Bijlage 4- doorlopende integrale tekst APV
Tekst van het document
3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2:60a Duiven en andere overlast veroorzakende dieren Het is verboden op door het college aan te wijzen openbare plaatsen duiven en andere overlast veroorzakende dieren te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren. Artikel 2:61 Wilde dieren [gereserveerd] Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 Doden van dieren [gereserveerd] Artikel 2:64 Laten vechten door dieren [gereserveerd] Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover van toepassing- soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder 1º bedoelde adressen; 3. als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:69 [Vervallen] Artikel 2:70 [Vervallen] Afdeling 10.
Consumentenvuurwerk en carbidschieten Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (*) 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2:73a Carbidschieten (*) 1.Het is binnen de bebouwde kom verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 10a.
Naaktrecreatie (*) Artikel 2:73b Naaktrecreatie (*) Het gebied rondom de plas genaamd "Driehoek", zoals nader aangeduid op een bij deze verordening behorende tekening*, is aangewezen voor ongeklede openbare recreatie als bedoeld in artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:73c Zoeken van contact, verrichten van handelingen van seksuele aard (*) Het is verboden binnen het gebied rondom de plas genaamd “Driehoek”, zoals bedoeld in artikel 2:73a: a. Zich op te houden met het kennelijke doel gericht contact te zoeken tot het aldaar verrichten van handelingen van seksuele aard; b. Al dan niet met een ander of anderen handelingen te verrichten van seksuele aard. Afdeling 11. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen of substanties als bedoeld in
artikel 2, 2a of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. Artikel 2:74b Weggooien van spuiten (*) Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers, e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten als redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen. Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2.16, 2:19, 2:21, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 5:34 van de Apv groepsgewijs niet naleven.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen (*) 1.De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen, te weten: alle openbare parkeergelegenheden. Artikel 2:78 [gereserveerd] Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a.
geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid, zedelijkheid, of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het besluit tot sluiting tevens bekendgemaakt door een afschrift aan te brengen op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4.Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
5.Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6.De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28, 2:83 of 3:4; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c.
exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 2.De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Bij een aanwijzingsbesluit (en bij een verlenging hiervan) wordt een maximale termijn van 3 jaar gehanteerd waarbij verlenging van deze termijn alleen aan de orde is als uit een zorgvuldige evaluatie blijkt dat de aanwijzing nog nodig is. De gemeenteraad wordt hierbij – voordat het besluit wordt genomen om de aanwijzing te verlengen – geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze over de resultaten van de evaluatie te delen.
3.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4.De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder, dan wel wanneer de exploitant of beheerder woonachtig is (geweest) in het buitenland een met de verklaring omtrent het gedrag
gelijkgesteld document uit het land van herkomst, afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum van de aanvraag; i. indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen van strafbare feiten; b. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; f. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
6.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7.Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8.De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 10. De vergunning vervalt wanneer: a. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de vergunning. 11.
Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 12. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 13. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit indien hij binnen die periode geen ontvankelijke aanvraag om vergunning heeft ingediend, of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.
15. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 13. Toezicht op winkelbedrijven (*) Artikel 2:82 Begripsomschrijvingen (*) In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop, belwinkel of internetcafé; b. leidinggevende: 1. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; 2. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; 3. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting. c. bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: 1. de leidinggevende, zijn levenspartner en hun directe gezinsleden; 2. het dienstdoende personeel; 3. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk d.
Bevoegde bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 2:83 Vergunningplicht (*) Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een inrichting te exploiteren (winkelvergunning). Artikel 2:84 Eisen leidinggevende (*) Een leidinggevende:
a. staat niet onder curatele; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. heeft de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 2:85 Vergunningaanvraag (*) 1.Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan worden ingediend aan de hand van een door het bevoegde bestuursorgaan vast te stellen formulier. 2.Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt tenminste: a. opgaaf gedaan van de personalia dan wel zetel van de aanvrager en de personalia en het adres van de leidinggevende voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; b. opgaaf gedaan van de personalia en het adres van iedere overige leidinggevende; c. overgelegd een recente pasfoto van de leidinggevende(n); d. opgaaf gedaan van het adres en de aard van de inrichting; e. overgelegd een niet meer dan drie maanden tevoren ten behoeve van de leidinggevende afgegeven verklaring omtrent het gedrag, dan wel wanneer de exploitant of beheerder woonachtig is (geweest) in het buitenland een met de verklaring omtrent het gedrag gelijkgesteld document uit het land van herkomst; f. overgelegd een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting.
Artikel 2:86 Beslistermijn (*) 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste 13 weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging. Artikel 2:87 Weigeringsgronden (*) 1.Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning als de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, de beheersverordening op grond van de Wet
ruimtelijke ordening, ofwel in strijd is met een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2. a. Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning als naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. b. de feitelijke toestand niet overeenkomt met hetgeen in de aanvraag is vermeld. 3.Bij de toepassing van de in het vorige lid onder a genoemde weigeringsgrond houdt het bevoegde bestuursorgaan rekening met: a. het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; b. de aard van de inrichting; c. de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; d. de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; e. de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; f. de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden. 4.Een vergunning wordt voorts geweigerd als de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen, dan wel de verklaring als bedoeld in artikel 2:85, tweede lid onder e niet overgelegd wordt.
5.Een vergunning wordt voorts geweigerd als er sprake is van een van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (wet Bibob). Artikel 2:88 Vergunning (*) 3.In een vergunning worden vermeld: a. de natuurlijke of rechtspersoon, vennoten, bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden aan wie de vergunning is verleend en voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; b. de leidinggevenden;
c. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; d. de plaats waar de inrichting zich bevindt; 4.De geldende vergunning of een afschrift daarvan dient in de inrichting aanwezig te zijn. Artikel 2:89 Aanwezigheid leidinggevende (*) Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden als in de inrichting niet aanwezig is: a. een leidinggevende die vermeld staat op de vergunning met betrekking tot die inrichting, of; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:85a, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. Artikel 2:89a Melding leidinggevende (*) 1.Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester: a. zijn wens een persoon als leidinggevende op de vergunning te laten bijschrijven; b. dat een leidinggevende geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de inrichting. 2.De melding als bedoeld in het vorige lid wordt gedaan op een door de burgemeester vast te stellen formulier. 3.De melding geldt als aanvraag tot wijziging van de vergunning. 4.De burgemeester bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. 5.De burgemeester weigert de wijziging van de vergunning: a. indien de persoon als bedoeld in eerste lid niet voldoet aan de in artikel 2:80 gestelde eisen; b.
in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; c. indien wijziging van de vergunning in strijd is met het gestelde in een beleidsregel als bedoeld in artikel 4:81 Awb.
6.Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van de vergunning kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur worden gevraagd. Artikel 2:90 Intrekkingsgronden (*) 1.In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:6 kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning intrekken, als: a. aannemelijk is, dat een leidinggevende van de inrichting betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; b. een leidinggevende van de inrichting toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; c. zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; d. een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft; e. de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is dan wel niet voldoet aan de moraliteitseisen; f.
er sprake is van het geval en onder voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2.Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onder f, kan het Bureau bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Artikel 2:91 Vervallen vergunning (*) 1.De vergunning vervalt als: a. de exploitatie van de inrichting voor een periode van langer dan drie maanden is of wordt onderbroken; b. er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; c.
een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend. 2.Van het feit dat de vergunning is vervallen op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a en b doet het bevoegde bestuursorgaan mededeling aan hem op wiens naam de vergunning is gesteld. Artikel 2:92 Sluiting van inrichtingen (*) 1.Het bevoegde bestuursorgaan kan een inrichting - al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren als: a. die inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; b. die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c. het bevoegde bestuursorgaan oordeelt, dat een van de in artikel 2:86 genoemde situaties waarbij intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet. 2.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. 3.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
4.Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden in een bij besluit van het bevoegd gezag gesloten inrichting als bezoeker te verblijven. Hoofdstuk 3. Regulering sekswerk, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities (*) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een sekswerker onder de aandacht van het publiek brengt; - beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;
- bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; - bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: a. de exploitant, zij/haar levenspartner en hun directe gezinsleden; b. de beheerder, zijn/haar levenspartner en hun directe gezinsleden; c. de sekswerker, wanneer deze niet in dienst is van een seksbedrijf; d. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; e. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; f.
andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een seksbedrijf of een sekswerker aangeboden seksuele diensten; - prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - raamsekswerkbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk, waarbij het werven van klanten gebeurt door een sekswerker die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; - seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot sekswerk of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; - seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub of een seksbedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
- sekswerk: de uitwisseling van seksuele diensten (waaronder seksuele handelingen, striptease, pornoacteurs en sekstelefonisten) tussen instemmende volwassenen tegen een bepaalde vorm van beloning, prostitutie is hier een onderdeel van; - sekswerker: Degene die seksuele diensten verleent aan een ander tegen betaling; - werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. - zelfredzaamheid: a. Zelfstandig je leven kunnen leiden en je eigen problemen oplossen. Er is hierin onderscheid tussen zelfregie en zelfredzaamheid: zelf beslissen over je eigen leven en zelf doen. Dit zijn gekoppelde begrippen. b. Het vermogen om voor jezelf te zorgen. c. Om incidenten en de nasleep ervan, zelfstandig dan wel met behulp van anderen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beheersen. Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning 1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2. Het bevoegde bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen. 3. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 4.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 5. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend. 6. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbinnen voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen 1. Voor het uitoefenen van een raamsekswerkbedrijf wordt geen vergunning verleend.
2. Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen van seksbedrijven, niet zijnde raamsekswerkbedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een daarbij aangewezen aard of in daarbij aangewezen delen van de gemeente. Artikel 3:6 Aanvraag (*) 1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier. 2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; f. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; g. een kopie van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; h. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; i.
een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; j. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; k. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder, dan wel wanneer de exploitant of beheerder woonachtig is (geweest) in het buitenland een met de verklaring omtrent het gedrag gelijkgesteld document uit het land van herkomst, afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum van de aanvraag; l. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; m. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding; n. een bedrijfsplan dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 3:15; o. een vastgesteld hygiënerapport van de GGD, afdeling Hygiëne en Inspectie. Dit rapport mag maximaal drie maanden oud zijn. p. het formulier Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). q. indien van toepassing: arbeidsovereenkomst van beheerders. r. indien van toepassing: verklaring waaruit blijkt dat de exploitant bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen. 3.
Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel 3:7 Weigeringsgronden (*) 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
b. de aanvrager of leidinggevende die woonachtig is (geweest) in het buitenland, geen dan wel een afwijzende Verklaring Omtrent het Gedrag of een ander, met de verklaring omtrent het gedrag gelijkgesteld document uit het land van herkomst overlegt, afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum van de aanvraag. c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het sekswerkers betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het Omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom of geldboete minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met g, of tweede lid, aanhef onder a tot en met i, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een seksbedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een seksbedrijf is uitgeoefend; d. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; e. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven. 6. Een vergunning kan daarnaast in ieder geval worden geweigerd: a. In het belang van de openbare orde; b. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c. In het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de woon- en leefklimaat; d. In het belang van de veiligheid van personen of goederen; e.
In het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid; f. In het belang van de gezondheid of zedelijkheid; g. In het belang van de arbeidsomstandigheden van de sekswerker(s). Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning 1. De vergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam van de exploitant; b. voor zover van toepassing, die van de beheerder; c. voor welke activiteit de vergunning is verleend; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; f. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; g. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; h. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; i. het nummer van de vergunning. 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij/zij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1. De vergunning wordt ingetrokken als: a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14, tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. 2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van sekswerkers of klanten; g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet. Artikel 3:11 Verlenging vergunning (*) Een vergunning voor een seksbedrijf kan niet worden verlengd. Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang 1.
Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 11.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald. 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. 3. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.
Artikel 3:13 Adverteren Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: a. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam; b. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a; en c. als het een seksbedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat sekswerkers die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Paragraaf 3.2 Regels voor alle seksbedrijven en sekswerkers Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel sekswerker; verbod werken voor een onvergund seksbedrijf 1. Sekswerk vindt uitsluitend plaats door een sekswerker die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. 2. Het is een exploitant verboden een sekswerker voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. 3. Het is een sekswerker verboden: a. te handelen in strijd met het eerste lid; b. werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend. Artikel 3:15 Bedrijfsplan 1. Een seksbedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft: a.
op het gebied van hygiëne; b. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de sekswerkers; c. ter bescherming van de gezondheid van de klanten; d. ter voorkoming van strafbare feiten. 2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat: a. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is; b. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor sekswerkers; c. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn; d. in de werkruimten voor de sekswerkers een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is; e. de sekswerker zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek; f. de sekswerker niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken; g. de sekswerker vrij is in de keuze van de arts(en) die zij/hij wil bezoeken; h. de sekswerker klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar/zijn andere werkzaamheden gevolgen heeft;
i. de sekswerker kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar/zijn werkzaamheden gevolgen heeft; j. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin; k. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de sekswerker voordat deze voor of bij hem/haar gaat werken, teneinde vast te stellen of zij/hij voldoet aan de eisen die hij/zij hiervoor in zijn/haar bedrijfsplan heeft opgenomen; l. de exploitant voor elke voor of bij hem/haar werkzame sekswerker kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden de sekswerker haar/zijn diensten aanbiedt; m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de sekswerker niet door derden gedwongen wordt tot sekswerk en dat hij/zij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt; n. de exploitant aan de voor of bij hem/haar werkzame sekswerkers informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een sekswerker wil stoppen met haar/zijn werk in de sekswerk; o. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt. 3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning. 4.
De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld. 5. De rechten voor sekswerkers, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar/hem begrijpelijke taal uitgereikt aan elke sekswerker die werkzaam is voor of bij de exploitant. 6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een sekswerker klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken. 7. De exploitant stelt een externe en door de gemeente goedgekeurde vertrouwenspersoon aan en beschrijft dit in het bedrijfsplan. Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte Niet van toepassing. Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder seksbedrijf 1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het seksbedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend. 2. De exploitant van een seksbedrijf draagt er zorg voor dat: a. de voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen; b.
er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval; 1°. de voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers; 2°. de verhuuradministratie;
3°. met betrekking tot alle voor of bij het seksbedrijf werkzame sekswerkers, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k; 4°. de werkroosters van de beheerders; 5°. een overzicht per sekswerker waarop vermeld staat wanneer deze sekswerker in de seksinrichting werkzaamheden heeft verricht; 6°. de verslagen van de getekende intake- en vervolgformulieren en gesprekken. Met betrekking tot de hiervoor onder 1°, 2°, 5° en 6° genoemde bescheiden, geldt dat deze wel tot een uniek nummer of ander kenmerk te herleiden moeten zijn, maar dat niet is vereist dat deze herleidbaar zijn tot een persoon. c. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders. Hierbij krijgen toezichthouders alleen toegang tot geanonimiseerde of gepseudonimiseerde gegevens (met een uniek nummer) en zakelijke informatie die nodig is om hun taken uit te voeren.; d. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden; e.
onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting; f. onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur; g. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het seksbedrijf. Paragraaf 3.3 Raam- en straatsekswerk Artikel 3:18 Raamsekswerk Het is een sekswerker verboden: a. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en b. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden. Artikel 3:19 Straatsekswerk (*) Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, sekswerk te verrichten of aan te bieden.
Artikel 3:20 Handhaving straatsekswerk (*) Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van sekswerkers of klanten door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Afdeling 4. Overige bepalingen Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten (*)
1. Het is een klant verboden gebruik te maken van diensten van een sekswerker van wie hij/zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de sekswerker werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksbedrijf is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een sekswerker. Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Artikel 3:23 Nadere regels (*) Met het oog op de in artikel 3:7 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. HOOFDSTUK 3A SPEELAUTOMATENHALLEN EN SPEELAUTOMATEN (*) Afdeling 1. Begripsbepalingen Artikel 3a:1 Begripsbepalingen (*) Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: een toestel als bedoeld in artikel 30 onder a van de wet; c. kansspelautomaat: een toestel als bedoeld in artikel 30 onder c van de wet; d. speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de wet; e. aanwezigheidsvergunning: de in artikel 30b, eerste lid, aanhef, van de wet bedoelde vergunning voor het aanwezig hebben van een of meer kansspelautomaten; f. exploitatievergunning: de in artikel 30h, eerste lid, van de wet bedoelde vergunning voor het exploiteren van kansspelautomaten; g. exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert; h. bedrijfsleider: de natuurlijke persoon die met de algemene leiding in de speelautomatenhal is belast; i.
beheerder: de natuurlijke persoon die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast; j. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet; k. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet. Afdeling 2 Speelautomatenhallen Artikel 3a:2 Exploitatievergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren. De burgemeester kan op grond van deze verordening maximaal drie vergunningen voor speelautomatenhallen verlenen. Artikel 3a:3 Aanvraag exploitatievergunning 1.Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. De exploitant dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van: a. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, van degene(n) die de onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt(en), alsmede van de bedrijfsleider(s) en beheerder(s), dan wel wanneer diegene woonachtig is (geweest) in het buitenland een met de verklaring omtrent het gedrag gelijkgesteld document uit het land van herkomst; b.
een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond op schaal waarop is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspelautomaten worden opgesteld en op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt dan wel entreebewijzen worden verstrekt; c. een omschrijving van de doelgroep waarop de ondernemer zich richt en de wijze waarop de inrichting zal worden geëxploiteerd (ondernemingsplan); d. bescheiden waaruit blijkt dat aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder b van de wet gestelde eis wordt voldaan. e. een volledig ingevuld en ondertekend vragenformulier in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2.De burgemeester kan nog nadere eisen stellen aan de in te dienen bescheiden in het kader van de inrichting van de speelautomatenhal, openbare orde en veiligheid en de preventie van gokverslaving. Artikel 3a:4 Beslistermijn 1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3a:5 Inhoud exploitatievergunning
1.De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer en is niet overdraagbaar. 2.In de vergunning worden de namen van de beheerder(s) en de bedrijfsleider(s) vermeld. 3.Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op: a. de sluitingstijden van de speelautomatenhal; b. het toezicht in de speelautomatenhal; c. het aantal en het type kansspelautomaten dat mag worden opgesteld, met dien verstande dat het aantal kansspelautomaten in een speelautomatenhal ten hoogste 171 mag zijn, waarbij het aantal spelersplaatsen niet hoger mag zijn dan 270; d. de wijze van exploitatie, werving en reclame van en ten behoeve van de hal; e. de leeftijdsgrenzen met een daarmee gepaard gaande legitimatieverplichting; f. de geldigheidsduur van de vergunning. Artikel 3a:6 Weigeringsgronden 1.De vergunning wordt in elk geval geweigerd, als: a. door het verlenen van de vergunning zou worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3a.2 of niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 30 d, vierde lid van de wet. b. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor publiek toegankelijk is; c. de exploitant(en), de bedrijfsleider(s) of beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt; d.