Bijlage 4 - bijlagen bij de plantoelichting
Tekst van het document
adres: Hobostraat 1E 5402 CB Uden T. 0413-269091 F. 0413-252513 E. info@amitec.nl I. www.amitec.nl
IBAN NL90ABNA0408488735 K.v.K. nr. 16058413 Amitec bv is gecertificeerd Volgens ISO 9001:2015 datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: i
HAALBAARHEIDSTOETS (Milieu-onderbouwing)
Eiermijn BV Project: Prins Bernhardstraat 40, Roermond
© Amitec BV, Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 1
ONDERZOEK voor
Opdrachtgever
: : :
Eiermijn BV Bosshebaan 84 5384 VZ Heesch
Auteur
:
ing. J.M.A. Clemens
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 2
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ................................................................................................................................................ 3 1.1 1.2 1.3
2
ALGEMEEN ................................................................................................................................................ 3 DOELSTELLING ........................................................................................................................................... 3 OMGEVING ............................................................................................................................................... 4
MILIEU-ASPECTEN .................................................................................................................................... 5 2.1 BODEM .................................................................................................................................................... 5 2.2 WET GELUIDHINDER .................................................................................................................................... 6 2.3 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .................................................................................................................... 7 2.4 WET LUCHTKWALITEIT ................................................................................................................................. 7 2.5 WET NATUURBESCHERMING ......................................................................................................................... 8 2.6 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 9 2.6.1 Archeologie ....................................................................................................................................... 9 2.6.2 Cultuurhistorie .................................................................................................................................
10 2.7 WATERTOETS........................................................................................................................................... 10 2.8 EXTERNE VEILIGHEID.................................................................................................................................. 12 2.9 GEURHINDER VEEHOUDERIJEN..................................................................................................................... 18 2.10 OVERIGE ASPECTEN ................................................................................................................................... 18 2.11 MER-BEOORDELING .................................................................................................................................. 18
3
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................................... 19
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 3
1 INLEIDING 1.1 Algemeen Voorliggend rapport betreft het toetsen van de milieuaspecten voor het realiseren van 67 woningen/appartementen op het terrein aan de Prins Bernhardstraat 40 te Roermond. De gemeente Roermond is in principe bereid1 aan dit project medewerking te verlenen, mits het niet op milieurelevante bezwaren stuit.
1.2 Doelstelling Doel van het project is de transformatie van het industriële gebouw de ‘Eiermijn’ naar woningen/appartementen, het realiseren van woningen en een kleine commerciële ruimte op het omliggende terrein. De topografische ligging van de locatie is in de onderstaande afbeelding weergegeven.
locatie
Afbeelding 1: topografische ligging
1 Instemming principeverzoek (kenm. 40572-2019, d.d. 3-9-2019, verzonden 4-9-2019)
(bron: opentopo)
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 4
1.3 Omgeving In de directe omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen. De nog aanwezige bedrijfsterreinen, binnen het bestemmingsplan ‘Roermondse veld’ worden gefaseerd herontwikkeld tot woongebieden. In afbeelding 2 is de entree van het industriële complex weergegeven.
Afbeelding 2: Foto locatie
(bron: Google Streetview)
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 5
2 MILIEU-ASPECTEN In dit hoofdstuk worden de milieuaspecten beschreven, die als haalbaarheidstoetsing fungeren. In de navolgende paragrafen worden de relevante aspecten benoemd en omschreven, waaruit een conclusie zal worden samengesteld.
2.1 Bodem Aangezien voorgenomen ontwikkeling een bodemroerende activiteit omvat, wordt een bodemonderzoek nodig geacht. In onderstaande afbeelding is het onderzochte gebied en de locatie aangegeven.
locatie
Afbeelding 3: kaart omgevingsrapport
(bron: Bodemloket)
In 2019 heeft Milieutechniek ZVS Eemnes BV een verkennend bodemonderzoek (BO19041, d.d. 27 maart 2019) uitgevoerd op de Prins Bernhardstraat 40 te Roermond. Deze rapportage is in het kader van een principe verzoek beoordeeld door de gemeente Roermond (zaaknummer 40572-20019, d.d. 22 juli 2019). Uit de beoordeling blijkt dat in 2008 een grote brand en in 2018 een kleinere brand heeft gewoed in de kelder van het pand niet is vermeld in het vooronderzoek. Bij brief (kenm. JM/53br20/22241) heeft Milieutechniek ZVS Eemnes BV op10 juli 2020 een addendum opgesteld, behorende bij dit onderzoek. In het addendum is de brand meegenomen , beoordeeld aan de hand van de uitgevoerde inspanning en is men tot de conclusie gekomen dat de brand de bovengrond niet negatief heeft belast.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 6
De lokaal aanwezige sterke verontreiniging met olie dient te worden gesaneerd. Hiertoe zal een Plan van Aanpak overgelegd te worden voor de uitvoering van de bodemsanering, dat ten minste één maand voor aanvang werkzaamheden wordt overgelegd bij de gemeente. Conclusie Uit het bovenstaande is aannemelijk dat bodem geen onoverkomelijke belemmering vormt voor het project.
2.2 Wet geluidhinder In het kader van de goede ruimtelijke ordening moet bij ontwikkelingen in de omgeving van drukke doorgaande wegen een zorgvuldige afweging met betrekking tot o.m. wegverkeers-, vliegverkeers- en industrielawaai plaatsvinden. Wegverkeer Een onderzoek voor het project is noodzakelijk omdat het bouwplan gelegen is binnen de geluidzone van de Koninginnelaan en de spoorlijn Venlo-Maastricht. Als gevolg hiervan dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Dit onderzoek (kenm. 20.415-FB.wr-1) is uitgevoerd en separaat bijgevoegd. Uit de resultaten van de berekeningen, naar de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Koninginnelaan, blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de nieuwbouwwoningen ter hoogte van een aantal noordwest-, noordoost- en zuidoostgevels wordt overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 64 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt ter hoogte van de noordoostgevel van de appartementen en ter hoogte van de noordoostgevel de Loftwoningen ter hoogte van de onderste woonlaag overschreden. Voor deze gevels dient een hogere grenswaarde te worden vastgesteld. Daar waar de maximaal te ontheffen waarde wordt overschreden dienen geen geluidgevoelige ruimtes te worden geprojecteerd, dan wel dienen de gevels ‘doof’ uitgevoerd te worden.
Railverkeer Uit de resultaten van de berekeningen naar de geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer, blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 55 dB bij de levensloopbestendige atelierwoningen (noordwest- en noordoostgevel) en bij de appartementen (zuidoostgevel) worden overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 66 dB wordt niet overschreden. Voor deze gevels dient een hogere grenswaarde te worden vastgesteld. Vliegverkeer De locatie ligt niet binnen de invloedsfeer van Eindhoven Airport of Maastricht Aachen Airport. Industrielawaai De locatie ligt niet binnen de invloedsfeer van een nabij gelegen bedrijf. Conclusie Uit het bovenstaande is aannemelijk dat geluid geen belemmering vormt voor het project.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 7
2.3 Bedrijven en milieuzonering Op basis van het Bestemmingsplan Roermondse Veld is geïnventariseerd wat er in de omgeving aan bedrijvigheid mogelijk is. In de omgeving bevinden zich de volgende bedrijven: 1. Bedrijfslocatie (Prins Bernhardstraat 43) 2. Opvanglocatie (Spoorlaan Zuid 29 A) In de handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG, editie 2009, Sdu Uitgevers BV, Den Haag) zijn richtafstanden opgenomen voor diverse bedrijfstypering. Deze richtafstand hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’, gebaseerd op gemiddeld moderne bedrijfsactiviteiten. Hierbij is de omgeving van de locatie aan te merken als ‘gemengd gebied’, In tabel 1 zijn de richtafstanden aangegeven voor gemengd gebied en de werkelijke afstand tussen het bestemmingsvlak van de nabijgelegen functie en het bouwvlak binnen het plangebied. Tabel 1: richtafstanden bij gemengd gebied (in m)
nr
bestemming
1 2
max. milieucategorie 2 maatschappelijk
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
0 0
0 0
10 0
0 0
Max. afstand 10m 0m
Uit tabel 1 blijkt dat voor alle locaties wordt voldaan wordt aan de richtafstanden in een gemengd gebied. Hierbij wordt opgemerkt dat de bedrijfslocatie aan de Prins Bernhardstraat 43 in de stedenbouwkundige visie is meegenomen als ontwikkellocatie. Er is momenteel geen bedrijvigheid meer aanwezig. Conclusie Het project vormt geen belemmering voor de aanwezige bedrijven.
2.4 Wet Luchtkwaliteit Van toepassing is de Wet luchtkwaliteit. Getoetst is of het project zelf, al niet in betekenende mate, bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zoals gesteld in het Besluit ‘niet in betekende mate’ (NIBM). Sinds 1 augustus 2009 is de Nationaal Samenwerking Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Hierin is opgenomen dat een project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging als 3% van de jaargemiddeldegrenswaarde niet wordt overschreden. Voor de luchtkwaliteit maatgevende stoffen “fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2)”, komt dit overeen met een bijdrage aan de jaargemiddeldeconcentratie van 1,2 ug/m³. Voor ontwikkelingen die een NIBM-bijdrage leveren aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen vormt de Wet luchtkwaliteit geen belemmering In de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen ” wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwplan op de luchtkwaliteit, valt onder het begrip 'niet in betekenende mate'. De bijlage van deze regeling geeft een duidelijke grens voor een aantal gevallen. Zo geldt bij één ontsluitingsweg het aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrageneutraal) of 100.000 m² kantoren.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 8
Het project omvat toevoeging van 67 woningen/appartementen en ligt niet in de nabijheid (invloedsfeer) van autosnelwegen. Gezien de beperkte toevoeging van het aantal woningen/appartementen draagt het project NIBM bij. In het kader van het NSL is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool2 ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie tot en met het jaar 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. De volgende afbeeldingen geven de resultaten van de monitoringstool voor de stoffen PM10 en NO2 voor het jaar 2030 weer.
locatie
locatie
Afbeelding 4/5: concentraties NO2 (links) en PM10 (rechts) voor het jaar 2030
Conclusie Ter plaatse van de locatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat en vormt het project geen belemmering (NIBM) voor de luchtkwaliteit.
2.5 Wet natuurbescherming gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het project zelf ligt in stedelijk gebied. Normaliter moet ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. 2 https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 9
De Rijksoverheid heeft in januari 2020 de 'Handreiking woningbouw en Aerius' uitgebracht. De algemene conclusie is dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar is. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de andere gevallen op kortere afstand van een Natura 2000-gebied en/of voor de bouw van meer woningen waarbij de depositie mogelijk hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar is alsnog een AERIUS berekening nodig. Voor het onderhavig project is door Kragten een stikstofdepositieonderzoek (kenm. WND687 , d.d. 16-11-2020) uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie in beide situaties niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het onderhavige plan zal daarmee geen relevante significante cumulatieve effecten veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming is door Blom Ecologie een Quick scan Wet natuurbescherming uitgevoerd (kenm. BE/2020/421/r, d.d. 19-11-2020)). De uitkomst van dit onderzoek is als volgt: ‘De planlocatie vervult mogelijk een functie voor vleermuizen.
Tevens is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.` Het verbouwen van de Eiermijn, saneren van bijgebouw 1 en 2 en de realisatie van woningen in en rondom de Eiermijn aan de Prins Bernhardstraat 40 te Roermond zijn uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Conclusie De Wet natuurbescherming vormt vooralsnog geen belemmering voor het project. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt nog uitgevoerd. Dientengevolge zijn reeds, uit voorzorg, mitigerende maatregelen genomen.
2.6 Archeologie en cultuurhistorie In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de specifieke waarden van het plangebied.
2.6.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet (2016). In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 10
beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische beleidskaart. Ter plaatse geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', welke mede zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Voor het gebied geldt dat alleen in het kader van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Voor nieuwe bebouwing geldt een onderzoeksplicht, indien deze dieper dan 40 cm reiken of waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m². In het bureauonderzoek (Geonius, MA 150002.28) van het westelijk ontwikkelde woongebied wordt geconcludeerd dat het zeer aannemelijk is dat de bodem ter plaatse sterk is verstoord en daarmee de archeologisch verwachtingswaarde laag is. Er kan niet worden uitgesloten dat in het plangebied archeologische resten kunnen worden gevonden, maar er bevinden zich geen bekende archeologische waarden. Voor alle situaties geldt dat in het geval archeologische sporen, die tijdens de uitvoeringsfase van de sloop-, bouw-, sanerings- of graafwerkzaamheden aan het licht komen, binnen de wettelijke meldplicht (art. 5.10 Erfgoedwet) vallen.
2.6.2 Cultuurhistorie Roermond is een stad met een rijke geschiedenis, met vele gebouwen die nog herinneren aan dat verleden. Roermond vindt het belangrijk om goed te zorgen voor deze monumenten, zodat ook de volgende generaties hiervan kunnen genieten. Daarom gelden voor monumenten strengere regels met betrekking tot planvorming en verbouwen. De gemeente Roermond heeft vele Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Dit zijn onder andere kerken, (voormalig) boerderijen, restanten van de stadsmuur, maar ook woningen. De locatie staat niet genoemd op de (gemeentelijke) monumentenlijst. De Prins Bernhardstraat 43 (vml Kampinafabriek) is het dichtsbij gelegen gemeentelijk monument. De locatie en diens omgeving is in de stedenbouwkundige visie meegenomen als ontwikkellocatie en daarmee wordt met de transformatie geen afbreuk gedaan aan het industriële erfgoed én de omgeving hiervan. Conclusie: Het project beïnvloedt geen archeologische of cultuurhistorische waarden.
2.7 Watertoets In het kader van de planvorming voor de Eiermijn is onderzocht hoe met het water binnen het plangebied kan worden omgegaan. In het kader van de ruimtelijke procedure dient een watertoets te worden opgesteld, waarmee het aspect water expliciet in de planvorming wordt meegenomen. Het project omvat verdere verharding van het plangebied en is nog niet definitieve invulling van de terreininrichting (verharding) bekend. In de volgende tabel is vergelijk gemaakt van de huidige en toekomstige situatie, waarbij de tekening van het principeverzoek is gehanteerd.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 11 Tabel : overzicht
Omschrijving Bebouwing Verharding (globaal) Onverhard Totaal
Bestaand 4.305 m² 6.850 m² 284 m² 11.439 m²
Toekomstig 5.095 m² 3.014 m² 3.330 m² 11.439 m²
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat een afname van verhard oppervlak plaatsvindt. Het terrein aan de noordzijde wordt zeer waarschijnlijk opgehoogd tot hetzelfde niveau als de Prins Bernhardstraat. Onder zowel de appartementen als de woningen worden geen nieuwe kelders aangelegd. Drooglegging Verwacht wordt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) op een diepte van circa 20 m +NAP zit (circa 6,5 m-mv). Aan de eisen in het kader van de drooglegging (minimaal 0,5 meter ten opzichte van bouwpeil en 0,7 meter ten opzichte van het wegpeil) wordt ruim voldaan. Gezien de grondwaterstand en het feit dat geen nieuwe kelders worden aangelegd, is de invloed op de grondwaterstroming nihil. Bergingsopgave Vanuit het waterbeleid geldt de eis dat een neerslaggebeurtenis van 50 mm geborgen dient te worden. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. De initiatiefnemer wenst het hemelwater te ontkoppelen voor de nieuwe woningen, waarvoor de bergingsopgave (790 m2 * 0,050 m) = 39,5 m³ bedraagt. De bestaande bebouwing behoudt de huidige afvoer op het gemeentelijk riool. Daarvoor gaan we uit van een bui09 uit de Leidraad Riolering. Deze heeft een piekintensiteit van 160 l/s/ha. Bij deze bui wordt dan in totaal (4.305 m2 * 160 l/s/ha =) 68,9 l/s op de piek van de bui op het gemeentelijk riool geloosd.
Afvalwater Het DWA-riool van het plangebied wordt aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel van de gemeente Roermond. Hemelwater De initiatiefnemer heeft vooralsnog de voorkeur uitgesproken om het hemelwater van de nieuwe woningen middels zogenaamde ‘watershells’ onder de verharding (parkeerterrein) te laten infiltreren. Daarnaast zijn er ook mogelijkheden om de openbare ruimte in het plan multifunctioneel in te richten zodat de berging van water hier ook een plaats kan krijgen, bijvoorbeeld een wadi. Hierdoor kan in geval van extreme regenbui een overloop in het centraal gelegen ‘park’ worden gecreëerd. Bij de uitwerking van de bouwaanvraag en terreininrichting zal de keuze voor een definitief systeem moeten worden uitgewerkt.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 12
Waterschap Limburg In de keur staat het lozen van hemelwater afkomstig van een verhard oppervlak in een oppervlaktewater centraal. Dit is niet zonder meer toegestaan. Als het hemelwater afkomstig van een verhard oppervlak niet wordt geloosd op een oppervlaktewater, geldt de zorgplicht en is geen vergunning benodigd. Conclusie: Het aspect water staat de planvorming voor de ontwikkeling van de Eiermijn niet in de weg.
2.8 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen van personen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Voorts dient in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1 Wro) ook getoetst te worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Risiconormering Binnen de beleidskaders voor de drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 13
groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Beschouwing risicobronnen In de directe omgeving van het plan is een spoor aanwezig, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de volgende afbeelding treft u een fragment van de risicokaart aan.
locatie
Afbeelding 8: fragment risicokaart
(bron: risicokaart Nederland)
Separaat bijgevoegd is een QRA berekening (TOP Consultants; kenm. R0200029aaA0) opgenomen, waaruit blijkt dat; “het groepsrisico niet toeneemt als gevolg van de plannen. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is wel sprake van een overschrijving van de oriëntatiewaarde met maximaal een factor 5,4.” Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van het spoor waarvan een toxische wolk als gevolg van een calamiteit kan ontstaan, is hieronder een beperkte verantwoording opgenomen. Scenario’s BLEVE Het grootste risico vormt een BLEVE. De BLEVE is een extreem gevaarlijke en bijzondere soort van explosie waarbij een houder met vloeistof onder druk bezwijkt, dit een plotselinge "kook" van de vloeistof veroorzaakt, hierdoor in zeer korte tijd zeer veel vloeistof verdampt en als gevolg hiervan een grote overdruk ontstaat die de houder volledig "opblaast. Onderscheid kan gemaakt worden tussen koude BLEVE's en warme BLEVE's. Een warme BLEVE kan ontstaan wanneer een drukvat wordt opgewarmd, waardoor de dampdruk boven de vloeistof in het drukvat toeneemt. Door de verhoogde temperatuur kan de sterkte van het drukvat afnemen. Wanneer de dampdruk de bezwijkdruk van het drukvat overschrijdt, zal de tank openscheuren, waarna het
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 14
plotselinge kookproces zoals hierboven beschreven zal optreden. Van een koude BLEVE is sprake wanneer het drukvat bezwijkt door een andere oorzaak dan verhoogde temperatuur (bijvoorbeeld mechanische impact). Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 100 meter ten oosten van de spoorlijn SittardRoermond. Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet Spoor (route 50). Over deze spoorlijn vindt structureel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Uit het Basisnet blijkt dat op het baanvak van de lijn Sittard-Roermond een PR 10-6 - risicocontour geldt van 10 meter. De PR 10-6-risicocontour reikt derhalve niet tot aan het plangebied. Het invloedsgebied is echter wel ruimschoots over het plangebied gelegen. Op basis van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid is het noordelijk deel van het plangebied gelegen in zone II (zie afbeelding), het BLEVE aandachtgebied van 30 tot 200 meter van de transportas. Het zuidelijk deel van het plangebied gelegen in zone III.
Afbeelding 9: zone indeling A73 en spoor
(bron: gemeentelijk extern veiligheidsbeleid)
In de volgende tabellen wordt het planologisch kader voor het betreffende gebied op basis van de gemeentelijke beleidsvisie weergegeven. De aftakking van de hiervoor beschreven spoorlijn, die op enige afstand aan de oost- en zuidzijde langs het plangebied voert en in de richting van Duitsland gaat, is niet in het Basisnet opgenomen. Over deze spoorlijn vinden geen transporten met gevaarlijke stoffen plaats.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 15
Het plangebied wordt afgeschermd door bestaande bebouwing (MOV) en is met de inrichting van het plangebied rekening gehouden om in zone II woningen met een lage personendichtheid te realiseren. In deze zone zijn 9 levensloopbestendige en 10 patiowoningen aanwezig. Aangezien het beoogde plan deels is gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn en binnen een afstand van 200 meter van de spoorlijn is door TOP-Consultants een risicoberekening (kenm. R0200029aaA0) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het groepsrisico niet toe neemt, als gevolg van de plannen. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is wel sprake van een overschrijving van de oriëntatiewaarde met maximaal een factor 5,4. De gemeente dient invulling te geven aan de verantwoordingsplicht.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 16
In zone III zijn appartementen, kantoren en patiowoningen aanwezig, welke verkeerskundig goed bereikbaar zijn. Toxische wolk Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wort verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de vrijgekomen stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxisch wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxisch wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed.
Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 17
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing. Schuilen als een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van de energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Vluchten zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario BLEVE te overleven. In de eerste paar minuten van een calamiteit is het van belang dat personen in het gebied zichzelf in veiligheid kunnen brengen Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.
Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Roermond beschikt over de Visie externe veiligheid Roermond, welke op 10 juni 2010 door de gemeenteraad van Roermond vastgesteld. Deel C: Externe veiligheid in uitvoering bevat het verantwoordingskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Hieraan is in deze paragraaf invulling gegeven. Conclusie: Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. De veiligheidsregio dient, gezien de overschrijding van de oriëntatiewaarde, om nader advies te worden gevraagd ten aanzien de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een mogelijke ramp.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 18
2.9 Geurhinder veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij schrijft voor, dat geurgevoelige objecten niet binnen de geurcontouren van bestaande veehouderijen gebouwd mogen worden. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse veehouderijen gevestigd, welke een planologische belemmering voor de ontwikkeling kunnen vormen. De functie Maatschappelijk wijzigt niet, maar het initiatief omvat een beperkte uitbreiding buiten het bestaande bouwvlak. Conclusie Vanuit het deelaspect ‘cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen’ zijn geen belemmeringen aanwezig voor het initiatief.
2.10 Overige aspecten Spuitzone Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen. Als richtwaarde wordt 50 meter aangehouden. In de directe nabijheid van het initiatief is geen sprake van bomenteelt of hiermee te vergelijken activiteiten. Er is voor het plan geen sprake van een aanwezige spuitzone. Hoogspanningslijnen In de omgeving, ten noorden, van het plangebied bevinden zich hoogspanningslijnen. Gezien de afstand tot het plangebied (ca. 1 km) heeft dit geen invloed op de ontwikkeling en leidt niet tot een belemmering. Conclusie Er is geen sprake van een belemmering voor het initiatief c.q. schade voor de volksgezondheid van de toekomstige bezoekers.
2.11 Mer-beoordeling Mer-beoordeling De ontwikkeling is getoetst aan het Besluit Mer. Het realiseren van woningen/appartementen valt mogelijk onder categorie D.11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van de bijlage onder D van het Besluit mer. Aangezien het om een beperkt aantal woningen/appartementen gaat, zijnde transformatie van industrie naar wonen, is in dit geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit Mer.
datum: 26-8-2021 Kenmerk: 20.415-WRO.02 pagina: 19
3 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Uit de toetsing van de verschillende milieuaspecten, blijkt dat er vanuit milieutechnisch oogpunt geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten zijn voor het realiseren van 67 woningen op het terrein van de voormalige Eiermijn.
Verkennend bodemonderzoek aan de Prins Bernhardstraat 40 te Roermond
Opdrachtgever
:
Contactpersoon :
Van de Steeg BV Wesselseweg 23 3771 PA BARNEVELD
Tel
:
Prinsen Advies De heer G.G. Prinsen 033-2580025
Projectnummer Datum
: :
BO19041 27 maart 2019
Milieutechniek ZVS Eemnes BV Postbus 49 Noordersingel 22 3755 ZG EEMNES 3755 EZ EEMNES Tel : 035-5387986 E-mail : info@zvs.nl Website : www.zvs.nl
BO19041
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
Projectnummer
:
BO19041
Locatie
:
Prins Bernhardstraat 40 6043 BH ROERMOND
Opgesteld door
:
Milieutechniek ZVS Eemnes BV Postbus 49 3755 ZG EEMNES
Rapportstatus
Definitief Naam
Functie
Opgesteld
Ing. J.M. Heus
Projectleider
27-03-2019
Gecontroleerd
A.W.S. Verdonk, MSc.,
Projectleider
27-03-2019
Vrijgegeven
Drs. A.G. Focke
Bedrijfsleider
27-03-2019
27 maart 2019
Handtekening
Datum
2
BO19041
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
INHOUD
bladzijde
1
INLEIDING
4
2
VOORONDERZOEK 2.1 Locatiebeschrijving 2.2 Bodeminformatie 2.3 Bodeminformatie omgeving 2.4 Geohydrologische situatie 2.5 Conclusie vooronderzoek
5 5 5 6 7 7
3
ONDERZOEKSOPZET
8
4
ONDERZOEKSMETHODE 4.1 Veldwerk 4.2 Chemisch laboratoriumonderzoek
9 9 9
5
RESULTATEN 5.1 Richtwaarden 5.2 Zintuiglijk 5.3 Grond NEN 5740 5.4 Grondwater
10 10 11 11 13
6
MILIEUHYGIENISCHE KWALITEIT VAN DE BODEM
14
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
15
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Onderzoekslocatie Meetpunten Bodemprofielen Toetsingen Analysecertificaten Bodeminformatie
27 maart 2019
3
BO19041
1
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
INLEIDING In opdracht van Van de Steeg BV heeft Milieutechniek ZVS Eemnes BV in de periode februari – maart 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Prins Bernhardstraat 40 te Roermond. Dit onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van het perceel. Doel van het onderzoek is de grond- en grondwaterkwaliteit op de onderzoekslocatie vast te leggen, teneinde inzicht te verkrijgen of er sprake is van bodemverontreiniging en zo ja, met welke parameters grond en grondwater zijn verontreinigd en of dit een belemmering vormt voor de afgifte van een omgevingsvergunning. In tabel 1 is aangegeven welk bedrijf heeft zorggedragen voor de opzet en uitvoering van het onderzoek conform de normen. Tabel 1:
Bedrijf opzet en uitvoering
Norm
Bedrijf opzet
Protocol
Bedrijf uitvoering (gecertificeerd en erkend )
NEN 5740 1)
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
2001
Marvin BV Milieutechniek
2002
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
NEN 5707 2)
Marvin BV Milieutechniek
2018
vervallen
NTA 5755 3)
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
2001
Marvin BV Milieutechniek
1 2 3
NEN 5740+A1, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (april 2016); NEN 5707+C1, Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (augustus 2016); NTA 5755, Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek - Onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging (juli 2010).
De chemische analyses zijn uitgevoerd in het, door de Raad van Accreditatie geaccrediteerde, milieulaboratorium van Eurofins Analytico BV te Barneveld. Interpretatie van de chemische analyses is gedaan aan de hand van de Wet Bodembescherming, Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit (1 januari 2015). Getoetst is aan de hand van de Bodem Toets en Validatieservice (kortweg: BoToVa). Daarnaast is gestreefd naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek, het blijft echter toch mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Zowel Milieutechniek ZVS Eemnes BV als Marvin BV Milieutechniek verklaren dat de werkzaamheden volledig onafhankelijk zijn uitgevoerd. Zij hebben geen enkel belang bij de uitslag van het bodemonderzoek. In het navolgende hoofdstuk worden ten aanzien van voornoemde locatie de gegevens van het vooronderzoek beschreven. Hoofdstuk 3 omvat de hypothese van het onderzoek. De hieruit volgende bemonsteringsstrategie wordt in hoofdstuk 4 nader toegelicht. In hoofdstuk 5 worden de analyseresultaten gepresenteerd, welke in het navolgende hoofdstuk worden besproken.
Aan de hand van de voorgaande hoofdstukken worden in hoofdstuk 7 uiteindelijk de conclusie(s) en aanbevelingen gegeven omtrent de onderzochte locatie.
27 maart 2019
4
BO19041
2
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
VOORONDERZOEK 2.1
Locatiebeschrijving
De onderzoekslocatie aan de Prins Bernhardstraat 40 is kadastraal bekend in de gemeente Roermond onder sectie B en nummer 6479. De regionale situatie is weergegeven in bijlage 1. Het perceel heeft een oppervlak van 11.439 m² en is omschreven als ‘bedrijvigheid (industrie), erftuin’. Er zijn geen beperkingen bekend in de Basisregistratie Kadaster of in de Landelijke Voorziening WKPB (bron: Kadaster). De onderzoekslocatie is voorzien van bedrijfsbebouwing, welke omstreeks 1952 is gebouwd. Het perceel werd gebruikt voor voornamelijk opslag, verwerking en controle van eieren en eierproducten door de Coöperatie Roermondse Eiermijn. Daarbij is tevens sprake (geweest) van opslag in ondergrondse brandstoftanks mogelijk ten behoeve van een benzine-service-station met autowasserij. Vanaf 1973 is het gebouw in gebruik genomen door Kena Tuindecor, die er een showroom en opslagplaats hadden van tuinartikelen. Aan de westzijde van de locatie is een garage (autostalling) aanwezig. Deze is omstreeks 1956 gebrouwd. Ter plaatse is een brandstofinstallatie van Shell aanwezig geweest, bestaande uit twee ondergrondse brandstoftanks en een pompinstallatie. Ook is er een wasplaats aanwezig geweest. Het is niet bekend wanneer de brandstofinstallatie is gesaneerd. Het pand is onderkelderd. Delen van het pand worden momenteel aan derden verhuurd en zijn niet bodembedreigend.
Het buitenterrein is grotendeels met klinkers verhard en wordt gebruikt voor parkeren. 2.2
Bodeminformatie
Via de Website van de gemeente Roermond is een bodemrapportage opgevraagd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 6. In navolging van de bodemrapportage zijn de onderzoekrapportages opgevraagd. Resumé Op de Prins Bernhardstraat 40 zijn een tweetal onderzoeken op een deel van de locatie uitgevoerd: - Verkennend bodemonderzoek aan de Koninginnelaan ong., Kanters Adviesgroep Asten, 687R001, d.d. 21 augustus 1995; Onderzocht is 1950 m² met klinkers verhard terrein aan de noordzijde van het perceel welke dienst deed als laad- en loskuil voor vrachtwagens op een industrieterrein. Het onderzoek vond plaats vanwege de voorgenomen aanleg van een parkeergarage. Gedurende het onderzoek bleken boven- en ondergrond niet verontreinigd met de componenten uit het toenmalig NVN-pakket. Het grondwater (3,29 m-mv) bleek licht verontreinigd met chroom; - Nulsituatie-bodemonderzoek aan de Prins Bernhardstraat 40, Econsultancy BV, 07031238, d.d. 27 april 2007. Onderzocht is een gedeelte van het perceel tussen het bedrijfsgebouw en de garage. Dit deel van het terrein zijn ondergrondse tanks en een pompinstallatie van Shell Nederland aanwezig geweest. De opdrachtgever was voornemens om een wasstraat met -boxen alsmede een olie-afscheider te realiseren. Hiervoor zijn de afzonderlijke deellocaties onderzocht. In de grond is bijmenging met puin, kolengruis en gemalen eierschalen aangetroffen.
27 maart 2019
5
BO19041
-
2.3
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
De grond bleek licht verontreinigd met PAK of koper. Ter hoogte van de voormalige afleverinstallatie is een sterk verhoogd gehalte met minerale olie (17.000 µg/kg ds) in de ondergrond (1,5-2,0 m-mv) vastgesteld. Tevens werden lichte verhogingen aan ethylbenzeen (0,08 mg/kg ds) en xylenen (0,26 mg/kg ds) aangetroffen. Geadviseerd werd om de olieverontreiniging nader te onderzoeken. Bodeminformatie omgeving
Het zuidwestelijk belendende inmiddels braakliggende perceel aan de Prins Bernhardstraat 44-48 is diverse malen onderzocht: - Verkennend bodemonderzoek aan de Prins Bernhardstraat 46-48, Krachtwerktuigen, d.d. juni 1994, 343.02/94.0617. - Verkennend bodemonderzoek aan de Prins Bernhardstraat 44-48, Kragten, BOD 99.080, d.d. 22 juni 1999; - Actualiserend bodemonderzoek aan de Prins Bernhardstraat 44-48, Kragten, BOD.08.108, d.d. 27 juni 2008 - Verkennend en nader bodemonderzoek Prins Bernhardstraat 46-48, Geonius BV, B130290.R01, d.d. 7 juli 2014. - Verkennend bodemonderzoek ten behoeve van herontwikkeling voormalig Campina terrein, Geonius Milieu BV, MA180321.R01, d.d. 18 juli 2018. De bodem blijkt over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie. Plaatselijk is een matige verontreiniging met PCB aangetroffen. Zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond in de bodem of bouwstof. Het noordwestelijk belendende perceel is eveneens onderzocht: - Verkennend en aanvullend bodemonderzoek aan de Prins Bernhardstraat, Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs BV, 201001-48-17, d.d. 13 september 2010. De locatie is heterogeen sterk verontreinigd bevonden.
Ook zijn onderzoeken uitgevoerd op het wegtracé Koninginnelaan, de Kruising Koninginnelaan Prins Bernhardstraat (noordoostelijk) alsmede het zuidwestelijk op afstand gelegen NSemplacement: - Milieukundig en civieltechnisch bodemonderzoek Koninginnelaan en Bredeweg tot Zwartbroektunnel, Grontmij Advies en Techniek BV, 32.0127.1, d.d. 22 augustus 2000; - Nader bodemonderzoek op het NS-emplacement, Syncera BV, 227010, d.d. 25 januari 2007. - Verkennend bodemonderzoek, kruispunt Koninginnelaan- Prins Bernhardstraat, Aeres Milieu BV, AM17077, d.d. 17 april 2017. Op het terrein van Campina Melkunie BV aan de Prins Bernhardstraat 43 zuidelijk van de Prins Bernhardstraat gelegen perceel zijn de volgende onderzoeken verricht: - Verkennend bodemonderzoek bedrijfsterrein Campina, Ingenieursbureau Oranjewoud, 553048235, d.d. oktober 1993; - Aanvullend bodemonderzoek op het bedrijfsterrein aan de Prins Bernhardstraat 43, Krachtwerktuigen, 0343.00/95.0248-B/HBE/kl, d.d. januari 1995 In bijlage 6 is in de tekening aangegeven waar welke onderzoeken hebben plaatsgevonden.
27 maart 2019
6
BO19041
2.4
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
Geohydrologische situatie
De gegevens omtrent de ondergrond zijn verkregen uit eerder uitgevoerde onderzoeken en de Grondwaterkaart van Nederland van de Dienst Grondwater van TNO. De locatie ligt op circa 26,8 meter boven NAP. De schematische voorstelling van de bodemopbouw is weergegeven in tabel 2. Tabel 2:
Schematische voorstelling van de regionale bodemopbouw
Pakket
Diepte (m - NAP)
Samenstelling
Deklaag
26,8 + tot 17 +
Overwegend fijne zanden met plaatselijke dunne leem- en
1e watervoerende pakket
17 + tot 22 -
klei-inschakelingen. Grove grindhoudende zanden, slechts weinig kleilenzen
Het grondwater wordt op circa 20 meter boven NAP verwacht (op ruim 6 meter minus maaiveld). De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk noordwestelijk gericht. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. 2.5
Conclusie vooronderzoek
Delen van de onderzoekslocatie zijn in het verleden onderzocht. Uit de documenten blijkt niet dat de gehele locatie al eens is onderzocht. Ter hoogte van de laad- en loskuil, noordwestelijk van de bedrijfsbebouwing, zijn in 1995 in de grond geen verontreinigingen aangetoond van de destijds onderzochte parameters. Het grondwater op dit deel van het perceel is gepeild op 3,3 m-mv en bleek licht verontreinigd met chroom. Vanwege de laad- en losactiviteiten is op het noordelijk terreindeel het maaiveld beduidend lager gelegen. Op het resterende terrein is het grondwater dieper aanwezig dan 5 meter minus maaiveld en hoeft deze conform de richtlijnen niet te worden onderzocht. In 2007 is tussen het bedrijfspand en de garages de grond over het algemeen licht verontreinigd bevonden met PAK of koper. In de ondergrond (1,5-2,0 m-mv) ter hoogte de (voormalig) afleverinstallatie is een sterke verontreiniging met minerale olie aangetroffen. De omvang van deze brandstofverontreiniging is destijds niet vastgesteld. De verontreiniging dient te worden geactualiseerd door ter hoogte van voormalige boring C1 de mate van verontreiniging (opnieuw) vast te stellen en verticaal te begrenzen. Het grondwater wordt verwacht op ruim 6 meter diepte. Onbekend is hoe diep de verontreiniging voorkomt. Vooralsnog wordt verwacht dat de verontreiniging het grondwater niet heeft bereikt.
Monstername op circa 5 meter diepte middels een steekbus dient deze aanname te bevestigen. Tevens dient deze in navolging van het advies uit 2007 in horizontale richting te worden afgeperkt. Hiervoor zullen boringen op circa 7 meter afstand uitpandig en derhalve in de drie windrichtingen worden uitgevoerd. De onderzoeksvraag op basis van bovenstaande conceptueel model: Wat is de omvang van de verontreiniging met minerale olie? In het verleden is tevens sprake geweest van opslag van benzine en diesel in en tweetal 6.000 liter tanks. Informatie over de tanksanering en bodemgesteldheid aldaar ontbreekt. De voormalige bijeen gelegen tanks worden als verdachte deellocatie aangemerkt en onderzocht conform de strategie VEP-OO. Het vulpunt en de ontluchting zijn niet meer aanwezig. Deze deellocaties worden niet onderzocht. Verwacht wordt in de grond bijmenging met onder andere puin voorkomt. Hoewel asbest op het buurperceel (Prins Bernhardstraat 44-48) met vergelijkbare bijmenging niet is aangetoond, dient
27 maart 2019
7
BO19041
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
asbest in de grond te worden uitgesloten middels een verkennend onderzoek met een onderzoeksinspanning ‘onverdachte locatie’.
3
ONDERZOEKSOPZET In tabel 3 staat de onderzoeksopzet weergegeven. Tabel 3:
Onderzoeksopzet
Deellocatie
Oppervlak
Norm
Proefgaten
Boringen tot
(strategie)
30x30x50 cm
(m-mv)
NTA5755
1 (5,0)
Peilbuis
Analyses
2
4 x MO / BTEXN
Afperken verontr.vm. afleverinstallatie
? m²
Vm. ondergrondse tanks geclusterd
12 m³
VEP-OO
3 (3,0)
2
1 x MO / BTEXN
Overig terrein
11.439 m²
NEN 5740 (ONV)
10 (0,5)
1 x 2)
2 x standaard pakket (bg)
3 (3,0)
- bebouwd oppervlak = 7.000 m²
NEN 5707 (ONV)
12
4 (2,0)
2 x standaard pakket (og)
&deellocaties
1 x standaard pakket (gw)
1)
2 x asbest in grond
1) De diepe boringen voor het onderzoek conform de NEN 5707 worden gecombineerd met een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740. 2) De peilbuis wordt geplaatst op het verlaagde terreindeel van de onderzoekslocatie. Op het resterende perceel is het grondwater dieper dan 5 m-mv. Het standaard pakket grond bestaat uit de volgende stoffen: - minerale olie; - polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 van VROM); - polychloorbifenylen (PCB); - de zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel en zink. Het standaard pakket grondwater bestaat uit: - minerale olie; - vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN) en styreen; - gechloreerde koolwaterstoffen (CKW) en chloorbenzenen; - de zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel en zink.
27 maart 2019
8
BO19041
4
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
ONDERZOEKSMETHODE 4.1
Veldwerk
Op 21 februari 2019 zijn door de heer J. Streef van Marvin BV Milieutechniek de volgende werkzaamheden uitgevoerd (conform protocol 2001): - Inspectie terrein; - Het uitvoeren van het veldwerk zoals weergegeven in tabel 3; - Het opgeboorde materiaal bemonsteren per bodemsoort in maximale trajecten van 0,5 m; - Het beschrijven van de bodemprofielen en het zintuiglijk beoordelen van het uitkomende materiaal. Afwijkingen onderzoeksopzet - Bij de uitvoering van het veldwerk is geen bijmenging met bodemvreemd materiaal aangetroffen. Vanwege het ontbreken van bijmenging is geen sprake van asbestverdachte grond. Hierdoor is het onderzoek conform de NEN 5707 komen te vervallen; - Boring 03 is in eerste instantie op de hoek van het gebouw geprojecteerd geweest. Doch deze pogingen zijn gestaakt. Derhalve is boring 03 op kortere afstand dan beoogd van boring 01 uitgevoerd. Het grondwater is op 6 maart 2019 door de heer W.T. Sukkel van Milieutechniek ZVS Eemnes gepeild en bemonsterd (conform protocol 2002). Voorts zijn van het grondwater de pH, de troebelheid en elektrische geleidbaarheid in het veld bepaald. De meetpunten zijn weergegeven in bijlage 2. De bodemprofielen staan beschreven in bijlage 3. De grondmonsters zijn afzonderlijk verpakt en geconserveerd, waarna ze naar het laboratorium zijn gebracht. Het samenstellen van de mengmonsters is uitgevoerd door het laboratorium. 4.2
Chemisch laboratoriumonderzoek
In totaal zijn 7 grond(meng)monsters, 3 steekmonsters en is 1 grondwatermonster ter analyse aangeboden aan het laboratorium. De analyses zoals weergegeven in hoofdstuk 3 zijn uitgevoerd, met in achtneming van de navolgende afwijkingen. Afwijkingen onderzoeksopzet - Bij de uitvoering van het veldwerk is geen bijmenging met bodemvreemd materiaal aangetroffen. Vanwege het ontbreken van bijmenging is geen sprake is van asbestverdachte grond. Hierdoor zijn de analyses conform de NEN 5707 komen te vervallen. - Bij samenstellen van mengmonsters van de bovengrond is het terrein opgedeeld in noord, midden en zuid. Hierdoor is één mengmonster op een standaard pakket meer in analyse gezet dan de onderzoeksstrategie voorschrijft; - Gezien de zintuiglijke waarnemingen zijn eerst de zintuiglijk verontreinigde grondmonsters van boring 01 en 03 én is van boring 01 tevens het zintuiglijke schone monster onder de verontreinigde laag in analyse gezet; - Gezien de zintuiglijke waarneming in boring 05 is ter hoogte van de voormalige ondergrondse tanks een analyse op minerale olie extra in analyse gezet; - Omdat niet alle grond middels een steekbus is bemonsterd, zijn in eerste instantie 3 steekmonsters op minerale olie en BTEXN geanalyseerd en twee andere trajecten enkel op minerale olie. Dit is een wijziging op de opzet.
27 maart 2019
9
BO19041
5
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
RESULTATEN De analyseresultaten zijn verkregen op certificaatnummers zoals weergegeven in tabel 4. Deze zijn compleet weergegeven in bijlage 5. Tabel 4:
Analysecertificaten
Analysecertificaat
Analyses
2019025769
3 x MO/BTEXN 2 x minerale olie
2019025781
5 x standaard pakket grond
2019031843
1 x Standaard pakket grondwater
Interpretatie van de chemische analyses is gedaan aan de hand van de Wet Bodembescherming, Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit (1 januari 2015). Getoetst is aan de hand van de Bodem Toets en Validatieservice (kortweg: BoToVa). De toetsing is opgenomen in bijlage 4. 5.1
Richtwaarden
Streefwaarde (S) De streefwaarden voor het grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van verwaarloosbare risico’s voor het ecosysteem en gelden als waarde waarboven wel en waaronder geen sprake is van grondwaterverontreiniging. Achtergrondwaarde (AW) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond. Interventiewaarde (I) De interventiewaarden zijn representatief voor het verontreinigingsniveau waaronder een sanering gewoonlijk niet noodzakelijk is. Bij overschrijding van deze waarde dient mogelijk een sanering te worden uitgevoerd. De noodzaak tot saneren is afhankelijk van het gehalte, de omvang van de verontreiniging, wanneer deze is ontstaan en van de risico’s die ten gevolge van de verontreiniging aanwezig zijn. Of sprake is van een ernstige bodemverontreiniging wordt bepaald in een nader onderzoek. Voor een aantal stoffen, zoals zware metalen en organische verbindingen is de toetsing afhankelijk van het gehalte aan organische stof en/of lutum in de bodem.
27 maart 2019
10
BO19041
5.2
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
Zintuiglijk
Meer dan 25% van het maaiveld is verhard (klinkers of bebouwd). De maaiveldinspectie is uitgevoerd met een 100% inspectiecoëfficiënt. Op het verharde maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het veld is in de opgeboorde grond geen bodemvreemd materiaal aangetroffen en zodoende ook geen asbestverdacht (> 20 mm) materiaal. Zintuiglijk zijn daarentegen wel ongebruikelijke geuren waargenomen. Tabel 5:
Zintuiglijke waarnemingen
Boring
Diepte boring (m -mv)
Traject (m -mv)
Grondsoort
Zintuiglijke waarnemingen
01
5,00
1,00 - 1,70
Zand
matige oliegeur
03
3,00
1,50 - 1,70
Klei
zwakke oliegeur
05
3,00
0,70 - 2,00
Klei
zwakke oliegeur
5.3
Grond NEN 5740
In tabel 6 wordt de monsterselectie gepresenteerd. Tabel 6:
Monsterselectie
Deellocatoe
Analysemonster
Traject (m -mv)
Deelmonsters
Analysepakket
Afperken 01-3 verontreiniging 01-6 afleverzuil 03-4
1,00 - 1,20
01
BTEXN + Minerale olie GC
1,70 - 2,00
01
Minerale Olie (C10-C40)
1,50 - 1,70
03
BTEXN + Minerale olie GC
Vm. OnderOGtank grondse tanks 05-3 geclusterd
2,50 - 3,00
05, 06, 07
Minerale Olie (C10-C40)
0,70 - 1,00
05
BTEXN + Minerale olie GC
Overig terrein
BG1
0,00 - 0,55
08, 09, 10, 11, 12, 13
Standaard pakket incl LUOS
BG2
0,00 - 0,55
02, 04, 14, 15, 16, 17
Standaard pakket excl. LUOS
BG3
0,05 - 0,55
18, 19, 20, 21, 22
Standaard pakket excl. LUOS
OG1
0,50 - 2,00
06, 07 (1,00 - 1,50) 09 (0,50 - 1,50) 16 (1,50 - 2,00)
Standaard pakket incl LUOS
OG2
0,50 - 2,00
12 (0,50 - 2,00) 16 (0,50 - 1,50) 20 (0,50 - 2,00)
Standaard pakket excl. LUOS
In tabel 7 staat vermeld voor welke stoffen de achtergrondwaarde of interventiewaarde wordt overschreden.
27 maart 2019
11
BO19041
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
Tabel 7:
Overschrijdingstabel grond
Analysemonster
Traject (m -mv)
Bodemtype
01-3
1,00 - 1,20
Zand
Waarneming
> Achtergrondwaarde
> Interventiewaarde
(geur)
(+index)
(+index)
Matig olie
Ethylbenzeen (0,03),
Minerale olie (2,25)
Tolueen (0,04), Xylenen (0,7) 01-6
1,70 - 2,00
Zand
-
-
-
03-4
1,50 - 1,70
Klei
Zwak olie
Minerale olie (0,55), Ethylbenzeen (-) Tolueen (0,01), Xylenen (0,24)
-
OGtank
2,50 - 3,00
Klei
-
-
-
05-3
0,70 - 1,00
Klei
Zwak olie
Minerale olie (0,04), Ethylbenzeen (-) Tolueen (-), Xylenen (0,02)
-
BG1
0,00 - 0,55
Zand
-
Kobalt (0,01)
-
BG2
0,00 - 0,55
Zand
-
Minerale olie (0,02), PAK (0,22)
-
BG3
0,05 - 0,55
Zand
-
Kobalt (0,01)
-
OG1
0,50 - 2,00
Klei
-
Kobalt (0,03), Nikkel (0,05) Koper (0,23), Zink (0,07) Cadmium (0,01), Kwik (0,01) Lood (0,28), PAK (0,25)
-
0,50 - 2,00
Zand
-
Kobalt (0,01)
-
OG2 -
: Geen overschrijding toetsingswaarden
(0,68)
: > Vml. criterium voor nader onderzoek
Index
: (GSSD - AW) / (I - AW)
(-)
: index < 0,01
In navolging van de resultaten van boringen 01 en 03 ter hoogte van de voormalige afleverzuilen alsmede boring 05 nabij de voormalige tanks zijn aanvullende analyses op minerale olie ingezet. Ook het steekmonster van de ondergrond (4,8-5,0 m-mv) van boring 1 is aanvullend geanalyseerd op minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen. Hiermee is de onderzoeksopzet gecompleteerd. De monsters bevonden zich nog in de koeling bij het laboratorium. De resultaten zijn verkregen op analysecertificaten 2019031875 en 2019040296, welke compleet zijn opgenomen in bijlage 5. In tabel 8 staat vermeld of voor minerale olie (en of aromaten) de achtergrondwaarde of interventiewaarde wordt overschreden. Tabel 8:
Overschrijdingstabel grond minerale olie
Analysemonster 1)
Traject (m -mv)
Bodemtype
01-2
0,50 - 1,00
Zand
01-5
1,50 - 1,70
Zand
01-13
4,80 - 5,00
03-3
Waarneming
> Achtergrondwaarde (+index)
> Interventiewaarde (+index)
-
Minerale olie (0,13)
-
Matig
-
Minerale olie (6,41)
zand
-
-
-
1,00 - 1,50
Zand
-
-
-
03-5
1,70 - 2,00
Klei
-
-
-
05-2
0,50 - 0,70
Zand
-
-
-
Geur
05-5 1,50 - 2,00 Klei Zwak Minerale olie (0,31) 1) Door het laboratorium is opgemerkt dat de conserveringstermijn voor minerale olie is overschreden. Dit is het gevolg van het feit dat de monsters niet direct in analyse zijn gezet doordat hiertoe pas aanleiding bestond na constatering van een overschrijding in de voorgaande analysereeks. De monsters zijn wel in het laboratorium gekoeld bewaard, maar dus niet binnen de voorgeschreven 4 dagen na monstername in analyse gezet. Wij verwachten mede op basis van de resultaten van de andere monsters hierdoor geen afwijking in het resultaat.
27 maart 2019
12
BO19041
5.4
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
Grondwater
In tabel 9 worden de veldmetingen bij de grondwaterbemonstering weergegeven. Tabel 9:
Metingen grondwater
Peilbuis
Filterdiepte (m -mv)
Grondwaterstand (m -mv)
pH (-)
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
22
4,50 - 5,50
4,17
8,2
1347
9,4
In tabel 10 staat vermeld welke overschrijdingen zijn geconstateerd in het grondwater. Tabel 10:
Overschrijdingstabel grondwater
Peilbuis
Filterdiepte (m -mv)
> Streefwaarde (+index)
> Interventiewaarde (+index)
22
4,50 - 5,50
Barium (0,03) Tetrachlooretheen (Per) (0,17)
-
-
: Geen overschrijding toetsingswaarden
Index
: (GSSD - S) / (I - S)
27 maart 2019
13
BO19041
6
Milieutechniek ZVS Eemnes BV
MILIEUHYGIENISCHE KWALITEIT VAN DE BODEM Vm afleverzuil De ondergrond van boring 01 (1,0-1,7 m-mv) is zintuiglijk matig verontreinigd met brandstof. Sterk verhoogde gehalten aan minerale olie komen voor in de analysemonsters van het traject van 1,0-1,2 m-mv en 1,5-1,7 m-mv. In het steekmonster van de laag (1,0-1,2 m-mv) komen xylen matig en ethylbenzeen en xylenen licht verhoogd voor. Het bovenliggende traject 0,5-1,0 m-mv is daarentegen licht verontreinigd met minerale olie. In zowel de analysemonsters van de lagen 1,7-2,0 m-mv en 4,8-5,0 m-mv zijn geen overschrijdingen van de richtwaarden voor de geanalyseerde brandstoffen aangetroffen. Boringen 02 en 04 zijn zintuiglijk niet verontreinigd bevonden. De ondergrond van boring 03 (1,5-1,7 m-mv) is zintuiglijk zwak verontreinigd met brandstof. Deze laag is matig met minerale olie verontreinigd. Ethylbenzeen, tolueen en xylenen komen licht verhoogd voor. Aanvullend zijn de trajecten zand (hierboven) en klei (hieronder) op minerale olie onderzocht. In beide bodemtypen dan wel trajecten zijn geen overschrijdingen van de richtwaarden voor minerale olie vastgesteld. Vm ondergrondse tanks geclusterd In de kleiige ondergrond (0,5-2,0 m-mv) van boring 05 is een zwakke oliegeur waargenomen. In het steekmonster van het traject 0,7-1,0 m-mv zijn minerale olie, ethylbenzeen, tolueen en xylenen in licht mate aangetroffen.