CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat’

Commissie Ruimte (RU) 22 juni 2022, gemeente RoermondBij agendapunt: Bestemmingsplan Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat25.068 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat’ Gemeente Roermond Bijlagenboek

BRO Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

Bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat’ Gemeente Roermond Bijlagenboek

Identificatienummer:

NL.IMRO.0957.BP00000321-VG01

Rapportnummer BRO:

P01681_bijlagen

Datum:

11 mei 2022

Projectteam BRO:

SSh, IMo

Trefwoorden:

--

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

--

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

+HURQWZLNNHOLQJ (PPDODDQ3ULQVEHUQKDUGVWUDDW 5RHUPRQG

,QKRXGVRSJDYH

%LMODJHQELM7RHOLFKWLQJ

















%LMODJH

$DQPHOGQRWLWLHPHU 













%LMODJH

9HUNHQQHQGERGHPRQGHU]RHN











%LMODJH

%HVOXLW3URYLQFLH/LPEXUJVDQHULQJVSODQ









%LMODJH

$NRHVWLVFKRQGHU]RHNZHJHQUDLOYHUNHHUVODZDDL







%LMODJH

2QGHU]RHNJHOXLGZHULQJJHYHOV











%LMODJH

2QGHU]RHNH[WHUQHYHLOLJKHLG











%LMODJH

$GYLHV9HLOLJKHLGVUHJLR/LPEXUJ1RRUG









%LMODJH

9HUDQWZRRUGLQJVGRFXPHQWH[WHUQHYHLOLJKHLG







%LMODJH

:DWHUWRHWV

%LMODJH

$UFKHRORJLVFKRQGHU]RHN





























%LMODJH

6WLNVWRIGHSRVLWLHEHUHNHQLQJ 











%LMODJH

2QGHU]RHNIORUDHQIDXQD













%LMODJH

3DUWLFLSDWLHSODQ













%LMODJH

9HUVODJRPJHYLQJVGLDORRJ













%LMODJH

1LHXZVEULHI(PPDODDQ















Herontw ikkeling Emmalaan - Prinsbernhardstraat Roermond NL.IMRO.0957.BP00000321-VG01 vastgesteld

2

%LMODJHQELM7 RHOLFKWLQJ

Herontw ikkeling Emmalaan - Prinsbernhardstraat Roermond NL.IMRO.0957.BP00000321-VG01 vastgesteld

3

%LMODJH $DQPHOGQRWLWLHPHU

Herontw ikkeling Emmalaan - Prinsbernhardstraat Roermond NL.IMRO.0957.BP00000321-VG01 vastgesteld

4

Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat Roermond Gemeente Roermond

Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan herontwikkeling Emmalaan-Prins Bernhardstraat Roermond Gemeente Roermond

Rapportnummer:

P01681

Datum:

Februari 2022

Opdrachtgever:

Gemeente Roermond

Projectteam BRO:

SSh, IMo

Trefwoorden:

-

Bron foto kaft:

BRO, Abstract 4

Beknopte inhoud:

-

BRO 5280 AA Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Inleiding 1.2 Toetsing Besluit m.e.r. 1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.4 Leeswijzer

2 2 2 3 3

2. EFFECTEN OP HET MILIEU 2.1 Inleiding 2.2 Kenmerken van het project 2.3 Plaats van het project 2.4 Kenmerk van het potentiële effect

4 4 4 6 7

3. VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING

8

Inhoudsopgave

1

1.

INLEIDING

1.1 Inleiding Het voornemen bestaat om de locatie ter plaatse van de Emmalaan en de Bernhardstraat in Roermond te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. De aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. Hiervoor komt nieuwbouw terug ten behoeve van 16 sociale huurwoningen en een zorgcomplex voor NAH-cliënten. In dit complex komen 28 zorgappartementen en een logeerappartement

1.2 Toetsing Besluit m.e.r. Toetsingskader Gemeenten en provincies moeten, ook bij kleine bouwprojecten, beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt de realisatie van 16 woningen en een zorgcomplex met 28 zorgappartementen en een logeerappartement mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Bijlage bij het Besluit m.e.r. De ontwikkeling van woningen valt onder de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2).

In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van maximaal 16 woningen en een zorgcomplex met 28 zorgwoningen van circa 1.000 m 2 bebouwd ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 1

2

1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient de gemeente te beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Procedure De gemeente (het bevoegd gezag) neemt binnen 6 weken na ontvangst van de aanmeldingsnotitie (mededeling) een beslissing of een MER gemaakt moet worden.

1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 vormt de aanmeldingsnotitie, hoofdstuk 3 vormt de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a. de plaats waar de activiteit plaatsvindt, o.a. in relatie tot gevoelige gebieden ; b. de kenmerken van de activiteit ; c. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. d. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie).

Hoofdstuk 1

3

2.

EFFECTEN OP HET MILIEU

2.1 Inleiding In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan

2.2 Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 9.000 m². Het project richt zich op de realisatie van maximaal 16 woningen en een zorgcomplex met 28 zorgeenheden.

Cumulatie met andere projecten

Nee

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Hoofdstuk 2

4

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.5): Het planvoornemen draagt niet in betekenende maten bij aan de heersende luchtkwaliteit en luchtvervuiling. Bodem (zie ook paragraaf 4.1.3): Naar aanleiding van een uitgevoerd bodemonderzoek is een sterke verontreiniging met VOCL in de bodem vastgesteld. Voor onderhavig initiatief is een saneringsplan opgesteld. Dit plan is door de Provincie Limburg goed gekeurd. Geluid (zie ook paragraaf 4.1.4): Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Alleen voor de Koninginnelaan kunnen hogere waarden worden vastgesteld. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Er is naar aanleiding hiervan een onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd. De berekende karakteristieke geluidweringen voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit. Voor het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen gelden, uitgaand van de realisatie van de voorgeschreven (of akoestisch gelijkwaardige) voorzieningen, geen akoestische belemmeringen. Bedrijven en milieuzonering (zie ook paragraaf 4.1.5): In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die een belemmering vormen voor het planvoornemen. Het planvoornemen vormt tevens geen belemmering voor de bedrijven en de woningen in de omgeving.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden bestemd als ‘Woongebied’. Op het plangebied zijn 3 gebouwen en parkeerplaatsen aanwezig. Het onbebouwd gedeelte van het plangebied betreft een grasveld waarop een aantal bomen staan.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.

den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

Hoofdstuk 2

5

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Nee

gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden

Gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

Landschappen van historisch, cul-

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.5): De voorgenomen ontwikkeling heeft geen

tureel of archeologisch belang

negatieve gevolgen voor beschermde- en beeldbepalende elementen of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen Archeologie (zie ook paragraaf 4.4): Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van onderkelderde bebouwing (nu en in het verleden) op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De bestemming ‘Waarde – Archeologie’ is derhalve van het plangebied afgehaald.

2.3 Plaats van het project In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.

Watergebied van internationale beteke-

Nee.

nis Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland

(voormalige EHS)

(NNN). Zie paragraaf 4.6 ‘Ecologie’.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Het plangebied ligt binnen de boringsvrije zone ‘Roerdalslenk III’. Er zijn echter

en grondwaterbeschermingsgebieden

geen bodemingrepen beoogd die dieper gaan dan 80 meter beneden het maaiveld, zie paragraaf 4.3 ‘Waterhuishouding’.

Beschermd monument

Binnen het plangebied is geen sprake van beschermde monumenten.

Belvedere-gebied

Nee.

Hoofdstuk 2

6

2.4 Kenmerk van het potentiële effect Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

N.v.t.

zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het

Nee.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is echter geen sprake.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er sprake van de sloop van drie gebouwen en de realisatie van nieuwe woningen.

van het effect

De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Hoofdstuk 2

7

3.

VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; en 3. De kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 3

8

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 3

1

%LMODJH 9HUNHQQHQGERGHPRQGHU]RHN

Herontw ikkeling Emmalaan - Prinsbernhardstraat Roermond NL.IMRO.0957.BP00000321-VG01 vastgesteld

16

Verkennend bodemonderzoek Emmalaan te Roermond MA210426.R01.V1.0 8 juli 2021

Verkennend bodemonderzoek Emmalaan te Roermond MA210426.R01.V1.0 8 juli 2021

Opdrachtgever Stichting Wonen Zuid Postbus 400 6040 AK Roermond

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl Functie

Naam

Projectleider

Johan Zoer

Collegiale toets

Björn Scheepers

MA210426.R01.V1.0

Paraaf

2 van 23

Inhoud 1

Inleiding ..........................................................................5

2

Achtergrondinformatie ............................................. 6

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.8.1 2.8.2 2.9 2.9.1 2.9.2 2.9.3

Algemeen 6 Situering onderzoekslocatie 6 Historie 6 Vergunningen 7 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie 8 Niet gesprongen explosieven (NGE) 10 Archeologie 10 Terreininspectie/interview(s) 10 Terreininspectie ..................................................................................................................................... 10 Interview(s) eigenaar c.q. gebruiker ................................................................................................ 11 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 11 Bodem ........................................................................................................................................................ 11 Asbest in bodem/puin .......................................................................................................................... 11 Asfalt .......................................................................................................................................................... 11

3

Veldwerk en analyses............................................... 13

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Onderzoeksprogramma Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Veldwerk verkennend bodemonderzoek Bodemprofiel Veldwerk verkennend asbestonderzoek Asfalt

4

Analyseresultaten ...................................................... 17

4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4 4.1.5 4.1.6 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3

Toetsingskader 17 Wet bodembescherming...................................................................................................................... 17 Tijdelijk handelingskader ................................................................................................................... 17 Besluit en Regeling bodemkwaliteit ............................................................................................... 17 Asbest in bodem/puin .......................................................................................................................... 17 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 ................................................................................................. 18 Asfalt .......................................................................................................................................................... 18 Toetsing van de analyseresultaten 18 Bodem ........................................................................................................................................................ 18 Asbest .......................................................................................................................................................

20 Asfalt .......................................................................................................................................................... 21

5

Conclusies en aanbevelingen ............................... 22

5.1 5.1.1

Conclusies 22 VOCL-verontreiniging ......................................................................................................................... 22

MA210426.R01.V1.0

3 van 23

13 13 14 14 14 16

5.1.2 5.2

Algemeen terrein .................................................................................................................................. 22 Aanbevelingen 23

Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening

MA210426.R01.V1.0

4 van 23

1 Inleiding

Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Stichting Wonen Zuid een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Emmalaan te Roermond. Aanleiding voor dit verkennend bodemonderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van het gebied. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V.

en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NENEN-ISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.

MA210426.R01.V1.0

5 van 23

2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.

2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een aantal percelen in eigendom van Stichting Wonen Zuid en een deel van de omliggende openbare ruimte dat in eigendom is van gemeente Roermond. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie

Circa 6.700 m2

Maaiveldhoogte

Circa 29 m+ NAP

X-coördinaat, Y-coördinaat

X: 197.463, Y: 355.481

Kadastrale gegevens Kadastrale gegevens

Gemeente Roermond, sectie B, nummer 7963 (oppervlakte: 30.546 m², eigenaar: gemeente Roermond sinds 04-11-2013); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 6584 (oppervlakte: 1.751 m², eigenaar: Stichting Wonen Zuid sinds 13-12-1994); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 6583 (oppervlakte 240 m², Stichting Wonen Zuid sinds 02-10-2003); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 6582 (oppervlakte: 14 m², Stichting Wonen Zuid sinds 13-12-1994); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 6484 (oppervlakte: 140 m², Stichting Wonen Zuid sinds 16-03-2000); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 5386 (oppervlakte: 365 m², Stichting Wonen Zuid sinds 13-12-1994); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 5387 (oppervlakte: 365 m², Stichting Wonen Zuid sinds 13-12-1994); Gemeente Roermond, sectie B, nummer 5388 (oppervlakte: 365 m², Stichting Wonen Zuid sinds 13-12-1994);

2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat de huidige bebouwing stamt uit medio jaren 1960. Een deel van de appartementen is rond 1980 en eind jaren 1990 gesloopt. Hiervoor was de locatie in gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden. Tussen eind jaren 1930 en 1950 heeft een stal op een deel van de locatie gestaan.

MA210426.R01.V1.0

6 van 23

Tussen 1970 en 1975 was ter plaatse van de Vondelstraat 37 (huidig huisnummer Prins Bernhardstraat 22) een chemische wasserij gesitueerd. De overige bebouwing is voor zover bekend in gebruik geweest ten behoeve van woondoeleinden, dan wel als winkelpanden.

2.4 Vergunningen In de archieven van de gemeente Roermond zijn voor de onderzoekslocatie de volgende gegevens bekend omtrent: • voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen c.q. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), sloopvergunningen; • archief BOOT (Besluit Opslaan Ondergrondse Tanks). In Tabel 2.2 staan de resultaten van het archiefonderzoek vermeld. Tabel 2.2: overzicht vergunningen die ter beschikking zijn gesteld Hinderwet, Wet milieubeheer, bouw- en sloopvergunningen Dossiernummer, datum vergunning

Omschrijving

BV 404

Bouwvergunning voor de bouw van diverse woningen voor bouwvereniging “St.

nr. 11420

Jozef” (88 woningen en 6 winkels)

3 oktober 1955

Te weten: Burg. Gerardstraat 2 t/m 32; Burg. Steinwegstraat 12 t/m 26; Emmalaan 2 t/m 48 (gesloopt in 2000); Emmalaan 33 t/m 53; Koninginnelaan 31 t/m 41; Prins Bernardstraat 22 t/m 38; Vondelstraat 25 t/m 37. Uit het dossier blijkt dat in alle 88 woningen in de woonkeukens en woonkamers Marley-tile vloeren zijn aangebracht. Dit zijn tegels bestaande uit asbest, asfalt en plastic. Als dakbeschot is eternietboard toegepast.

1970-1971

Vermelding van een vernietigde Hinderwet vergunning, welke is verleend aan dhr. M. J. van de Linde voor het oprichten van een chemisch reinigingsbedrijf, gelegen aan de Prins Bernhardstraat 22. De vergunning is vervallen in 1974. Er is geen kaartmateriaal aanwezig in het dossier. [GA Roermond/R/1927-1969/212/1976/70.]

1971

Bouwvergunning verleend aan Stichting Steunfonds "Gezinszorg" voor het verbouwen van een reinigingsbedrijf annex wasserette gelegen aan de Prins Bernhardstraat 22, kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie B, nr. 5390. De verbouwing bestaat uit het veranderen van een wasserette/stomerij in uitsluitend een stomerij. De inrichting van de wasserette is niet op het kaartmateriaal aangegeven. IGA Roermond/Bouwvergunning/B-405].

BV 405

Bouwvergunning voor het verbouwen van een reinigingsbedrijf annex wasserette (op

nr. 77814

aanvraag bouwvergunning staat voor het verbouwen van een wasserette – stomerij

2 april 1972

in uitsluitend een stomerij).

1975

Hinderwetvergunning verleend aan dhr. F.H. Lutgens, voor het oprichten, in werking brengen en in werking houden van een inrichting voor het bakken van voedings- en genotmiddelen in oliën en vetten (frituur) in/op een gedeelte van het perceel, gelegen aan de Prins Bernhardstraat 22, kadastraal bekend gemeente Roermond, sectie B, nr. 5390. [GA Roermond/R/1970-1993/H-196]

1982

Bouwvergunning verleend t.b.v. van vernieuwing van de snackbar van dhr. Lutgens [GA Roermond/Bouwvergunning/B-5064] .

B5064

MA210426.R01.V1.0

Bouwvergunning voor het veranderen van een frituur.

7 van 23

15 november 1982 1992-1994

Milieucontroles. De inrichting (Cafetaria de Smikkelhoek) is nu in i eigendom van dhr. J.E. Bisters en is gelegen aan de Vondelstraat 37. De bovenwoning (Prins Bernhardstraat 22) behoort niet meer tot de inrichting. [GA , Roermond/Ryi9701993/H-196].

Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT-archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op de onderzoekslocatie.

2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.3 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld. Tabel 2.3: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en -kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv

Omschrijving

Opmerkingen

[0 - 10]

Formatie van Boxtel

Zand en leem

[> 10]

Formatie van Veghel, Sterksel en Kedichem

Grove zanden en grinden met plaatselijk kleiige inschakelingen

Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater

Circa 29 m + NAP / Circa 21,5 m-mv

Stromingsrichting grondwater

Noordwestelijk

Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie

Nee

Het voorkomen van brak of zout grondwater

Nee

Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied

Nee

Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving

Nee

Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie

Nee

Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Kenmerk, datum

Omschrijving

Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029; November 2019 Bodemfunctieklasse

Wonen

Ontgravingsklasse

Bovengrond (0-0,5 m-mv): Landbouw/natuur Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/natuur

Bodemonderzoeken ter plaatse van onderzoekslocatie Kenmerk, datum LI095701370;

Omschrijving Bureau

HMAO;

Provincie Limburg; 21 januari 2010

Humane Spoedlocaties 2010; Deellocatie 1: Prins Bernhardstraat 22 te Roermond. Het doel van het onderzoek is bepalen of als gevolg van de voormalige bedrijfsactiviteiten de in voorgaand onderzoek aangetoonde VOCL-verontreiniging uitdampt naar de binnenlucht en hierdoor een humaan risico is ontstaan. In dit onderzoek is een binnen- en buitenlucht meting gedaan. Hieruit is gebleken dat op basis van de verkregen onderzoeksgegevens er bij het huidige gebruik van de locatie geen sprake is van humane risico’s. Opgemerkt wordt dat de benedenverdieping momenteel in gebruik is als atelier en/of opslagruimte, de bovengelegen verdiepingen zijn in gebruik als woonruimte.

B02037.000096 nr. 27; Register; 8

MA210426.R01.V1.0

Historisch onderzoek Vondelstraat37/Prins Bernhardstraat 22 te Roermond.

8 van 23

februari 2010

Het onderzoek is uitgevoerd om in beeld te brengen of de locatie behoort tot de potentiële spoedlocaties. Uit de conclusie blijkt dat niet kon worden uitgesloten dat er in het chemisch reinigingsbedrijf/de stomerij met chemisch (gechloreerd) reinigingsmiddel is gewerkt. Daarom werd de locatie, welke nog niet eerder was onderzocht, als potentieel ernstig én als potentieel spoedeisend aangemerkt.

B02037/ZC0/006/000096;

Oriënterend bodemonderzoek Vondelstraat 37 / Prins Bernhardstraat 22 te Roermond.

B02037.000096.VBO05; Arcadis;

Om te bepalen of er op de onderzoekslocatie een daadwerkelijke spoedeisende

26 mei 2010

verontreiniging aanwezig is, is enig inzicht in de milieuhygiënische bodemkwaliteit noodzakelijk. Hiertoe dient in dit kader het grondwater oriënterend onderzocht te worden. Aangezien in beide grondwatermonsters (zowel nabij als stroomafwaarts van de voormalige wasserij) de interventiewaarde voor tetrachlooretheen (PER) wordt overschreden en deze stof in het verleden naar verwachting op de locatie Vondelstraat 37/Prins Bernhardstraat 22 te Roermond is gebruikt is naar alle waarschijnlijkheid sprake van een geval van ernstige grondwaterverontreiniging en, gezien de aard van de verontreiniging, van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging.

LI 095701370; Medische Milieukunde;

Gezondheidkundige risicobeoordeling; locatie Prins Bernhardstraat 22 te Roermond.

GGD

Aan de hand van de resultaten van de binnenluchtmetingen, uitgevoerd in het kader van het

Zuid

Limburg;

2011/00800;

januari 2011

project ‘Humane Spoedlocaties’, concludeert de GGD dat er geen toxische effecten zijn te verwachten op basis van de individuele vluchtige stoffen gemeten op de benedenverdieping van de woning op de locatie Prins Bernhardlaan 22 (Vondelstraat 37) in Roermond. Ook van het totale mengsel vluchtige stoffen worden geen effecten verwacht. Gezien de beperkte opzet van het binnenluchtonderzoek hebben de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de conclusie van de GGD betrekking op de situatie in de betreffende panden ten tijde van de meting. Aan de hand van de resultaten kan de GGD geen uitspraak doen of bewoners/gebruikers over een langere termijn worden blootgesteld aan concentraties boven de chronische grenswaarden.

MA-130289.R01; Geonius Milieu B.V.;

Oriënterend bodemonderzoek ter plaatse van Prins Bernhardstraat 22 (en voormalig adres

23 oktober 2013

Vondelstraat 37) te Roermond. De onderzochte bodem is sterk verontreinigd met Per en plaatselijk licht verontreinigd met Tri. De verontreinigingen houden duidelijk verband met het voormalig gebruik als chemisch reinigingsbedrijf. De omvang van de verontreinigingssituatie is niet vastgesteld.

15A092-26.RAP003.TH.WL;

Aanvullend bodemonderzoek (Li095701370) Roermond, Prins Bernhardstraat 22

LievenseCSO; 21 juni 2016

In het ondiepe grondwater, zowel in de bronzone als stroomafwaarts, zijn sterke verontreinigingen tetrachlooretheen aangetroffen. Waarschijnlijk is de voormalige wasserij de bron van deze verontreiniging; In het diepe grondwater (onder de kleilaag) is enkel een lichte verontreiniging met tetrachlooretheen aangetroffen. De ondiepe filters bevinden zich boven en de diepe filters bevinden zich onder een scheidende laag van klei; Het bodemvolume waarin zich sterk verontreinigd grondwater bevindt heeft zeker een omvang 10.500 m³. Dit is ruim meer dan het omvangscriterium van 6.000 m³; Als de verspreiding die in het verleden heeft plaatsgevonden zich nog steeds zou voordoen, dan zou sprake zijn van een jaarlijkse toename van het bodemvolume met daarin sterk verontreinigd grondwater van 250 tot 310 m³/jaar. Dit is ruim minder dan het criterium van 1.000 m³. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat nu nog steeds een verspreiding optreedt in een mate zoals deze in het verleden heeft plaatsgevonden. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige grondwaterverontreiniging heeft geleid tot een

MA210426.R01.V1.0

9 van 23

‘geval van ernstige verontreiniging’, waarbij geen sprake is van ‘actuele verspreidingsrisico’s’. MA180229.R01; Geonius Milieu B.V;

Nader bodemonderzoek Emmalaan-Prins Bernhardstraat Roermond

28 januari 2019

Als gevolg van de voormalige activiteiten van een voormalige chemische wasserij tussen 1970 en 1975 is de bodem en het grondwater ter plaatse van en rondom voormalige huisnummer Vonderstraat 37 licht tot sterk verontreinigd geraakt met VOCL, met name tetrachlooretheen (PER). Onderhavig onderzoek heeft betrekking op de verontreinigingen in de bodem. Op basis van de uitgevoerde boringen en analyses blijkt dat binnen de grenzen van het plangebied de bodem ter plaatse van de bronlocatie vanaf onderzijde vloer voorkomt tot een diepte van ca. 1,8 m- maaiveld. De bodem ten oosten op het onbebouwde deel is sterk verontreinigd vanaf het maaiveld tot 2,5 à 2,7 m- maaiveld. De oppervlakte waarover de verontreiniging voorkomt is ca. 330 m². De omvang van gehalten met VOCL in de bodem boven de interventiewaarde wordt geschat op ca. 675 m³. Gezien het moment dat de verontreiniging is ontstaan en de vastgestelde omvang is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Naast sterk verontreinigde grond is tevens sprake van niet toepasbare grond. De niet toepasbare grond komt met name voor onder de bebouwing en deels in het trottoir, dan wel parkeervak. Ter plaatse van een deel van de bebouwing en het trottoir, dan wel parkeervak komt de niet toepasbare grond voor vanaf het maaiveld tot ca. 2,8 m- maaiveld. Onder de sterke verontreiniging komt niet toepasbare grond voor van ca.

1,8 tot 3,8 m- maaiveld. De oppervlakte waarover de niet toepasbare grond voorkomt is ca. 450 m². De omvang wordt geschat op ca. 1.076 m³.

2.6 Niet gesprongen explosieven (NGE) Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend omtrent “niet gesprongen explosieven”.

2.7 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Roermond blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt.

2.8 Terreininspectie/interview(s) 2.8.1 Terreininspectie Op 14 juni 2021 is door de heer B.M.D.M. Houben een terreininspectie uitgevoerd. Ten tijde van de inspectie bleek een deel van de bebouwing langs de Prins Bernhardstraat niet meer in gebruik. De appartementen langs de Koninginnelaan waren nog bewoond. Het terrein ten westen van de Burgemeester Steinwegstraat lag braak. Tijdens de terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen.

MA210426.R01.V1.0

10 van 23

2.8.2 Interview(s) eigenaar c.q. gebruiker Bij de opdrachtgever zijn geen gegevens bekend ten aanzien van enige bodembedreigende activiteiten, anders dan reeds gemeld.

2.9 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.9.1 Bodem Gezien de plaatselijk sloopwerkzaamheden en de ligging in binnenstedelijk gebied is de locatie, aanvullend op de plaatselijk aanwezige VOCL-verontreiniging, over het algemeen verdacht met betrekking tot bodemverontreiniging. De algemene bodemkwaliteit wordt onderzocht volgens de strategie “diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL). Aangezien de plangrens is uitgebreid ten opzichte van het nader onderzoek naar de VOCL-verontreiniging worden enkele boringen op de grens van de eerder aangetroffen VOCL-verontreiniging geplaats om vast te stellen of, dan wel in welke mate de VOCL-verontreiniging voorkomt binnen het huidige plangebied.

2.9.2 Asbest in bodem/puin Gezien de plaatselijk sloopwerkzaamheden en de ligging in binnenstedelijk gebied is de locatie over het algemeen verdacht met betrekking tot asbest in bodem. De bodem wordt onderzocht volgens de strategie “diffuus heterogeen belaste locatie” uit de NEN 5707.

2.9.3 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat. Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/ op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Naast het “gewone” wegvak dient rekening gehouden te worden met “bijzondere weggedeelten” vakken zoals bushaltes, opstelvakken, reparatievakken, naden, etc. In onderstaande Tabel 2.4 is het minimum aantal boringen per onderzoeksvak aangegeven. Tabel 2.4: minimum aantal boringen per onderzoeksvak Situatie

Minimum aantal boringen per onderzoeksvak

Asfalt dat geheel of gedeeltelijk vóór 1995 is aangelegd Onderzoeksvak < 100 m2

1

Onderzoeksvak < 500 m

2

Onderzoeksvak ≥ 500 m2

1 per (gedeelte van) elke 500 m2 +1 extra per onderzoeksvak

2

Asfalt dat volledig na 1994 is aangelegd (het werk wordt beschouwd als één onderzoeksvak) Onderzoeksvak < 1.000 m2

2

Onderzoeksvak ≥ 1.000 m

1 boring per (gedeelte van) elke 1.000 m2 +1 extra per onderzoeksvak

2

MA210426.R01.V1.0

11 van 23

Bij zeer grote homogene asfaltoppervlakten (≥ 10.000 m2) is een verminderde onderzoeksinspanning van toepassing.

Bij het plaatsen van de boringen dient volgens CROW publicatie 210 rekening te worden gehouden met onderstaande zaken: • Als het vak een rijstrook betreft moet de helft van de kernen in de rijsporen en de andere helft buiten de rijsporen worden geboord. • Het boren van de asfaltkernen wordt uitgevoerd met een boor met een diameter van minstens 100 millimeter. • De asfaltboringen moeten worden doorgezet tot minstens 10 centimeter onder de opgegeven onderzoeksdiepte, maar bij voorkeur tot de onderzijde van het asfalt. • De locatie van de asfaltkernen moet worden vastgesteld (bij voorkeur in x- en y-coördinaten) én worden vastgelegd ten opzichte van vaste referentiepunten met een afwijking van maximaal 20 centimeter. In onderstaande Tabel 2.5 is het minimum te analyseren asfaltanalyses volgens CROW publicatie 210 en BRL 9320, d.d. 24 april 2009, weergegeven. Tabel 2.5: analysestrategie asfalt Hoeveelheid vrijkomend potentieel teervrij asfalt per onderzoeksvak

Minimum aantal analyses

Gehele werk na 1994 aangelegd èn in de PAK- detectorproef

0 analyses

0 -25 ton (alleen indien hele werk < 25 ton)

0 analyses

0-200 ton

1 analyse

200-1.000 ton

2 analyses

1.000-2.000 ton

3 analyses

Elke 2.000 ton meer

1 analyse extra

Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Indien dit niet het geval is dienen mogelijk aanvullende kernboringen en laagdiktebepalingen en PAKdetectorproeven worden uitgevoerd. Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de CROW publicatie 210 dient bij het samenstellen van de mengmonsters met de volgende zaken rekening te worden gehouden: • Monsters mogen worden samengesteld uit ten hoogste 3 verschillende lagen, als deze in één keer kunnen worden gefreesd. • Per monster mag materiaal van maximaal 3 verschillende boorkernen gebruikt worden. • De dikte van het asfaltpakket dat in één (meng)monster mag worden verzameld (totaal van de 3 kernen) bedraagt maximaal 20 centimeter. • Als meerdere boorkernen in een onderzoeksvak overeenkomstige lagen bevatten, hoeven niet alle boorkernen bemonsterd te worden. Wel moet asfalt uit de verschillende lagen in het monster aanwezig zijn.

MA210426.R01.V1.0

12 van 23

3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek (Deel)locatie en OpperVeldwerk Analyses2) strategie vlakte (m2) Asfalt

Plangebied BG: (VED-HENL) OG: (ONV-NL)

6.700

Asfaltonderzoek (CROW210) 2 kernen (470 m²)

Bodem/ fundering 15*0,5 m-mv 3*2,0 m-mv 3*4,0 m-mv 1*peilbuis1)

2*PAK-marker test (RAW 77.2) + laagdikte-bepaling (RAW 77.1)\ 1*PAK in asfalt (GCMS)

Asbestonderzoek Plangebied 6.700 (VED-HE/ afgedekte fundatielagen) 1) 2)

Grond/fundatie

Grondwater

Bovengrond/Verdachte laag: 6*standaardpakket+PFAS 4*VOCL Ondergrond: 3*standaardpakket+PFAS

-

15 proefgaten tot maximaal 0,5 m in 3 asbest in grond/puin de verdachte laag of onderzijde (NEN 5898) fundatiepakket 3 proefgaten tot onderzijde verdachte laag met een maximum van 2 m-mv Op basis van geohydrologische gegevens is bekend dat binnen 5,0 m-mv geen grondwater wordt aangetroffen. Grondwateronderzoek is volgens de NEN 5740 in een dergelijke situatie niet noodzakelijk. De peilbuis is vervangen door een diepe boring tot 5,0 m-mv. Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB’s, som-PAK’s (10) en minerale olie PFAS (30 poly- en perfluor alkyl-verbindingen)

De chemische analyses van de grond(meng)monsters zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000-erkend. De puin- en grond(meng)monsters ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een geschat drooggewicht van minimaal 10 kg voor grond en minimaal 25 kg voor puin.

3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn conform de gevolgde strategie uit de NEN 5740 13 grond(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld. De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740, PFAS of VOCL. In Tabel 4.1 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.

MA210426.R01.V1.0

13 van 23

3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 en 15 juni, voor zover van toepassing, conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer B.M.D.M. Houben, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer S.H.M. Ortmans en de heer M. Witteveen. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Het mechanisch veldwerk is conform BRL SIKB 2100 en de daarbij behorend protocol 2101 (Mechanisch boren versie 4.0, 1 februari 2018) uitgevoerd. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden. Ten behoeve van het onderzoek naar de VOCL-verontreiniging is gebruik gemaakt van een PID.

3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. De bodem bestaat voornamelijk uit zand met plaatselijk bijmengingen aan baksteen, beton, kolen, aardewerk, ijzer en/of glas in verschillende gradaties. Ter plaatse van de asfaltverharding komt een fundatielaag van puingranulaat voor. Bij de boringen ten behoeve van het vaststellen van de VOCL-verontreiniging zijn geen PIDuitslagen gedetecteerd. De steekbussen zijn in het eerder vastgestelde meest verdachte c.q. verontreinigde traject geslagen, namelijk op ca. 1,0 m- maaiveld. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.

3.5 Veldwerk verkennend asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 en 15 juni 2021, voor zover van toepassing, conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018). De coördinerend veldmedewerker, de heer B.M.D.M. Houben, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer S.H.M. Ortmans. Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat deels het geval. Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: • Droog (neerslag <10 mm). • Helder (zicht >50 m). • Bedekking maaiveld: volledig met tegels, klinkers, asfalt of gras.

MA210426.R01.V1.0

14 van 23

De inspectie-efficiëntie van de maaiveldinspectie bedraagt 0%. Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) heeft kunnen plaatsvinden. Bij een inspectie-efficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen. Op basis van de opgestelde strategie zijn proefgaten gemaakt tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag of tot in de ongeroerde ondergrond (maximaal tot 2,0 m-maaiveld). In Tabel 3.2 is een beschrijving gegeven van de verschillende proefgaten. Tabel 3.2: resultaten veldwerk proefgaten en bijzonderheden Proefgat Onderzocht Bodemomschrijving

Afmetingen Bodemvreemd Asbest

traject

Mengmonster

(cm) (l*b)

materiaal (%)

aangetroffen fijne fractie

(cm-mv) 001

0-50

Zand, sporen baksteen, sporen grind, sporen ijzer

30 x 30

<2

Nee

ASB1

002

0-50

Zand, sporen grind

30 x 30

0

Nee

-

003

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen, sporen aardewerk, sporen 30 x 30

<3

Nee

ASB1

<3

Nee

ASB1

glas 005

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen, sporen aardewerk, sporen 30 x 30 beton

006

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen

30 x 30

<1

Nee

ASB1

007

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen

30 x 30

<1

Nee

ASB1

008

8-50

Zand, sporen grind

30 x 30

0

Nee

-

009

4-50

Zand, sporen grind, zwak baksteen, sporen beton

30 x 30

Ca. 5

Nee

ASB2

010

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen, sporen aardewerk, resten 30 x 30

<2

Nee

ASB2

wortels 011

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen, sporen glas

30 x 30

<2

Nee

ASB2

012

0-50

Zand, sporen grind

30 x 30

0

Nee

-

013

8-50

Zand, sporen grind, sporen beton, sporen baksteen, sporen kolen

30 x 30

<3

Nee

ASB2

014

8-50

volledig repac

30 x 30

>80

Nee

ASB3

015

0-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen

30 x 30

<1

Nee

ASB2

016

8-50

volledig repac

30 x 30

>80

Nee

ASB3

017

4-50

Zand, sporen grind, sporen beton, sporen baksteen, resten wortels

30 x 30

<2

Nee

ASB2

018

4-50

Zand, sporen grind, sporen baksteen, sporen kolen

30 x 30

<2

Nee

ASB2

020

20-50

Zand, sporen grind, sporen beton, sporen baksteen

30 x 30

<2

Nee

-

Tijdens de visuele inspectie zijn enkele foto’s gemaakt, die zijn toegevoegd in bijlage 2. De uit de proefgaten vrijgekomen grond/materiaal is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van de uitgekomen grond/materiaal is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. In het opgegraven materiaal van alle proefgaten is in de grove fractie géén asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Vervolgens zijn van de grond en het materiaal 3 mengmonsters samengesteld ten behoeve van de microscopische analyse van de fijne fractie conform NEN 5898.

MA210426.R01.V1.0

15 van 23

3.6 Asfalt De asfaltkernen zijn voorzien van een barcode en verstuurd naar het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. Het gat in het asfalt is gedicht met koud asfalt. De ligging van de kernen is conform CROW publicatie 210 met een nauwkeurigheid van 20 centimeter vastgelegd. De gemiddelde dikte van de asfaltconstructie is bijna 8 cm. De locaties van de asfaltboringen zijn aangegeven op de situatietekening die als bijlage 8 is toegevoegd.

MA210426.R01.V1.0

16 van 23

4 Analyseresultaten 4.1 Toetsingskader 4.1.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de interventiewaarden (I) voor grond uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire Bodemsanering en Besluit Bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.

In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: • Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde). • Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde. • Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.

4.1.2 Tijdelijk handelingskader De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem) uit het aangepast Tijdelijk handelingskader.

4.1.3 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van bodem c.q. grond zijn de analyseresultaten (indicatief) getoetst aan de maximale waarden behorende bij de diverse functieklassen zoals vermeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. In het geval van een niet-vormgegeven bouwstof zijn de analyseresultaten tevens (indicatief) getoetst aan de maximale samenstellingswaarden voor organische parameters zoals vermeld in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.

4.1.4 Asbest in bodem/puin De resultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Besluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kgds gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte.

MA210426.R01.V1.0

17 van 23

4.1.5 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij de graafwerkzaamheden dient rekening gehouden worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbowetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Voor aanvang van het werk dient de aannemer een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), de 2e gewijzigde druk: december 2017. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, 2e gewijzigde druk, december 2017. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.

4.1.6 Asfalt Als bij een PAK-markertest een verkleuring ontstaat (++) is het asfalt teerhoudend. Indien geen verkleuring ontstaat (--) betekent dit niet automatisch dat het asfalt niet-teerhoudend is. Dit omdat de PAK marker pas verkleurt boven een PAK-gehalte van circa 250 mg/kg, terwijl de bovengrens voor niet-teerhoudend asfalt 75 mg/kg bedraagt. Daarom kunnen op basis van interpretatie van de PAK-marker geen uitspraken worden gedaan over de teerhoudendheid in het gebied tussen 75 mg/kg en circa 250 mg/kg. Uitsluitsel vindt plaats op basis van PAK-analyses.

4.2 Toetsing van de analyseresultaten 4.2.1 Bodem Voor zware metalen en organische verbindingen dient een correctie plaats te vinden op basis van het gemeten lutum- en/of organisch stofgehalte in de bodem. Op basis van de gemeten gehalten aan lutum en organische stof worden de gerapporteerde gehalten omgerekende naar standaard bodem (10% organisch stof en 25% lutum). In Tabel 4.1 (zijn alleen de onderzochte parameters vermeld waarvan de gehalten de achtergrondwaarden overschrijden. De toetsing van alle parameters is opgenomen als bijlage 5. In het geval van niet vormgegeven bouwstof zijn alleen de organische componenten opgenomen. In Tabel 4.1 staat per (meng)monster de indicatieve kwaliteitsklasse vermeld met betrekking tot de stofgroep PFAS. Tabel 4.1: getoetste analyseresultaten grond(meng)monsters in mg/kgds Analyse-

Boring

monster

Traject

Textuur

Visuele waarneming

Analyse

(m -mv)

> AW

GSSD

pakket

Toets

Toets Bbk

CROW 400

Basishygiëne

Wbb

Algemeen terrein M01

003

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind, sp. baksteen, sp.

St.pakket

Kobalt

15,3

*

MWW

aardewerk, sp. glas

+ PFAS

Kwik

0,16

*

PFAS: AW

PCB-7

24

*

Kobalt

21,4

*

005

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind, sp. baksteen, sp.

006

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind, sp. baksteen

007

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind, sp. baksteen

004

0,00 - 0,50

Zand

sp. roest

aardewerk, sp. beton

M02

MA210426.R01.V1.0

St.pakket

18 van 23

AW

Basishygiëne

Analyse-

Boring

monster

M03

M04

Traject

Textuur

Visuele waarneming

Analyse

(m -mv) 0,00 - 0,50

Zand

sp. grind

008

0,08 - 0,50

Zand

sp. grind

012

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind

001

0,00 - 0,50

Zand

sp. baksteen, sp. grind, sp. ijzer

010

0,04 - 0,50 0,00 - 0,50

GSSD

pakket

002

009

> AW

Zand Zand

Toets

Toets Bbk

Wbb

+ PFAS

PFAS: AW

St.pakket

Cadmium

0,72

*

MWI

+ PFAS

Kobalt

18,9

*

PFAS: AW

Koper

48

*

Kwik

0,19

*

Lood

83

*

Zink

180

*

PCB-7

73,1

*

sp. grind, zw. baksteenh., sp.

St.pakket

Kobalt

24,9

*

MWI

beton

+ PFAS

Koper

66

*

PFAS: AW

sp. grind, sp. baksteen, sp.

Kwik

0,30

*

aardewerk, re. wortels

Lood

80

*

011

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind, sp. baksteen, sp. glas

Nikkel

48

*

013

0,08 - 0,50

Zand

sp.

Zink

171

*

PAK-10

4,71

grind,

sp.

beton,

sp.

CROW 400

Basishygiëne

Basishygiëne

baksteen, sp. kolen M05

M06

016

0,08 - 0,50

vol. repac

St.pakket

014

0,08 - 0,50

vol. repac

+ PFAS

Basishygiëne

Zand

sp. grind, sp. baksteen, sp. kolen

St.pakket

Cadmium

0,67

*

MWW

015

0,00 - 0,50

Zand

sp. grind, sp. baksteen

+ PFAS

Kobalt

23,1

*

PFAS: AW

017

0,04 - 0,50

Zand

sp.

Koper

41

*

Kwik

0,19

*

Lood

73

*

Zink

158

*

Cadmium

0,69

*

MWI PFAS: AW

004

1,30 - 1,80

001

0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00

Zand

004

grind,

sp.

beton,

sp.

Zand

sp. baksteen, sp. kolen

St.pakket

Zand

sp. baksteen, sp. kolen

+ PFAS

Kobalt

19,0

*

Zand

sp. baksteen, sp. kolen

Koper

80

*

sp. baksteen, sp. grind

Kwik

0,26

*

Lood

87

*

Nikkel

37

*

Zink

190

*

PAK-10

2,88

*

3,00 - 3,50

Zand

St.pakket

Kobalt

22,2

*

AW

3,50 - 4,00

Zand

+ PFAS

Nikkel

37

*

PFAS: AW

001

1,50 - 2,00

Zand

018

0,50 - 1,00

Zand

1,50 - 2,00

Zand

1,00 - 1,50

Zand

1,50 - 2,00

Zand

0,20 - 0,50

Zand

St.pakket

Kobalt

17,4

*

AW

016 M09

<20

0,04 - 0,50

016

M08

126,5

#1

018

baksteen, re. wortels

M07

PCB-7 olie

NVB

020

sp.

grind,

baksteen

sp.

beton,

sp.

+ PFAS

VOCL-verontreiniging

MA210426.R01.V1.0

19 van 23

PFAS: AW

Basishygiëne

Basishygiëne

Basishygiëne

Analyse-

Boring

monster

Traject

Textuur

Visuele waarneming

Analyse

(m -mv)

> AW

GSSD

pakket sp. grind, sp. baksteen

Toets

Toets Bbk

CROW 400

AW

Basishygiëne

Wbb

007-2

007

0,20 - 0,40

Zand

VOCL

019-10

019

0,90 - 1,10

Zand

VOCL

Per

5,5

*

NT

Basishygiëne

021-11

021

0,70 - 0,90

Zand

VOCL

Per

70

***

NT

Rood vluchtig

Tri

2,35

*

cis + trans-1,2-

1,220

***

6,0

*

NT

Basishygiëne

Dichlooretheen 022-10

022

0,80 - 1,00

Zand

VOCL

Per

Verklaring gebruikte afkortingen Wbb : Wet bodembescherming AW : achtergrondwaarde 2000 S : streefwaarde T : “tussenwaarde” I : interventiewaarde GSSD : gestandaardiseerde meetwaarde (gehalte) Bbk : Besluit bodemkwaliteit (indicatief) NVB : niet-vormgegeven bouwstof AW : voldoet indicatief aan klasse “achtergrondwaarde” MWW : voldoet indicatief aan klasse “wonen” MWI : voldoet indicatief aan klasse “industrie” NT : indicatief “niet toepasbaar”

st. pakket sp. zw. ma. st. uit. vol. re. br. lg. -h. asbv. mat

: standaard pakket : sporen : zwak : matig : sterk : uiterst : volledig : resten : brokken : laagjes : -houdend : asbestverdacht materiaal

Verklaring der tekens * : groter dan AW en kleiner of gelijk aan T

Gehalte

: gemeten gehalten in mg/kgds, PCB in µg/kg en VOCL deels in µg/kg

** *** -

: groter dan T en kleiner of gelijk aan I : groter dan I : geen waarde vastgesteld

Voetnoten Conform CROW400 dient stofvorming voorkomen te worden, aandacht besteden aan hoge pH-waarde van de bouwstoffen en mogelijk aanvullende #1 maatregelen te bepalen door veiligheidskundige (bv. handschoenen, overall, veiligheidsschoenen, etc.).

4.2.2 Asbest De (meng)monsters van de fijne fractie zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbest conform NEN 5898. In Tabel 4.2 is een overzicht gegeven van het totale gehalte aan asbest per proefgat/mengmonster. Het gewogen gehalte aan asbest in de fijne fractie is gecorrigeerd in relatie tot het totale monstergehalte. Het totale gehalte asbest per proefgat/mengmonster bestaat uit het totale gewogen gehalte aan asbest in de grove fractie opgeteld met het gecorrigeerde gehalte gewogen asbest in de fijne fractie. Opgemerkt wordt dat geen correctie heeft plaatsgevonden indien de detectiegrens niet wordt overschreden, of wanneer geen sprake is van een grove fractie. In bijlage 4 ook de analyseresultaten weergegeven. Tabel 4.2: overzicht totaal gehalte asbest per proefgat of RE in mg/kgds (Meng)monster

Proefgat

Traject

Gewogen gehalte grove

Gecorrigeerd gewogen gehalte

Totaal gehalte gewogen

(cm mv)

fractie (mg/kgds)

fijne fractie (mg/kgds)

asbest (mg/kgds)

0-50

-

<2

<2

003

0-50

-

005

0-50

-

006

0-50

-

007

0-50

-

009

4-50

-

11

11

010

0-50

-

fijne fractie ASB1

ASB2

001

MA210426.R01.V1.0

20 van 23

(Meng)monster

Proefgat

Traject

Gewogen gehalte grove

Gecorrigeerd gewogen gehalte

Totaal gehalte gewogen

(cm mv)

fractie (mg/kgds)

fijne fractie (mg/kgds)

asbest (mg/kgds)

011

0-50

-

013

8-50

-

015

0-50

-

017

4-50

-

018

4-50

-

014

8-50

-

<2

<2

016

8-50

-

fijne fractie

ASB3

Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde] is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde] niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. In onderhavige geval is nader onderzoek niet noodzakelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=426e9754-3c8f-44d7-a80a-855c25bed359