Bijlage 2 - Welstandsnota Roermond 2026
Tekst van het document
26
Slotbepaling Hardheidsclausule Indien een ontwerp wel past in de geest van deze welstandsnota en oplossingen presenteert, maar niet voldoet aan de letter, kan de Adviescommissie Omgevingskwaliteit het bevoegd gezag adviseren om af te wijken van de voor het bouwwerk geldende welstandscriteria. Dit advies wordt gemotiveerd.
27
Bijlagen a. Kaarten gebieden waarvoor gebiedsgerichte welstandsregels gelden en kaarten met welstandsvrije gebieden b. Gebieden met welstandsvrije huurwoningen c. Begrippenlijst
28
elstandsnota gemeente oermond er ic t gebieden pilot corporaties no ember
LEGENDA gebied pilot woningcorporaties gemeentegrens
N
Bijlage c Begrippenlijst De Welstandsnota en (mogelijk) de beoordelingen adviescommissie Omgevingskwaliteit bevatten vaak vakjargon en specifieke termen die niet voor iedereen even duidelijk zijn. Deze begrippenlijst helpt om de meest voorkomende termen toe te lichten en de tekst toegankelijk te maken voor een breed publiek, inclusief burgers, ondernemers en andere belanghebbenden. • •
• • •
• • • • • • • • •
• •
•
Aanbouw: Ondergeschikte uitbreiding ter plaatse van de begane grond aan een gevel van een gebouw, veelal aan de achter- of zijkant. Achtererfgebied: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter he t hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied. Afdak: Dak dat is aangebracht tegen de gevel van gebouw dat bedoeld is als beschutting. Amorf: Zonder herkenbare vorm. Architectentitel: De wettelijke titel architect mag uitsluitend beroepsmatig worden gevoerd als de betreffende persoon als zodanig staat geregistreerd in het architectenregister. Een geregistreerd architect heeft een erkende opleiding gevolgd en voldoet aan de beroepservarin gvereisten.
Ook moet de architect voldoen aan de wettelijke bij- en nascholingsplicht en is er een wettelijke informatieplicht tegenover opdrachtgever(s). Dit alles maakt dat de wettelijke titels in de praktijk fungeren als een keurmerk. Een wettelijke titel staat voor vakmanschap, kennis en kwaliteit. Architectonische bijzonderheden: Unieke en opvallende kenmerken en details van een gebouw of gevel. Architectonische eenheid: Als één geheel ontworpen gebouw of groep van gebouwen met een vergelijkbaar uiterlijk. Autonoom: Op zichzelf staand en met een eigen architectonische uitstraling. Balustrade: Een hekwerk of afzetting aan de rand van bijvoorbeeld een balkon, trap, daktuin, terras of brug. Band: Horizontaal accent in de gevel in afwijkend materiaal, bijvoorbeeld natuursteen of stucwerk. Beits: Middel dat in het hout trekt om van binnenuit bescherming te bieden, geheel transparant of niet-dekkend gepigmenteerd. Belendend: Naastgelegen. Bestrating: (Half)verharding in de vorm van straatstenen, tegels en dergelijke. Bijbehorend bouwwerk: Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
Biobased bouwmaterialen: Bouwmaterialen gemaakt van dierlijk materiaal of van schimmels, planten, bacteriën die ecologisch verantwoord geteeld, geoogst, gebruikt en hergebruikt worden. Biodiversiteit: Bij biodiversiteit gaat het om de afwisseling van al het leven op aarde. Dus van alle soorten planten, dieren, micro-organismen en schimmels en de variatie aan genetisch materiaal binnen al die soorten. Maar ook om de manieren waarop al die levensvormen samenleven. Bijgebouw: een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw.
• • •
Blinde muur of gevel: Muur of gevel zonder raam, deur of andere opening. Boeiboord: Opstaande kant aan de onderkant van een dakoverstek of langs een dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Borstwering: Dichte, lage muur tussen vloer en onderzijde venster of verhoging van de buitenmuren boven de zolderbalken, waarop de muurplaat en het dak rust.
• • • • • • •
• • • • • • • • • • • • • • • • •
• • • •
• •
Bouwblok: Een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen. Bouwlaag: Verdieping van een gebouw oftewel het gedeelte van een bouwwerk tussen twee vloeren. Bouwwerk: Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten, vaak gaat het dan om het gebouw zelf maar kan ook een brug of een deel van een gebouw zijn, bijvoorbeeld een dakkapel. Bovendorpel: Bovenste horizontale regel van een deur- of raamkozijn. Bovenlicht/raam: Opening direct boven een onderliggend raam of onderliggende deur. Carport: Afdak om een of meerdere auto’s onder te stallen. Circulair bouwen: Ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten. Console: Vooruitspringend, ondersteunend deel van een gevel. Cordonlijst: Een horizontale lijst of profiel aangebracht in een gevel om een overgang tussen verschillende delen van een gevel of bouwlagen van een gebouw te markeren. Coulissen: Serie van elementen (bijvoorbeeld bomen, gebouwen) die ruimtelijk diepte en gelaagdheid creëren. Dak: Afdekking van een gebouw, plat of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht. Dakhelling: De mate van schuinte van een dak.
Dakluik: Een toegang tot een dak(terras), voorzien van een meestal opklapbaar of scharnierend systeem waarvan de bovenkant nagenoeg op gelijke hoogte met de bovenkant van het dak ligt. Daknok: De hoogste horizontale beëindiging van een dak waar twee dakvlakken elkaar ontmoeten. Dakopgang: Toegang naar een plat dak enkel bedoeld om het dak te betreden zonder ruimte voor extra functies. Dakrand: Daar waar het dakvlak eindigt, of de gevel van het gebouw of een ander dakvlak raakt (bijvoorbeeld bij het boeiboord, de daknok of een keper). Dakvlak: Een aaneengesloten deel van dak dat zich uitstrekt tussen de dakranden of de nok van het dak. Dakvoet: Laagste punt van een schuin dakvlak. Detail: Ontmoeting van verschillende bouwdelen, zoals gevel en dak of gevel en raamkozijn. Detaillering: Het op specifieke wijze samenstellen van een onderdeel van een gebouw uit verschillende materialen. Doorloophoogte: De verticale afstand tussen het loopvlak (vloer, maaiveld en dergelijke) en het bovengelegen gebouwdeel. Draaiend deel: Het deel van een raam dat kan draaien of kantelen om open te gaan. Het kan een draai- of kantelraam raam zijn, dat volledig naar binnen of buiten draait. Duurzaam bouwen: Het ontwerpen, construeren, detailleren en onderhouden van gebouwen op een manier die het milieu minimaal belast en vervuiling en slijtage tegengaat.
Duurzame materialen: Materialen die worden geproduceerd, gebruikt en verwerkt met minimale negatieve impact op het milieu. Ze zijn vaak hernieuwbaar, recyclebaar, energie-efficiënt of afkomstig uit verantwoorde bronnen. Deze materialen dragen bij aan het verminderen van uitputting van hulpbronnen en milieuvervuiling. Energieopwekkende panelen: Zonnepanelen, zonnecollectoren en andere energieopwekkende velden. Ensemble: Zie architectonische eenheid. Erfafscheiding: Fysieke scheiding tussen twee erven of tussen een erf en het openbaar gebied. Erfgoed: In wettelijke termen is een monument een “onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed”. Het begrip cultureel erfgoed heeft een brede betekenis. In de Welstandsnota beperkt het begrip zich tot de gebouwde en aangelegde monumenten en rui mtelijke structuren in het (stads)landschap. Erker: Klein uitstekend deel aan de gevel van een gebouw, vaak voorzien van een borstwering en ramen. Flat: Groot, gestapeld woongebouw met meerdere appartementen; appartement in een groot woongebouw.
•
• • • • • • • • • • • • • • • •
•
• •
• • • • •
Fysieke leefomgeving: Alle elementen die de ruimte bepalen en nodig zijn voor menselijk functioneren, zoals: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De ontwikkeling van de fy sieke leefomgeving hangt sterk samen met de sociale leefomgeving en het economische domein. Galerij: Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw met een open zijkant die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouwschil: De buitenzijde van een gebouw: gevels, dak, inclusief de onderkanten van balkons en dergelijke, dus ook de vijfde en de zesde gevel. Gedekte tinten: Zachte, niet-felle kleuren. Geregistreerd architect: Architect die staat ingeschreven in het architectenregister. Zie ook architectentitel. Gesloten (bouw)blok: Geschakelde groep gebouwen die een blok vormen met een besloten binnengebied. Gevel: Buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de situering de voor -, zij- of achtergevel). Gevelbekleding: Buitenste afwerking van een gevel. Gevelgeleding: Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, inspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen. Gevelgroen en groene daken: Natuurlijk, levend groen, beplanting, voor op daken of gevels.
Gevelopening: Opening in de gevel, zoals bijvoorbeeld een raam of deur, die zowel functionele als esthetische doeleinden vervult in het ontwerp van een gebouw. Gevelpaneel: Een vooraf vervaardigd element van materialen zoals beton, metaal, hout of kunststof, dat wordt gebruikt voor de gevelbekleding van een gebouw. Gevelplastiek: Ruimte- en dieptewerking door reliëf in de gevel. Gevelvlak: Niet door ramen of architectonische bijzonderheden onderbroken deel van de gevel. Gevelwijziging: Het zodanig veranderen van een deel of het geheel van de gevel van een woning of gebouw dat daardoor het aanzicht verandert. Halfopen verkaveling: Een herkenbaar ensemble van bebouwingsstroken die halfgesloten stedenbouwkundige eenheden vormen met een afwisseling van open en gesloten hoeken. Hefschuifraam/venster: Een type raam dat verticaal kan worden verschoven om open te gaan. Het bestaat uit twee delen: vaak met een schuivend onderraam en een vast bovenraam. Gekenmerkt door aanwezigheid van een wisseldorpel en versprongen glaslijn. Herbruikbare materialen (of elementen): Materialen of elementen die na hun (eerste) gebruik opnieuw kunnen worden ingezet, zonder dat ze hun oorspronkelijke kwaliteit of functie verliezen.
In plaats van te worden weggegooid, kunnen ze opnieuw worden verwer kt, gerepareerd of direct hergebruikt doordat ze losmaakbaar zijn ontworpen, multi inzetbaar zijn, niet giftig, etc. Deze materialen spelen een belangrijke rol in een circulaire economie. Hergebruik (bouwen) : Het opnieuw inzetten en gebruiken van materialen, constructie onderdelen of complete gebouw(del)en. Hergebruikte materialen: Materialen die, na hun oorspronkelijke levenscyclus, opnieuw worden ingezet zonder uitgebreide verwerking of recycling. In plaats van te worden afgebroken, gesmolten, of anderszins omgevormd worden ze in hun bestaande vorm opnieuw gebruikt in andere projecten of toepassingen. Hoofdgebouw: Het gebouw op een perceel dat gelet op de bestemming als meest belangrijk is aan te merken. Individueel: gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw. Installaties: Hiermee worden apparatuur, (af- en toevoer)kanalen, bevestigingsmiddelen en constructies, bijbehorende onderdelen en dergelijke bedoeld. Integraal: de manier waarop verschillende onderdelen van een systeem, project of idee op een samenhangende en geïntegreerde manier met elkaar verbonden zijn. Integrale dakopbouw: Een uitbreiding op het dak van een bestaand gebouw die als één geheel wordt ontworpen en uitgevoerd.
•
• • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
• • • • • • • • • • • • •
Kader: Vlak dat in het oorspronkelijke ontwerp bestemd is voor reclames zoals raamvakken boven etalagepuien, gesloten stroken tussen kozijnen in puien en dergelijke. Of: omlijsting van een gevelelement bijvoorbeeld bij een raam. Kalf: Een verticaal of horizontaal geplaatst kozijndeel dat het kozijn verdeelt in meerdere delen. Kapvorm: Vorm van het dak. Kavel: Grondstuk, kadastrale eenheid. Keper: Onderdeel van de dakconstructie bestaande uit een rib die van de dakvoet tot de nok loopt op plaatsen waar dakvlakken elkaar ontmoeten. Klokgevel: Een gevel waarvan de bovenzijde een uitlopende, gebogen of afgeronde vorm heeft, zoals de vorm van een klok. Kop: De kleinste kant van een rechthoekige vorm; bijvoorbeeld bij een langgerekt gebouw of een balk. Kozijn: Het kozijn is de constructie waar een raam of deur in is geplaatst. Het biedt de structuur en ondersteuning voor het raam of de deur en is vaak gemaakt van hout, kunststof of metaal. Kozijnindeling: Manier waarop - binnen de gevel - de kozijnen worden gepositioneerd en georganiseerd. Kozijnwijziging: Het vervangen of veranderen van een kozijn, of van kozijn -invullingen zoals vensters, ramen, deuren. Lak: Middel dat op een materiaal aangebracht wordt en zo een afwerklaag vormt: transparant (blank), niet-dekkend of dekkend gepigmenteerd. Latei: Draagbalk boven (gevel)opening.
Lessenaarsdak: Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. Lijst: Een meestal versierde en geprofileerde rand, bijvoorbeeld als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Lijst- en lofwerk: (Gevel)versieringen aan een gebouw in de vorm van een lijst, plint, rozet of dergelijke. Loggia: Overdekte buitenruimte achter een gevel. Luifel: Een uitgebouwd afdak, vaak boven een deur. Maaiveld: Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht. Mansardedak: Dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat. Massa: Volume van een gebouw of bouwdeel. Megareclame: Reclame met afmetingen die een aanzienlijk deel van een gevelvlak beslaan, veelal met een hoogte van meer dan één verdieping en dominant aanwezig in het straatbeeld. Megareclames kunnen zowel in digitale als in analoge vorm uitgevoerd worden. Metselverband: Het zichtbare patroon van metselwerk. Middenstijl: Verticaal deel in het midden van een deur - of raamkozijn. Morfologie: Betreffende de vorm van het gebouw als geheel. Na-isoleren Het aanbrengen van isolatiemateriaal aan de buitenzijde van gevels en daken van bestaande panden. Negge: Inspringende kant van een muur bij de gevelopeningen. Neggemaat: Afstand van de voorkant van de gevel tot de voorkant van het kozijn. Nok: Zie daknok.
Omgevingskwaliteit: Integrale samenhang van stedenbouwkundige -, landschappelijke-, cultuurhistorische-, en architectonische kwaliteit. Onderbouw: Onderste gedeelte van een gebouw, bijvoorbeeld de begane grond van een huis met een zadeldak. Ondergeschikt: Voert niet de boventoon, niet prominent. Onderlicht/raam: Opening direct onder een bovenliggend raam, bijvoorbeeld het benedenste gedeelte van een hefschuifraam. Ontsluiting: De toegang tot een gebied, terrein of gebouw. Opbouw: Bovenste gedeelte van een bouwwerk dat is geplaatst op de onderbouw. Of: later toegevoegd gedeelte bovenop een bestaand gebouw.
• • • • • • • • • • • • • • • • • • •
•
• • • • •
• • • • • •
Open verkaveling: Een herkenbaar ensemble van bebouwingsstroken die herhaald worden en elkaar onderling niet raken. Openbaar toegankelijk gebied: Gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is zoals wegen, stoepen, paden, pleinen, parken, plantsoenen, water en dergelijke. Oriëntatie: De richting van (de belangrijjkste gevel van) een gebouw. Overkapping: Bouwkundige afdekking van een (open) ruimte. Overstek: Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel. Paneel: Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting. Penant: Smal buitenmuurgedeelte tussen ramen of deuren. Pergola: Een constructie die bestaat uit palen of kolommen die horizontale balken ondersteunen. Plaatmateriaal: Bouwmateriaal dat in plaatvorm wordt geleverd, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (bijv. volkern plaat) of staal (vlak of met profiel). Plasticiteit: Mate waarin ruimte- en dieptewerking door reliëf in de gevel aanwezig is. Plat dak: Een vrijwel horizontaal dak met een minimale helling ten behoeve van afwatering. Plint: Een duidelijk te onderscheiden horizontale strook aan de onderzijde van een gebouw, of begane grond van een gebouw, indien deze zich van de overige verdiepingen onderscheidt. Portiek: Direct achter de gevel gelegen ruimte met een gemeenschappelijk trappenhuis dat toegang biedt tot meerdere woningen.
Profielbreedte: Breedte van kozijnhout, raamhout of lijstwerk. Profieldiepte: Dikte van kozijnhout, raamhout of lijstwerk, gemeten vanaf buitenkant/ voorkant van het kozijn, raam of dergelijke, tot de achterzijde. Puntgevel: Een gevel die eindigt in een driehoekige vorm, ook wel zadeldakgevel. Raamhout: Het (soms beweegbare) deel van een venster waarin het glas is gevat. Vaak een houten deel, maar kan ook kunststof of metaal zijn. Raamindeling: Manier waarop - binnen het kozijn - de ramen worden verdeeld, gepositioneerd en georganiseerd. Reclameplan: Een voorstel waarbij alle mogelijkheden voor reclames op geveltekeningen van een gebouw worden weergegeven. Het plan bevat alle informatie met betrekking tot zonering, afmetingen, aantallen en reclametypen. Redengevende omschrijving: De tekst die behoort bij de aanwijzing van een bouwwerk tot beschermd monument. Deze geeft aan waarom het gebouw of object is aangewezen als beschermd monument. Het is een beschrijving van de karakteristieken van het bouwwerk en er kan informatie aan worden ontleend over de relatie van het monument met zijn omgeving. Roedeverdeling: De indeling van een raam in verschillende vlakken. De roeden zijn de raamstukken die deze verdeling maken. Rollaag: Horizontale rij verticaal geplaatste stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Rooilijn: Lijn die de grens aangeeft waarlangs maximaal mag worden gebouwd. Schilddak: Een dak met twee driehoekige en twee trapeziumvormige hellende vlakken, die samen alle zijkanten van het dak bedekken. Schuifraam/venster: Een type raam dat horizontaal kan worden verschoven om open te gaan. Soms ook gebruikt als kortere benaming voor een hefschuifraam, dat verticaal schuift, zie hefschuifraam. Schuur: Bijgebouw ten behoeve van opslag. Semi-transparant: Enigszins doorzichtig. Sheddak: Een dak bestaande uit een reeks schuine dakvlakken die samen in aanzicht een zaagtand vormen, vaak gebruikt in industriële gebouwen om noorderlicht binnen te krijgen. Situering: Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. Solar carport: Een overkapping voor parkeerplaatsen met geïntegreerde zonnepanelen, die zowel voertuigen beschermt als duurzame energie opwekt. Speklaag: Een decoratieve horizontale band in een gevel, gemaakt van afwisselende lagen baksteen en natuursteen, vaak gebruikt om visuele accenten te leggen.
• • • • • • • •
• • • •
• • • • • •
• •
•
• • •
Stedenbouwkundige eenheid: Een buurt of enkele bouwblokken of bebouwingsstroken die zijn gerealiseerd op basis van hetzelfde stedenbouwkundig plan. Stolpdak: Een dak dat als een stolp over alle zijden van het gebouw heen valt en dat soms met de dakbekleding doorloopt in het gevelvlak. Straatwand: Een serie van gebouwen die tezamen een wand vormen en de ruimte van de straat begrenzen. Tactiliteit: Tastbaarheid van de textuur van een materiaal. Textuur: De voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). Topgevel: Een gevel waarvan het bovenste deel min of meer in een punt uitloopt en die zich meestal aan de korte zijde van een gebouw bevindt. Transparant: Doorzichtig. Trendsetter: Een vergelijkbaar plan in de omgeving, als onderdeel van hetzelfde (type) pand en volgens een eerdere vergunning uitgevoerd, vormt een precedent voor een volgende aanvraag; dit plan zet de ‘trend’ en wordt dus gezien als ‘trendsetter’. Uitbouw: Aan het gebouw vastgebouwde uitbreiding, rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk en bescheiden van omvang. Vast glas: Een deel van een raam dat niet kan worden geopend. Het glas is vastgemaakt in het kozijn- of raamhout en biedt enkel lichtinval en zicht. Verkaveling: De manier waarop (bouw)grond in percelen is verdeeld.
Versprongen glaslijn: Doordat het onderraam van een hefschuifraam omhoogschuift achter het bovenraam ligt dit verder naar binnen dan het bovenraam. Daardoor ligt ook het glas van beide raamdelen niet in één vlak. De ten opzichte van elkaar verspringende positie van het glas in bovenen onderraam wordt ‘versprongen glaslijn’ genoemd. Vijfde gevel: De bovenzijde van een gebouw, veelal gaat het om een plat dak. Voorgevel: De gevel aan de voorzijde van een gebouw. Omdat deze gevel vaak de voornaamste gevel is, is deze veelal het rijkst gedecoreerd. Voorgevelrooilijn: Denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een bouwwerk loopt, zoals bedoeld in het omgevingsplan en dergelijke. Voorvergrijzen: Het vooraf grijs beitsen of anderszins bewerken van hout om ongelijke vergrijzing door licht en weersomstandigheden tegen te gaan. Vormentaal: De wijze waarop verschillende vormen zijn toegepast. Wet op de architectentitel: Op 1 oktober 1988 trad de Wet op de architectentitel in werking. Deze wet regelt een systeem van titelbescherming door het instellen van een architectenregister. Het systeem van titelbescherming houdt in dat alleen degene die als architect staat ingeschreven in het architectenregister, de betreffende titel mag voeren. Windveer: Plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen.
Wisseldorpel: Dorpel tussen boven- en onderraam bij een hefschuifraam. Deze bestaat achtereenvolgens (van buiten naar binnen) uit: de onderste dorpel van het bovenraam en de bovenste dorpel van het onderraam. Als het schuifraam dicht is, schuiven de dorpel s voor elkaar langs en lijkt het één dorpel. Woningbreedte: De breedte van de woning. NB: bij woning in een woningrij loopt de woningbreedte van het midden van de woningscheidende muur aan de ene kant tot het midden van de woningscheidende muur aan de andere kant. Zadeldak: Een dak met twee hellende vlakken die elkaar in de nok ontmoeten, waardoor het dak een typische V-vorm heeft. Zesde gevel: Onderkanten van balkons, overstekken en andere uitstekende delen van een bouwwerk. Zichtlocaties industrie- en of bedrijventerrein: de bebouwing aan de randen van een industrie en/of bedrijventerrein die zodanig aan de openbare weg grenzen in het zicht van de invalswegen van Roermond, tegenover de bebouwing van woonwijken en/of tegenover buitengebieden c.q. natuurgebieden. Hoofdontsluitingswegen van een industrie- en/of bedrijventerrein, die vanaf de bovengenoemde wegen inzichtelijk zijn, liggen ook aan een zichtlocatie.
• • •
Zijgevellijn: Denkbeeldige lijn die strak langs de zijgevel van een bouwwerk loopt. Zonnecollector: Collector waarmee warmte wordt opgewekt, die via een warmwateropslag meestal gebruikt wordt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Zonnepaneel: Paneel dat elektriciteit opwekt uit daglicht voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk.