Bijlage - concept RUON (oud)
Tekst van het document
Indicatieve afstand op basis van Handreiking Bedrijven en milieuzonering De richtafstanden opgenomen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij milieu-inrichtingen of drukke wegen, al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast gevoelige functies komen belastende functies voor, die om die reden een milieuzone kennen; zoals winkels, horeca en bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd, indien sprake is van het omgevingstype gemengd gebied. De VNG-publicatie merkt bij stap 1 op dat overwogen kan worden om de richtafstanden met één afstandstap te verlagen (50 meter wordt dan 30 meter) in het geval dat de omgeving van de woning als een “gemengd gebied” kan worden beschouwd.
In voorliggend geval is wegens de aanwezige functiemenging en ligging nabij de hoofdinfrastructuur sprake van gemengd gebied.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
35
Toetsing effecten van omliggende functies Een woning c.q. appartement wordt beschouwd als hindergevoelige functie en om deze reden zijn hinderveroorzakende functies in de omgeving van het besluitgebied nader beschouwd. Binnen het besluitgebied is café Braam (incl. toekomstig terras) gelegen. Dit type inrichtingen valt onder milieucategorie 1 waarvoor normaal een richtafstand geldt van 10 meter volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Daar de inrichting gelegen is in gemengd gebied, mag de richtafstand met 1 trits worden verlaagd, waardoor de richtafstand verwordt tot 0 meter. Het planvoornemen voldoet daarmee aan stap 1 uit bijlage 5 van voornoemde uitgave en een nader akoestisch onderzoek is derhalve niet nodig. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is hiermee gewaarborgd. Omgekeerd geldt dat er naast het café (incl. toekomstig terras) reeds bestaande woningen (Dokter Leurzijstraat 16) op relatief korte afstand (5 meter) zijn gelegen. De te realiseren woningen zijn op minimaal gelijke afstand maar zelfs op grotere afstand gelegen, zodat deze woningen niet maatgevend zijn voor het café (incl. toekomstig terras). De te realiseren woningen vormen daarmee geen belemmering voor het café (incl. toekomstig terras). Aan de noord-/noordoost-zijde grenst het besluitgebied aan de vestiging van een brandweerkazerne.
Deze locatie heeft de bestemming 'Maatschappelijk' met een bouwvlak ter plaatse van de bestaande gebouwen behorende tot de brandweerkazerne. Conform de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ vallen brandweerkazernes onder milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter (o.b.v. gemengd gebied) ten aanzien van het aspect geluid. De kortste afstand tussen de te realiseren woningen c.q. appartementen en het bestemmingsvlak van de brandweerkazerne bedraagt ca. 5 meter. Hiermee wordt niet aan de richtafstand voldaan. Het besluitgebied grenst echter aan de achterzijde van de brandweerkazerne. Deze is ontsloten aan de Bisschop Lindanussingel. Deze ontsluiting is enkel ten behoeve van personeel en laad- en losactiviteiten. Daarnaast is het terrein afgeschermd door een hoge erfafscheiding in de vorm van een 'geluidscherm' en bebouwing. Hiermee is de achterzijde van het terrein afgeschermd van de bestaande maar ook toekomstige woningen. Op het achterste deel van het terrein vindt alleen parkeren plaats door het personeel van de brandweerkazerne . Op het 'middenterrein' vinden eventuele buitenactiviteiten plaats in de vorm van kleinschalige oefeningen en onderhoud (voor zover dit in eigen beheer uitgevoerd worden). Echter dit onderhoud vindt met name plaats in de bestaande bebouwing waar een werkbrug aanwezig is.
Het 'middenterrein' is dermate omsloten door bestaande bebouwing dat hiermee voldoende afschermende werking vanuit gaat richting het besluitgebied. Dit in combinatie met de aanwezige bebouwing aan de Dokter Leurszijstaat is er voldoende afstand c.q. afscherming om het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen te waarborgen.
36
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
Brandweerkazerneterrein met parkeren personeel (gele contour) en 'middenterrein' (rode contour)
De hoofdingang is gelegen aan de oostzijde van de kazerne, aan de Minderbroedsingel. Bij uitrukken van de brandweer wordt deze ontsluiting gebruikt. De oostzijde van de kazerne is gelegen op een afstand van ca. 56 meter van het besluitgebied. Daarnaast is slechts incidenteel sprake van uitrukken. Op grond hiervan is een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Verder geldt dat in de huidige situatie reeds woningen aan de Dokter Leursstraat en de Dokter Leurszijstraat op een gelijke of kleinere een afstand van de brandweerkazerne zijn gelegen. Hierdoor wordt de brandweerkazerne door de ontwikkeling van de 15 woningen c.q. appartementen binnen onderhavig besluitgebied niet belemmerd in haar activiteiten. Ten noordoosten van het besluitgebied is de binnenstad van Roermond gelegen. Functies als wonen, detailhandel, kantoren, dienstverlening en horeca zijn hier aanwezig. Ten behoeve van de functiemenging zijn de gronden hier bestemd als 'Gemengd' en zijn bedrijfsactiviteiten van ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. De grootste richtafstand voor deze milieucategorie bedraagt 30 meter (10 meter in geval van omgevingstype 'gemengd gebied'). De kortste afstand vanaf het besluitgebied tot aan de gronden bestemd als 'Gemengd' bedraagt ca. 80 meter. Er wordt hiermee ruimschoots aan de richtafstand voldaan.
Daarnaast geldt dat er reeds woningen tussen de gemengde functies en het besluitgebied zijn gelegen, waardoor de ontwikkeling van de functies door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd wordt. Ten westen en zuidwesten van het besluitgebied is het plan Roerdelta, fase 1 gelegen. Dit project voorziet in de herontwikkeling van een voormalig industrieterrein aan de rand van het stadscentrum van Roermond tot een hoogwaardige, binnenstedelijke woonwijk met werk-, recreatie- en cultuurmogelijkheden. Binnen het plan Roerdelta, fase 1 bevindt zich een bedrijfsbestemming. Dit betreft een waterkrachtcentrale van Rijkswaterstaat ter plaatse van de Roer. Deze is gelegen op een afstand van ca. 186 meter ten zuidwesten meter van het plangebied. Dit bedrijf kan gezien worden als een bioenergieinstallatie met een vermogen kleiner dan 50 Mw. Hiervoor zijn geen richtafstanden opgenomen in de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
37
Verder geldt dat binnen het plangebied Roerdelta, fase 1 de bestemming 'Cultuur en ontspanning' is opgenomen. Ter plaatse van de bestemming 'Cultuur en ontspanning' zijn activiteiten op het gebied van cultuur en ontspanning toegestaan. Horeca en bedrijfsactiviteiten van ten hoogste categorie 2 van de Staat van horeca-activiteiten en categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn binnen deze bestemming toegestaan. Voor deze activiteiten geldt een richtafstand van 50 meter (30 meter in geval van omgevingsype 'gemengd gebied'). De bestemming 'Cultuur en ontspanning' is op ca. 200 meter afstand tot onderhavig besluitgebied gelegen. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Ook ondervinden de bedrijven binnen deze bestemming geen belemmering als gevolg van onderhavige ontwikkeling, omdat reeds bestaande woningen op een kortere afstand van deze bedrijven zijn gelegen.
Conclusie Er wordt, met uitzondering van het te behouden café (incl. toekomstig terras) en de brandweerkazerne, aan de indicatieve richtafstanden op basis van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering ten opzichte van hinderveroorzakende functies voldaan. Voor wat betreft het café (incl. toekomstig terras) geldt dat voldaan wordt aan de richtafstand. Voor wat betreft de brandweerkazerne geldt dat het terrein van de brandweer is afgeschermd door een hoge erfafscheiding in de vorm van een 'geluidscherm'. De hoofdingang van de kazerne is gelegen aan de oostzijde, aan de Minderbroedsingel. Bij uitrukken van de brandweer wordt deze ontsluiting, gelegen op een afstand van ca. 56 meter vanaf het besluitgebied, gebruikt. Daarnaast is slechts incidenteel sprake van uitrukken. Op grond hiervan is een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Verder geldt dat de realisatie van de woningen niet leidt tot nadelige milieueffecten op omliggende functies en er geen bedrijven in hun duurzame bedrijfsvoering worden geschaad. Immers geldt dat in de huidige situatie ook al sprake is van een woonsituatie. Op grond van voorgaande wordt geconcludeerd dat vanuit het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.7
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het enerzijds om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken: bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijk ongeval met een groot aantal slachtoffers.
38
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
Uitsnede risicokaart met besluitgebied bij paarse contour
Risicobronnen uit de omgeving zijn geïnventariseerd aan de hand van de Risicokaart. Op basis van de Risicokaart wordt geconcludeerd dat het besluitgebied op circa 770 meter afstand van de N280 en op circa 680 meter afstand van spoorlijn Roermond-Venlo is gelegen. Het besluitgebied is daarmee binnen de invloedsgebieden van de weg N280 en de spoorlijn gelegen. Conform de ‘Visie Externe Veiligheid Roermond’ (VEVR) dient het groepsrisico van de N280 en de spoorlijn te worden verantwoord. Het besluitgebied is namelijk gelegen binnen zone IV (>300) meter ten opzichte van de genoemde transportassen. Bij zone IV dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk.
Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in de zone IV tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Roermond nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de beleidsvisie externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het besluitgebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in dit gebied bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
39
Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de visie. Mocht toch sprake zijn van bestrijdbaarheid zijn binnen het besluitgebied dan is de brandweer op korte afstand aanwezig aangezien de brandweerkazerne aan het besluitgebied grenst.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld, zijn hierbij parameters. Het besluitgebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquill-klasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Daarnaast is het van belang dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding of via Cell-Broadcast
Conclusie Op basis van vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. De bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is in het kader van het groepsrisico in voldoende mate te verantwoorden.
4.8
Ecologie
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. Onderstaande paragrafen gaan nader in op de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming in relatie tot onderhavige ontwikkeling. 4.8.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het besluitgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000/gebied. Wel is het besluitgebied op ca. 150 meter afstand tot het Natura 2000-gebied Roerdal gelegen. Tussen het besluitgebied en het Natura 2000-gebied Roerdal is reeds bebouwing aanwezig die als het ware een barrièrewerking heeft. Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de realisatie en in gebruik name van de woningen c.q. appartementen zijn daarom op dit Natura 2000-gebied uit te sluiten. Verder geldt dat op ca.
5,1 km afstand
40
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
Natura 200-gebied Swalmdal, 5,3 km afstand Natura 2000-gebied Meinweg en op ca. 6,3 km afstand Natura 2000-gebied Leudal zijn gelegen. Ook ten aanzien van deze gebieden geldt dat, gezien de ruime afstand, negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de realisatie en in gebruik name van de woningen c.q. appartementen zijn uit te sluiten.
Indicatie ligging besluitgebied (rode contour) t.o.v. Natura 2000-gebied Roerdal (geel vlak)
Om te bepalen of de herontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied, is door Pouderoyen Tonnaer een beoordeling stikstof uitgevoerd (projectnr. J204330, d.d. 3 maart 2022). De notitie beoordeling stikstof is als Bijlage 4 aan onderhavige ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Op basis van de beoordeling wordt geconcludeerd dat het bouwplan (tijdelijke realisatiefase en de gebruiksfase) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000- gebieden kunnen op basis van het voorgaande met zekerheid worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.
Natuurnetwerk Nederland De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen de Goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
41
Ligging besluitgebied (rode contour) t.o.v. Goudgroene natuurzone
Het besluitgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk maar is op ca. 125 meter afstand van de Goudgroene zone c.q. Natuurnetwerk Nederland (Roerdal) gelegen. Tussen het besluitgebied en de Goudgroene natuurzone bevindt zich reeds bebouwing. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk veroorzaakt door licht, geluid en trillingen ten gevolge van de realisatie en in gebruik name van de woningen c.q. appartementen zijn, gezien de afstand en aard van de ontwikkeling, uit te sluiten.
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen binnen het besluitgebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand binnen het besluitgebied is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Hiervoor geldt de algemene plaatselijke kapverordening van de gemeente Roermond. Verder worden de bestaande bomen zoveel mogelijk gehandhaafd. Om de woningen te kunnen realiseren moeten er drie bomen gerooid worden. Hiervan staan 2 bomen op gemeentelijk eigendoor waardoor hiervoor een kapvergunning noodzakelijk is Deze drie bomen worden gecompenseerd door drie nieuwe bomen als onderdeel van de inrichting van de openbare ruimte aan te planten. Deze bomen zullen van vergelijkbare omvang zijn als de bomen die uit het plangebied verdwijnen. Hiermee blijft het groen in het besluitgebied behouden.
42
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
Overzicht bomen (lichtgroen bestaand, donkergroen nieuw, rood met kruis verdwijnt) 4.8.2 Soortenbescherming Ten behoeve van het planvoornemen is een quickscan Wet natuurbescherming (Econsultancy, rapportnummer 5284.004, 15 december 2020, Bijlage 5) uitgevoerd. In onderstaande tabel is samengevat of het planvoornemen mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In deze tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
43
Uit deze tabel blijkt dat voor de uitvoering van het planvoornemen door middel van nader onderzoek meer duidelijkheid moet worden verkregen omtrent de eventuele functie van het besluitgebied voor gebouwbewonende vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Het aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen dient plaats te vinden comform het vleermuisprotocol 2021. Het nader onderzoek naar huismuis en gierzwaluw dient plaats te vinden conform de geldende kennisdocumenten voor beide soorten. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag buiten het broedseizoen te verwijderen. Ten aanzien van overige beschermde zoogdieren en amfibieën zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. 4.8.3 Aanvullend ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de resultaten en conclusies van de quickscan is aanvullend ecologisch onderzoek (Bureau Meervelt, projectnummer 21-024, d.d. 1 oktober 2021, Bijlage 6) uitgevoerd.
In dit aanvullende ecologisch onderzoek heeft nader onderzoek plaatsgevonden naar: huismus, gierzwaluw en overige broedvogels; vleermuizen overige beschermende soorten Effectbeoordeling en conclusies huismus, gierzwaluw en overige broedvogels
44
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
In het besluitgebied zelf werden geen broedvogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het besluitgebied biedt geschikte broedlocaties voor algemeen voorkomende soorten van stedelijk gebied zoals Winterkoning, Merel en Houtduif. In het besluitgebied werd een broedgeval vastgesteld van Koolmees. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Geadviseerd wordt eventuele kap van de bomen en verwijderen van struiken buiten het broedseizoen uit te voeren (indicatie broedseizoen: 15 maart - 15 juli, let op: ook buiten deze periode zijn in gebruik zijnde nesten beschermd). De bomen dienen voorafgaand aan de kap te worden geïnspecteerd, Houtduiven kunnen tot ver buiten dit broedseizoen broeden. Mits rekening gehouden wordt met in gebruik zijnde nesten, vinden geen overtredingen plaats op grond van de Wet natuurbescherming in relatie tot broedvogels. Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming - soorten is niet nodig.
Effectbeoordeling en conclusies vleermuizen In de gebouwen en de aanwezige bomen werden geen rust- en verblijfsplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Wel werd tijdens een van de bezoeken geconstateerd dat een van de, als mitigatie, opgehangen kasten werd gebruikt door twee Gewone dwergvleermuizen. Deze kasten blijven hier aanwezig tijdens de uitvoering van de sloop- en verbouwingswerkzaamheden. De overige twee kasten kunnen eventueel weggehaald worden. Het onderzoeksgebied is van betekenis als foerageergebied en vliegroute voor de aangetroffen vleermuizen door de aanwezige groene, opgaande elementen. Gewone en Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger zijn karakteristieke bewoners van stedelijke omgeving. In steden en dorpen kunnen deze soorten zich goed oriënteren op groenstructuren én bebouwing. Het overgrote deel van de aanwezige bomen blijft behouden, waardoor de betekenis van het besluitsgebied voor foeragerende en migrerende vleermuizen blijft bestaan. Rosse vleermuis heeft minder binding met lijnvormige elementen aangezien deze soort vaak op grotere hoogte vliegt richting jachtgebieden buiten stedelijk gebied. De waarneming van een Meervleermuis is vrij bijzonder. Uit verspreidingsinformatie is bekend dat de soort incidenteel binnen de grenzen van gemeente Roermond wordt waargenomen.
Het voorkomen van deze watergebonden soort heeft zonder twijfel een relatie met de Roer die op minder dan 200 meter van het besluitgebied ligt. Binnen het besluitgebied worden enkele bomen geveld, de groenstructuur wordt hierdoor echter niet zodanig aangetast dat dit leidt tot een kwaliteitsverslechtering voor vleermuizen. In het planvoornemen is voorzien in de aanplant van nieuwe groenvoorzieningen en krijgen de nieuw te bouwen huizen een tuin. Hierdoor kan de kwaliteit van het gebied na de herontwikkeling in lichte mate toenemen. In de omgeving van het besluitgebied zijn voor de hier voorkomende soorten voldoende foerageergebieden via verschillende vliegroutes te bereiken. De velling van de enkele bomen in het plangebied leidt met zekerheid niet tot een aantasting van essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied. De kap van de bomen heeft niet tot gevolg dat een eventueel aanwezige verblijfplaats in de omgeving van het besluitgebied verlaten wordt, daarvoor is het oppervlak te klein en zijn er te veel alternatieven aanwezig in de omgeving. Er worden geen vaste rust- of verblijfplaatsen en geen essentiële vliegroutes of foerageergebieden van vleermuizen vernietigd. Nader onderzoek of een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden door de sloop van de opstallen en de kap van enkele bomen.
Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming - soorten is niet nodig. Effectbeoordeling en conclusies overige beschermde soorten Overige beschermde soorten of sporen daarvan werden niet aangetroffen in of nabij het plangebied. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden ten aanzien van overige beschermde soorten door de herontwikkeling van het plangebied. Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming - soorten is niet nodig.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
45
4.9
Waterparagraaf
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd. 4.9.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer: Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen: Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de volgende tritsen: 1. vasthouden-bergen-afvoeren 2. schoonhouden-scheiden-schoonmaken Ruimte en water verbinden: Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten.
4.9.2 Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Ook zijn per gemeente waterkaarten opgesteld waaruit de verschillende waterbelangen op een bepaalde locatie zijn af te lezen. Aan de hand van het ‘meldformulier watertoets’ kunnen (ruimtelijke) plannen vervolgens voor advies worden voorgelegd aan het betreffende waterschap.
46
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
4.9.3 Gevolg planvoornemen Onderhavige ontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg en dient het planvoornemen voor wateradvies voorgelegd te worden (zie paragraaf 6.3). Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de transformatie van een voormalige bedrijfslocatie en de directe omgeving ervan naar woonlocatie. Hiertoe vindt sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing van het bedrijf Latiers plaats en worden op deze locatie en de directe omgeving ervan 15 woningen c.q. appartementen gerealiseerd. De aanbouw van het café aan de linkerzijkant wordt gesloopt en 'herbouwd' aan de achterzijde van het café. Ter plaatse hiervan in combinatie met het huidige aansluitende terras wordt het appartementecomplex gesitueerd. De woningen worden ter plaatse van de bestaande bedrijfsbebouwing gesitueerd. Hiermee niet het verhard oppervlak niet of maar beperkt toe. Daarnaast wordt ook de openbare ruimte ingericht. Dit is grotendeels ter plaatse van de gronden van de bedrijfslocatie Latiers die momenteel verhard zijn. Er is hierdoor in zeer geringe mate sprake van een toename in het verhard oppervlak. De toename van het nieuw bebouwde oppervlak bedraagt in ieder geval minder dan 1.000 m². Derhalve is geen wateradvies noodzakelijk.
Waterschap Limburg hanteert zowel een voorkeursvolgorde voor waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren) als voor waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool). In aansluiting op het landelijk beleid hanteert Waterschap Limburg het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” (afgeleid van de trits “vasthouden – bergen – afvoeren” doorlopen. Bij nieuwbouw wordt in eerste instantie gekozen voor het niet aansluiten van hemelwater op het rioolwaterstelsel. Het afval- en hemelwater dienen in de mate van het mogelijke gescheiden van elkaar gehouden te worden. In onderhavig geval zal het afval- en hemelwater ten gevolge van de woningen gescheiden worden aangeboden aan het bestaande gemengde riool nabij het besluitgebied. Er worden geen knelpunten verwacht voor aansluiting op het bestaande riool. De aanleghoogtes van het systeem dienen nader bepaald te worden. Door het afval- en hemelwater gescheiden aan te bieden aan het gemengde riool wordt vast voorgesorteerd op de mogelijkheid dat in de toekomst het gemengde riool wordt vervangen door een gescheiden stelsel.
In dat geval zijn de woningen reeds in staat het afval- en hemelwater gescheiden aan te bieden. Voor wat betreft hemelwaterberging geldt in onderhavige ontwikkeling het uitgangspunt dat 'nieuw' verhard oppervlak (daken en verharding) niet meer op het gemengd rioolstelsel mogen worden aangesloten, maar dat het hemelwater volledig afgekoppeld moet worden. Het uitgangspunt daarbij is verwerking op eigen terrein, waarbij voor het bergen van het hemelwater rekening gehouden moet worden met de bergingseis van het waterschap zijnde 100 mm in 24 uur. Aangezien in het besluitgebied als onderdeel van het planvoornemen ook een gedeelte van de openbare ruimte wordt heringericht kunnen hier eveneens voorzieningen getroffen worden voor de opvang van het hemelwater. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleggen van een infiltratieriolering, waar zowel openbare ruimte als ook de woningen op aangesloten worden. Aangezien de openbare ruimte uiteindelijk in beheer komt bij de gemeente zal dit vooraf afgestemd en goedgekeurd moeten worden door de gemeente. Op basis van het uitgewerkte civieltechnisch plan voor de inrichting van de openbare ruimte blijkt dat het appartementencomplex, de woningen en verhardingen volledig worden afgekoppeld en wordt voorzien in de noodzakelijk hemelwatervoorziening met voldoende capaciteit om het hemelwater op te vangen.
De civieltechnische uitwerking voldoet daarbij aan de eisten die in de TIR 2000 staan beschreven Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen worden verwacht.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
47
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
4.10.1 Archeologie Als wettelijk toetsingskader in Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. De Wamz is in zijn geheel opgenomen in de Monumentenwet 1988 (Mw art. 38 t/m 60). In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. In dat kader geldt er voor het besluitgebied een onderzoeksplicht en is voor het planvoornemen een archeologisch bureauonderzoek (Econsultancy, rapportnummer 5284.005, 8 maart 2021, Bijlage 7) uitgevoerd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het besluitgebied is.
Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het besluitgebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel aanpassing van ht planvoornemen noodzakelijk is.
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het besluitgebied ligt op een Maasterras dat gevormd is in het Allerød (13.900 tot 12.850). Tijdens het Paleolithicum en het Mesolithicum is vestiging van jagers en verzamelaars in het besluitgebied mogelijk. In het besluitgebied zijn echter geen vondstmeldingen bekend uit het Paleolithicum en Mesolithi-cum. Op basis van al deze gegevens krijgt het Paleolithicum en het Mesolithicum een middelhoge archeologische verwachting. Het Maasterras, met waarschijnlijk een goede natuurlijke afwatering, betreft een vruchtbare relatief vlakke bodem en is daarmee uitermate geschikt voor agrarische samenlevingen. De archeologische verwachting voor archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen is daarom hoog. In het besluitgebied ligt een AMK-terrein, een waterput uit de Late-Middeleeuwen, en daarnaast blijkt uit historisch kaartmateriaal vanaf de 16e eeuw dat het redelijk dicht langs een doorlopende weg ligt en de Roer. Verder heeft in de Nieuwe tijd mogelijk een deel van een ravelijn in het besluitgebied gelegen en is het besluitgebied vanaf de eerste helft van de 19e eeuw bebouwd. De archeologische verwachting voor archeologische resten uit de perioden Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd is daarom hoog.
Advies Gezien de in archelogisch bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het besluitgebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek na de bovengrondse sloop van de bestaande gebouwen. Gezien de ligging van bekende archeologische en historische waarden in het besluitgebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het besluitgebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele
48
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Op basis van het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek is door de gemeente bevestigd en aangegeven dat een Programma van Eisen dient te worden opgesteld voor een archeologisch proefsleuvenonderzoek dat dient te volgen na de sloop van de bestaande opstallen. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient gestart te worden wanneer de sloop het maaiveld bereikt. Op grond van de uitkomsten van het proefsleuvenonderzoek kan er dan vrijstelling van verder archeologisch ondezoek worden verleend of dient er een archeologische opgraving plaat te vinden voor (delen van) het besluitgebied. Dit zal in overleg met de gemeente bij het bouwrijp maken van het terrein afgestemd worden. 4.10.2 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt geconcludeerd dat binnen het besluitgebied cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig is, namelijk de bebouwing van de oudste kroeg van Roermond: café Braam.
Het café blijft met het plan behouden en wordt opgeknapt. Enkel de bestaande beugelbaan aan de zijkant wordt verplaatst naar de achterzijde van het café. Tevens zal in de toekomst ook eten en drinken worden geserveerd en een terras worden toegvoegd. Hierdoor komt karakteristieke karakter van de bebouwing van het café beter tot zijn recht. In het besluitgebied zijn verder geen monumenten gelegen. Wel geldt dat nabij het besluitgebied cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is gelegen, namelijk de woonhuizen aan de Dokter Leursstraat en Dokter Leurszijstraat die zijn aangemerkt als gemeentelijk monument.
Te slopen bebouwing (beugelbaan) café
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
49
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Limburg met aanduidingen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing
Verder geldt dat de te slopen voormalige bedrijfsbebouwing binnen het besluitgebied niet wordt aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Door sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing en realisatie van 15 woningen c.q. appartementen, wordt een verwaarloosde locatie binnen het stedelijk gebied opgelost. Dit komt tevens de uitstraling c.q. beleving van de nabijgelegen gemeentelijke monumenten ten goede. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.11
Leidingen
Er zijn binnen of in de directe omgeving van het besluitgebied geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, gas, brandstof en/of hoogspanningsleidingen gelegen, die van invloed zijn op de realisatie van het project. In het straatprofiel van de Dokter Leursstraat en Dokter Leurszijstraat zijn wel de reguliere leidingen c.q. nutsvoorzieningen aanwezig zoals gas, electra en telefonie.
50
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
Naast het toetsen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient de aanvraag van de omgevingsvergunning ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het project. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de transformatie en herstructurering van een voormalige bedrijfslocatie en de directe omgeving ervan naar een woonlocatie. Er worden 15 woningen c.q. appartementen gerealiseerd waarmee zowel kwantitatief als kwalitatief wordt voorzien in de actuele woningbehoefte zoals beschreven in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg. De woningen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied, op een locatie waar reeds (in de directe nabijheid) wordt gewoond. Bij de planontwikkeling heeft een participatieproces plaatsgevonden waarbij de uitgangspunten voor de ontwikkeling zijn besproken. Tijdens dit proces is gebleken dat de omgeving de wens heeft café Braam en de daarbij behorende beugelbaan te behouden. Initiatiefnemer en omgeving zijn naar aanleiding hiervan overeengekomen dat het café op de huidige plek blijft voortbestaan en dat de omgeving een nieuwe beugelbaan gaat aanleggen. Ook zal in de toekomst eten en drinken worden geserveerd en een terras worden toegvoegd. Tevens heeft de omgeving de wens uitgesproken een trap aan te leggen tussen het besluitgebied en de Bisschop Lindanussingel. Hiermee wordt een extra positieve uitstraling gecreëerd en een verbinding gemaakt tussen het gebied Roerdelta en de binnenstad. De verbinding van cultuur en woongenot met de levendigheid en beleving in de stad wordt hiermee versterkt.
Mocht iemand alsnog bedenkingen hebben ten aanzien van het project dan kan ten aanzien van het ontwerpbesluit een zienswijze kenbaar worden gemaakt en na verlening van de omgevingsvergunning eventueel beroep worden ingesteld.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven over de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hiermee wordt mede de financiële uitvoerbaarheid bedoeld. Er is sprake van een omgevingsvergunning dat een bouwplan mogelijk maakt. Het bouwplan wordt op kosten van initiatiefnemer uitgevoerd. Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. In welke gevallen kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan is eveneens vastgelegd in de Wro c.q. het Bro. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het verplichte kostenverhaal anderszins is verzekerd. Daaraan wordt voldaan wanneer met de initiatiefnemer een zogenoemde anterieure overeenkomst wordt gesloten waarin het in kostenverhaal wordt voorzien. Tussen de gemeente Roermond en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, een exploitatieplan is hierdoor niet meer nodig. Planschade wordt hierin meegenomen.
Eventuele planschadeclaims komen daarmee volledig voor rekening van de initiatiefnemer en worden vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
51
52
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
De te volgen procedure
Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning ten behoeve van het planvoornemen noodzakelijke omgevingsvergunning. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat twee procedures voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning, te weten de reguliere en de uitgebreide procedure. In het onderhavige geval, waarbij afgeweken wordt van het geldende bestemmingsplan, dient de uitgebreide procedure te worden gevolgd.
6.2
Terinzagelegging
De omgevingsvergunning wordt, inclusief deze ruimtelijke onderbouwing, conform de uitgebreide procedure, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning en zijn of haar zienswijzen indienen.
6.3
Vooroverleg met diensten van Rijk en provincie
Gedurende de voorbereidende fase van deze procedure vindt zo nodig vooroverleg plaats met de diverse diensten van Rijk en provincie en met het Waterschap. Gezien de conclusies uit voorgaande hoofdstukken en realisatie binnen bestaand bebouwd gebied (passend in de ruimtelijke structuur), mag redelijkerwijs worden aangenomen dat met onderhavige ontwikkeling belangen van voornoemde vooroverlegpartners niet zullen worden geschaad. De omgevingsvergunning wordt direct als ontwerpbesluit ter inzage gelegd.
Provincie Limburg De provincie geeft aan de de beoordeling van het initiatief geen aanleiding tot het maken van opmerkingen geeft. De beoordeling van de voorontwerpstukken geeft echter wel aanleiding tot opmerkingen. Deze opmerkingen hebben betrekking op het nieuwe provinciale beleid, ecologie toetsing veiligheidsregio. Deze opmerkingen hebben geleid tot aanpassing van onderhavige ruimtelijke onderbouwing, met uitzondering ten aanzien van de toetsing veiligheidsregio aangezien wordt voldaan aan de standaard verantwoording uit de Visie externe veiligheid van Gemeente Roermond. Het is derhalve niet nodig om de veiligheidsregio om advies te vragen aanzien zij namelijk betrokken zijn geweest bij de betreffende visie.
Waterschap Limburg Het planvoornemen is voor wateradvies voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Door het waterschap wordt geadviseerd om de hemelwatervoorziening niet slechts te dimensionering conform 50 mm per m2 (waarbij 84 mm niet tot overlast mag leiden) maar (zo veel mogelijk) conform 100 mm in 24 uur. Bij de civieltechnische uitwerking is hiermee zoveel mogelijk rekening gehouden.
Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat heeft geen opmerkingen op het planvoornemen.
6.4
Vaststelling
PM
omgevingsvergunning Herstructurering Quartier Latiers
53