01163-bptoe-Vroenhoutseweg-3-v4-1.pdf
Tekst van het document
5.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Onderzoek De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht. Er is geen toename van het aantal verkeersbewegingen, doordat het uitsluitend een uitbreiding van een bestaande woning betreft. Verder is met het oog op een beoordeling van het woon- en leefmilieu ter plaatse gekeken naar de situatie van de luchtkwaliteit ter plaatse. Er is sprake van een bestaande woonfunctie, die enigszins vergroot wordt. Er heeft een beoordeling plaats gevonden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de woning aan de Vroenhoutseweg 3 zijn x = 98.288, y = 393.953.
De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM toont ter hoogte van de vervangende woning, de volgende achtergrondconcentraties: Tabel 4 - Achtergrondconcentraties luchtkwaliteit jaar PM10 (μg/m3) PM2,5 (μg/m3) 2019 16,99 μg/m3 9,476 μg/m3 2020 (gegevens 2020) 17,25 μg/m3 10,42 μg/m3 3 2025 (gegevens 2020) 15,87 μg/m 9,149 μg/m3 2030 (gegevens 2020) 14,78 μg/m3 8,186 μg/m3 grenswaarde 40,00 μg/m3 25,00 μg/m3
NO2 (μg/m3) 17,4 μg/m3 16,97 μg/m3 14,49 μg/m3 12,17 μg/m3 40,00 μg/m3
Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 μg/m3. Tevens wordt voldaan aan de PM2,5 grenswaarde van 25 μg/m3, zodat er sprake is van een kwalitatief voldoende woon- en leefmilieu ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
5.11 Geurhinder Toetsingskader Het aspect geur speelt in de nabijheid van het landelijk gebied een belangrijke rol. Bij de beoordeling van dit aspect wordt onderscheid gemaakt tussen: de algemeen geldende vaste afstanden, de vaste afstanden voor niet intensieve veehouderijen en geur individuele veehouderijen (Wet geurhinder en veehouderij; Wgv). Verder moet het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie en de
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
27
t-NL.IMRO.1674.2130VROENHOUT3-0401 01163-Vroenhoutseweg 3-3-roosendaal-v4-1
15 12 2021
eventuele beperkingen voor omliggende veehouderijen in beeld te worden gebracht (Wet ruimtelijke ordening; Wro). Onderzoek De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom. Het betreft een bestaande woonlocatie.
5.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Sommige soorten leidingen zijn planologisch relevant, omdat zij een beperking kunnen inhouden voor de ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving: a. hoogspanningsverbindingen (50 kV en hoger); b. buisleidingen: voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
5.13 Milieueffectrapportage Toetsingskader planMER Gemeenten en provincies moeten per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen en is het opstellen van een MER noodzakelijk. Grensoverschrijdende milieugevolgen Op 25 februari 1991 is het VN-verdrag over grensoverschrijdende milieueffectrapportage tot stand gekomen. Het verdrag is op 10 september 1997 in werking getreden. Kern van het verdrag is dat, in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen, het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de m.e.r.-procedure als de autoriteiten en het publiek in Nederland. Aanmeldnotitie Vormvrije MER-beoordeling
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
28
t-NL.IMRO.1674.2130VROENHOUT3-0401 01163-Vroenhoutseweg 3-3-roosendaal-v4-1
15 12 2021
Sinds 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie bij een vormvrije MER-beoordeling nodig wanneer sprake is van een zg. vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMERplichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dat betekent dat ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan een aanmeldnotitie nodig is. Indien de gemeente zelf initiatiefnemer is, hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden de uitbreiding van een woonfunctie mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject.
In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Het plangebied ligt op een afstand van 6,93 km van de grens met België. Omdat het voorgenomen plan niet MER-plichtig is, is er ook geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Conclusie Er zijn van het project geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
29
t-NL.IMRO.1674.2130VROENHOUT3-0401 01163-Vroenhoutseweg 3-3-roosendaal-v4-1
6
15 12 2021
HET BESTEMMINGSPLAN
Het Bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Een en ander is opgesteld overeenkomstig de standaarden die daarvoor gelden en de gemeentelijke afspraken.
6.1
Plangrens
Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat het gehele perceel waarop de huidige woning staat. Het deel van het plangebied waarbinnen de bestaande burgerwoning staat, krijgt de bestemming “Wonen-2”, overeenkomstig de systematiek van het Handboek actualisering bestemmingsplannen van de gemeente Roosendaal. De begrenzing van dat bestemmingsvlak wordt gelegd, dat de begrenzingen logisch. De rest van het plangebied krijgt de bestemming 'Agrarisch', dan wel 'Groen'.
6.2
De verbeelding
De opzet van het bestemmingsplan is afgestemd op de opzet van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Op de verbeelding zijn aangegeven: de grens van het plangebied van dit bestemmingsplan de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden. overige aanduidingen, waarnaar in de regels wordt verwezen.
6.3
De regels
Omdat het een partiële herziening van het bestemmingsplan betreft, kunnen de regels van het moederplan, het bestemmingsplan buitengebied RoosendaalNispen, blijven gelden.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
30
t-NL.IMRO.1674.2130VROENHOUT3-0401 01163-Vroenhoutseweg 3-3-roosendaal-v4-1
7
HAALBAARHEIDSASPECTEN
7.1
Financieel-economische haalbaarheid
15 12 2021
Onderzoek Deze planwijziging omvat een juridische regeling voor het vergroten van de inhoud van een bestaande burgerwoning. Verder wordt het agrarisch bouwblok ter plaatse geschrapt en wordt er de bestemming Wonen-2 aangebracht. De kosten omvatten de kosten van het opstellen van het bestemmingsplan en de procedurekosten. Dit is geregeld in de anterieure overeenkomst. Er zijn geen andere omstandigheden bekend die bijzondere kosten met zich meebrengen, noch voor de betreffende initiatiefnemer, noch voor de gemeente. Daarom moet het plan op voorhand financieel-economisch haalbaar worden geacht. Conclusie De financieel-economische uitvoerbaarheid is in het kader van de opstelling van het bestemmingsplan getoetst. Er zijn geen aspecten gevonden die de uitvoerbaarheid onevenredig negatief beïnvloeden.
7.2
Grondexploitatie
Toetsingskader De centrale doelstelling van de grondexploitatieregelingen zoals opgenomen als afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van de regeling is dan ook dat gemeenten een verplichting hebben tot kostenverhaal. Dit betekent dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar zelf tot ontwikkeling van de gronden overgaat. Op grond van artikel 6.12 tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: -
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.
Beoordeling De gemeente Roosendaal heeft in een anterieure exploitatieovereenkomst met de particuliere eigenaar bindende afspraken gemaakt over de bijdrage van de ontwikkelaars in de kosten. Daarmee is het kostenverhaal voldoende verzekerd en hoeven geen aanvullende afspraken gemaakt te worden over de werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 6.13 Wro, tweede lid, onder b en c. Conclusie Het verhalen van de kosten die de gemeente moet maken voor dit plan is geregeld in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
31
t-NL.IMRO.1674.2130VROENHOUT3-0401 01163-Vroenhoutseweg 3-3-roosendaal-v4-1
7.3
15 12 2021
Maatschappelijke haalbaarheid
De maatschappelijke haalbaarheid wordt getoetst door de gebruikelijke inspraakprocedure van een bestemmingsplan te volgen. Deze procedure is aangegeven in artikel 36.2 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal-Nispen. 7.3.1
Procedure
Omdat het planvoornemen de oprichting van een ruimte voor ruimtewoning omvat, is de procedure van planherziening (hoofdstuk 3 Wet ruimtelijke ordening) noodzakelijk. 7.3.2
Overleg en inspraak
Het voorontwerp van het bestemmingsplan is toegezonden aan diverse instanties. Naar aanleiding daarvan zijn de volgende reacties binnen gekomen Van de Provincie Noord-Brabant werd de volgende reactie ontvangen: a.
b.
c.
d.
Wij constateren dat het inpassingsplan niet specifiek juridisch is gekoppeld aan de planvoorschriften. De opgenomen voorwaardelijke verplichting voor realisering en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen is volgens de planregels (artikel 9.2) alleen maar van toepassing op de twee stukjes natuurbestemming aan de zijkant van het perceel. De inrichting van het gehele perceel gaat echter veel verder dan dat, mede gelet op de belevingswaarde van het cultuurhistorisch waardevol ensemble. Wij verzoeken u dan ook om de voorwaardelijke verplichting met betrekking tot de inrichting van het plangebied toe te passen op het gehele plangebied. In de voorwaardelijke bepalingen werd inderdaad alleen verwezen naar de nieuwe groenbestemmingen. In de bijgestelde regels is verwezen naar het inpassingsplan en zijn alle opgenomen maatregelen genoemd (artikel 9.2 van de regels). Daarbij vragen wij ons overigens ook af wat de toegevoegde waarde is van de gelegde natuurbestemming op de twee stroken aan de buitenzijde. Bij nader inzien is de gelegde natuurbestemming te zwaar en is in plaats daarvan de bestemming “Groen” aangegeven. Verder dient ook de sloop van de voormalige varkensstal en het verwijderen van de verharding te worden geborgd in de planregels als voorwaardelijke verplichting. Zie a.
Tot slot missen wij de aanduiding op de verbeelding dat binnen de woonbestemming maximaal 200 m2 aan bijgebouwen is toegelaten (na sloop en eventuele gedeeltelijke terugbouw). De opmerking dat er een aanduiding van maximaal 200 m2 bijgebouwen moet worden opgenomen op de verbeelding is lastig te plaatsen, omdat dit al geregeld is in de regels 5.2.3 onder d. Uit vaste rechtspraak van de Raad van State volgt dat de planregels vóór de verbeelding gaan. Dus is het voldoende dat het in de planregels (artikel 5.2.3 onder d) is opgenomen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
32
t-NL.IMRO.1674.2130VROENHOUT3-0401 01163-Vroenhoutseweg 3-3-roosendaal-v4-1
7.3.3
15 12 2021
Vaststellingsprocedure
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf xx tot en met xx ter inzage gelegen. p.m. .
‘s-Hertogenbosch, oktober 2020/januari 2021/juni 2021
CUIJPERS ADVIES
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING B.V.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
33