CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - onderbouwing inclusief onderzoek

Gemeenteraad 28 mei 2025, gemeente RoermondBij agendapunt: Baton Rouge Jazz City (hamerstuk)26.279 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het woonprogramma bestaande uit appartementen t/m 85 m2 GBO, appartementen tussen 85 en 110 m2 GBO en appartementen groter dan 110 m2 GBO maken de woningen geschikt voor diverse doelgroepen. 3.4.2. Conclusie De activiteit past binnen de regionale doelstellingen en het regionale beleid.

3.5 Beleid Waterschap Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Ow is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. 3.5.1. Keur Waterschap Limburg 2019 De keur van het waterschap is herzien en op 1 april 2019 in werking getreden. De actuele keur bevat een aanscherping van de regels voor het lozen van regenwater bij de realisatie van verharde terreinen en gebouwen. Vanwege de klimaatverandering en het voorkomen van wateroverlast is het nodig om bij nieuwe ontwikkelingen fors meer buffercapaciteit te vragen. De nieuwe norm houdt in dat 100 mm/24 uur per m2 verhard oppervlak gebufferd dient te worden voor Noord- en Midden-Limburg. Bij dimensioneren mag rekening worden gehouden met de leegloop en infiltratie gedurende 24 uur. Er dient voldoende opvangcapaciteit te zijn en een duurzame leegloop moet worden gerealiseerd. 32

De overige toetsingspunten voor ruimtelijke plannen zijn als volgt : • Doorgaans zijn lagergelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. • Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. • Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. • Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. • Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. • Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur topassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. • Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.

Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect waterhuishouding uitvoerig beschreven op basis van de als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan opgenomen notitie van Royal Haskoning “Watertoets Jazz City en Cartoon Studios” d.d. april 2013. Als conclusie wordt vermeld : “Uit bovenstaande blijkt dat water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling mits de maatregelen met betrekking tot hoogwaterbescherming verder worden uitgewerkt in overleg met het waterschap en rekening wordt gehouden met de overige maatregelen.”

Duidelijk is dat de bebouwing die met deze Bopa mogelijk wordt gemaakt geen grotere “footprint” kent dan hetgeen conform vigerend omgevingsplan reeds ter plaatse mogelijk is. De afwijking betreft – zoals hiervoor beschreven – andere onderdelen van deze ontwikkeling. Aldus zijn er in het kader van onderhavige Bopa geen redenen om in afwijking van de kaders van het bestemmingsplan “Jazz City” te komen tot aanvullende eisen ten aanzien van het aspect waterhuishouding.

3.5.2. Hoogwaterbescherming Jazz City B.V. heeft op 29 augustus 2014 een overeenkomst gesloten met het Waterschap betreft de realisatie van een verholen waterkering bij de ontwikkeling van het Jazz City gebied.

33

Relatie met voorliggende ontwikkeling In het kader van onderhavige Bopa is het Waterschap geïnformeerd over het planvoornemen en is vastgesteld dat het planvoornemen geen aanleiding vormt voor het wijzigingen van de reeds gemaakte afspraken. 3.5.2. Conclusie De activiteit past binnen het beleid van het waterschap.

3.6 Gemeentelijk beleid 3.6.1 Omgevingsvisie Roermond De Omgevingsvisie Roermond behelst op hoofdlijnen de visie van de gemeente Roermond op de fysieke leefomgeving voor de komende 20 jaar. De omgevingsvisie brengt kortom verschillende (vigerende) beleidsvisies (zoals de Economische visie, de Groenvisie en de Toekomstvisie) bij elkaar en zorgt voor een overkoepelend integraal afwegingskader voor nieuwe initiatieven. Andere opgaven die in de omgevingsvisie worden benoemd zijn: vergrijzing, klimaatveranderingen en de verbindingen in en om de stad. Op 12 oktober 2023 is de Omgevingsvisie Roermond vastgesteld. Onderstaande thema's/opgaves uit de omgevingsvisie hebben een plek gekregen in het plan : De gezonde en veilige stad Roermond streeft naar het verbeteren van de gezondheid van haar burgers en het creëren van een veilige leefomgeving. Dit omvat onder andere het bevorderen van een goede milieukwaliteit, het waarborgen van toegankelijkheid en inclusiviteit, het bieden van goede langzaam verkeersverbindingen, passende huisvesting, voldoende mogelijkheden om in de openbare ruimte te sporten, te bewegen en elkaar te ontmoeten en het verbeteren van de bereikbaarheid van parkeren en buitengebieden.

De aantrekkelijke woon- en werkstad De gemeente Roermond aspireert om een uniek profiel in de regio te creëren als moderne stad voor zowel jongeren als ouderen. Om dit te bereiken wil de gemeente plannen ontwikkelen voor onderwijs locaties, nieuwe woningen, werkgelegenheid en maatschappelijke voorzieningen die hierop aansluiten.

De duurzame stad Roermond zet zich actief in voor het bereiken van klimaatneutraliteit. Een doelstelling die gevolgen heeft voor de inwoners van Roermond, maar ook voor de provincie Limburg en Nederland als geheel. Dit betekent dat bij alle ontwikkelingen slim moet worden nagedacht over hoe deze klimaatneutraal en klimaatbestendig gemaakt kunnen worden. Daarnaast beoogd de gemeente hoogwaterveiligheid te garanderen door het versterken van de relatie tussen water en stad.

De stad van drie grote trekkers Als stad aan de Maas heeft Roermond drie belangrijke trekkers: de historische binnenstad met zijn diverse functies, het Designer Outlet Roermond (DOR) en de Maasplassen. Deze gebieden bieden zowel inwoners als bezoekers mogelijkheden tot ontspanning en ontmoeting, en vormen als het

34

ware de huiskamer van de stad. Naast het behouden van de drie trekkers zet de gemeente Roermond zich in om de verbinding tussen deze gebieden te behouden.

Relatie met voorliggende ontwikkeling De vier thema's uit de omgevingsvisie kennen nadrukkelijk een relatie met de ontwikkeling van Jazz City. Het voornemen is een gezond en veilig stadsdeel te realiseren dat te boek staat als aantrekkelijk en uniek. Het betreft een toegankelijk terrein dat ruimte biedt tot ontmoeten en bewegen. Het is bij uitstek een gebied met goede langzaam verkeersverbindingen, mede gezien het autoluwe karakter. Het beoogde woningaanbod en stedelijk programma genereert een aantrekkelijke plek voor jong en oud op steenworp afstand van de binnenstad van Roermond. Gezien de transformatie van het gebied en de elementen die daar onderdeel van uitmaken (waaronder het realiseren van de nieuwe primaire waterkering) levert het plan een bijdragen aan de doelstelling van de gemeente een duurzame stad te zijn (richting klimaatneutraliteit). De visie stelt dat de stad drie belangrijke trekkers kent waarin zowel inwoners als bezoekers kunnen ontspannen en ontmoeten. Het DOC past binnen de genoemde thema's in de Omgevingsvisie en biedt voldoende mogelijkheden tot ontspanning en ontmoeten. Met de realisatie van Jazz City, waartoe Baton Rouge het voorlaatste deelplan van uitmaakt, wordt dit – voor Roermond – belangrijke stadsdeel verwezenlijkt.

3.6.2 Archeologie Nota Archeologie (2011) De Nota Archeologie is gericht op het behoud en bescherming van archeologische waarden binnen het grondgebied van Roermond, om zo het cultureel erfgoed te bewaren voor toekomstige generaties. Het beleid houdt rekening met de wet op de archeologische monumentenzorg en de provinciale archeologische beleidskaart. Het beleid heeft als doel om het archeologisch erfgoed in kaart te brengen, te behouden en te beschermen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ook worden er richtlijnen gegevens voor de omgang met archeologische vondsten en wordt er samengewerkt met andere instanties om archeologisch onderzoek te bevorderen. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect archeologie genoegzaam beschreven op basis van de als bijlage 10 bij dit bestemmingsplan opgenomen inventariserend onderzoek. Als conclusie wordt vermeld : Ten aanzien van archeologie geldt dat eventueel aanwezige archeologische resten niet of nauwelijks zijn op te sporen door middel van prospectie-onderzoek. Het plangebied is reeds opgehoogd. Voorafgaand aan de geplande nieuwbouw wordt het gebied verder opgehoogd. De kans dat archeologische waarden worden aangetast is erg klein. Archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet nodig.

Wel moeten aangetroffen archeologische materialen en/of sporen altijd gemeld worden bij de gemeente Roermond (conform Monumentenwet 1988). Uit bovenstaande blijkt dat archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

35

3.6.3 Bodem Nota Bodembeheer (2011) De Nota Bodembeheer Regio Maas & Roer, deel Roermond, is een beleidsdocument dat in 2011 is vastgesteld door de gemeenteraad van Roermond. Het beschrijft het bodembeleid van de gemeente Roermond en biedt richtlijnen voor het beheer en de bescherming van de bodem in deze regio. De nota bevat een uitwerking van het Besluit Bodemkwaliteit en biedt een duidelijk toetsingskader voor het bodembeleid van de gemeente Roermond. Het beleid richt zich vooral op situaties waarbij er een maatschappelijke ontwikkeling gepland is die aanleiding geeft om eisen te stellen aan de bodemkwaliteit, oftewel de "nieuwe situaties". Verder biedt de nota een dubbele toets die afhankelijk van de nieuwe functie en de huidige bodemkwaliteit de te hanteren bodemkwaliteit bepaalt. Hiervoor worden drie kwaliteitsklassen gehanteerd: Wonen, Industrie en Overig (landbouw en natuur). Tenslotte streeft de nota ernaar de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het gewenste gebruik en biedt het duidelijke richtlijnen voor het omgaan met diffuse bodemverontreiniging. De nota bevat verder een bodemkwaliteitskaart en geeft aan hoe moet worden omgegaan met de verantwoordelijkheden van de gemeente, bedrijven en particulieren ten aanzien van de bodem.

Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect bodem uitvoerig beschreven op basis van de als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan opgenomen diverse bodemonderzoeken. Als conclusie wordt vermeld : Aangezien er bodemverontreinigingen aanwezig zijn in het plangebied, komt de kwaliteit van de bodem in het plangebied niet overal overeen met het beoogd gebruik. Los van de verontreinigingssituatie zal het plangebied vrijwel geheel voorzien worden van een duurzame verhardings- en/of ophooglaag waardoor de bodem geschikt wordt gemaakt voor de te realiseren functies. Grondverzet gaat plaatsvinden aan de hand van een met provincie en gemeente afgestemd plan van aanpak en waar nodig wordt een BUS-melding ingediend.

3.6.4 Groen De Groenvisie Roermond 2016 richt zich op het groenbeheer en -structuur van Roermond. Het doel van de visie is om Roermond groener te maken en het groen beter te benutten voor de leefbaarheid en gezondheid van de stad. Dit uit zich in verschillende doelen, zoals het vergroten van biodiversiteit, het creëren van een samenhangende groenstructuur, het verbeteren van de kwaliteit van het groen en het stimuleren van participatie van bewoners en bedrijven bij groenbeheer. Om deze doelen te bereiken, worden verschillende acties ondernomen, zoals het ontwikkelen van groene verbindingen, het aanleggen van groene daken en gevels, het creëren van groene speelplekken, en het betrekken van bewoners bij het groenbeheer. Relatie met voorliggende ontwikkeling Baton Rouge is gelegen aan de boulevard van Jazz City, wat in haar toekomstige situatie beoogd is als privaat eigendom als onderdeel van de plintfuncties. Ten einde een aantrekkelijk en onderscheidend karakter te verwezenlijken op deze boulevard is Jazz City 36

B.V. voornemens een groene boulevard te doen realiseren met ruimte voor kwalitatief groen dat bijdraagt aan de lokale biodiversiteit.

3.6.5 Verkeer Mobiliteitsvisie 2030: Slim in mobiliteit; stad in beweging (2016) De Mobiliteitsvisie 2030 van Roermond richt zich op het verbeteren van de bereikbaarheid en leefbaarheid van de stad. Het doel is om het aantal auto's in de binnenstad te verminderen en in te zetten op duurzame mobiliteit, zoals fietsen en openbaar vervoer. De visie richt zich ook op het verbeteren van de verkeersveiligheid en het verminderen van de uitstoot van schadelijke stoffen. Om dit te bereiken, worden verschillende maatregelen getroffen, zoals het aanleggen van nieuwe fietsroutes, het verbeteren van het openbaar vervoer en het stimuleren van het gebruik van elektrische voertuigen. Relatie met voorliggende ontwikkeling Het voornemen beoogd voet- en fietsverkeer te stimuleren en een autoluw woongebied te creëren door beide verkeersstromen voor Baton Rouge fysiek te scheiden. De ingang van de autoparkeervoorziening bevindt zich aan de Maashaven op niveau -1 en het fietsparkeren bevindt zich op de begane grond, waarmee het autoverkeer en het langzaamverkeer van elkaar gescheiden wordt. Zo draagt Jazz City bij aan het verbeteren van de leefbaarheid van de stad vanuit mobiliteit bezien en wordt een goede bereikbaarheid te gegarandeerd.

Nota Parkeernormen Roermond (2021) De Nota Parkeernormen Roermond beschrijft de standaarden voor het aantal parkeerplaatsen dat vereist is bij verschillende soorten ontwikkelingen in de stad Roermond. Deze nota is bedoeld om ervoor te zorgen dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om de vraag te accommoderen en om problemen met overbelaste parkeergebieden te voorkomen. De normen worden aangegeven in termen van het aantal parkeerplaatsen per type ontwikkeling en per oppervlakte-eenheid, zoals bij woningen, kantoren en winkels. Er worden ook verschillende parkeernormen gegeven voor specifieke gebieden en situaties, zoals binnenstad, woonwijken en evenementen. De nota geeft ook aan hoe de parkeereisen kunnen worden verminderd door het bevorderen van alternatieve vormen van transport, zoals fietsen en openbaar vervoer. Relatie met voorliggende ontwikkeling De relatie met de voorliggende ontwikkeling is beschreven in paragraaf 2.2.6..

3.6.6 Economie Economische Visie Roermond (2017) De Economische Visie Roermond uit 2017 is een strategisch document dat beschrijft hoe de stad Roermond haar economie wenst te ontwikkelen in de komende jaren. Het document gaat in op de sterke punten van de stad, zoals de historische binnenstad, de ligging aan het water en de aanwezigheid van grote winkelketens en outlets. Het beschrijft ook de uitdagingen waar de stad voor staat, zoals de veranderende retailsector en de behoefte aan meer diversiteit in het aanbod van werkgelegenheid. Om deze uitdagingen onder handen te 37

nemen, stelt de visie een aantal speerpunten voor, zoals het stimuleren van innovatie en duurzaamheid, het verbeteren van de bereikbaarheid van de stad en het creëren van aantrekkelijke woon- en werkmilieus. Ook wordt er aandacht besteed aan het versterken van de samenwerking tussen verschillende stakeholders, zoals ondernemers, onderwijsinstellingen en overheden. Relatie met voorliggende ontwikkeling Het voornemen beoogt met de hierin opgenomen commerciële plintfuncties de economische positie van Roermond verder te versterken. Met deze uitbreiding van het DOC wordt ingespeeld op een behoefte en beoogd het bij te dragen aan de verdere economische ontwikkeling van de stad. Derhalve is het voornemen in lijn met de speerpunten zoals die in de economische visie genoemd worden. Ruimtelijk Detailhandelsbeleid (2015) Het Ruimtelijk Detailhandelsbeleid van Roermond, vastgesteld in 2015, is gericht op het creëren van een toekomstbestendig winkellandschap in de stad. Het beleid streeft naar een evenwichtige en diverse detailhandelsstructuur, waarbij zowel de binnenstad als de perifere locaties worden meegenomen. Er wordt rekening gehouden met trends zoals online winkelen en de behoefte aan beleving en service in fysieke winkels.

Het beleid introduceert een aantal instrumenten om deze doelstellingen te bereiken, zoals een brancheringsplan, waarbij verschillende soorten winkels in de binnenstad en perifere gebieden worden toegestaan of geweerd. Ook wordt er ingezet op het versterken van de binnenstad als kernwinkelgebied onder andere door het stimuleren van compactere winkelgebieden en het beperken van de vestiging van perifere detailhandel. Relatie met voorliggende ontwikkeling De commerciële plintfuncties liggen in lijn met de functies die het DOC zijn huidige vorm huisvest en daarmee in overeenstemming met het Ruimtelijk Detailhandelsbeleid.

3.6.7 Duurzaamheid Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2020-2024 Het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2020-2024 van Roermond heeft als doel de stad te transformeren naar een duurzame en toekomstbestendige stad, waarin de kwaliteit van het leven en het milieu centraal staan. Specifiek richt het programma zich op verschillende terreinen, waaronder energie, mobiliteit, circulaire economie en klimaatadaptatie. Het programma bouwt voort op het eerder vastgestelde Duurzaamheidsplan en vertaalt de doelstellingen naar concrete acties en projecten voor de komende jaren. Het programma omvat verschillende actielijnen, zoals het verduurzamen van de gemeentelijke gebouwen, het stimuleren van energiebesparing en duurzame energieopwekking bij bedrijven en huishoudens, en het bevorderen van duurzame mobiliteit, bijvoorbeeld door het aanleggen van fietsroutes en het stimuleren van elektrisch rijden. Ook wordt er ingezet op het stimuleren van de circulaire economie, bijvoorbeeld door het verminderen van afval en het aanmoedigen van hergebruik van grondstoffen. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan klimaatadaptatie zoals het vergroenen van de stad om hittestress te verminderen en het anticiperen op wateroverlast.

38

Relatie met voorliggende ontwikkeling Met deze fase van het project Jazz City wordt verder gebouwd aan een duurzaam en toekomstbestendige ontwikkeling, met als hierbij van belang zijnde componenten als : • Energiezuinig ontwerp en in lijn met de BENG-norm • Door een slimme ontsluiting met het centrum en diens voorzieningen wordt langzaam verkeer gestimuleerd; • Met een groene boulevard wordt een aantrekkelijk leefgebied gerealiseerd waar hittestress wordt gereduceerd en Roermond een groene boulevard rijker wordt

3.6.8 Water Het gemeentelijk beleid dat betrekking heeft op het aspect water is vastgelegd in het GRP van 2017-2021. Dit GRP wordt vooralsnog verlengd. Uit het GRP hebben de volgende punten betrekking op de ontwikkellocatie: Bij nieuwbouw is het verplicht om hemelwater en vuil water gescheiden te houden. Hiervoor is een berging van 50 mm ten opzichte van het verharde oppervlak vereist. Deze berging dient binnen 1 uur geborgen te kunnen worden en binnen 24 uur weer beschikbaar te zijn. Ten behoeve van het eigen risico dienen de gevolgen van een bui T=100 (84 mm in 48 uur) doorgerekend te worden. Indien het niet aantoonbaar is dat bij deze bui geen schade of overlast optreedt, dan bedraagt de bergingsopgave 84 mm. De gemeente heeft de ambitie om honderd procent van het verharde oppervlak af te koppelen en het schone hemelwater te infiltreren in de bodem, dit geldt ook voor nieuwbouw. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet meer mogelijk is, kan gekozen worden voor afvoeren. Hiertoe dient 15% van het totale plangebied gereserveerd te worden voor waterberging, de zogenaamde "blauwe ruimte". De voorziening moet afgestemd zijn op de kenmerken van de ondergrond. Als er goed kan worden geïnfiltreerd, heeft een infiltratievoorziening de voorkeur.

Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening. Als de infiltratiecapaciteit van de bodem slecht is of de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich dicht bij het maaiveld bevindt, wordt aanbevolen om een opvang van het hemelwater te realiseren die langzaam leegloopt naar het oppervlaktewater. Hiervoor is het noodzakelijk om een goede indruk te krijgen van de ondergrond. Boringen met een minimale diepte van 3,50 meter beneden maaiveld en een onderzoek naar de kwaarde (mate van water-doorlatendheid) van de grond zijn hierbij onontbeerlijk. De boring tot minimaal 3,50 meter geeft meteen een beeld van de gemiddelde hoogste waterstand (GHG) ter plaatse. Voordat bouwpeilen bepaald worden, dient het totale bouwplan in beeld te zijn voor wat betreft N.A.P.-hoogtes. Dit betreft de DO fase. Met behulp van deze DO fase dient ter bepaling van het bouwpeil met het volgende rekening gehouden te worden; vanaf de erfgrens tot aan de hoofdingang van het bouwwerk dient een oplopend afschot van 2,5% aangebracht te worden, teneinde te voorkomen dat water naar het bouwwerk kan toestromen. 39

Van de DO fase dient vervolgens een interactieve en integrale ruimtelijke analyse van het watergedrag gemaakt te worden, een zogenaamde "waterscan". Dit om in kaart te brengen wat in het bouwplan gebeurt als er een T=100 bui valt. Met de waterscan kunnen heel nauwkeurig de waterstromingen over het oppervlak in beeld worden gebracht en komen de kwetsbare delen van het bouwplan in beeld. De particulier is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de afvoer van hemelwater dat op zijn perceel valt, infiltreren is de eerste optie. Het hemelwater van het perceel mag geen overlast voor de omgeving veroorzaken. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect waterhuishouding uitvoerig beschreven op basis van de als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan opgenomen notitie van Royal Haskoning “Watertoets Jazz City en Cartoon Studios” d.d. april 2013. Als conclusie wordt vermeld : “Uit bovenstaande blijkt dat water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling mits de maatregelen met betrekking tot hoogwaterbescherming verder worden uitgewerkt in overleg met het waterschap en rekening wordt gehouden met de overige maatregelen.”

Duidelijk is dat de bebouwing die met deze Bopa mogelijk wordt gemaakt geen grotere “footprint” kent dan hetgeen conform vigerend omgevingsplan reeds ter plaatse mogelijk is. De afwijking betreft – zoals hiervoor beschreven – andere onderdelen van deze ontwikkeling. Aldus zijn er in het kader van onderhavige Bopa geen redenen om in afwijking van de kaders van het bestemmingsplan “Jazz City” te komen tot aanvullende eisen ten aanzien van het aspect waterhuishouding.

3.6.9 Overig sectoraal beleid Toekomstvisie Roermond 2030 De toekomstvisie Roermond 2030 geeft richting aan de ontwikkeling van de stad tot het jaar 2030. De visie is gebaseerd op vier centrale thema's: duurzaamheid, identiteit, economie en sociale cohesie. Binnen elk thema worden specifieke doelstellingen nagestreefd, zoals het bevorderen van duurzame energie, het versterken van de cultuurhistorische identiteit, het stimuleren van innovatie en ondernemerschap, en het verbeteren van de leefbaarheid en sociale samenhang in de stad. De visie streeft naar een gezonde en leefbare stad met een sterke identiteit en een evenwichtige economie. Dit wordt onder andere geactualiseerd door het versterken van de binnenstad, het ontwikkelen van duurzame bedrijvigheid en het bevorderen van duurzaamheid en innovatie. Ook wordt er ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en het stimuleren van participatie en betrokkenheid van burgers bij de ontwikkeling van de stad. Relatie met voorliggende ontwikkeling Er kan gesteld worden dat het voornemen in lijn is met de toekomstvisie van Roermond, met als hierbij van belang zijnde componenten als : 40

• De transformatie van een braakliggende locatie naar een hoogwaardig verblijfsgebied waar het prettig wonen, winkelen en verblijven is. • De versterking van Jazz City als eigen stadsdeel met haar eigen identiteit, dat de entree van Roermond versterkt. • De creatie voor nieuw ondernemerschap dat aan het DOC toegevoegd kan worden. 3.6.10 Programma’s In de ‘Programma's’ kunnen belangrijke verbindingen worden gelegd met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van de gemeente. Een programma geeft aan hoe een gemeente de omgevingsvisie of onderdelen daarvan wil realiseren. Het kan bijvoorbeeld gericht zijn op een beleidsthema zoals een woonvisie, op een gebied of project zoals een centrumvisie, of op een omgevingswaarde zoals een veiligheidsplan. Op basis van artikel 3.5 Ow bevat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; • maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen en / of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving.

Het staat de gemeente vrij om naar behoefte programma’s op te stellen voor deze aspecten of voor deelgebieden. Eén van de maatregelen die in een programma kan worden opgenomen, is het sturen op de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving door het opnemen van juridische bindende regels in het omgevingsplan. Andere maatregelen zijn ook denkbaar zoals de inzet van communicatie / informatieinstrumenten, de inzet van financiële instrumenten bijv. subsidie, het maken van afspraken met organisaties of het nemen van fysieke maatregelen. Het college van burgemeester en wethouders kan op basis van artikel 3.4 Ow programma’s vaststellen. Het vaststellen van programma’s is dus in beginsel geen verplichting. In de Ow zijn verder weinig regels gesteld aan de vrijwillige programma’s. Er is echter een aantal bijzondere vormen van programma’s waar de Ow extra regels aan stelt. Dit zijn: • verplichte programma’s; • programma’s met een programmatische aanpak; • programma’s bij dreigende overschrijding van een omgevingswaarde. Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke plannen kan als programma worden beschouwd. Relatie met voorliggende ontwikkeling Op dit moment zijn in Roermond nog geen programma’s die betrekking hebben op de voorliggende ontwikkeling.

41

3.6.11 Maatschappelijke behoefte In deze paragraaf wordt de algemene (sociaal) maatschappelijke behoefte als onderdeel van de afweging over de evenwichtige toedeling opgenomen. In het Bkl heeft de ladder een plek gekregen in paragraaf 5.1.5 ‘beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed’. In hoofdstuk 5 is de optie opgenomen om daar de ladder een plek te geven. Als de ladder aan de orde is krijgt die hier een plek, als geen ladderplicht bestaat moet toch ook een afweging over de maatschappelijke behoefte gemaakt worden. Een ladderplicht is in het kader van deze Bopa niet aan de orde omdat zowel ten aanzien van de commerciële plintfunctie als ook ten aanzien van de woningen geen sprake is van een toevoeging ten opzichte van hetgeen op basis van het omgevingsplan ter plaatse reeds mogelijk is. Wat betref de algemene (sociaal) maatschappelijke behoefte als onderdeel van de afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden opgemerkt dat de toevoeging van de plintfuncties zorgt voor een levendige boulevard aan het water die de verbindende schakel vormt tussen het historische stadcentrum en het Designer Outlet, waarbij de woningen evident voldoen aan de thans in Nederland, in de Provincie, in de regio en ook in Roermond bestaande behoefte aan nieuwe woningen.

3.6.12 Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.

42

4

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet : Artikel 1.2 (fysieke leefomgeving) 1. Deze wet gaat over: a. de fysieke leefomgeving, en b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: a. bouwwerken, b. infrastructuur, c. watersystemen, d. water, e. bodem, f. lucht, g. landschappen, h. natuur, i. cultureel erfgoed, j. werelderfgoed. 3. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit: a. het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan, b. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, c. activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, d. het nalaten van activiteiten. 4. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving.

De voor de activiteit op de locatie relevante aspecten worden hierna per aspect in een aparte paragraaf besproken. Hierbij wordt ook een onderscheid op hoofdlijnen toegepast voor wat betreft de activiteit. Vastgesteld kan worden dat deze activiteit grotendeels in overeenstemming is met het vigerende omgevingsplan van rechtswege c.q. bestemmingsplan “Jazz-City” en dat de afwijkingen slechts relatief ondergeschikte onderdelen van de activiteit betreffen, zoals hiervoor beschreven in paragraaf 2.3.3.. Aldus wordt wat betreft de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgegaan van de bestaande bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op basis van het omgevingsplan van rechtswege c.q. bestemmingsplan “Jazz City”. Voorzover de activiteit hiermee in overeenstemming is wordt dan ook geen nader onderzoek gedaan naar de aanvaardbaarheid hiervan. Enkel voor zover de activiteit afwijkt - zoals beschreven in paragraaf 2.3.3. - wordt de aanvaardbaarheid van deze afwijking van een nadere onderbouwing voorzien. Hiermee wordt enerzijds recht gedaan aan bestaande bebouwings- en gebruiksmogelijkheden en wordt anderzijds de afwijkingen hiervan van een deugdelijke beoordeling voorzien.

4.1 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een Bopa. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten :

43

• Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (milieubelastende activiteiten uit het Bal). • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Plaatsgebonden risico De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Grenswaarden en standaardwaarden voor het PR ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden worden in een Omgevingsplan in acht genomen en met standaardwaarden wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl).

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden, zijnde gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen (paragraaf 4.2.14, art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Een gemeente kan daarnaast aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdienstenop te nemen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen c.q. te verantwoorden. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; 44

• Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl) Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect externe veiligheid beschreven en een verantwoording groepsrisico opgenomen, e.e.a. gebaseerd op de als bijlage 6 opgenomen rapportage van Royal Haskoning. Nu ten opzichte van het omgevingsplan door de toepassing van deze Bopa geen sprake is van een toename van woningen of een toename van m2 plintfunctie is ook geen sprake van een relevante toename van personen op de locatie. Aldus kan ten aanzien van het aspect externe veiligheid gebruik worden gemaakt van de in het bestemmingsplan/omgevingsplan opgenomen verantwoording. Als conclusie wordt hierbij vermeld : Gelet op bovenstaande blijkt dat de risico’s in het kader van externe veiligheid aanvaardbaar worden geacht door de gemeente. Daardoor treft de gemeente geen ruimtelijke maatregelen ter verlaging van het groepsrisico.

Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.2 Milieubelastende activiteiten, omgevingskwaliteit, beperkingengebied In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieubelastende activiteit. Bij de beoordeling van deze Bopa is aan de orde of : • een “milieubelastende activiteit” (mba) mogelijk wordt gemaakt en hoe deze zich verhoudt tot (gevoelige bestemmingen) in de omgeving van de locatie, of • sprake is van een gevoelige bestemming en hoe deze zich verhoudt tot (mba’s in) de omgeving van de locatie, of • sprake is van een beperkingengebiedactiviteit. Milieubelastende activiteit In de Ow is geen sprake meer van 'inrichtingen', zoals in het Activiteitenbesluit en de Wet milieubeheer. In plaats daarvan is sprake van '(milieubelastende) activiteiten'. Het begrip “milieubelastende activiteit” (mba) is als volgt gedefinieerd (bijlage bij artikel 1 Ow) : “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het Bal wijst in hoofdstuk 3 een aantal mba’s aan waarvoor het Rijk algemene regels stelt. Daarnaast zijn er regels over mba’s die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. 45

(bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, getiteld “Milieubelastende activiteiten”). Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 instructieregels voor het omgevingsplan over milieu c.q. “Mba’s”. Mba’s zijn niet in alle gevallen aan de orde. In deze paragraaf is dus aan de orde of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. De instructieregels in het Bkl zijn niet van toepassing op het wonen, maar wel van op beroepen/bedrijven aan huis. Milieuzonering Op basis van milieuzonering kan worden bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding is tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Beperkingengebiedactiviteit Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object (wegen, spoorwegen, luchthavens of waterstaatswerken) kan verstoren. Ter bescherming gelden beperkingen die het bevoegd gezag aanwijst. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden, of bestaan uit algemene regels. De hoofdstukken 6 tot met 10 van het Bal bevatten voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het Rijk, bijvoorbeeld op en rond rijkswegen en luchthavens. Dit zijn beperkingengebiedactiviteiten. Hierbij is de Minister vrijwel altijd bevoegd gezag. Voor een beperkingengebiedactiviteit bij een burgerluchthaven van regionale betekenis is de provincie het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Het dagelijks bestuur van een vervoerregio is het bevoegd gezag voor een beperkingengebiedactiviteit bij een lokale spoorweg binnen een vervoerregio (artikel 9.3 van het Bal). Voor een lokale spoorweg buiten een vervoerregio is de provincie bevoegd gezag (artikel 9.4 Bal).

Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect milieuzonering / bedrijvigheid beschreven. Middels deze Bopa worden woningen mogelijk gemaakt op een onderdeel van het plangebied van voormeld bestemmingsplan, waar voorheen geen woningen waren voorzien. Van een toename van woningen ten opzichte van het in voormeld bestemmingsplan opgenomen maximum als gevolg van de toepassing van deze Bopa is geen sprake. Deze

46

“verschuiving” van woningen heeft geen gevolgen voor de validiteit van onderstaande conclusie in het bestemmingsplan “Jazz-City” : Gelet op het bovenstaande blijkt dat de afstanden tussen de aangrenzende bedrijven en het plangebied voldoen aan de richtafstanden zoals opgenomen in de handreiking bedrijven en milieuzonering met uitzondering van de Jachthaven. Echter gelet op het feit dat er nauwelijks voorzieningen aanwezig zijn in de jachthaven is er geen tot weinig hinder te verwachten en is het redelijk om een kortere afstand tot woningen te hanteren (10 meter). Verder blijkt met betrekking tot de interne zonering dat het niet noodzakelijk is om een staat van bedrijfsactiviteiten toe te passen omdat de toe te laten functies zeer beperkt zijn. Uit het akoestisch rapport blijkt dat een woon en leefklimaat kan worden gecreëerd dat voldoet aan de normen.

Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.3

Geluid

Wettelijk kader Algemeen Het onderdeel geluid werd voor 2024 in belangrijke mate geregeld in de Wet geluidhinder [Wgh], Wet milieubeheer [Wm] en het Activiteitenbesluit. Met de komst van de Ow zijn de Wgh als de Wm vervallen. Wel zullen deze wetten nog lange tijd onderdeel zijn van de ‘bruidsschat’. Met de Ow beoogd lokaal geluid af te wegen. Materieel zal dit wellicht niet leiden tot heel andere normen en waarden, maar de systematiek wijzigt door decentrale regels waarmee meer op lokaal niveau maatwerk geleverd kan worden. Dit betekent concreet dat de gemeente in het omgevingsplan regels kan stellen over geluid. Vaak volgt uit instructieregels dat de gemeente in het omgevingsplan regels over geluid moet opnemen. ekent concreet dat de gemeente in het omgevingsplan regels kan stellen over geluid. Vaak volgt uit instructieregels dat de gemeente in het omgevingsplan regels over geluid moet opnemen. Activiteiten In het Besluit kwaliteit leefomgeving [Bkl] staan instructieregels voor geluiden : ‘In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen’. Het gaat dus om allerlei activiteiten die geluid veroorzaken op bijvoorbeeld woningen. Deze regels zijn gesteld om bewoners van woningen te beschermen tegen geluidoverlast.

De instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 'Geluid door activiteiten' van het Bkl gaan over de relatie tussen geluid door een activiteit en een geluidgevoelig gebouw. De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. 47

aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Deze instructieregels gelden voor: • • •

het toelaten van een nieuw en het aanpassen van een op een locatie toegelaten geluidgevoelige gebouw bij een activiteit, het toelaten van een nieuwe en het aanpassen van een op een locatie toegelaten activiteit, waaronder het aanpassen van een bestaand beschermingsniveau, een combinatie van bovenstaande situaties

Het bevoegd gezag past de instructieregels toe bij het vaststellen van een omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Deze instructieregels dwingen een gemeente om in een omgevingsplan [omgevings]waarden voor geluid op te nemen. Deze instructieregels bevatten standaardwaarden, die de gemeente kan overnemen in een omgevingsplan. Deze waarden sluiten voor een belangrijk deel aan bij de waarden uit het Activiteitenbesluit. Wanneer genoemde standaardwaarden niet leiden tot een gewenst beschermingsniveau ter plaatse, is het mogelijk gemotiveerd af te wijken van die standaardwaarden tot aan de grenswaarden. Daarnaast kan de gemeenteraad andere waarden vaststellen dan standaardwaarden [artikel 5.66 Bkl]. Dit wordt altijd begrensd door de grenswaarden. Daartegenover staat dat de gemeente de standaarden ook mag verlagen indien dat ter plaatse nodig is. Weg, spoorweg of industrieterrein Daarnaast kent het Bkl meer specifieke instructieregels. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels.

Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Voor industrieterreinen en [spoor]wegen is in het Bkl bepaald dat de gemeente een omgevingswaarde in het omgevingsplan moet opnemen. Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron.

Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. geluid kunnen veroorzaken. 48

Daarmee wordt verzekerd dat het geluid veroorzaakt door activiteiten op het industrieterrein niet hoger is dan het geluidproductieplafond wat [bijvoorbeeld] de omliggende woonwijk moet beschermen tegen overlast. Voor het toelaten van activiteiten op het industrieterrein zelf, zijn in het Bkl instructieregels opgenomen.

Relatie met voorliggende ontwikkeling : rapportage van Royal Haskoning In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect geluid beschreven, e.e.a. gebaseerd op de als bijlage 5 opgenomen rapportage van Royal Haskoning, waarbij tevens sprake is van de vaststelling van hogere waarden. Opgemerkt wordt (onder meer) : Tussen de woningbouw en bedrijven worden over het algemeen de richtafstanden uit de publicatie Bedrijven en Milieuzonering (betreffende het aspect geluid) gerespecteerd. Aanvullende berekeningen zijn uitgevoerd voor Roermond Yumble en de parkeerplaats Big Triangle, waaruit blijkt dat ter plaatse van de woningbouw wordt voldaan aan de richtwaarden. Naar verwachting geldt dit ook voor de uitbreiding van het DOC. Vanwege de zeer korte afstand tot de nieuwe woningbouw dient in verband met laden en lossen en muziekgeluid bij de verdere uitwerking van het plan, rekening te worden gehouden met de nabijheid van de woningen, en hierop zo nodig de tijdstippen van laden/lossen af te stemmen of afscherming van de laad en los locaties te realiseren. iekgeluid bij de verdere uitwerking van het plan, rekening te worden gehouden met de nabijheid van de woningen, en hierop zo nodig de tijdstippen van laden/lossen af te stemmen of afscherming van de laad en los locaties te realiseren.

Als conclusie wordt vermeld : Op basis van bovenstaande blijkt dat geluid en trillingen geen belemmeringen vormen voor de realisatie van het plangebied Jazz City mits bovengenoemde maatregelen met betrekking tot geluid worden getroffen

Relatie met voorliggende ontwikkeling : rapportage van Peutz In het kader van de gewijzigde planopzet waartoe deze Bopa aan de orde is, is gekomen tot een nieuw geluidsonderzoek door bureau Peutz om voor de gewijzigde planopzet het geluid te bepalen ten gevolge van de relevante geluidbronnen en dit geluid vervolgens te beoordelen op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Deze rapportage is als bijlage 1 bij deze memo opgenomen. Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied de gemeentelijke verkeersweg Maashaven/Looskade, de provinciale verkeersweg N280 en de hoofdspoorweg GeleenRoermond. Daarnaast ligt het plan binnen de invloedsfeer van een aantal (niet-gezoneerde industriële) geluidbronnen van en het nabijgelegen Outlet Center Roermond zoals de installaties op daken van de nabijgelegen winkels, stemgeluid ten gevolge van winkelend publiek en bevoorrading/Laden-lossen ter plaatse van de expeditiestraat (Stadsweide) tussen de achterzijde van de winkels en Baton Rouge. tussen de achterzijde van de winkels en Baton Rouge. In de kern komen de bevindingen van bureau Peutz neer op het navolgende : • Met betrekking tot het railverkeer is nergens sprake van een overschrijding van de standaardwaarde.

49

• Met betrekking tot de bronsoort gemeentelijke wegen Looskade en Maashaven bedraagt de geluidbelasting maximaal (51 Lden), is nergens sprake van een overschrijding van de standaardwaarde (53 Lden) en is een hogere waarde dus niet nodig. • Ten gevolge van de provinciale weg N280 is wel sprake van een overschrijding van de standaardwaarde (50 Lden), met name ter plaatse van de zuid- en westgevels van de beide torens. De geluidbelasting bedraagt maximaal 60 Lden ter plaatse van rekenpunten T209_B en T210_B en T211B op een rekenhoogte van 37,5m + peil dit is de hoogste verdieping. Hiermee wordt de standaardwaarde overschreden, maar de grenswaarde van 60 Lden voor provinciale wegen wordt dus niet overschreden. Een niet-geluidgevoelige gevel (‘dove gevel’) is dus nergens nodig. Voor die woningen waar de standaardwaarde van 50 Lden wordt overschreden betekent dit dat voor deze woningen dan een hogere waarde benodigd is en dat rekening is te houden met akoestisch maatregelen zoals een geluidluwe gevel. • Zoals eerder aangegeven is bij vaststelling van het bestemmingsplan voor het gehele gebied de geluidbelasting ten gevolge van scheepvaartlawaai en het ten noordoosten van Baton Rouge gelegen gezoneerde industrieterrein Willem Alexander al onderzocht en vastgesteld. Uitgangspunt is dat voor wat betreft de scheepvaart de grenswaarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden.

Voor het industrieterrein Willem Alexander is een zonemodel opgesteld waaruit volgt dat ter plaatse van het bouwplan Baton Rouge de geluidbelasting maximaal 52 dB(A) etmaalwaarde bedraagt op 40m hoogte. Door de gemeente is aangegeven dat deze waarde moet worden aangehouden bij het bepalen en boordelen van de geluidwering van de gevels van Baton Rouge. • Uit de rekenresultaten volgt dat het gezamenlijk geluid ten gevolge van de geluidbronsoorten wegverkeer, railverkeer en industrie maximaal 61 dB bedraagt ter plaatse van toetspunt T210. Deze geluidbelasting wordt vooral bepaald door de provinciale weg N280 en deels het industrielawaai. • Met betrekking tot de geluiduitstraling ten gevolge van de installaties en activiteiten van het Outlet Center worden, zo volgt uit de rekenresultaten, bij de woningen de volgende maximale geluidbelastingen berekend: 1. Ten gevolge van installaties op het dak van de winkels: 43 dB(A) 2. Ten gevolge van stemgeluid van winkelend publiek: 37 dB(A) 3. Ten gevolge van achtergrond muziekgeluid in het Outlet Centre: 31 dB(A) 4. Ten gevolge van met 100 transportbewegingen op de service-road: 54 dB(A) 5.

Piekgeluidniveau ten gevolge van laden en lossen; 75 dB(A) Als representatieve situatie mag worden uitgegaan van bevoorrading van (delen van) het Outlet Center via deze service-road in voormelde aantallen, voornamelijk in de ochtend tussen 07.00 en 10.00 uur. Volgens het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) zijn de piekniveaus vanwege deze activiteiten dan uitgesloten van toetsing aan een grenswaarde. • Op basis van de gecumuleerde waarde en deze tabel wordt het geluid ter plaatse van de gevels van de woningen deels als matig tot op de hierboven genoemde posities tamelijk slecht beoordeeld. Dit geldt dan vooral op de hoger gelegen verdiepingen. Op maaiveldniveau zijn de cumulatieve geluidbelastingen lager. • Er zullen wel plaatselijke maatregelen getroffen moeten worden, o.a. ten behoeve van het realiseren van een geluidluwe gevel en ook buitenruimten zodanig uit te voeren/af te schermen opdat de geluidbelasting beperkt blijft, waarmee in de woningen een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. Hiermee is bij de verdere uitwerking van het plan rekening te houden.

Conclusie Vanuit het aspect geluid is er – met inachtneming van de resultaten en conclusies in voormelde rapportage van bureau Peutz - sprake van een evenwichtige toedeling van functies, waarbij wel moet worden gekomen tot een hogere waarde, die vanwege het belang en de wenselijkheid van deze ontwikkeling mogelijk en wenselijk geacht wordt.

50

4.4

Trillingen

Wettelijk kader Bij de inwerkingtreding van de Ow geldt de bruidsschat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan als overgangsrecht. Hierin zijn de regels over trillingen vanuit het Activiteitenbesluit overgezet naar afdeling 22.3, 'milieubelastende activiteiten'. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5, met regels aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.88 zijn opgenomen maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De regels die in de bruidsschat omgevingsplan zijn opgenomen, gelden ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningvoorschriften over trillingen in een bestaande omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten is een voorrangsbepaling opgenomen (artikel 22.1, lid 2, bruidsschat). Onder de Ow zijn de regels van trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen van activiteiten. In het nieuwe omgevingsplan nemen gemeenten regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten.

Zij leggen vast welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels in het Bkl c.q. de maximale waarden zijn opgenomen in artikel 5.87a Bkl. In het Bkl staan ook instructieregels voor kortdurende, herhaaldelijk voorkomende trillingen. Dit is een wijziging ten opzichte van het Activiteitenbesluit en de bruidsschat. Deze bevatten alleen regels gericht op continue trillingen. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect trillingen beschreven, e.e.a. gebaseerd op de als bijlage 5 opgenomen rapportage van Royal Haskoning, waarbij tevens sprake is van de vaststelling van hogere waarden. Middels deze Bopa worden woningen mogelijk gemaakt op een onderdeel van het plangebied van voormeld bestemmingsplan, waar voorheen geen woningen waren voorzien. Van een toename van woningen ten opzichte van het in voormeld bestemmingsplan opgenomen maximum als gevolg van deze Bopa is geen sprake. Deze “verschuiving” van woningen heeft geen gevolgen voor de validiteit van onderstaande opmerkingen en conclusie. Opgemerkt wordt : − Vanwege de te realiseren bedrijvigheid (uitbreiding DOC (fase 4), Big Triangle, Roermond Yumble) zijn geen relevante trillingen te verwachten.

− De bestaande bedrijven in de omgeving zullen ter plaatse van de nieuwe woningen voldoen aan de eisen conform SBR-richtlijn B: Hinder voor personen in gebouwen.

en als conclusie wordt vermeld : Op basis van bovenstaande blijkt dat geluid en trillingen geen belemmeringen vormen voor de realisatie van het plangebied Jazz City (…)

51

Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.5

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De overheid toetst minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Ook de monitoring van de luchtkwaliteit is in een kleiner gebied nodig. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Er zijn een paar situaties, die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen: • een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit • bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt • bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een auto(snel)weg De ambities van de decentrale overheden staan centraler. De nadruk ligt op verbetering van de luchtkwaliteit via lokale maatregelen. Daarvoor kunnen gemeenten en provincies lokale (strengere of aanvullende) omgevingswaarden opstellen in hun omgevingsplan of omgevingsverordening. Decentrale overheden moeten lokale omgevingswaarden zelf monitoren en een programma opstellen bij dreigende overschrijding. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Bal moet (conform artikel 5.51 van het Bkl) in en nabij de aandachtsgebieden worden voldaan aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om een project binnen de NIBM-grens te laten vallen : • motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen, e.e.a. onder een bepaalde omvang. • op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt, via de NIBM-tool of zonodig met detailberekeningen.

52

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit dus vooral in en nabij de aandachtsgebieden, zijnde gebieden met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10), vernoemd in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De gemeente Roermond is niet vernoemd in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect luchtkwaliteit beschreven, e.e.a. gebaseerd op de als bijlage 4 opgenomen rapportage van Royal Haskoning. Opgemerkt wordt : In geen van de zichtjaren worden de grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer overschreden. Ook kan geconcludeerd worden dat er in de tussenliggende jaren en in de verdere toekomst geen overschrijdingen van deze grenswaarden verwacht worden. Het plan voldoet hiermee aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=6ef9a52e-f368-47ca-a661-df2fb55b4960