CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit - verordening voorzieningen leerlingenvervoer gemeente Roermond 2022

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente RoermondBij agendapunt: Verordening voorzieningen leerlingenvervoer gemeente Roermond 202221.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Zaaknummer: 69756-2021

DE RAAD VAN DE GEMEENTE ROERMOND, gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 5 oktober 2021; gezien het advies van de commissie Burgers en Samenleving van 30 november 2021; gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

besluit : 1. Vast te stellen de Verordening voorzieningen leerlingenvervoer gemeente Roermond 2022.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; - afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; - begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; - deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, de school of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige; - eigen vervoer: vervoer per eigen motor- of elektrisch vervoermiddel of fysiek aangedreven vervoermiddel; - Leerling met een beperking: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of het eigen vervoer gebruik kan maken; - inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; - leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; - ondersteuningsplan: document gemaakt in het samenwerkingsverband waar de basisschool deel van uitmaakt, waarin afspraken met de school staan over de manier waarop

zorgleerlingen opgevangen worden en met een beschrijving hoe de basisscholen omgaan met zorgleerlingen en welke ondersteuning zij kunnen bieden. - ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs vastgesteld plan volgens artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding of de commissie van onderzoek; - OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband volgens artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; - openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer;

Zaaknummer: 69756-2021

- opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; - ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; - reistijd: wat betreft de heenweg, de totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft. Wat betreft de terugweg, de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; - samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband volgens artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband volgens artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband volgens artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs; - school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°.

het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs volgens de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs volgens de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs volgens de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs volgens de Wet op het voortgezet onderwijs; - stage: praktische leertijd in het voortgezet (speciaal) beroepsonderwijs die is opgenomen in de schoolgids van de school; - toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; - vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning of de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele beperking van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; - vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°.

aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; - voorliggende voorziening: een andere voorziening dan een voorziening leerlingenvervoer op grond van een wettelijke regeling, op basis waarvan een leerling volgens het college tegemoet wordt gekomen in zijn ondersteuningsbehoefte. - woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft, waarbij niet van belang is in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Artikel 2. Doelstelling Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een vervoersvoorziening toe te kennen. De vervoersvoorziening wordt toegekend voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning of de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke

Zaaknummer: 69756-2021

school voor de leerling en terug. De vervoersvoorziening wordt toegekend met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hoofdstuk 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling woont, door indiening bij het college van een volledig ingevuld daartoe bestemd papieren of digitaal formulier. Dit formulier moet zijn ondertekend door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling, met de datum van ondertekening. 2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling en zo nodig diens begeleider. 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met maximaal vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de in de aanvraag verzochte datum, maar start niet eerder dan vanaf de ontvangst van de aanvraag; b.

wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de in de aanvraag verzochte datum. Artikel 4. Voorwaarden voor het verstrekken van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente wonende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met toepassing van deze verordening. 2. Ondanks de bepalingen in deze verordening houden de ouders verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van hun kinderen. 3. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling zelf. 4. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug, volgens artikel 6 en 7. 5. Daar waar aanspraak kan worden gemaakt op een voorliggende voorziening, wordt de aanvraag voor een voorziening leerlingenvervoer afgewezen. 6. Voor zover de leerling volgens het college in voldoende mate zelfstandig en zelfredzaam is, wordt de aanvraag voor een vervoersvoorziening afgewezen. 7. Het college kan voor van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Hoofdstuk 3. Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel 5. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid 1.

Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en zo nodig een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 2. Het college kan bij een aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase (hoofdstuk 4). 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek volgens het tweede lid opnieuw plaatsvinden. Artikel 6. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling of de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.

Zaaknummer: 69756-2021

2. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen vastgelegd in het ondersteuningsplan van de dichtstbijzijnde toegankelijke school, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling schriftelijk onderbouwd; b. door de ouders is advies ingewonnen van de deskundige van het samenwerkingsverband en deze deskundige oordeelt dat de aangewezen dichtstbijzijnde toegankelijk school toch niet het noodzakelijke, specifieke onderwijsaanbod kan bieden. Het advies wordt toegevoegd aan de aanvraag als bedoeld in artikel 3. c. in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen volgens artikel 26, derde lid van deze verordening. Artikel 7. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs volgens de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b.

speciale basisonderwijs volgens de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of c. speciaal onderwijs of voortgezet (speciaal) onderwijs volgens de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college is aangetoond of voldoende aannemelijk is geworden dat het een leerling met een beperking betreft. Het college kan hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de leerling met een beperking om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Artikel 8. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4.

Het college wijst tijdelijk geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel 9. Vervoer naar een tweede afzetadres in Roermond 1. Ouders van een leerling, die op grond van deze verordening aanspraak maken op aangepast vervoer, kunnen bij de aanvraag een tweede afzetadres opgeven in de gemeente Roermond. 2. Het vervoer naar de tweede opvanglocatie vindt op één vast adres en op vaste dagen gedurende het schooljaar plaats. De dagen waarop vervoer naar het tweede afzetadres gewenst is dient jaarlijks schriftelijk bij de aanvraag voor een vervoersvoorziening door de ouders aangegeven te worden. Artikel 10. Peildatum leeftijd leerling Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van artikel 17 is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft. Artikel 11. Andere vergoedingen

Zaaknummer: 69756-2021

De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht of eigen bijdrage in rekening gebracht. Artikel 12. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele beperking van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 13. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan op aanvraag een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toestaan aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b.

in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke woning. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 14. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school.

Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is en bijdraagt aan de ontwikkeling van de leerling, dan kan het college een voorziening voor vervoer toekennen naar het stageadres. 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4. Het college kan het stagecontract opvragen ter onderbouwing van de aanvraag. Hoofdstuk 4. Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel 15. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college kan bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn, betrekken. 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel 16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer

Zaaknummer: 69756-2021

Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 7, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders of de meerjarige en handelingsbekwame leerling die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 17. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders of de meerjarige en handelingsbekwame leerling, die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 7, eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of b. de leerling een beperking heeft. 2. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland gemeten langs de kortste afstand. 3. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 18. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders of meerjarige en handelingsbekwame leerling die een school bezoekt, als: a. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 16 of 17 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 16 of 17 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 17 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel 19. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.

Als toestemming volgens het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren of laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling met begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de laatst bekende fietskilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland gemeten langs de kortste afstand; b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer. 3. Als toestemming volgens het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

Zaaknummer: 69756-2021

4. Als ouders meer dan één leerling vervoeren, niet uit het eigen gezin, ontvangen zij per vervoerde leerling 3 cent per kilometer bovenop het belastingvrije kilometerbedrag. 5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Artikel 20. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een andere passende voorziening verstrekken, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 21. Vervoersvoorziening voor weekend en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 6 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekend en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekendvervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeind gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 3.

Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4. Artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing. Artikel 22. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.000,- (peiljaar 2021) wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 7 bepaalde afstand te boven gaan. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 7 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3.

De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OVbetaalmogelijkheid voor de in artikel 7 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4. Het inkomensbedrag genoemd in het eerste lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.000,-. 5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op leerlingen met een beperking en leerlingen die bij pleegouders verblijven. Artikel 23. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.

Zaaknummer: 69756-2021

2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag per jaar (peiljaar 2021) volgens het eerste lid en de bijdrage per jaar (peiljaar 2021) volgens het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s per gezin 0-35.500 Nihil 35.500-42.000 150 42.000-48.500 630 48.500-55.000 1.180 55.000-62.500 1.725 62.500-69.000 2.270 69.000 en verder Voor elke extra € 5.500: € 560 erbij 4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. 5.

De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 6. Dit artikel is niet van toepassing op leerlingen met een beperking en leerlingen die bij pleegouders verblijven. Hoofdstuk 5. Toekenning, herziening en intrekking Artikel 24. Omvang en nadere voorwaarden 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking of de uitbetaling en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Artikel 25. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3.

Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het eerste lid, en het college een wijziging volgens het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening direct en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4. Het college kan een besluit op basis van deze verordening herzien, opschorten of intrekken, als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; d. sprake is van wangedrag door de leerling en/of ouders tijdens het ophaal en/of afzetmoment;

Zaaknummer: 69756-2021

e. sprake is van wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of f. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer; of g. er sprake van nalatigheid in de betaling van de bijdrage als bedoeld in artikel 22 en/of 23. 5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders. 6. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. Hoofdstuk 6. Bestuurlijke en ambtelijke afstemming tussen gemeente en onderwijs Artikel 26. OOGO met het samenwerkingsverband 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO met het samenwerkingsverband. 2. Het college spant zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt; c.

de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid; 3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen Artikel 27. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 28. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de leerling afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 29. Intrekking oude regeling 1. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Roermond 2014 wordt ingetrokken. 2. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Roermond 2014 blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening. 3.

Een op basis van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Roermond 2014 toegekende vervoersvoorziening geldt als vervoersvoorziening toegekend volgens deze verordening. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen leerlingenvervoer gemeente Roermond 2022. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum].

Zaaknummer: 69756-2021

Aldus besloten door de raad van de gemeente Roermond in zijn openbare vergadering van 16 december 2021.

De griffier,

De voorzitter,

J. Vervuurt

M.J.D. Donders - de Leest

Zaaknummer: 69756-2021

Toelichting Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening voorzieningen leerlingenvervoer. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. De verordening voorzieningen leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeentebesturen. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening.

Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. De verordening voorzieningenleerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt. Vervoersvoorziening In de verordening voorzieningen leerlingenvervoer wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college van burgemeester en wethouder (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren , kan het college hier toestemming voor geven. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.

Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening voorzieningen leerlingenvervoer is deze grens vastgesteld op zes kilometer (zie artikel 9). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan twintig kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (zie verder de artikelen 23 en 24). Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

Zaaknummer: 69756-2021

De verordening voorzieningen leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met ouders besproken en kan vanaf een leeftijd van 9 jaar een overleg met ouders en leerling worden gepland. Hierin kan een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling worden opgesteld. Echter wanneer de leerling een beperking heeft, wordt dit overleg niet gevoerd, omdat de beperking al een beperking in zelfredzaamheid en zelfstandigheid weergeeft (zie artikel 4). Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer Zie voor voorwaarden toekenning leerlingenvervoer het ‘Schema voorwaarden toekenning leerlingenvervoer’. Toelichting hoofdstukindeling Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen: In dit hoofdstuk worden de benoemde definities in de verordening beschreven, net zoals het doel van de verordening. Hoofdstuk 2 Aanvraag van de vervoersvoorziening: In dit hoofdstuk staan artikelen opgenomen die inzicht bieden in waar de aanvraag van de vervoervoorziening leerlingenvervoer aan dient te voldoen, voordat deze beoordeeld kan worden. Hoofdstuk 3 Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorzieningen: In dit hoofdstuk staat beschreven hoe de beoordeling tot stand komt, waarbij uitsluitsel wordt gegeven of een leerling wordt toegelaten tot een voorziening voor leerlingenvervoer.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening: In dit hoofdstuk wordt onderzocht welke voorziening van het leerlingenvervoer het beste past bij de situatie van de leerling en de ouders. Hierbij wordt een keuze gemaakt tussen een fietsvoorziening met begeleiding, openbaar vervoer met of zonder begeleider, eigen vervoer georganiseerd door de ouders of aangepast vervoer. Hoofdstuk 5 toekenning, herziening en intrekking: In dit hoofdstuk staat de toekenning tot een voorziening leerlingenvervoer beschreven, maar wordt ook informatie versterkt over onder welke omstandigheden een herziening van de voorziening leerlingenvervoer of intrekking plaats kan vinden. Hoofdstuk 6. Bestuurlijke en ambtelijke afstemming tussen gemeente en onderwijs: In dit hoofdstuk wordt de grondslag gelegd voor de afstemming op bestuurlijk en ambtelijk niveau tussen gemeenten en onderwijs, waarbij het leerlingenvervoer een terugkomende rol in gaat nemen. Hoofdstuk 7. Slotbepalingen: In dit hoofdstuk worden enkele praktische zaken meegenomen, zoals de inzet van de hardheidsclausule, het intrekken van de oude verordening en het inwerking treden van deze verordening. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.

Definities Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of

Zaaknummer: 69756-2021

anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds overnemen. Leerling met een beperking Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een leerling met een beperking in de zin van de verordening voorzieningenleerlingenvervoer. Wanneer een leerling, ondanks zijn beperking wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de verordening voorzieningenleerlingenvervoer géén leerling met een beperking. De beperking die de leerling ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.

Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de verordening voorzieningen leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.

Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. Ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan werd eerder ook wel zorgplan van de school genoemd. In dit document maakt het samenwerkingsverband waar de basisschool deel van uitmaakt, afspraken over de manier waarop zorgleerlingen opgevangen worden op de verschillende scholen van het samenwerkingsverband. Er staat dus in beschreven hoe de basisscholen omgaan met zorgleerlingen en welke ondersteuning zij kunnen bieden om professionele hulp te geven aan deze kinderen. Het ondersteuningsplan is onderdeel van de zorgstructuur binnen het samenwerkingsverband, waardoor een dekkend aanbod wordt gecreëerd door de scholen in het samenwerkingsverband. In het ondersteuningsplan staan ook de criteria voor verwijzing naar het Speciaal (basis) onderwijs en welke procedure dan gevolgd wordt. Ook staat hierin hoe het

Zaaknummer: 69756-2021

budget voor extra ondersteuning verdeeld wordt. Het doel van het plan is dat leerlingen de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. De ondersteuningsplannen voor de scholen geven invulling aan de doelen van Passend onderwijs, waarbij binnen het samenwerkingsverband voor elke zorgleerling een passende plek moet zijn. Ontwikkelingsperspectief Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen. Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met ouders vastgesteld. Het bevat de onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding). OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen.

Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over:  de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen;  het leerlingenvervoer;  de leerplicht;  de onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. Opstapplaats Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats. Een reistijd naar de opstapplaats van vijftien minuten (maximaal 1 kilometer) acht de Afdeling alleszins redelijk (ABRvS 26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107).

Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a).

Zaaknummer: 69756-2021

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier flink oplopen.

Het is dan ook redelijk om van de vervoerder te verlangen, dat de wachttijd per leerling niet meer bedraagt dan ongeveer twintig minuten (inclusief de toegestane wachttijd van maximaal vijftien minuten op de eigen school van de leerling). Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

Onder 3° Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School Onder 1° In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2° In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Zaaknummer: 69756-2021

De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Onder 3° In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro. Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Stage In de schoolgids wordt vermeld op welke wijze leerlingen een praktische leertijd, stage, als onderdeel van het lesprogramma dienen in te vullen.

De school dient het stageadres goed te keuren. Wanneer de stage een onderdeel is van het onderwijsprogramma en de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school krijgt, dan bestaat in beginsel aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Het stageadres wordt dan aangemerkt als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De scholen dienen dit aspect mee te laten wegen bij de plaatsing van leerlingen op een stageadres. Een stageadres dient zo dicht mogelijk bij het school- of thuisadres te zijn. Het uitgangspunt is dat de inzet van individueel aangepast vervoer zoveel mogelijk dient te worden voorkomen, gezien de financiële gevolgen hiervan voor de gemeente. Toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de WVO).

Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen. Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de WVO) en beslist of een leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen (artikel 10e van de WVO). Met ingang van 1 augustus 2015 wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de

Zaaknummer: 69756-2021

instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC). Naast de onderwijskundige behoeften van leerlingen waardoor ze worden verwezen naar specifieke schooltypen, wordt in Nederland ook een onderscheid gemaakt tussen schoolrichtingen in openbare en bijzondere scholen. Zie verder toelichting op artikel 6. Vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer. Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen.

In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’. Artikel 2. Doelstelling Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van kinderen wie of van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken. Zo zelfstandig mogelijk reizen naar school is het streven, waarbij wordt onderzocht welke vervoersvoorziening of andere passende voorziening, de leerling hierin het best passend ondersteunt. Hoofdstuk 2.

Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure Eerste lid Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan dit ook zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. De gemeente stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar. Het is wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. Hierbij kan worden gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier waarbij gebruik kan worden gemaakt van gegevens, die reeds bekend zijn bij de

Zaaknummer: 69756-2021

gemeente. Tweede lid Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur van de belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Een advies is wel op te vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren.

Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (zie ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535). Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 3, vierde lid, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een beslissing neemt. Derde lid Op de voor het verkrijgen van een vervoervoorziening verstrekte gegevens is de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Dit houdt in, dat de verstrekte persoonsgegevens slechts mogen worden gebruikt voor het kunnen behandelen van een aanvraag en het organiseren van het vervoer en of de bekostiging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=05fa80d9-5caf-422b-a360-01dfe6b93299