunnel. De hellingbaan wordt verkort tot circa 35 meter. Het te overbruggen hoogteverschil bedraagt 1,5 meter (verschil tussen bovenkant rijbaan t.h.v. inrit (3,0m +NAP) en hoogte bovenkant nieuw fietspad in de tunnel (1,5m +NAP)). Dit komt neer op een hellingspercentage van 4.2%. In paragraaf 14.2 is te zien dat dit onder de streefwaardenlijn ligt en voldoet aan de richtlijnen. In een volgende fase dient het ontwerp en de inpasbaarheid nader uitgewerkt te worden in 3D, de locatie en vormgeving van de inrit kan daarmee verder worden geoptimaliseerd.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

31 van 63

Zicht naar de tunnel De gemeente heeft aangegeven dat de inrit veelvuldig wordt gebruikt door vrachtverkeer. De ooghoogte van vrachtautochauffeurs is 2,50 m. Het zichtveld vanuit een vrachtauto is schematisch weergegeven in figuur 11. Door de verhoogde zitting, een vrijwel directe zichtlijn vanuit het zijraam van de vrachtauto en door de minimale hellingbaan is er geen sprake van zichtverlies op de tunnel. Het talud aan de noordzijde van de hellingbaan dient vrij te blijven van begroeiing en overige objecten welke het zicht in en uit de tunnel kunnen belemmeren. De twee bomen ten westen van de inrit dienen om deze reden gerooid te worden. Op basis van de huidige beschikbare gegevens, de positie van de inrit en de positie van de tunnel is er geen noodzaak om de in het ontwerp van de planstudie beoogde situering van de tunnel aan te passen.

Figuur 11: Zichtveld vrachtauto – CROW Basis informatie, karakteristieken van voertuigen en mensen 27.4

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

32 van 63

13.3

Tracéwijziging(en)

Gaandeweg de onderzoeksfase van het project zijn twee onderdelen van het tracé nader tegen het ligt gehouden, beide varianten worden hieronder kort besproken. 1. Aansluiting Vinkenbroeksestraat op de Wouwbaan (nabij het volkstuinencomplex). 2. Tracé F58 ten noorden van de het bedrijventerrein de Wijper in plaats van ten zuiden van het bedrijven terrein de Wijper; Tracéwijziging Vinkenbroeksestraat – Wouwbaan Het huidige tracé (zoals weergegeven in Bijlage A) volgt de route door de bosschage, parallel lopend aan het gemeentelijk persriool (figuur 12). Het alternatief loopt vanaf de Vinkenbroeksestraat ten zuiden van de bosschage naar het noorden toe en sluit ten hoogte van het volkstuinencomplex aan op de Wouwbaan. Dit alternatief loopt over gemeentelijke gronden en is schematisch weergegeven in figuur 12. In bijlage P-II is het ontwerp nader uitgewerkt.

Figuur 12: Locatie alternatief tracé en relevantie K&L.

Impact op Kabels en leidingen: Ten oosten van het alternatieftracé bevindt zich een AWP-1 leiding (betonnen persleiding Ø1500 mm, 4 bar) van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap heeft een zakelijk rechtstrook van 10 meter gevestigd rondom de leiding. Deze ruimte is noodzakelijk voor (toekomstig) onderhoud, beheer en eventuele renovatie. Het fietspad dient daarmee op minimaal 5 meter buiten de leiding te liggen. In het schetsontwerp (bijlage P-II) is te zien dat hier rekening mee is gehouden. De kantverharding van het fietspad komt op een afstand van 8 meter van het hard van de buis te liggen. Door een afstand van 8 meter aan te houden is ook naast het fietspad ruimte voor een berm, lichtmasten, bebording en overige inrichtingselementen. Het fietspad kruist twee buisleidingen met de status ‘’buisleiding met gevaarlijke inhoud’’, hier dient nadere afstemming plaats te vinden. Zie ook hoofdstuk 10 van deze rapportage. De leidingbeheerders zijn: 1. Stalen buisleiding Shell 2. Stalen buisleiding DOW Benelux B.V.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

33 van 63

Tracéwijziging Bergsebaan Het huidige tracé (zoals weergegeven in Bijlage A) volgt de route ten zuiden van het bedrijventerrein de Wijper (route 2 in figuur 13). In deze variant wordt het fietsverkeer vanaf de Bergsebaan (zuidwest) afgewikkeld via de zuidzijde van De Wijper met uiteindelijk, ver van de overweg Bergsebaan af, een route parallel aan het spoor richting Roosendaal en de Akkerstraat.

Figuur 13: Varianten Bergsebaan

In het alternatief (variant 1 in figuur 13) komt de snelfietsroute langs de oostzijde van de Bergsebaan te liggen en buigt deze direct voor de overweg naar rechts (het oosten) af om daarmee de zijweg Bergsebaan in te gaan (zie het schetsontwerp in bijlage P-III). In de oorspronkelijke variant 1 (planstudiefase Arcadis d.d. 27 februari 2019) zou de overweginrichting in de Bergsebaan ook aangepast worden, zodat er op de overweg ten oosten van de hoofdrijbaan een vrijliggend in twee richtingen te berijden fietspad komt te liggen. Deze aanpassing brengt hoge kosten met zich mee in verband met de daarvoor benodigde aanpassingen aan de overweginstallatie, het noodzakelijk uitbreiden van de overwegbevloering en de verdere benodigde beveiligingstechnische aanpassingen. Vanwege die hoge kosten, viel deze variant eerder af en werd er gekozen voor variant 2. Deze variant blijkt nu niet haalbaar te zijn in verband met de daarvoor benodigde grondaankopen. Om die reden heeft de gemeente Roosendaal Arcadis gevraagd om de oorspronkelijke variant 1 van het ontwerp van de snelfietsroute ter hoogte van de Bergsebaan te herzien en dit ontwerp kleinschalig aan te passen. In het aangepaste ontwerp zijn de volgende wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie van toepassing, beginnend vanaf het kruispunt Bergsebaan – Herelsestraat – Westelaarsestraat richting het noordoosten: 1.

Het snelfietspad steekt het kruispunt Bergsebaan – Herelsestraat – Westelaarsestraat over met een tweerichtings fietsoversteek ten noordwesten van dit kruispunt over de Herelsestraat. 2. Op de Bergsebaan komt tussen de Herelsestraat en De Wijper een fietsoversteek in twee richtingen voor het snelfietspad te liggen. Het verkeer op de Bergsebaan heeft voorrang op de overstekende fietsers. De fietsoversteek wordt wel met een plateau verduidelijkt. 3. Ten noorden van deze fietsoversteek komt het snelfietspad langs de oostzijde van de Bergsebaan te liggen, met een fietsoversteek over de zuidoostzijde van het kruispunt Bergsebaan – De Wijper. De fietsoversteek is voor het fietsverkeer in de voorrang. 4. Na het kruispunt Bergsebaan – De Wijper blijft het snelfietspad aan de zuidoostzijde van de Bergsebaan liggen en buigt deze voor de overweg naar rechts (het oosten) af om daarmee de zijweg Bergsebaan in te gaan en verder loopt deze parallel aan het spoor richting Roosendaal en de Akkerstraat. Daarbij wordt een deel van de zijweg Bergsebaan aan de zijde van de overweg en verder naar het oosten, afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Dit gemotoriseerd verkeer moet omrijden via de Wijper, waarvan de aansluiting op de Bergsebaan op circa 200 meter ten zuidwesten van de overweg ligt. Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

34 van 63

5. De overweginrichting wordt niet aangepast. Ook blijft op de Bergsebaan de westelijk gelegen fietsstrook in de rijrichting van noord naar zuid gehandhaafd.

Figuur 14: Uitsnede schetsontwerp Bergsebaan ter hoogte van kruispunt Bergsebaan – De Wijper en ter hoogte van overweg.

Impact op de overweg: De gemeente Roosendaal heeft Arcadis gevraagd om de overweg Bergsebaan te beschouwen op een afname van overwegveiligheid als gevolg van de gewijzigde ligging van de snelfietsroute bij de overweg in de Bergsebaan als onderdeel van de aanleg van de F58. De volledige beschouwing is opgenomen in bijlage P-IV. Door de aanleg van de nieuwe versie van variant 1 van het snelfietspad bij de Bergsebaan, de versie zonder aanpassing van de overweg, ontstaan de volgende wijzigingen: • Het snelfietspad zal fietsers aantrekken die van noord naar zuid over de overweg rijden en vervolgens net na de overweg links af willen slaan naar het snelfietspad om zo naar het oosten te kunnen rijden. Onbekend is hoeveel extra fietsers deze fietsbeweging zullen gaan maken. De verwachting is echter dat het aantal fietsbewegingen in de bovengenoemde fietsstroom beperkt zal toenemen en laag zal blijven. • Bewoners en bezoekers van het huis ten zuidoosten van de overweg (adres Bergsebaan 57 / 57A) die van noord naar zuid over de overweg rijden en direct na de overweg linksaf willen slaan naar de woning, moeten in de nieuwe situatie fietsers vanuit twee richtingen in de gaten houden en zullen geconfronteerd worden met een hoger aanbod verkeer op het snelfietspad. Deze beweging komt naar verwachting zeer incidenteel voor. Beide punten zijn een achteruitgang in overwegveiligheid. •

Daarentegen zien we dat het aantal bewegingen van het gemotoriseerd verkeer ten zuiden van de overweg richting het parallel aan het spoor gelegen deel van de Bergsebaan afneemt doordat dat deel vrij dicht bij de Bergsebaan wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. De verder naar het oosten gelegen woningen krijgen een nieuwe ontsluiting via De Wijper.

Dat is een verbetering van de overwegveiligheid. Daaruit concluderen wij dat de aanleg van de snelfietsroute nabij de overweg Bergsebaan in totaliteit voor een min of meer gelijk blijvende overwegveiligheid zorgt onder de voorwaarde dat het aanbod fietsverkeer van noord naar zuid over de overweg, dat vervolgens afslaat naar het snelfietspad, zoals eerder aangenomen is, laag blijft. Als dat fietsverkeer de ontruiming van de overweg gaat hinderen, zal toch overgegaan moeten worden naar de eerdere variant 1 met een in twee richtingen te berijden fietspad aan de oostzijde van de overweg.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

35 van 63

14

UITGANGSPUNTEN CIVIEL TECHNISCH KUNSTWERK

Uitvraag: •

•

Uitgangspuntennotitie maken voor het ontwerp van de CTK: − Fietserstunnel onder de verbindingsboog van rijksweg A58-A17) − Brug bij passage waterloop Smalle Beek in het ecologisch gebied ten oosten van bedrijventerrein de Wijper Om deze uitgangspuntennotitie te kunnen opstellen dient vooraf overleg te worden gevoerd met Rijkswaterstaat (ten aanzien van fietstunnel) en met waterschap Brabantse Delta. De ontwerpeisen en standaard details van deze partijen dienen in deze uitgangspuntennotitie te worden meegenomen.

14.1

Uitgangspunten Brug Smalle Beek

Eisen/ randvoorwaarden voor het aanleggen van duikers en bruggen staan omschreven in hoofdstuk 5 van de Beleidsregels voor Waterkering, Waterkwantiteit en Grondwater van Waterschap Brabantse Delta (2018) (bijlage Q-I). Hierin wordt doormiddel van beleidsregels omschreven waar de duikers en bruggen aan dienen te voldoen. Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden van het gewenste doorstroomprofiel en bergingscapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam, het waarborgen van de stabiliteit van de taluds, het behouden van een goede ecologie in de waterloop en het waarborgen van een doelmatige wijze van onderhoud. Toetsingscriteria Waterschap: A-water algemeen: • Bij een watergang met een vastgestelde ecologische functie wordt altijd uitgegaan van de aanleg van een brug. Alleen als een brug redelijkerwijs niet mogelijk of ecologisch niet noodzakelijk is, kan gemotiveerd een duiker worden toegestaan. Extra kosten zijn hier geen doorslaggevend argument . Doorstroming en waterberging: • Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden er eisen aan de afmetingen gesteld van de duiker of brug. Daarbij mogen de duikers/bruggen geen significant opstuwend effect geven, het benodigd bergend vermogen niet verminderen, en het doelmatig beheer van het oppervlaktewaterlichaam niet negatief beïnvloeden.

Indien er duidelijk een negatief effect is, zal de vergunning niet verleend worden. •

Voor a-wateren geldt dat duikers/bruggen niet langer mogen zijn dan strikt noodzakelijk. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met: − verkeer dat over de duiker/brug heen moet waarbij rekening gehouden wordt met de breedte, lengte en de draaicirkel van de voertuigen. − de verkeersveiligheid.

•

De onderkant van de brugconstructie dient bij voorkeur minimaal 0,5 meter boven de hoogwaterlijn te liggen, met name om vuilophoping en opstuwing te voorkomen. De hoogwaterlijn is gerelateerd aan een afvoer die theoretisch eens in de 10 jaar voorkomt (T=10).

Onderhoud: • De aanleg en aanwezigheid van de duiker/ brug mag het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat er voldoende afstand tussen werken aanwezig moet zijn. Hierbij moet ook het buitengewoon onderhoud aan de watergang mogelijk blijven. Om dit te borgen wordt in de vergunning een minimale afstand tussen de werken voorgeschreven. Doorgaans is dit minimaal 10 meter tussen de verschillende werken. Bij langere duikers dient per 80 meter en bij ieder knikpunt een inspectieput aangelegd te worden.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

36 van 63

Stabiliteit: • De duiker/brug mag de stabiliteit van de taluds en bodem van het oppervlaktewaterlichaam niet aantasten. In de watervergunning kunnen voorschriften worden opgenomen ter voorkoming van negatieve effecten. Ecologie: • De negatieve effecten op flora en fauna moeten worden gecompenseerd zodat er geen sprake kan zijn impact op flora en fauna. Er mag geen sprake zijn van een significante afname van een bepaalde soort en/of een significante afname van de ecologische kwaliteit. Deze negatieve effecten moeten worden gecompenseerd. Vanwege een doorlopende waterbodem is het vaak noodzakelijk om de duiker lager te leggen dan de waterbodem. Doorgaans is dit met een binnen onderkant van de duiker 0,05 meter onder de waterbodem gemeten bij een goede onderhoudstoestand volgens artikel 2.4 van de Keur.

KDU03668

Figuur 15: Uitsnede van de Legger met daarop de 'Smalle Beek' en de duiker

Vanuit de legger is de volgende informatie gegenereerd aangaande waterloop ‘Smalle Beek’: • Code: OVK03817 • Bodem breedte (m): 0,79 • Bodemhoogte bovenstrooms (m +NAP): 2,73 • Bodemhoogte benedenstrooms (m +NAP): 2,20 • Talud helling links (1:) 1.5 • Talud helling rechts (1:) 1.5 • Bijzondere functie: Ecologische verbindingszone

Figuur 16: hoogteprofiel met maaiveldhoogtes 'Smalle Beek' o.b.v. AHN

Uitgangspunten t.b.v. ontwerp De Smalle Beek bevindt zicht in een beekdal, dat wil zeggen dat de watergang en het aansluitende terrein lager liggen. In figuur 16 is een dwarsdoorsnede weergeven op basis van de AHN. Het bodempeil van de watergang bevindt zicht op dit punt op 2,2 m +NAP (bodemhoogte benedenstrooms o.b.v. Legger). De insteekhoogte van het talud verschilt, op basis van de AHN is te bepalen dat de taludinsteek links 3,5 m +NAP is en taludinsteek rechts 3,2 m +NAP. Naarmate men verder van de beek vandaan meet, neemt de maaiveldhoogte toe tot circa 5,5 m +NAP. De hoogwaterlijn voor de locatie van de brug over de Smalle Beek is door Waterschap Brabantse Delta berekend in de NBW-toetsing 2018 (Nationaal Bestuursakkoord Water). De hoogwaterlijn is berekend conform het uitgangspunt T=10, op +3,06 m +NAP.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

37 van 63

De maaiveldhoogte aan weerszijden van het beekdal is circa 5,2 m +NAP. Door een grondlichaam aan te brengen om het beekdal te doorkruisen blijft het fietspad op gelijke hoogte (geen helling) als het maaiveld. Dit heeft als voordeel dat het fietspad op (ruim) voldoende hoogte de Smalle Beek overbrugd doormiddel van een brugconstructie. Tussen de 3,06 en 5,2 ruim blijft voldoende ruimte beschikbaar voor de brugconstructie en de minimale vrije ruimte tot de hoogwaterlijn (0,5 meter). Dit voldoet aan de criteria van Waterschap Brabantse Delta en draagt, door het uitblijven van hoogteverschil, positief bij aan het fietscomfort. Bereikbaarheid onderhoudspaden Duiker KDU03668 is na de komst van de brug niet meer te bereiken. Deze duiker maakt deel uit van het onderhoudsplan naar het perceel ten noorden van de A-watergang, parallel gelegen aan het spoor. Deze doorsteek zal verplaatst moeten worden om de bereikbaarheid te kunnen garanderen. Uit een eerste analyse lijkt het verschuiven naar de westzijde van de stapsteen een optie. Met het waterschap dient afstemming plaats te vinden ten aanzien van de Ecologische verbindingszone (en stapsteen). Op voorhand heeft het Waterschap geen harde eisen. Het waterschap adviseert het ontwerp en de ruimtelijke inpassing nader uit te werken voor een eerste overleg, iedere ecologische verbindingszone is anders en dus maatwerk.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

38 van 63

14.2

Uitgangspunten Fietstunnel

Het tracé doorkruist de verbindingsboog van de Rijksweg A58. In het vastgestelde tracé is het principe profiel zoals weergegeven in figuur 17 opgenomen.

Figuur 17: Principe profiel tunnel vanuit de Situatietekeningen en dwarsprofielen planstudiefase Arcadis (d.d. 27 februari 2019)

Maatvoering Tunnel conform planstudiefase Maaiveldhoogte: • De rijbaan van de verbindingsboog ligt ter plaatse op ca. 5,5 + NAP • Hoogte bovenkant nieuw fietspad in onderdoorgang ca. 1.5 +NAP • Maaiveldhoogte insteek helling oostzijde (Wouwseweg) ligt op ca. 3,0 +NAP • Maaiveldhoogte insteek helling westzijde (Viaduct) ligt op circa 2,0 +NAP Hellingbaan: • De helling oostzijde heeft een lengte van ca. 45 meter. Over deze afstand dient een hoogte te worden overbrugd van 1,50 m (= mv-hoogte Wouwseweg – fietspadhoogte tunnel). Het hellingspercentage bedraagt maximaal 3%. • De helling oostzijde westzijde heeft een lengte van ca. 55 meter. Over deze afstand dient een hoogte te worden overbrugd van 0,50 m (= mv-viaduct – fietspadhoogte tunnel). Het hellingspercentages bedragen maximaal 1%. Breedte: • Breedte fietspad bedraagt 4,00 m • Afstand tot de wanden bedraagt 0,50 m aan weerszijden Sociale veiligheid De lengte van de tunnel bedraagt circa 30 meter. Door het hoogteverschil van de tunnel, de rijksweg en de omgeving ligt de tunnel half verdiept (een verdiepte ligging van circa 0,5 m tot 1,5 m ten opzichte van de omgeving). Dit zorgt voor zicht, openheid en fietscomfort. Er is doorzicht door de tunnel, waardoor bij het inrijden van de tunnel de uitgang zichtbaar is.

In de 'ontwerpwijzer fietsverkeer' CROW-publicatie 351 is een tabel (figuur 18) opgenomen die ingaat op de aspecten 'omgeving en inpassing', 'ontwerp' en 'inrichting'. De genoemde aanbeveling met betrekking tot de sociale veiligheid wordt hierin eveneens benoemd. De vormgeving van de tunnel kan worden verbeterd door de wanden van de tunnel naar boven te laten wijken, hierdoor lijkt de tunnel ruimer dan hij werkelijk is. Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

39 van 63

Figuur 18: Uitsnede van tabel 6-6. Aanbevelingen voor het ontwerp van fietstunnels

Check op verticaal alignement De doorrijhoogte van de tunnel bedraagt 2,65 meter (Situatietekeningen en dwarsprofielen planstudiefase Arcadis d.d. 27 februari 2019) en voldoet hiermee aan de richtlijn (minimaal 2,5 meter "ontwerpwijzer fietsverkeer' CROW-publicatie 351). De hellingspercentages aan de oostzijde bedraagt maximaal 3%. In figuur 19 is het verband tussen het hellingspercentage en het hoogteverschil weergegeven. Het resultaat is een waarde onder de streefwaardenlijn en voldoet daarmee ruim aan de richtlijn. In paragraaf 13.2 is bekeken of de lengte van de hellingbaan ten gunste van het verplaatsen van de inrit “Dit is de Plek” kan worden ingekort. Het nieuwe berekende hellingspercentage betreft 4,2%. Dit bevindt zich onder de streefwaardenlijn en voldoet aan de richtlijnen.

Figuur 19: Bandbreedtes voor hellingpercentages (bron: CROW-publicatie 230 Ontwerpwijzer fietsverkeer)

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

40 van 63

Afwatering De bovenzijde van het fietspad in de te realiseren fietstunnel is in de planstudie ontwerpen op een niveau van NAP +1,50 m. Dit is gelijk aan het waterpeil in de bermsloot van de Wouwbaan. Om tijdens neerslagsituaties geen water in de fietstunnel te krijgen, dient de tunnel een bemaling te krijgen. De putdeksels van de inspectieputten van het riool in en nabij de tunnel dienen gekneveld te worden. Riolering t.b.v. afwatering Wouwseweg Als onderdeel van de herinrichting van de Wouwseweg te Roosendaal heeft de gemeente een plan op laten stellen voor om het aangesloten verhard oppervlak van de Wouwseweg e.o. zoveel mogelijk af te koppelen. Dit plan is door Waterschap Brabantse Delta getoetst, de resultaten staan omschreven in paragraaf 12.1 van deze rapportage. Als onderdeel van het beoogde hemelwatersysteem dient de Wouwseweg (oostzijde snelweg), doormiddel van een rioleringsstelsel, af te wateren in de richting van de Engebeek (westzijde snelweg). Om dit te realiseren dient een bij de tunnelontwerp rekening te worden gehouden met het een nieuw aan te leggen riolering/duikerelement onder de tunnelbak. Een en anders zoals weergegeven in figuur 20.

Figuur 20: Principeweergave riolering onder fietstunnel

Randvoorwaarden Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor de hoofdinfrastructuur in Nederland. Bij de bouw van wegen, viaducten, tunnels en andere infrastructurele werken zijn daarom door Rijkswaterstaat verschillende richtlijnen en eisen ontwikkeld. Uit het overleg met Rijkswaterstaat is naar voren gekomen dat er geen specifieke eisen worden gesteld. Rijkswaterstaat verwijst naar de algemene ‘normen en richtlijnen’ en de ‘Richtlijnen Ontwerp Kunstwerken’ (ROK). Aanpassingen en nieuwe kunstwerken vragen veel capaciteit van RWS om te toetsen. Rijkswaterstaat wil vooraf in overleg over welke aanpassing aan het kunstwerk of nieuw kunstwerk gewenst is, om afspraken te kunnen maken over de capaciteitsinzet voor Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat zal hier financiële afspraken willen maken om de capaciteitsinzet te vergoeden. Rijkswaterstaat streeft er naar om werk met werk te maken. Mocht er geen mogelijkheid zijn om werk met werk te maken wordt er verwezen naar het minder hinder proces. De werkwijze om hinder bij werkzaamheden te beperken is vastgelegd in de Werkwijzer Minder Hinder wegen. De Werkwijzers Minder Hinder zijn voorschriften en gelden voor iedereen die werkt aan de weg. Normen en richtlijnen voor het constructieve ontwerp De algemene normen en richtlijnen zijn vastgelegd in Bouwbesluit en Eurocodes (zie Bouwbesluit en Eurocodes).

Bij het ontwerpen van tunnels voor Rijkswaterstaat gelden daarnaast de verplichte richtlijnen zoals opgenomen in de meest recent versie van de Richtlijn Ontwerpen Kunstwerken (ROK). •

Voor tunnels gelden ten minste de volgende ontwerplevensduren: − − − −

•

100 jaar voor alle onderdelen van de hoofddraagconstructie; 100 jaar voor alle niet vervangbare essentiële onderdelen; 50 jaar voor vervangbare onderdelen van beton; 25 jaar voor vervangbare onderdelen anders dan van beton.

Tunnels in en onder hoofdwegen en onder hoofdvaarwegen moeten worden ingedeeld in gevolgklasse 3.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

41 van 63

15

SAMENVATTING

15.1

Puntsgewijze samenvatting van vervolgacties

Onderzoek

Archeologie

Niet gesprongen explosieven

Uitkomst / Advies -

Indien ingrepen niet dieper gaan dan 0.5 meter -mv, dan zijn er geen aanvullende archeologische onderzoeken noodzakelijk. Er geldt een meldingsplicht bij het aantreffen van (mogelijke) archeologische resten.

-

Archeologische begeleiding (conform de KNA 4.1) in de zones waar het risico bestaat dat archeologische vindplaatsen verstoord worden (op locaties, dieper dan 0.5 meter -mv) bij de aanleg van het snelfietspad.

-

Opstellen Programma van Eisen t.b.v. Archeologische begeleiding.

Het beoogde tracé van de F58 bevindt zich volledig binnen een op NGE-verdacht gebied. Het verdient aanbeveling om in een vervolgstudie in kaart te brengen: waar de bodem binnen het verdachte gebied geroerd gaat worden i.v.m. werkzaamheden; vanaf en tot welke diepte ter plaatse van de te roeren locaties daadwerkelijk explosieven kunnen worden verwacht (hedendaagse diepteligging); in hoeverre het verdachte gebied waar bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden, geldt als naoorlogs geroerd gebied en daarmee mogelijk niet langer als verdachte bodem; tot welke diepte de voorgenomen werkzaamheden uitgevoerd zullen worden; hoe de bodemroerende werkzaamheden in het projectgebied uitgevoerd gaan worden (machinaal ontgraven, gestuurde boringen etc.). Wanneer deze punten zijn onderzocht en goed in kaart is gebracht op welke locaties bodemroerende werkzaamheden overlappen met een verdachte bodemlaag, kan worden gekomen tot een advies op maat. Dit nader onderzoek kan bestaan uit een bureaustudie in de vorm van een PRA (Projectgebonden Risicoanalyse). Het opstellen van een PRA kent doorgaans een doorlooptijd van 8-10 weken.

Verkennend (water-/asbest) bodemonderzoek

Over het algemeen zal de aangetroffen bodemkwaliteit de aanleg van het snelfietspad niet belemmeren. W el worden nog de volgende aanvullende onderzoeken aanbevolen: 1. Inkaderend onderzoek PCB bovengrond terreindeel ‘De Stok’/Wouwbaan; 2. Herbemonstering peilbuizen B13 en B67, analyse watermonsters op koper; 3. Opnieuw maken asbestinspectiekuilen ABK57, 59 en 63. Het uitkomende materiaal separaat, per kuil, te onderzoeken op asbest; 4. Optioneel: doorboren verharding Vinkenbroeksestraat en Wouwbaan, dan wel monstername vanaf rand verharding, en analyse puinlaag op asbest. Voor het terreindeel als hierboven genoemd onder advies 1 worden graafwerkzaamheden afgeraden, totdat de resultaten nader onderzoek bekend zijn. Afhankelijk van de resultaten van het nadere onderzoek zijn graafwerkzaamheden meldingsplichtig in het kader van de Wbb. De constatering dat enkele gemeten gehaltes de desbetreffende achtergrondwaarde overschrijden, kan tot slot consequenties hebben bij eventuele graafwerkzaamheden. Licht verontreinigde grond mag op de locatie worden hergebruikt, mits voldaan wordt aan de lokale achtergrondwaarden of bodemkwaliteitszone (grond mag worden toegepast op een ondergrond van vergelijkbare bodemkwaliteit en op bodems van mindere bodemkwaliteit). Sterk verontreinigde grond is niet herbruikbaar.

Bij hergebruik van licht verontreinigde grond buiten de locatie dienen de eisen in acht te worden genomen, zoals gesteld binnen het Besluit bodemkwaliteit of de lokale/regionale bodembeheernota. Afhankelijk van de bestemming en toepassing zal dus bij afvoer van de grond om een partijkeuring conform het protocol uit het Besluit bodemkwaliteit worden gevraagd.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

42 van 63

Particuliere gronden en tracé wijzigingen Het milieukundig onderzoek is uitgevoerd op openbaar terrein en particuliere percelen waarvoor betredingstoestemming is afgegeven. Daar waar dit niet het geval is geweest dient in een later stadium (na het in het bezit krijgen van de gronden) alsnog onderzoek te worden uitgevoerd. Verkennend waterbodemonderzoek

Voor wat betreft de waterbodem in de onderzochte sloten geldt dat deze doorgaans bestaat uit zand. Enkel in de sloten langs de Wouwbaan is een sliblaag aangetroffen.

Civieltechnische toets

Na het uitvoeren van de handboringen zijn op basis van locatie en samenstelling van de ondergrond een achttal mengmonsters samengesteld waarna door middel van zeving en sedimentatie het korrelverdelingsdiagram is vastgesteld en het gloeiverlies is bepaald.

Doorgaans gaat het om een waterbodem klasse ‘altijd toepasbaar’, en in alle gevallen om verspreidbaar op aangrenzend perceel. In een aantal gevallen gaat het om waterbodem klasse ‘A’ of ‘B’.

De resultaten van de analyses zijn getoetst aan de in RAW geformuleerde eisen ten aanzien van civieltechnisch hergebruik. De resultaten van de toetsing zijn verzameld in hoofdstuk 4 van bijlage F. Deze resultaten laten zien waar zand kant worden hergebruikt in: [1] zandbed, [2] aanvulling of ophoging en [3] grondverbetering.

Geotechnisch onderzoek

Sondering t.p.v. Verbindingsboog: de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn terug te vinden in bijlage G. Sondering t.p.v. Smalle Beek: de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn terug te vinden in bijlage G.

Geohydrologisch onderzoek

Het ‘Geohydrologisch onderzoek’ wordt over een langere periode uitgevoerd. De doorlooptijd van dit onderzoek bedraagt circa 12 maanden en wordt rond september 2021 afgerond. De uitkomsten van dit onderzoek worden na afronding in een separate memo geleverd

Bomen Effect Analyse (BEA)

Het tracé is onderverdeeld in 10 gebieden. Per gebied is de kwetsbare zone van de betrokken bomen gedefinieerd, zodat op basis hiervan ontwerpkeuzes gemaakt kunnen worden. Wanneer er ruimte beslag op een boom wordt gelegd, is duurzaam behoud van bomen niet mogelijk. Wanneer ontgravingen zorgen voor ernstige schade aan de stabiliteitskluit of stamvoet van bomen, is duurzaam behoud van bomen niet mogelijk. Per locatie kan worden gekeken of in het ontwerp alternatieven kunnen worden gevonden met als doel bomen te behouden. Zoals het aanbrengen van een tweede maaiveldconstructie, het fietspad (deel verschuiven) of de gekozen fietspad breedte te heroverwegen.

Flora en Fauna

Het ‘Flora en Fauna onderzoek’ wordt over een langere periode uitgevoerd. De doorlooptijd van dit onderzoek is seizoen afhankelijk. -

-

Wegenbouwkundig onderzoek

1e ronde vleermuisonderzoek/ najaarsronde is uitgevoerd. o Waarnemingen van enkele foeragerende en overvliegende individuen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger. o Waarnemingen van enkele passerende individuen van rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis o Er zijn (nog) geen waarnemingen gedaan die indiceren op verblijfplaatsen of essentiële vliegroutes. o Omdat gedrag in het najaar anders kan zijn dan in het voorjaar, kan over de daadwerkelijke functies nog geen sluitend antwoord gegeven worden. Het onderzoek naar de overige soortgroepen (vogels, flora) en de volgende ronde vleermuisonderzoek) start in het voorjaar 2021. Rond september 2021 wordt het flora en faunaonderzoek afgerond. De resultaten worden separaat aangeleverd.

Advies: nieuwe constructie

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

43 van 63

De verkeersbelasting op een fietspad is in het algemeen nihil. De nieuw te realiseren verhardingen zullen enkel belast worden door fietsers en kleine onderhoudsvoertuigen. Hiervoor adviseren wij een standaard verhardingsconstructie. Advies: bestaande verharding Voor de bestaande verhardingen wordt een maatwerkadvies gegeven voor de constructieopbouw. De maatregelen zijn opgedeeld in 5 verschillende wegvakken. Een nadere omschrijving van de maatregel is gegeven in hoofdstuk 3 van bijlage K-II.

Kabels en leidingen

-

Er zijn meerdere ‘eis-voorzorgsmaatregelen’ van toepassing. Een “eisvoorzorgsmaatregel” (EV) is een eis dat wordt opgelegd door een netbeheerder. Het houdt in dat bij een bepaald soort ‘mechanische grondroeractiviteiten’ in een bepaald gebied één of meerdere voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen, vóórdat de werkzaamheden mogen aanvangen. Hiervoor dient contact te worden gezocht met de betreffende netbeheerder(s).

-

Bij andere kabels en leidingen, van een lagere categorie, kruisen het tracé of liggen daar parallel aan. Bij deze kabels en leidingen worden geen conflicten verwacht. Na verdere uitwerking van het ontwerp (Definitief ontwerp en verder) kan men in gesprek met de betreffende nutsbeheerders.

-

Mogelijk dienen kabels en leidingen te worden verlegd of kunnen deze (gedeeltelijk) onder de fietspadverharding liggen. In het ontwerp moet een strook ruimte worden gereserveerd, de kabels en leidingen strook, waar men indien gewenst naar uit kan wijken.

Bouwkundige inventarisatie

Ten behoeve van het verkrijgen van informatie over de huidige situatie en toestand van het viaduct bij knooppunt De Stok, is een visuele vooropname uitgevoerd van de noordelijke overspanning van het complex 49E-108 en een deel van het geluidsscherm 49E-1254-02 langs de verbindingsboog A58/A17. Viaduct: De elementenverharding onder het viaduct is verzakt als gevolg van uitspoeling van het onderliggende zandpakket. Alle kolommen van steunpunt 04 (viaduct) hebben aan de onderzijde aangetast beton (schade). Geluidsscherm: Talud t.p.v. de toekomstige tunnel is overmatig begroeid met struikgewas en bomen T.p.v. de positie van de tunnel is een grondwal aanwezig met op de grondwal kleine panelen geluidsscherm

Uitgangspunten Geluidsscherm

-

Rijkswaterstaat heeft aangegeven dat er een zettingsprobleem is geweest bij de geluidsschermen. Er wordt momenteel een renovatieproject voorbereid door Rijkswaterstaat voor knooppunt de Stok.

-

Ter plaatse van de voorziene fietstunnel onder de verbindingsboog door is momenteel geen geluidscherm maar een grondwal aanwezig. Aan weerszijden van de locatie van de fietstunnel zijn wel geluidschermen aanwezig. Bij de realisatie van de fietstunnel zou dit scherm met fundering binnen de invloedsfeer kunnen liggen.

-

Vanuit de beschikbaar gestelde gegevens (ontvangen van Rijkswaterstaat) is niet met zekerheid te zeggen op welke wijze het geluidscherm is gefundeerd. Om uitsluitsel te krijgen over de wijze van funderen van het geluidsscherm zou nader onderzoek nodig zijn, waarbij de funderingsconstructie gedeeltelijk moet worden vrij gegraven.

-

Voor zover tijdens de veldinventarisatie te zien was loopt het geluidsscherm niet door de grondwal heen. Dit zou ook erg onlogisch zijn. Om uitsluitsel te krijgen over de opbouw van de grondwal (zoals aanwezigheid funderingsresten, grondlagen, grondsoorten) zal nader bodemonderzoek nodig zijn.

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

44 van 63

Waterhuishoudkundig advies

Retentievoorziening: Als onderdeel van de herinrichting van de Wouwseweg te Roosendaal heeft de gemeente een plan op laten stellen voor om het aangesloten verhard oppervlak van de Wouwseweg e.o. zoveel mogelijk af te koppelen. o Dit plan is getoetst door waterschap Brabantse Delta. o Er is geconcludeerd dat de retentie voorziening te klein is. Er dient een hernieuwd ontwerp te worden opgesteld met voldoende capaciteit. Raakvlakken in het tracé met het Waterschap Brabantse Delta: Er dient een waterbalans te worden opgesteld waaruit duidelijk wordt waar en hoeveel m 2 oppervlaktewater wordt gedempt, en daarnaast ook waar en hoeveel compensatie er wordt gegraven. Er is nader onderzoek vereist naar te verleggen en aan te passen duikers.

Verkeerskundigadvies

Inpassing principe profielen: De inpasbaarheid van de principeprofielen per tracédeel is nader uitgelicht in bijlage P-I. Inrit “Dit is de Plek”: Door het verschuiven van de inrit (richting het westen) verandert het hellingspercentage van de helling in en uit de tunnel. Het hellingspercentage blijft dan onder de streefwaardenlijn. In een volgende fase dient het ontwerp en de inpasbaarheid nader uitgewerkt te worden in 3D, de locatie van de inrit kan daarmee verder worden geoptimaliseerd. Tracéwijzigingen: De tracéwijzigingen zoals in deze rapportage omschreven zijn geen onderdeel geweest van de uitgevoerde veldonderzoeken. Wanneer de gemeente er voor kiest om de tracéwijzigingen te handhaven zal aanvullend onderzoek op deze tracédelen noodzakelijk zijn.

Civiel technische kunstwerken

Brug Smalle Beek: Eisen/ randvoorwaarden voor het aanleggen van duikers en bruggen staan omschreven in de Beleidsregels voor Waterkering, Waterkwantiteit en Grondwater van Waterschap Brabantse Delta (2018). Het doel van deze beleidsregel is het in stand houden van het gewenste doorstroomprofiel en bergingscapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam, het waarborgen van de stabiliteit van de taluds, het behouden van een goede ecologie in de waterloop en het waarborgen van een doelmatige wijze van onderhoud. Betreft vormging zijn vooralsnog geen eisen gesteld. Fietstunnel: Het ontwerp van de fietstunnel (voorkomend uit de planstudie) is getoetst aan de hand van CROW-publicatie 351 ('ontwerpwijzer fietsverkeer'). In maatvoering (breedte, hoogte, alignement) voldoet de tunnel aan de richtlijnen. Een verbeterpunt op sociale veiligheid is te behalen door de tunnelwanden naar boven toe te laten wijken. In een volgende fase dient het ontwerp en de inpasbaarheid nader uitgewerkt te worden in 3D. De tunnel loopt onder de verbindingsboog van de rijksweg heen. Aanpassingen en (nieuwe) kunstwerken vragen veel capaciteit van RWS om te toetsen. Rijkswaterstaat wil vooraf in overleg over welke aanpassing aan het kunstwerk gewenst zijn. Rijkswaterstaat verwijst naar de algemene ‘normen en richtlijnen’ en de ‘Richtlijnen Ontwerp Kunstwerken’ (ROK).

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

45 van 63

COLOFON SNELFIETSROUTE F58 TE ROOSENDAAL ONDERZOEKEN EN INGENIEURSDIENSTEN

KLANT Gemeente Roosendaal AUTEUR Michiel Nijland PROJECTNUMMER E07061.000508 ONZE REFERENTIE D10012349:139 DATUM 7 juni 2021 STATUS Definitief GECONTROLEERD DOOR

VRIJGEGEVEN DOOR

Tonno de Boer Senior Consultant

Jeroen Halkes Project Manager

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 's-Hertogenbosch Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com

Onze referentie: D10012349:139 - Datum: 7 juni 2021

63 van 63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1415/documents/37578