Bijlage 2 - toelichting en regels bestemmingsplan Woningbouw Veldje - Clauslaan
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Veldje – Clauslaan’ Gemeente Roermond Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Veldje – Clauslaan’ Gemeente Roermond Vastgesteld
Rapportnummer BRO:
P03858
IMRO:
NL.IMRO.0957.BP00000319-VA01
Datum:
19 mei 2022
Contactpersoon opdrachtgever:
RJ
Projectteam BRO:
ROs, DAd; JvG
Concept:
september 2021
Ontwerp:
januari 2022
Vaststelling:
mei 2022
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, woningen, Veldje, Clauslaan, Maasniel en Roermond.
Bron foto kaft:
Hollandse hoogte 14
Beknopte inhoud:
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van zes grondgebonden woningen aan het Veldje en de Clauslaan binnen het stadsdeel Maasniel (gemeente Roermond).
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
Hoofdstuk 8
67
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
3
2. GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
5 5 6 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
11 12 13 14
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Regionaal beleid
14 15 16 17
3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 3.4 Gemeentelijk beleid
17 23
3.4.1 Toekomstvisie Roermond 2030 3.4.2 Nota Parkeernormen 2021 3.4.3 Nota Archeologie 3.4.4 Nota bodembeheer 3.4.5 Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan 3.4.6 Beleidsregel 'Aan huis gebonden beroepen en kleine economie' 3.4.7 Groenvisie 3.4.8 Vigerend bestemmingsplan ‘Maasniel’
23 24 25 27 27 28 30 30
4. ONDERZOEK 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten
32 32 33
4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering
33 34 36 37 42
Inhoudsopgave
1
4.2.6 M.e.r.-plicht 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Waterhuishouding
44 46 50 50 54 56
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
60 60 60 61
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
61 61 63 63
6. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
64
7. PROCEDURE
66
TOELICHTING
67
REGELS
68
SEPARATE BIJLAGEN: Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: AERIUS-berekening Bijlage 6: Nota van zienswijzen
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
Initiatiefnemer is voornemens om aan de weg het “Veldje” en de “Clauslaan” binnen het stadsdeel Maasniel (gemeente Roermond) zes grondgebonden levensloopbestendige woningen te realiseren. De realisatie van deze woningen vindt plaats op de percelen, kadastraal bekend als gemeente Roermond, sectie F, nummers 2831, 2832 en 5648.
Figuur 1 Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied (rode pijl)
De beoogde woningbouwontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Maasniel’, zoals vastgesteld op 20 februari 2008 door de gemeenteraad van de gemeente Roermond. Het plangebied heeft gedeeltelijk de bestemming ‘Woondoeleinden’ en ‘Bedrijfsdoeleinden’. De voorgenomen ontwikkeling is op basis van deze bestemmingen niet direct mogelijk. Voor de gewenste ontwikkeling is daarom het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt daarom de beoogde realisatie van de woningen juridisch-planologisch geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels ten behoeve van de beoogde ontwikkelingsmogelijkheden. Onderhavige toelichting vergezelt het plan.
Hoofdstuk 1
3
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 worden het gebiedsprofiel, het besluitprofiel en de ruimtelijke & stedenbouwkundige effecten toegelicht. Vervolgens worden de hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de handhaving van het planweergegeven. In hoofdstuk 7 volgt de maatschappelijke uitvoerbaarheid en tot slot is in hoofdstuk 8 de procedure aangegeven.
Hoofdstuk 1
4
2.
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL
2.1 Gebiedsprofiel Het plangebied is gelegen binnen Maasniel dit gebied is een stadsdeel van Roermond. Op circa 1,3 kilometer ten oosten van het plangebied is de A73 gelegen en op circa 2 kilometer dan westen van het plangebied ligt de Maas. Daarnaast ligt op circa 780 meter ten noorden van het plangebied de N280. De directe omgeving rondom het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit reeds bestaande woonpercelen en enkele bedrijfspercelen en een detailhandelsbestemming.
Figuur 2 Uitsnede luchtfoto met gedeeltelijk stadsdeel Maasniel (globale ligging plangebied rode pijl)
De ontwikkellocatie ligt specifiek gezien aan de wegen het “Veldje” en de “Clauslaan”. Specifiek gezien bestaat het plangebied uit de percelen, kadastraal bekend als gemeente Roermond, sectie F, nummers 2831, 2832 en 5648. In de onderstaande afbeelding is de begrenzing van het plangebied zichtbaar. Het plangebied heeft een omvang van circa 1.600 m2. De locatie omvat momenteel een loods met omliggende verharding en een gedeelte grasveld en bomen. De bestaande loods zal geamoveerd worden ten behoeve van de beoogde woningbouwontwikkeling.
Hoofdstuk 2
5
Het plangebied grenst in noordelijke richting direct aan twee woonpercelen en diens achtertuinen (Veldje 11A en Veldje 9). In oostelijke richting grenst het plangebied aan een klein grasveldje en enkele parkeerplaatsen. In zuidelijke richting wordt het plangebied direct ontsloten op de Clauslaan. Tot slot grenst het plangebied in westelijke richting direct aan de weg het Veldje.
Figuur 3 Luchtfoto met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
2.2 Besluitprofiel Binnen het plangebied wordt voorzien in de realisatie van zes grondgebonden levensloopbestendige woningen. De beoogde woningen bestaan uit twee bouwlagen, waardoor de woningen aansluiten op de omliggende omgeving. De daken van de woningen worden voorzien van een platdak, hetgeen ook aansluit op de omliggende woningen aan de Clauslaan. De achtertuinen behorende bij de woningen zijn voorzien aan de noordzijde van het plangebied, hierdoor grenzen de tuinen ook direct aan de achtertuinen van de woningen ten noorden van het plangebied. De levensloopbestendigheid van de woningen blijkt uit het feit dat de keuken, woonkamer, badkamer en slaapkamer op de begane grond zijn gelegen. De voorgevel van de beoogde woningen zal gesitueerd worden richting de Clauslaan.
Hoofdstuk 2
6
Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen, conform de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgelegd in de ‘Nota parkeernormen 2021’. Binnen het plangebied wordt in totaliteit op de woonkavels voorzien in de realisatie van 12 parkeerplaatsen (twee parkeerplaatsen per woonkavel). Daarnaast worden aan de noordwestzijde nog vier parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van onderhavige ontwikkeling. In de onderstaande afbeeldingen wordt een overzicht gegeven van de stedenbouwkundige opzet het voorziene straatbeeld vanuit de Clauslaan en diverse gevelaanzichten. Daarnaast volgt een overzicht van de begane grond en eerste verdieping.
Figuur 4 Stedenbouwkundige opzet plangebied
Figuur 5 Straatbeeld vanuit de Clauslaan
Figuur 6 Gevelaanzichten beoogde woningen
Hoofdstuk 2
7
Figuur 7 Indeling begane grond en eerste verdieping woningen
De woningen hebben een bouw- en goothoogte (gezien het platte dak) van circa 6,3 meter. Een gedeelte van de direct aangebouwde bebouwing aan de oostzijde van iedere woning heeft een bouw- en goothoogte van circa 3,3 meter. Daarnaast hebben de woningen een oppervlakte van circa 121,7 m2. Aan de oostzijde op het grasveld aan de Clauslaan zijn vijf bomen gesitueerd die ten behoeve van onderhavige ontwikkeling zullen verdwijnen. Deze bomen zijn niet beeldbepalend en kunnen daardoor zonder kapvergunning worden verwijderd. Dit zal waarschijnlijk in het eerste kwartaal van 2022 plaatsvinden. Verder zal het hemelwater van elke woning geïnfiltreerd worden op eigen terrein (elke woning apart) middels een infiltratievoorziening. Het vuilwater zal aangesloten worden op het gemeenteriool. Voor openbare verlichting aan de straat zal de huidige situatie aangepast worden.
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woongebied met maximaal zes grondgebonden levensloopbestendige woningen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw wenselijk op deze locatie, gezien de ligging binnen een bestaande woonwijk in het stadsdeel Maasniel. Middels deze ontwikkeling wordt een perceel met een bedrijfsbestemming binnen bestaand woongebied, opgeheven en omgezet naar een woonbestemming. Meer concreet wordt een bestaande vervallen loods met bijbehorend grasveld in een woonwijk op een passende manier ingevuld. Verder
Hoofdstuk 2
8
sluit de beoogde bebouwing qua opbouw aan op de bebouwing aan overzijde van de Clauslaan (zuidzijde van het plangebied). Daarnaast zijn de beoogde woningen duurzaam en passen hiermee in de huidige energietransitie. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen voor woningbouw binnen de gemeente Roermond en het moederplan ‘Maasniel’. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. Qua situering zullen woningen met de voorzijde geprojecteerd zijn aan de Clauslaan. Aan de voorzijde van de woningen beschikt iedere woonkavel over twee parkeerplaatsen, zodat het gebied een uniforme uitstraling krijgt. Door de woningen te voorzien van een verdieping is het mogelijk om extra ruimte te bieden voor een slaapruimte of hobbyruimte voor de toekomstige bewoners. De beoogde bouwmassa bestaande uit twee bouwlagen sluit het beste aan bij de bestaande woningen aan de overzijde, die ook twee bouwlagen hebben. Door de realisatie van de zes beoogde grondgebonden levensloopbestendige woningen omvat de Clauslaan een woonstraat met twee op elkaar afgestemde gevelwanden. Hiermee ontstaat een compleet en doorlopend straatbeeld dat aansluit op de omliggende woonwijk.
Het plangebied omvat nu hoofdzakelijk “restgebieden” bestaande uit een oude vervallen loods met rommelige buitenruimte, muren en een grasveld. De loods zal ten behoeve van onderhavig plan geamoveerd worden. Hiervoor in de plaats wordt ter plaats van het plangebied kwalitatief hoogwaardige bebouwing gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en past beter in het straatbeeld.
Figuur 8 Beoogde functionele indeling plangebied
Hoofdstuk 2
9
Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend en wenselijk in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9 dat betrekking heeft op Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften;
Hoofdstuk 3
11
6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de nieuw te bouwen woningen.
Hoofdstuk 3
12
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Afweging In het voorliggende geval wordt de realisatie van zes woningen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van zes woning is in lijn met de uitspraak 2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Het beoogde initiatief vereist zodoende geen toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, waardoor wordt aangesloten bij het principe van ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. Daarnaast wordt ook aangesloten bij de behoefte aan het type woning. Voor meer informatie over deze behoefte wordt verwezen naar de paragrafen 3.3 en 3.4.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). 2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017
Hoofdstuk 3
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerp-omgevingsverordening wordt besproken in de paragraaf ‘Ontwerp-omgevingsverordening Limburg’. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen; Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en
Hoofdstuk 3
14
duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen.
Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Afweging Middels onderhavig plan wordt ingespeeld op de veranderende vraag naar woningen. Voorliggend plan voorziet in een functioneel gebruik van het plangebied voor de realisatie van zes kwalitatief hoogwaardige woningen geschikt voor de specifieke doelgroep senioren. Daarnaast bevindt het planvoornemen zich in bestaand stedelijk gebied, namelijk de kern Roermond. Dit komt overeen met het principe van ‘zorgvuldig ruimtegebruik.’ Daarnaast worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de woningvoorraad, waardoor wordt bijgedragen aan de kwalitatieve transformatie van de woningvoorraad (behoefte aan levensloopbestendige en energiezuinige woningen). Op basis van het bovenstaande voldoet het planvoornemen aan de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provinciale ambities en belangen zijn vertaald naar juridisch bindende voorschriften in de provinciale omgevingsverordening Limburg 2014.
In de provinciale verordening is bijvoorbeeld vastgelegd op welke wijze de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen en dat het verboden is om een bestemming te wijzigen waarmee permanente bewoning van een recreatiewoning wordt mogelijk gemaakt. Voor zover relevant zijn hieronder de van toepassing zijnde passages uit de provinciale omgevingsverordening opgenomen. Afweging woningbouw In de verordening zijn regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Artikel 2.4.2 stelt het volgende: “Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de
Hoofdstuk 3
15
toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg.” Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen te bevatten. Onderhavig initiatief is niet opgenomen in de planvoorraad van de reeds vastgestelde ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’. In het beginsel is het niet toegestaan om extra woningen toe te voegen, maar onderhavig plan voorziet wel in de herontwikkeling van een voormalig bedrijfspand binnen een woonwijk. Omdat onderhavig planvoornemen een kleinschalig woningbouwproject betreft binnen een woonwijk, ligt het in de rede om deze locatie ter herontwikkelen en dus extra woningen toe te voegen.
Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er kortom geen belemmeringen. Afweging milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ blijkt dat onderhavige locatie is gelegen binnen de ‘Boringsvrijezone Roerdalslenk III’. Ter plaatse van deze zone is het verboden om een boorput dieper dan 80 meter te realiseren of werken op of in de bodem uit te voeren die de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen waarbij geen sprake zal zijn van een bebouwingsdiepte van meer dan 80 meter. Er zal ook geen sprake zijn van de realisatie van een boorput of werken die de ‘Bovenste Brunssumklei’ aantasten. Vanuit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ bestaan er dan ook geen belemmeringen met betrekking tot onderhavig bouwvoornemen 3.2.3
Omgevingsverordening Limburg 2021
Op 17 december 2021 heeft het college van Gedeputeerde State de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is op 17 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsverordening zal pas op 1 juli 2022 in werking treden, tegelijkertijd met de nieuwe Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
Hoofdstuk 3
16
De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Onderstaand zijn de relevante passages voor het plangebied opgenomen. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Stedelijk gebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.1 van de ontwerp-omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e.
realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Afweging Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit paragraaf 3.2.1 past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. In paragraaf 3.3 volgt een uitgebreide onderbouwing met betrekking tot de behoefte en de regionale afspraken en met de bouw van de woningen wordt spoedig een aanvang gemaakt. Daarnaast wordt het plan opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg. Op basis van het bovenstaande bestaan er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2021.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021 De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) en de provincie Limburg hebben het initiatief genomen tot het opstellen van een Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving (regionaal vastgesteld op 18 december 2014). In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het
Hoofdstuk 3
17
beleidsveld ‘Wonen’ voor de korte termijn (2014 tot en met 2017) en met een doorkijk naar de lange termijn (2018 tot en met 2023) vastgelegd. Deze structuurvisie is medio 2019 geactualiseerd voor de jaren 2018 t/m 2021 in de vorm van de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg’ met als ondertitel “Bouwen aan de toekomst’. Deze structuurvisie richt zich primair op wonen. In de gemeente Roermond is deze structuurvisie vastgesteld op 4 juli 2019 en daarmee is tevens de ‘Structuurvisie Woonomgeving Midden-Limburg uit 2014’ ingetrokken. Structuurvisie op basis van de Wet ruimtelijke ordening De structuurvisie is vastgesteld op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Hiermee wordt voorzienbaarheid gecreëerd. Dit is belangrijk omdat de (potentiële) plancapaciteit in de regio Midden-Limburg teruggebracht dient te worden van ca. 10.800 woningen tot ca. 5.800 woningen. De belangrijkste ontwikkelingen Midden-Limburg kenmerkt zich door grote verschillen. Op hoofdlijnen komt het neer op een agrarisch gebied met veel woningen in het buitengebied in het westen, de Maas en Maasplassen met het wonen georiënteerd op het water en de natuurgebieden in het oosten waar het wonen meer in/nabij de kernen plaatsvindt en minder in het buitengebied. Er is sprake van een urbanisatietrend, de steden/centrumkernen lijken aan aantrekkingskracht te winnen.
Wat betreft de demografische ontwikkelingen doen zich ook verschillen voor. Een aantal gemeenten krimpt al in bevolkingsomvang of gaat dat het komend decennium doen. Een aantal groeit nog langere tijd door. In de Structuurvisie uit 2014 zijn regionaal twee belangrijke afspraken gemaakt, namelijk het realiseren van woningen en het afstemmen van de planvoorraad op de behoefte. Per gemeente is aangegeven wat maximaal mag worden gebouwd. Dit gold echter niet voor de gemeenten Roermond en Nederweert, omdat daar de huishoudenspiek op basis van Etil 2013 hoger ligt. Voor deze twee gemeenten gold zelfs een minimumopgave. Tegelijkertijd lag er een opgave om binnen 10 jaar de overcapaciteit in de planvoorraad terug te brengen tot het afgesproken aantal te bouwen woningen. In de nieuwe ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg’ wordt in hoofdstuk 2 even teruggeblikt op de ontwikkelingen tussen 2014 t/m 2017. Daaruit volgt dat de overcapaciteit is teruggebracht. Weliswaar minder dan in de Structuurvisie uit 2014 afgesproken, maar er heeft in ieder geval in Midden-Limburg een kwalitatieve opschoning van plannen plaatsgevonden. Gemeente Roermond had overigens een zeer beperkte opgave tot het terugdringen van plancapaciteit. Daarnaast is geconstateerd dat het aantal inwoners in Midden-Limburg meer groeit dan waarvan de prognoses uit gaan. Wel is een verschil binnen de regio merkbaar.
De centrumsteden Weert en Roermond alsmede Nederweert groeien qua inwonertal, terwijl de overige gemeenten met veel kleine kernen hun inwonertal zien afnemen.
Hoofdstuk 3
18
In alle gemeenten in de regio is het aantal huishoudens toegenomen. Verder hebben Nederweert, Roermond en Weert hun ambitie ten aanzien van het aantal te realiseren woningen gehaald. In de andere gemeenten zijn minder woningen gerealiseerd dan voorgenomen. In alle gemeenten is de aantrekkende woningmarkt merkbaar. Het aantal huishoudens is fors meer gegroeid dan in 2013 was voorzien. De druk op de huur- en koopmarkt is toegenomen. Er is een nadrukkelijk onderscheid tussen de stedelijke gebieden Weert-Nederweert en Roermond en de verspreid los gesitueerde kernen in Midden-Limburg. Uitbreidingen hebben vaak plaatsgevonden in bestaande plannen. Het accent ligt bij nieuwe initiatieven meer op transformatie, inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Dat is mede een gevolg van beleid dat zich richt op inbreiding in plaats van uitbreiding. Transformatie van leegstaand vastgoed heeft de voorkeur boven nieuwbouw op uitbreidingslocaties. Leegstaand vastgoed bevindt zich vaak op centrale plekken in de wijken en dorpen. Denk aan vrijkomende maatschappelijke accommodaties zoals buurthuizen, scholen, zorgvastgoed, kantines, bibliotheken, alsmede commercieel vastgoed zoals kantoren en winkels. Middels transformatie kunnen kleinere woningen worden gerealiseerd. Deze woningen zijn geschikt voor 1- en 2-persoons huishoudens. Aan dit type woningen is behoefte.
Opgave Roermond In de bijlage behorende bij de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg’ wordt teruggekeken naar de daadwerkelijke realisaties en ontwikkelingen in de eerste vier jaar van de Structuurvisie 2014. Het betreft de periode 2014 tot en met 2017. Vervolgens wordt ingegaan op de afbouw van de planvoorraad. Daarna wordt de nieuwe huishoudensprognose Etil 2017 vergeleken met de prognose uit 2013, die ten grondslag ligt aan de Structuurvisie 2014. Uit deze bijlage volgt dat per 1 januari 2018 de planvoorraad ten opzichte van 2014 is afgenomen (van 3.630 woningen naar 3.099 woningen) en de overcapaciteit ten opzichte van 2014 is toegenomen (van 20 woningen naar 258 woningen). Daarnaast is geconstateerd dat op basis van de prognoses Etil 2017 Roermond qua aantallen huishoudens minder groeit dan in 2014 is voorzien. Het gaan dan om 198 huishoudens minder. In deze actualisatie wordt evenwel vastgelegd, dat elke gemeente kan uitgaan van minimaal de afspraak uit de Structuurvisie 2014 en alleen indien de prognose Etil 2017 hoger uitpakt, van deze nieuwe prognose. Op basis van de prognoses Etil 2013 zou Roermond vanaf 2014 nog met 3.610 huishoudens groeien tot de top van het aantal huishoudens in 2040. Op basis van de prognoses Etil 2017 groeit Roermond vanaf 2014 198 huishoudens minder tot de top, te weten 3.412. De top is verschoven naar 2039.
Voor Roermond is de prognose Etil 2013, 3.610 woningen, dan ook het uitgangspunt. Na aftrek van de netto realisatie in de periode 2014 tot en met 2017, zijnde 769 woningen, resteert een opgave tot de top van het aantal huishoudens, te weten 2.841 woningen. Deze opgave is vergeleken met de planvoorraad per 1 januari 2018, zijnde 3.099 woningen. Daaruit is de overcapaciteit bere-
Hoofdstuk 3
19
kend, zijnde 258 woningen. Van deze overcapaciteit wordt komende 4 jaar 40% gereduceerd, te weten 103 woningen. Hiermee wordt de systematiek, zoals vastgelegd in de Structuurvisie 2014, gehandhaafd. Het maximum aan te houden aantal te bouwen woningen is 2.841 voor de gehele gemeente Roermond. Op 31 januari 2017 heeft de gemeente besloten de wijze van beoordeling van nieuwe bouwplannen aan te scherpen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine plannen (particulier initiatief 1 of 2 woningen) en grote plannen (meer dan 2 woningen, projectontwikkelaars). In dit geval is sprake van een groot plan (zes woningen). Voor grote plannen geldt het volgende: 1. Het initiatief moet passen binnen de kwalitatieve opgave neergelegd in de structuurvisie. 2. Als het initiatief past binnen de kwalitatieve opgave uit de structuurvisie, moet worden bezien of de bestaande voorraad plannen niet reeds voorziet in die kwalitatieve opgave. Hierbij wordt in eerste instantie gekeken naar de totale gemeente en in tweede instantie naar de wijk. Voor enkele wijken geldt een iets afwijkend beeld ten opzichte van de gehele gemeente. Ook voor die beoordeling moet worden gekeken naar de bestaande voorraad plannen in die wijk in dat segment. 3. Naast het voorgaande moet het initiatief een bijzondere aard hebben. Dit wil zeggen dat er sprake moet zijn van: a. de instandhouding van een monument; of b.
het bijdragen aan de transformatieopgave (dit kan ook buiten de binnenstad zijn). De oude bestemming moet worden “weg bestemd”, denk aan kantoor- of detailhandelslocaties); en/of c. het beperken van de planvoorraad (voor de locatie is al capaciteit opgenomen in de planvoorraad, maar in een ander segment of op een andere locatie wordt capaciteit ingeleverd); en/of d. toevoeging van groene voorzieningen in de vorm van park(en), aansluiting op bestaande groenvoorzieningen of andere vormen van het toevoegen van kwaliteit (dit kan in het uiterste geval ook sloop inhouden); en/of e. kan de locatie om een andere reden aanleiding geven voor maatwerk. Dit moet van geval tot geval worden bekeken en aan uw college ter besluitvorming te worden voorgelegd. Als wordt voldaan aan de voornoemde punten heeft het plan vanuit volkshuisvestelijk oogpunt een positief effect. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van grondgebonden levensloopbestendige (vrijstaande) woningen. In paragraaf 2.2 is reeds toegelicht waarom de woningen aangemerkt kunnen worden als levensloopbestendig (dit wordt ook wel een nul-tredenwoning genoemd). Gemeentebreed bestaat behoefte aan levensloopbestendige woningen, zowel vanuit de Structuurvisie als het woningmarktonderzoek uit 2018.
Uit de in de structuurvisie opgenomen kwaliteitsenvelop alsmede het woningmarktonderzoek 2018 blijkt dat er behoefte is aan koopwoningen geschikt voor senioren. Daarnaast draagt het plan bij aan de transformatieopgave. In dit geval wordt een bedrijfsfunctie (bestemming “Bedrijfsdoeleinden”)
Hoofdstuk 3
20
midden in een woongebied gewijzigd in een woonfunctie. De bedrijvenbestemming wordt wegbestemd. In onderhavig geval is sprake van een plan met een bijzondere aard, waarmee wordt voldaan aan de criteria van uw besluit van 31 januari 2017. Afweging Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van zes grondgebonden levensloopbestendige woningen. Uit de actualisatie van de planvoorraad per 1 januari 2020 volgt dat de planvoorraad groter is dan de toename van het aantal huishoudens in Roermond en dat er daarom in principe geen behoefte meer is aan nieuwe woningbouwplannen. Echter in de geactualiseerde Structuurvisie Wonen 2018 is opgenomen dat gemeenten medewerking kunnen verlenen aan nieuwe plannen, waarvoor in kwalitatieve zin een tekort bestaat volgens het woningmarktonderzoek in relatie tot de planvoorraad. Aanvullend moet worden geconstateerd dat het aantal huishoudens in Midden-Limburg de afgelopen jaren meer is gegroeid dan het netto toegevoegde aantal woningen. Hierdoor is de druk op de woningmarkt toegenomen. De voorziene nieuwbouw van de beoogde zes levensloopbestendige grondgebonden (vrijstaande) woningen past binnen de uitkomsten van het woningmarktonderzoek uit 2018.
Op basis van het woningmarktonderzoek is een grotere kwalitatieve nadruk op grondgebonden nultredenwoningen wenselijk, omdat onder andere in de koopsfeer de vrijstaande woningen, de 2^1 kap / geschakelde woningen en de grondgebonden seniorenwoningen de top 3 van de wensenlijst vormen. Onderdeel van de structuurvisie zijn de kwaliteitsenveloppen per gemeente. Hieronder volgt een uitsnede van de kwaliteitsenvelop voor Roermond.
Hoofdstuk 3
21
Figuur 10 Uitsnede kwaliteitsenvelop Roermond
Uit de kwaliteitsenvelop blijkt dat het koopsegment in combinatie met vrijstaande woningen en grondgeboden seniorenwoningen tot de kansrijke segmenten behoren op kwalitatief gebied. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van grondgebonden levensloopbestendige (vrijstaande) woningen. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan bijdraagt aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Hierbij voorziet het planvoornemen in de toenemende woningbehoefte voor ouderen, hetgeen in lijn is met de geconstateerde groeiende kwalitatieve behoefte in de structuurvisie wonen Midden-Limburg 2018-2021 en het onderliggende woningmarktonderzoek uit 2018.
Hoofdstuk 3
22
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Toekomstvisie Roermond 2030
Op 22 december 2016 heeft de raad van de gemeente Roermond de Toekomstvisie Roermond 2030 vastgesteld. Deze toekomstvisie schetst voor 5 hoofdthema's (welke in samenwerking met inwoners van Roermond en partners van de stad zijn gekozen) een toekomstbeeld voor de gemeente. Met de 5 thema's biedt de toekomstvisie een integraal perspectief op de toekomst van de stad, waarbij de belangrijkste veranderingen worden geadresseerd die op de stad afkomen. Aan de hand van de 5 thema's wordt de gewenste ontwikkelingsrichting van de gemeente beschreven. Drie zogenaamde rode draden zijn daarbij randvoorwaardelijk voor de geschetste toekomst: ontmoeting, verbinding en samenwerking. Deze rode draden spelen een belangrijke rol binnen de 5 hoofdthema's. De vijf hoofdthema's kunnen als volgt worden samengevat: 1. Roermond in 2030, een thuis voor de jeugd In 2030 voelen kinderen en jongeren zich thuis in Roermond en verbonden met de stad. De jeugd die opgroeit in Roermond kan zich optimaal ontwikkelen. Er is een breed onderwijsaanbod en een variatie aan sport- en vrijetijdsmogelijkheden. Voor jongeren die op kamers gaan of starten op de woningmarkt biedt Roermond volop mogelijkheden. Een goede verbinding met het bedrijfsleven stimuleert ondernemerschap onder jongeren en zorgt voor voldoende stageplekken en carrièremogelijkheden.
De jeugd van Roermond maakt onlosmakelijk onderdeel uit van de lokale gemeenschap en speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de stad. 2. Roermond in 2030, stad die je actief houdt In 2030 leveren vitale ouderen in Roermond actief een bijdrage aan de samenleving en daarmee zijn ze van grote waarde. Ook biedt Roermond als stad van leisure en recreatie volop mogelijkheden voor de vrijetijdsbesteding van ouderen. Voor senioren is het goed toeven in Roermond en biedt de stad een prettige woonomgeving. Met speciale aandacht voor het welbevinden voor haar oudere bewoners is Roermond een seniorvriendelijke stad. De levendigheid van de stad en de generatie-overstijgende netwerken in de gemeenschap maken dat Roermond een stad is die je actief houdt. 3. Roermond in 2030, Roermond zorg(t) voor elkaar Roermond is in 2030 een stad waar aandacht is voor de kwaliteit van leven van haar inwoners. De mens staat centraal en met oog voor de individuele situatie wordt de zelfredzaamheid gestimuleerd en ondersteuning en zorg geboden waar nodig. Een grote rol is daarbij weggelegd voor sociale netwerken en communities. Samen met formele zorgnetwerken zorgen zij voor een fijnmazig vangnet. De gemeente brengt de verschillende organisaties en maatschappelijke initiatieven bijeen en stimuleert vernieuwende concepten voor zorg die menselijk, kleinschalig, dichtbij en bereikbaar is.
De stad biedt een zorgzame woonomgeving waar mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. 4. Roermond in 2030, stad van retail & leisure en industrie Roermond is in 2030 een sterke regionale speler. Bedrijfsleven en onderwijs in de regio werken slim samen en de gemeente is daarbij een daadkrachtige en creatieve verbinder. De stad is koploper in
Hoofdstuk 3
23
retailinnovatie, wat voor extra aantrekkingskracht zorgt. Roermond wordt steeds internationaler. In retail en in de maakindustrie zorgt een mix van kleine en grote bedrijven voor een innovatieve dynamiek. Samen met het onderwijs uit de regio voeden zij het ondernemerschap bij de bevolking. Ondernemerschap dat gestalte krijgt op de verschillende werklocaties die de stad rijk is, van binnenstad tot Roerstreek. De werklocaties zijn de visitekaartjes van de Roermondse economie 5. Roermond in 2030, historische binnenstad aan het water In 2030 is de levendige historische binnenstad aan het water hét visitekaartje van Roermond. In de compacte binnenstad zorgt een diverse mix van winkels, horeca, cultuur, recreatie, onderwijs, bedrijvigheid, wonen en evenementen voor een levendig centrum. Het historische decor en de verbinding met het water dragen bij aan een unieke beleving. De mogelijkheden voor watersport en recreatie van de Maasplassen, het binnenstadtoerisme en het Designer Outlet Center versterken elkaar. Niet alleen voor bezoekers, ook voor bewoners is de binnenstad van grote waarde. De binnenstad biedt een aantrekkelijke woonomgeving en is de plek waar bewoners komen om te werken, te leren en elkaar te ontmoeten. Vanzelfsprekend kunnen de diverse thema's uit de toekomstvisie ook ruimtelijke componenten en consequenties hebben.
Daarbij kan gedacht worden aan het beschikbaar zijn van voldoende woningen voor starters en senioren, de doorontwikkeling en het beheer van de diverse werklocaties, of het beschermen en versterken van de voorzieningenstructuur binnen de gemeente. Middels het voorliggende plan worden zes levensloopbestendige woningen gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied in de directe nabijheid van voorzieningen. Hierdoor wordt middels onderhavig plan nadrukkelijk aangesloten bij thema 3 aangezien wordt voorzien in woningen die uitermate geschikt zijn voor oudere bewoners. Afweging Al met al kan worden geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen in overeenstemming is met de ‘Toekomstvisie Roermond 2030.’ Er wordt voorzien in een concrete behoefte en er wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de kwalitatief hoogwaardige woon- en leefomgeving voor inwoners van Roermond (in het bijzonder de groeiende groep ouderen). 3.4.2
Nota Parkeernormen 2021
De Nota Parkeernormen 2021 is op 11 november 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De nota is een actualisatie van de Nota Parkeernormen 2014. Het doel van de Nota Parkeernormen 2021 blijft om voldoende parkeerplaatsen op de juiste locaties in de stad te realiseren. Voldoende ruimte en een goede bereikbaarheid zijn belangrijke factoren voor bewoners en bedrijven om zich in Roermond te vestigen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen (inbreiding, uitbreiding en functieverandering) wordt door middel van een vaste systematiek met parkeernormering invulling gegeven aan de parkeervraag. De locatie en het type woning of bedrijvigheid bepalen de parkeernorm en het wel of niet realiseren van parkeergelegenheid op eigen terrein.
Hoofdstuk 3
24
De gemeente stelt een actuele parkeernormensystematiek waarin parkeren bij in-, uitbreiding en functieverandering duidelijk is vastgelegd, gekoppeld aan de regelgeving van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De huidige parkeernormen worden getoetst aan de nieuwste parkeerkencijfers. Als basis voor de autoparkeernormen kiest Roermond voor de meest recente parkeerkencijfers van het CROW. Deze kencijfers zijn opgenomen in publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren’, uitgebracht in december 2018. Omdat kencijfers geen parkeernormen zijn, zijn een aantal stappen doorlopen om de kencijfers te kalibreren tot autoparkeernormen. De parkeerbehoefte is afhankelijk van de locatie van de voorziening en van het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoersbewijzen is er een onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de zone waarin de voorziening gelegen is. In Roermond worden drie zones onderscheiden: Centrum; Schil; Rest van de bebouwde kom en buitengebied. Afweging Voor het plangebied gelden de normen uit de categorie 'rest bebouwde kom’. Uitgaande van het segment ‘Woning, vrijstaand’ betreft de parkeerbehoefte per woning 2,1 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte ten behoeve van de ontwikkeling bedraagt derhalve 13 parkeerplaatsen (6 x 2,1 parkeerplaatsen = 12,6 parkeerplaatsen = 13 parkeerplaatsen). In paragraaf 4.6 vindt een toetsing plaats aan de parkeernota.
De parkeernormen uit de Parkeernota 2021 worden eveneens verankerd in de regels van dit bestemmingsplan. 3.4.3
Nota Archeologie
In de nota archeologie is de gemeentelijke archeologievisie en het beleid voor de komende jaren geformuleerd (vastgesteld op 7 juli 2011). Leidraad daarbij is dat archeologie een integraal onderdeel vormt bij afwegingen betreffende de ruimtelijke ordening. In 2008 is de Archeologie Atlas vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Atlas vormt de basis voor het archeologiebeleid dat transparant is voor burgers en investeerders en verantwoord omgaat met het ondergrondse erfgoed. Op basis van de Atlas is de Beleidskaart Archeologie opgesteld. Op deze kaart wordt een onderscheid gemaakt in drie gebieden. Het plangebied valt binnen een gebied met hoge archeologische waarden, waarbinnen bepaalde eisen worden gesteld aan archeologisch onderzoek. In de nota archeologie worden de drie fasen van archeologisch onderzoek beschreven. De eerste fase betreft het vooronderzoek. De tweede fase betreft het uitvoeren van vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De laatste fase is een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische opgraving.
Hoofdstuk 3
25
Figuur 11 Gemeentelijke Archeologische (beleids)kaart
Afweging Volgens de Erfgoedverordening (2018) geldt het volgende: “voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als gebied met hoge archeologische verwachting aangeduide gebieden dient een archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 1.000 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden plaatsvinden buiten de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan 2.500 m2.” Gezien de oppervlakte van het plangebied (circa 1.600 m2) wordt een archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie en het uitgevoerde archeologisch onderzoek.
Hoofdstuk 3
26
3.4.4
Nota bodembeheer
Op 9 juli 2020 heeft de gemeenteraad van Roermond de Nota Bodembeheer Limburg Noord 20202029 en de Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord vastgesteld. De Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 is een gemeenschappelijke nota van de 15 Noorden Midden-Limburgse gemeenten. In de Nota staat hoe de regio omgaat met bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond. De Nota geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. De Nota is onlosmakelijk verbonden met de bodemkwaliteitskaart (BKK). De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied is aangegeven. Een BKK wordt opgesteld om grondverzet op een efficiënte, kosteneffectieve en verantwoorde manier mogelijk te maken. De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de bodemkwaliteit van de bodemlagen van 0 tot 0,5 meter onder het maaiveld en van 0,5 tot 2,0 meter onder het maaiveld. De Nota heeft 2 doelen: 1. Het stellen van een kader voor het duurzaam en efficiënt hergebruiken van grond binnen de regio. Of, simpeler gezegd: regels opstellen voor het hergebruik van vrijkomende grond. 2. Het beleidsmatig verankeren van het in Limburg gehanteerde meersporenbeleid.
Dat komt erop neer dat voor de activiteiten grondverzet, ruimtelijke ontwikkeling, bouwen en bodemsanering de bodemkwaliteit zo eenduidig mogelijk wordt beoordeeld. Afweging De ‘Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029’ bevat het toetsingskader voor de te hanteren bodemkwaliteit afhankelijk van de nieuwe functie en de huidige bodemkwaliteit, de zogenaamde dubbele toets. Uit de regionale bodemkwaliteitskaart Limburg Noord blijkt dat de onderzoekslocatie voor de bovengrond en ondergrond ligt in het deelgebied ‘landbouw/natuur’. Voor zowel de bovengrond als de ondergrond geldt de ontgravingsklasse ‘landbouw/natuur’. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘wonen’. In paragraaf 4.2.1 wordt nader ingegaan op het aspect bodem. Daarnaast is eveneens op 10 november 2020 de ‘Bodemkwaliteitskaart PFAS’ vastgesteld. Er is geen informatie bekend dat op de locatie of directe omgeving (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die een potentiële bron zijn voor PFAS. 3.4.5
Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan
Op 26 oktober 2017 heeft de gemeente het Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan (GVVP) vastgesteld. Dit is de opvolger van het in 2009 vastgestelde Mobiliteitsplan 2020.
Hoofdstuk 3
27
In het nieuwe GVVP legt gemeente Roermond de basis voor het verkeersbeleid van de opvolgende jaren. Hierin komen veel thema’s aan bod, zoals bereikbaarheid, verkeersveiligheid, leefbaarheid, economische ontwikkeling en duurzaamheid. Voor het GVVP zijn een vijftal speerpunten geformuleerd, te weten: Smart Mobility; Beter Benutten; Gedragsbeïnvloeding; Lopen en Fietsen; Mobiliteitsknooppunt. Afweging In het kader van onderhavig plan is sprake van een relatief kleinschalige woningbouwontwikkeling. Uitgaande van zes vrijstaande woningen in rest bebouwde kom in een sterk stedelijke gemeente omvat de totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling 52 verkeersbewegingen per etmaal (6 x 8,6 = 51,6 = 52 bewegingen per etmaal). De woningen zullen direct ontsloten worden op de Clauslaan, welke de toename in verkeersgeneratie in afdoende mate kan opvangen. Daarnaast zal ter plaatse van ’t Veldje, door de toenemende verkeersaantrekkende werking, een eenrichtingsregime worden ingesteld. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.6. 3.4.6
Beleidsregel 'Aan huis gebonden beroepen en kleine economie'
Het college van burgemeester en wethouders heeft op 27 juni 2006 de beleidsregel ‘Aan huis gebonden beroepen en kleine economie’ vastgesteld. Hierin wordt aangegeven welke bedrijfsmatige activiteiten als een aan huis gebonden beroep en welke als zogenaamde ‘kleine economie’ beschouwd kunnen worden. Aan huis gebonden beroepen De zogenaamde aan huis gebonden beroepen vallen binnen de woonbestemming als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Voor de toepassing van de beleidsregel wordt als definitie aangehouden: “de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.”. De zogenaamde vrije beroepen, die onderdeel uitmaken van de aan huis gebonden beroepen, worden geacht binnen de woonbestemming te passen als de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft. Onder vrije beroepen worden onder meer begrepen de beroepen van arts, advocaat, notaris en makelaar.
Hoofdstuk 3
28
Kleine economie Overige bedrijvigheid die niet valt onder de aan huis gebonden beroepen, maar in bepaalde gevallen wel daarmee gelijk te stellen is, wordt aangemerkt als kleine economie. De definitie van kleine economie is: “bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.”. De activiteiten die tot de kleine economie behoren zijn niet rechtstreeks toegestaan binnen de woonbestemming. Wel is het mogelijk een omgevingsvergunning te verlenen. Voorwaarde daarbij is dat de ruimtelijke uitwerking overeenkomt met die van de aan huis gebonden beroepen. De uitoefening van deze beroepen mag immers niet ten koste gaan van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving. Ter invulling hiervan worden bij de afweging om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen, de volgende voorwaarden aangehouden:
Er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu; Door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden; De oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, mag niet meer dan 50% van de begane grond en maximaal 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen; de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m². Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd; Er mag geen sprake zijn van een verkeersaantrekkende activiteit die de woonomgeving onevenredig belast en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of er in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn; De uitvoerder van de activiteit dient ter plaatse te wonen.
Detailhandel is alleen als ondergeschikte activiteit toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend; Activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig of op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningplichtig zijn, worden in beginsel niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen overlast voor de omgeving op zal treden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten of daarmee vergelijkbare bedrijven worden toegestaan.
Afweging De hiervoor beschreven regeling is in de planregels van dit bestemmingsplan verwerkt. In de planregels is een afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels opgenomen om nieuwe bedrijvigheid, die valt onder de categorie 'kleine economie', toe te staan
Hoofdstuk 3
29
3.4.7
Groenvisie
De visie op het stedelijk groen is in samenwerking met burgers en belangenverenigingen opgesteld en vastgelegd in de ‘Groenvisie’, die door de gemeenteraad op 22 december 2016 is vastgesteld. Om deze visies via diverse uitvoeringssporen te realiseren zijn spelregels opgesteld, toetsingscriteria voor kwaliteit. De Groenvisie zet in op duurzame groenstructuren in de openbare ruimte. Groenstructuren die aantrekkelijk zijn en zo robuust dat ze voor lange tijd bijdragen aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Vanzelfsprekend zijn deze structuren ecologisch waardevol, klimaat- en ziektebestendig en klaar voor de toekomst. Afweging Voor het plangebied wordt een hoog kwaliteitsniveau nagestreefd en de verdere uitwerking zal dan ook in overleg met de gemeente Roermond plaatsvinden. Het plangebied zal, afgezien van het trottoir aan de voorzijde dat in gemeente-eigendom overgaat, voor het overige geen gemeente-eigendom omvatten. Daarnaast omvat het planvoornemen een kleinschalige ontwikkeling, op een perceel dat momenteel weliswaar deels groen is ingericht, maar in privé-eigendom is en geen onderdeel uitmaakt van de openbare groenstructuur. Het grasveld binnen het plangebied met hierin vijf bomen wordt wel door de gemeente onderhouden. De vijf bomen kunnen niet gehandhaafd worden, en zullen derhalve worden verwijderd. Hiervoor is geen kapvergunning benodigd.