Bijlage bij vraag 18 - Brief van 26 sept 2019 aan cie BM iz hondenbelasting
Tekst van het document
o.ooo gemeente Roermond
*
r€' uw nummer uw datum
AAN
ons nummer onze datum
93294-2019
de leden van de commissie BM
27 septembe¡2019
vezonden inlichtingen bij sector/afdeling doorkiesnr.
E. Smeets BM / Financiën 0475 - 359 3¿t4
bijlage(n) betreffende
commissie-informatiebrief inzake de hondenbelasting
Geachte leden, Tijdens de commissievergadering van 9 september 2019 hebben wij uitvoerig stilgestaan bij de binnengekomen petitie tegen hondenbelasting. Door u werd een aantal vragen gesteld, waarvan ik u toezegde, deze schriftelijk te zullen beantwoorden. De grondslag van hondenbelasting is opgenomen in artikel 226van de gemeentewet en luidt als volgt:
o ter zake van het houden van een hond kan van de houder een hondenbelasting worden geheven; o de belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Met het aanhalen van deze wettekst, wordt meteen een eerste onduidelijkheid weggenomen, immers een gemeente mag alleen dié belastingen heffen die in de wet genoemd zijn. Dit betekentdat gemeenten hondenbelasting mogen heffen. Het heffen van belasting voor het houden van andere dieren is op grond
van de wet uitgesloten. ln de zoektocht naar het ontstaan van de hondenbelasting, kan in z'n algemeenheid aangegeven worden dat deze al sinds de middeleeuwen bestaat. Voor onze gemeente in 't bijzonder valt te lezen in "De Nieuwe Koerie¡'', dat de raad al tijdens zijn vergadering op 4 september 1888 over de hondenbelasting vergaderde. Uit ons archief blijkt dat we in ieder geval al vanaf 1934 hondenbelasting heffen, maar een achterliggende motivatie daarvoor blijkt niet uit de stukken uit die jaren. ln het algemeen kan gesteld worden, dat in de middeleeuwen hondenbelasting werd ingevoerd om de overlast van met name van zwerfhonden te beperken en om de verspreiding van hondsdolheid tegen te gaan, maar dat de motivering later verschoof naar het belasten van de hondenkar als transportmiddel (van de armen, daar waar de rijken over paarden als transportmiddel beschikten). ln het raadsvoorstelvan 5 oktober 1988 (no.122 van 1988) wordt onder andere vermeld over het doelvan deze belasting: "Tegenwoordig stoelt de wens tot beperking op de zorg voor een schoon milieu. Door de groei van het aantal honden komt de gemeente voor steeds grotere lasten te staan voor het bestrijden van verontreiniging van straten, pleinen en plantsoenen."
Terug naar het hier en nu kan aangegeven worden, dat voor 2019 de hondenbelasting in onze gemeente als volgt luidt:
Stadhuls lMarkt3'l 60¡tlEfú lPostbus90O 6040AxRoermond lTl4û375 IIBANNLT5RABOú? 2861 79
ñtrt!Íttl¡ttlälïfiEtil
Ons nummer Pagina2 Zaaknummer:. 93294-2O19
De belasting bedraagt per belastingjaar: vooreen eerste hond 80,00 vooreen tweede hond € 108,45 voor iedere hond boven het aantal van twee is het tarief bovenop het tarief var de voorafgaande hond: 27,35 gehouden (€ per Daarenboven is er een tarief voor honden in een kennel 230,60) belastingjaar 5.1
a. b. c.
€
€
Van de 31 Limburgse gemeenten heffen zes gemeenten geen hondenbelasting; van de overige 25 kan gesteld worden, dat het tarief van de grotere gemeenten (Maastricht, Venlo, Sittard en Heerlen) varieert tussen € 85,- en € 96,- en dat de overige gemeenten uiteenlopende tarieven van € 25,- tot € 88,- kennen. De totale opbrengsten van de hondenbelasting, die door BsGW worden geheven en geind, bedragen
(per 30 juni 2019):
2017
Aantal honden* 4.975 4.917
2018
4.963
2019 (30 juni)
4.722
Jaar
2016
Hondenbelastino
€ 361.531 €,357.726 € 365.964 €.374.851
* let wel: het betrefr aanslagregels, dus daarin kunnen dubbeltellingen voorkomen als gevolg van mutaties, zoals aan- en afmelding van een hond gedurende het jaar
De hondenbelasting is geen zogenaamde bestemmingsheffing. Dat wilzeggen, dat de inkomsten uit hondenbelasting naar de algemene middelen vloeien. De gemeente kan deze middelen naar eigen inzicht gebruiken. Tegenover de betaling van de hondenbelasting hoeft de gemeente dus geen rechtstreeks aanwijsbare tegenprestatie te leveren zoals (bijvoorbeeld) het ter beschíkking stellen van plastic zakjes om hondenpoep op te ruimen. ln 2013 deed het Hof de uitspraak, dat een gemeente alleen hondenbelasting mag heffen "indien de kosten die het hondenbezit voor de gemeente meebrengt van wezenlijke betekenis zijn voor het heffen van de hondenbelasting en de hoogte van de belasting mede is afgestemd op die kosten". Hiermee leek het erop, dat de heffing zou moeten zijn afgestemd op de kosten, die de gemeente maakt in dit kader. Echter, deze uitspraak werd door de Hoge Raad in cassatie vernietigd: "Voor heffing van hondenbelasting ís niet vereist dat een relatie wordt gelegd met bepaalde kosten die de gemeente moet maken in verband met het houden van honden binnen haar
grenzen." De kosten, die onze gemeente maakt in het kader van de hondenbelasting, bestaan uit : 1 kosten voor heffing en inning door BsGW: bij de beantwoording van vragen uit de vergadering van de gemeenteraad van 21 december 2O17 antwoordden wij aan uw commissie híerover: "Op jaarbasis gaat het bij de hondenbelasting om +/- 4.900 aanslagregels (ook alle mutaties gedurende het jaar mee genomen), waarvoor een tarief van € 0,76 per regel staat en wellicht een deel van de klantcontacten, waarvoor een tarief ad € 6,04 per klantcontact staat (besparing € 3.250). Bij afschaffing van de hondenbelasting bedraagt de totale bespaarde perceptiekosten maximaal € 7.000. 2 daarenboven kent onze gemeente kosten, die verband houden met de aanwezigheid van honden in onze stad: voor wat betreft het onderhouden van hondenuitlaatplaatsen, -toiletten, dispensers e.d. bedragen deze bij benadering € 38.000 per jaar; hierin zijn nief meegenomen de kosten voor eventuele vervanging van palenwandjes rondom hondentoiletten (€ 4.000f, kapotte of versleten dispensers (€ 5.000f en de bebording bij de diverse voorzieningen (€ 3.000)*.
Ons nummer Pagina 3 Zaaknummer:. 93294-2019
*
fussen fiaakTes zijn de indicatiet/e bedragen per jaar, gebaæerd op een ingeschatte levensduur van 10 jaren weergegeven
Evenmin zijn de ambtelijke uren (van de groenbeheerders (+/- 100 uren), de buitendienst medewerkers (+l- 200 uren) en/of van medewerkers stadstoezicht (+l- 325 uren)) meegenomen. Deze kosten vallen (behalve de bijdrage aan BsGW) niet weg als de gemeente besluit om geen hondenbelasting meer te heffen, daar het bestaande voorzieningenniveau wenselijk wordt geacht om overlast zoveel als mogelijk te beperken.
Tot slot wil ik er graag op wijzen, dat begroting2O2O weliswaar structureel en reëel in evenwicht, maar dat neemt niet weg, dat er een meerjarige ambitieuze uitdaging ligt om maar liefst acht miljoen euro structureel te (moeten) bezuinigen. Het behoeft geen nadere uitleg dat, wanneer wordt besloten om de hondenbelasting af te schaffen, hiervoor in de plaats elders inkomsten (+/- € 375.000) moeten worden gerealiseerd. Ook hiervoor vraag ik aandacht van uw commissie en raad.
lk vertrouw erop u hiermede voldoende geinformeerd te hebben
Hoogachtend, De wethouder voor
Schreurs
, grondzaken en eigendommen en sport