Bijlage 2 - toelichting en regels bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen
Tekst van het document
Het onderhavige project valt met de bouw van twee woningen zonder meer onder de Regeling NIBM. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 4
5.5
Externe veiligheid
5.5.1
Risicovolle inrichtingen (Bevi)
De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. Het gaat hierbij onder meer om inrichtingen in het kader van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, LPG-tankstations, inrichtingen waar gevaarlijke (afval)stoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage van meer dan 10.000 kg worden opgeslagen, inrichtingen met een koel-of vriesinstallatie met meer dan 400 kg ammoniak. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr.
Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij het nemen van een planologisch besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt.
In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. De woningen zijn te kwalificeren als een kwetsbaar object. Volgens onderstaande uitsnede van de Risicokaart van de provincie Limburg liggen in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 300 meter) geen risicovolle inrichtingen.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 5
Uitsnede uit risicokaart Limburg; plangebied ter plaatse van blauwe pijl
5.5.2
Vervoer gevaarlijke stoffen
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de A73. De afstand tot het plangebied bedraagt ruim 650 m. Het plangebied bevindt zich verder ruim 700 m van de spoorlijn Roermond-Venlo. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour 10 -6/jr.is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het plangebied ligt hier ruim achter. In het kader van het opstellen van het Basisnet Spoor (Regeling Basisnet) is dit tracédeel onderzocht en de plaatsgebonden risicocontour bedraagt niet meer dan 10 meter. Het projectgebied is daarmee duidelijk niet gelegen binnen deze risicocontour. Uit die inventarisatie blijkt dat het plaatsgebonden risico ten allen tijde lager is dan de grenswaarde 10-6/jaar. De afstand tot de Maas bedraagt zelfs circa 2,5 km.
Op basis van artikel 7 van het Bevt dient in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg of | bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 6
spoorweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg of spoorweg, en b. voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg of spoorweg een ramp voordoet. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in voornoemd gebied stelt het bevoegd gezag het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid advies uit te brengen (artikel 9 Bevt).
Op 1 juli 2020 heeft de Veiligheidsregio Noord Limburg een standaardadvies 'externe veiligheid bij toxische scenario’s in Limburg Noord' opgesteld, dat uniform toepasbaar is op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen; de ruimtelijke ontwikkeling ligt op een afstand van meer dan 200 meter en maximaal 1500 meter verwijderd van een risicobron. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Het advies voor de initiatiefnemer is: Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Het advies naar de gebruiker van het gebouw is: Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten.
Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan (in casu niet relevant omdat het geen bedrijfsgebouw betreft). Het advies voor de gemeente is: Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Ook in de Visie externe veiligheid Roermond is bepaald dat binnen dit gebied het mechanisch ventilatiesysteem van nieuwe woningen voorzien dient te zijn van de mogelijkheid om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen, ingeval van een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht.
Het aspect externe veiligheid staat dus niet aan het project in de weg, mits bij de realisatie van de nieuwe woningen met neme rekening wordt gehouden met de mogelijkheid om mechanische ventilatie handmatig af te zetten en initiatiefnemer de kopers informeert over deze veiligheidswaardborg.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 7
5.6
Milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.
5.6.1
Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten
De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
5.6.2
Invloed milieuhinder op het plangebied
Het plangebied bevindt zich in de woonwijk ten oosten van het centrum van Swalmen en betreft een inbreidingslocatie, gelegen tussen burgerwoningen en kleinschalige en binnen een woonwijk passende bedrijfsactiviteiten en uitoefening van beroepen aan huis. Gezien de ligging van de provinciale weg dwars door het centrum van Swalmen op korte afstand van het plangebied gecombineerd met enkele nabijgelegen bedrijfsmatige functies, kan gemotiveerd worden dat er sprake is van een dynamisch gebied met enige functiemenging. In de directe nabijheid (binnen een straal van 100 meter) van het plangebied bevinden zich enkele maatschappelijke bestemmingen welke geheel passend zijn in een woonomgeving en
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 8
een bedrijf. Het betreft achtereenvolgens de volgende locaties: Adres
soort bedrijf
richtafstand
feitelijke afstand
Rijksweg Zuid 7-7b
interieurbouwer (aannemersbedrijf b.o. < 1000 m2)
30 m (10 m ingeval van 0 m functiemenging)
Rijksweg Zuid 13
PaloDesign atelier en winkel
10 m (0 m ingeval van functiemenging)
0m
Swalmdal 16
De Woonmobiel 10 m (0 m ingeval van (geen activiteiten op functiemenging) deze locatie)
70 m
Swalmdal 4
detailhandel
10 m (0 m ingeval van functiemenging)
0m
Kroppestraat 53
cafetaria
10 m (0 m ingeval van functiemenging)
50 m
De richtafstanden in relatie tot het interieurbouwbedrijf worden ook uitgaande van een gemengd gebied niet gehaald. Het betreft een éénmansbedrijf waar geen volledige werkweken meer gedraaid lijken te worden. Op het achtererf worden wat materialen opgeslagen, maar gezien het feit dat de te verwerken materialen in interieurs verwerkt worden, ligt het niet voor de hand dat er veel hout buiten wordt opgeslagen; overige opslag is redelijkerwijs overwegend niet bedrijfsmatig en zorgt in elk geval niet voor overlast van omwonenden. De exploitant is op de hoogte gesteld van de ontwikkeling maar zal ook bij het voeren van de omgevingsdialoog nog worden geïnformeerd. Het bedrijf wordt door onderhavige ontwikkeling niet extra belemmerd in de bedrijfsvoering, doordat voor het interieurbouwbedrijf de grootste beperking is gelegen in de woningen aan de Rijksweg Zuid 5 en 15-22. De afstand van de nieuwe woningen tot aan het bedrijfsgebouw waarbinnen de (mogelijk) hinder veroorzakende werkzaamheden dienen te worden verricht door het interieurbedrijf bedraagt ruim 30 m. De woning aan de Rijksweg Zuid 5 ligt op een afstand van 15 m van deze werkplaats.
De timmerwerkzaamheden in dit bedrijf worden geacht te voldoen aan de akoestische eisen die worden gesteld in het Activiteitenbesluit, zodat ter plaatse van de gevels van de woning op 15 m afstand geen overschrijdingen ontstaan; in dat geval zullen ook op 30 m afstand geen overschrijdingen ontstaan en kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3 9
5.7
Kabels, leidingen en straalpaden
5.7.1
Inleiding
Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de plankaart en in de planvoorschriften geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport-/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond. Een vereiste voor opname in het bestemmingsplan is dat de opgave van de ligging van de leidingen op digitale wijze dient te geschieden. Dit in verband met het bepalen van de exacte ligging.
5.7.2
Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels
Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. In de omgeving van het plangebied (straal van 500 m) bevinden zich geen leiding- of hoogspanningkabeltracés welke belemmerend zijn voor het project.
5.7.3
Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied
Het plangebied bevindt zich niet binnen een straalpad van telecomvoorzieningen en binnen een radarverstoringsgebied.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 0
Hoofdstuk 6 Waterparagraaf 6.1
Waterbeleid
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Roermond als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen.
Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
6.2
Waterhuishoudkundige situatie plangebied
Het plangebied ligt ten zuiden van de Swalm, buiten het profiel van vrije ruimte en de meanderzone, zoals op onderstaande uitsnede uit de legger is te zien.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 1
Uitsnede legger Waterschap Limburg
Het plangebied ligt volgens het Algemeen Hoogtebestand Nederland op een hoogte van 21 m boven NAP. Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de hoeveelheid regenwater te verwerken dat gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd (nieuw) afvoerend verhard oppervlak van globaal 500 m² (bebouwing inclusief niet-waterdoorlatende erfverhardingen) binnen het plangebied valt. De feitelijke grondwaterstand in januari 2021 is gemeten op een diepte van 1,9 m onder het maaiveld. De gemiddeld stand van het freatisch grondwatervlak ligt op 19,5 m boven NAP, hetgeen betekent dat dit op 1,5 m onder het maaiveld ligt. De bodem bestaat tot 1,2 a 1,5 m -mv overwegend uit matig fijn, sterk siltig zand en is bovendien zwak grindig. De bodem is daarnaast wisselend tot ca. 1,0 m -mv zwak humeus. Onder de toplaag van zand wordt een dunne, sterk zandige kleilaag aangetroffen met daaronder zeer grof grind. Hoe ver het grindpakket aanwezig is en/of doorloopt is niet inzichtelijk. De infiltratiecapaciteit zal vooralsnog niet heel hoog zijn. Hiertoe is op 3 augustus 2022 door Geonius een nader onderzoek (bijgevoegd als bijlage 6) verricht, waarin het volgende is geconcludeerd: 'Op basis van de beschikbare gegevens, wordt de waterstand in de Swalm tijdens een hoogwater (bij dreigende wateroverlast) nabij de projectlocatie door Geonius ingeschat op ca.
NAP +21,8 m (nabij maaiveld). Gezien de korte afstand tot de Swalm en de goed doorlatende grindlaag (Formatie van Beegden) waarin de Swalm zich insnijdt, kunnen in die situatie vergelijkbare grondwaterstanden in het grindpakket worden verwacht. Wanneer de slecht doorlatende kleilaag op de projectlocatie wordt afgegraven en vervangen door een goed doorlatende zandlaag, kan er bij (extreem) hoogwater in de Swalm kwelwater omhoogkomen tot het niveau van het huidige maaiveld.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 2
Advies infiltratievoorziening: De GHG bevindt zich op ca. 1,0 m- maaiveld, hierdoor is er weinig ruimte beschikbaar voor toepassing van een ondergronds systeem zoals infiltratiekratten. Indien tijdens een hoogwater hoge waterdrukken optreden in de grindlaag, voordat het infiltratiesysteem voldoende met hemelwater is gevuld, kan de kleilaag opbarsten. Als alternatief bergings-/infiltratiesysteem wordt een bovengronds systeem zoals een wadi of infiltratievijver aangeraden. Ook kan berging op een plat dak worden overwogen. Hoewel infiltratieonderzoek nog uitgevoerd dient te worden, zal water in de wadi of infiltratievijver gezien de fijnzandige en siltige ondergrond waarschijnlijk traag infiltreren. In dat geval is een leegloopvoorziening middels een vertraagde afvoer naar de riolering of oppervlaktewater benodigd om beschikbaarheid voor een volgende bui te waarborgen. Waterschap Limburg staat toe dat hiermee maximaal 2 l/s/ha wordt geloosd. Ook een noodoverstort wordt aanbevolen, zodat hemelwater bij zware buiten gecontroleerd naar elders kan afstromen. Een overstort aan maaiveld ligt voor de hand. Gezien de hoogteligging van het terrein, dient afstroming richting de lager gelegen openbare weg (Swalmdal) te worden geborgd, bijvoorbeeld middels goten en verhoogde opsluitbanden om afstroming naar het lager gelegen perceel ten noorden van de erftoegangsweg te voorkomen.
Door lokale maatregelen (herprofileren, perceelscheidingen) kan ook afstroming van hoger gelegen percelen naar de locatie worden beperkt. Als vervolgstap wordt aanbevolen de doorlatendheid van de ondergrond te onderzoeken (infiltratieonderzoek) en het systeem (inclusief noodoverstort en eventuele leegloopvoorziening) nader uit te werken op basis van de uiteindelijke afmetingen van de afwaterende oppervlaktes.'
Voor de bepaling van de capaciteit van de gekozen infiltratievoorziening dient, conform het beleid van het waterschap Limburg, het afwateringssysteem gedimensioneerd te worden op een bui van 100 millimeter. Dit betekent dat de voorziening over een bergend vermogen van circa 25 m3 per woning dient te beschikken (0,1 x verhard oppervlak).
Er zal worden voorzien in een bovengrondse infiltratievoorziening met voldoende omvang, gerelateerd aan het nu nog niet bekend zijnde verharde oppervlak, waardoor de kans op problemen als gevolg van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen zal worden. Deze open infiltratievoorziening zal geïntegreerd worden in de tuinen behorende bij de woningen en kan gerealiseerd worden in de vorm van een vijver, verlaging in het erf (wadi) op een zodanige wijze dat omliggende percelen hiervan geen hinder ondervinden. Ook kunnen groene daken hemelwater bufferen. Een laagje regenwater op een groen dak heeft naast een bufferend effect ook een verkoelende werking in de zomer. Het peil van de woningen en de inrichting van de percelen zal zodanig worden vormgegeven dat noch de nieuwe woningen, noch de omliggende percelen hinder ondervinden van afstromend hemelwater. Kortom, de buffering en vertraagde infiltratie van hemelwater is binnen het plangebied oplosbaar. In de uitwerking van de bouwplannen op basis van onderhavig bestemmingsplan dient de concrete wijze van hemelwateropvang van voldoende capaciteit concreet beoordeeld te worden. Indien gekozen wordt voor een vijver of wadi, dan zal een infiltratieonderzoek uitgevoerd dienen te worden. Wordt er gekozen voor een gesloten bovengronds systeem met
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 3
afvoer op momenten dat de tuin weer vocht kan verdragen of een systeem waarbij hemelwater wordt hergebruikt voor bijvoorbeeld het doorspoelen van toiletten, dan kan afgezien worden van een infiltratieonderzoek. Zoals uit voorgaande blijkt, is de (omgeving van de) locatie kwetsbaar in geval van hevige en/of langdurige regenval. De gemeente Roermond is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van hemelwateroverlast, en heeft geen inspanningsverplichting om eventuele hemelwateroverlast ter plaatse van de nieuwe woonpercelen tegen te gaan.
Afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem.
Bouwmaterialen De gemeente Roermond streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve, voorzover relevant, geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 4
Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving 7.1
Algemeen
Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.
7.2
Planmethodiek
Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Verder is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van het bestemmingsplan Kern Swalmen.
7.3
Verbeelding
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 5
7.4
Planregels
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.
De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.
Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.
In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels.
In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 6
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien: het kostenverhaal anderszins is verzekerd; en het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is; óf in de volgende bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen: het totaal der exploitatiebijdragen bedraagt minder dan € 10.000; óf er zijn geen verhaalbare kosten als bedoeld in het besluit ruimtelijke ordening; óf de verhaalbare kosten als bedoeld in het besluit ruimtelijke ordening betreffen uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voorliggend plan heeft betrekking op een initiatief voor de bouw van 2 woningen.
Gelet op de beperkte omvang van het project en de reeds aanwezige infrastructuur, zijn er geen verhaalbare kosten als bedoeld in het besluit ruimtelijke ordening.
In een tussen de gemeente Roermond en initiatiefnemer af te sluiten overeenkomst, zal het planschadeverhaal worden geregeld. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Roermond komt maar voor rekening van de initiatiefnemer. In deze overeenkomst zal tevens worden bepaald dat daar waar op het moment van het afsluiten van de overeenkomst ingevolge de Wro nog de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om planschadevergoeding geldt, hieronder na in werking treding van de Omgevingswet ook het verzoek om nadeelcompensatie valt.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 7
Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de invulling van het plangebied is rekening gehouden met de belangen van omwonenden en omliggende functies. Omwonenden zijn, in het kader van de omgevingsdialoog, door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van de plannen. Een verslag van deze omgevingsdialoog is aan het bevoegd gezag ter hand gesteld.
9.2
Procedure
Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro worden de provincie Limburg en Waterschap Limburg in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad beslist binnen 12 weken na de ter inzagetermijn, omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit betreft een termijn van orde.
Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling. Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan GS. Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt. Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.
Overleg
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 4 8
In het kader van het wettelijk overleg heeft overleg plaatsgevonden met provincie Limburg. De provincie heeft op 26 april 2023 te kennen gegeven dat de beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
Omgevingsdialoog Met de eigenaar van Swalmdal 4 is uitgebreid gesproken en middels uitbreiding van de erfdienstbaarheid staat deze achter het project. Ook met de gebruiker van het bedrijfspand Rijksweg Zuid 7-7b is gesproken en deze draagt ook kennis van de ontwikkeling; de bedrijfsactiviteiten vormen geen belemmering voor de nieuwe woningen en vice versa. De nieuwe woningen bevinden zich ten opzichte van overige omringende woningen ofwel op een afstand van meer dan 50 meter ofwel gaan ze schuil achter een dichte beukenhaag van 3 à 4 meter hoog.
Zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan Het ontwerpbesluit tot wijziging van het bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken, tot en met 11 juli 2023, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Swalmdal 2 woningen
Pagina | 2
Verantwoording en Status
Titel:
Bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen, gemeente Roermond
Rapportnummer:
NL.IMRO.0957.BP00000318-VG01
Ontwerp:
26 april 2023
Vastgesteld:
12 oktober 2023
© 2023 Beusmans & Jansen, Onderzoek & Advies in Ruimtelijke Ordening Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem gebruikt worden voor het doel waarvoor het is vervaardigd en met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Beusmans & Jansen, Onderzoek & Advies in Ruimtelijke Ordening. Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Beusmans & Jansen, Onderzoek & Advies in Ruimtelijke Ordening. Beusmans & Jansen, Onderzoek & Advies in Ruimtelijke Ordening geeft in ieder geval geen toestemming aan de opdrachtgever om dit document te gebruiken of te laten gebruiken indien facturen niet of niet volledig voldaan zijn. Alle rechten voorbehouden.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 3
Inhoudsopgave Regels
4
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Artikel 4
Woongebied Waarde - Archeologie historische kern
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Overige regels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
Bijlagen Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
5 5 9
10 10 13
15 15 16 17 18 19 20 21
23 23 24
Pagina | 4
Regels
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 5
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1
Begrippen
1.1 Plan het bestemmingsplan 'Swalmdal 2 woningen' van de gemeente Roermond. 1.2 Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML bestand NL.IMRO.0957.BP00000318-VG01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Aan- en/of uitbouw
een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar dat in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw; voor de toepassing van deze regels wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw. 1.6 Aan-huis-verbonden beroep de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel. 1.7 Afhankelijke woonruimte een (deel van een) gebouw waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg is gehuisvest en dat qua ligging een ruimtelijke eenheid met de woning vormt. 1.8 Archeologische waarde waarde die bestaat uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen. 1.9 Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 6
1.10 Bedrijfsactiviteit het beroepsmatig uitoefenen van bedrijvigheid met gebruikmaking van machines dan wel door middel van handwerk en geen kantoor zijnde. 1.11 Begane grond bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een souterrain. 1.12 Bestaand bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig of wordt gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen. bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan of het betreffende planonderdeel inwerking is getreden. 1.13 Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.14 Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15
Bevi
Besluit externe veiligheid inrichtingen. Dit Besluit moet individuele en groepen burgers een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het besluit verplicht gemeenten en provincies rekening te houden met de externe veiligheid als ze een milieuvergunning verlenen of een bestemmingsplan maken. 1.16 Bijgebouw een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 1.17 Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18 Bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.19 Bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20 Bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel. 1.21 Bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 7
1.22 Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.23 Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.24 Dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. 1.25 Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26 Gevellijn lijn, zoals aangegeven op de verbeelding, die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. 1.27
Hoofdgebouw
een gebouw dat door zijn constructie, afmetingen of situering, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken. 1.28 Kleine economie bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. 1.29 Nul-treden woning woning geschikt voor senioren waarvan het basis-woonprogramma (woonkamer, keuken, slaapkamer, toilet en natte cel) op één woonlaag zonder trappen is te bereiken. 1.30 Nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.31 Overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder eigen wanden dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent, waaronder begrepen een carport. 1.32 Peil voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 8
1.33 Perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling. 1.34 Prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.35 Seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of gelegenheid wordt geboden seksuele handelingen te verrichten dan wel vertoningen en/of voorstellingen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: a. een prostitutiebedrijf; b. een raamprostitutiebedrijf; c. een erotische massagesalon; d. een seksbioscoop; e. een sekstheater; f. een parenclub; g. geheel of gedeeltelijke bedrijfsvoering in overwegend seksueel geaarde dienstverlening; al dan niet in combinatie met elkaar. 1.36 Voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. 1.37 Vrijstaand bijgebouw een bijgebouw dat qua constructie en visueel vrij staat van het hoofdgebouw. 1.38 (primaire) watergang al of niet overdekt water dienend om in het openbaar belang water te ontvangen, te bergen en af te voeren, zoals opgenomen in de legger van het Waterschap Limburg.
1.39 Waterhuishouding het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem. 1.40 Woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 9
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 afstand tot de bouwperceelsgrens: tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.7 de breedte van een zone langs een watergang: vanaf de insteek van de betreffende zijde van de watergang.
2.8 ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 0
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 3.1
Woongebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, alsmede aan huis verbonden beroepen; b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder begrepen (ondergrondse) infiltratie- en bergingsvoorzieningen; met de daarbij behorende: c. gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en open terreinen; d. tuinen en erven; e. verkeersvoorzieningen; f. verblijfsgebieden; g. groenvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen; i. nutsvoorzieningen.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden opgericht, met dien verstande dat: 1. uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan van het type 'nul-treden'; 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het maximale aantal als opgenomen op de verbeelding niet mag worden overschreden; b. de maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduidingen 'maximum bouwhoogte maximum goothoogte'; c. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in, of maximaal 2 meter achter de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gesitueerd; d. het volume van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 600 m3; e. de afstand van de hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrenzen dient tenminste 3,00 m te bedragen. 3.2.2
Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen dienen tenminste 3,00 m achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw te worden geplaatst, tenzij het een aan de wegzijde open stallingsruimte voor personenauto's betreft; b. het totale grondoppervlak van bijgebouwen bedraagt maximaal 70 m² per bouwperceel; c. bijgebouwen mogen met een kap worden gerealiseerd met een goothoogte van maximaal 2,70 m en een bouwhoogte van maximaal 5,00 m of met een plat dak waarbij de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen. Indien de bijgebouwen aansluitend aan de woning worden | bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 1
gerealiseerd, mag de goothoogte niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag. 3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1,00 m mag bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3,00 m bedragen; c. in uitzondering op het bepaalde onder a. mag bij hoekpercelen voor de voorgevellijn de hoogte van de erfafscheiding aan een wegzijde ten hoogste 2,00 m bedragen, mits deze tenminste 1,00 m achter de perceelsgrens wordt geplaatst.
3.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.2.3 voor het bij hoekpercelen op de perceelsgrens plaatsen van de daar bedoelde erfafscheiding onder de voorwaarden dat de erfafscheiding: a. het vrije uitzicht van het wegverkeer niet mag belemmeren en voor het wegverkeer ook niet op andere wijze hinder of gevaar mag opleveren, en/of b. geen fundamentele inbreuk op de groene danwel open structuur mag plegen.
3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.
3.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.1 voor de uitoefening van bedrijven, vallende onder kleine economie, met dien verstande dat: 1. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; 2. er geen onevenredige hinder mag worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu; 3. door de uitoefening van de activiteit het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanig mag veranderen, dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest, dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden; 4. de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m². Het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd; 5. er geen sprake is van een verkeersaantrekkende activiteit, die de woonomgeving onevenredig belast en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 2
parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of er in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn; 6. de uitvoerder van de activiteit ter plaatse dient te wonen; 7. detailhandel alleen als ondergeschikte activiteit is toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor deze omgevingsvergunning wordt verleend; 8. alleen bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan welke vallen onder categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten welke als bijlage 1 onderdeel uitmaakt van de planregels.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 3
Artikel 4
Waarde - Archeologie historische kern
4.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor 'Waarde - Archeologie historische kern' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden; b. Waar een enkelbestemming samenvalt met deze dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. De bepalingen van de enkelbestemming zijn alsdan uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.
4.2
Bouwregels
Op de voor 'Waarde - Archeologie historische kern' aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden niet dieper dan 40 cm reiken; c. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m².
4.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 4.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien: a. bebouwing plaatsvindt ter plaatse van een evident eerder verstoorde bodem, of; b. op basis van een archeologisch vooronderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of het verrichten van archeologisch vervolgonderzoek.
4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1
Algemeen
Het is verboden op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie historische kern' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder ontgronden, afgraven, diepploegen en het aanbrengen van leidingen op een grotere diepte dan 40 centimeter, behalve indien deze in het kader van onderzoek naar mogelijke archeologische vindplaatsen worden uitgevoerd; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; c. het verlagen of het verhogen van het waterpeil; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze voorwerpen in de grond
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 4
drijven. 4.4.2
Uitzondering
Het onder 4.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd. 4.4.3
Afwegingskader
De werken of werkzaamheden als bedoeld onder 4.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. de werken of werkzaamheden plaatsvinden in een evident eerder verstoorde bodem, of; b. op basis van een archeologisch vooronderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of het verrichten van archeologisch vervolgonderzoek.
4.5
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat deze dubbelbestemming (deels) komt te vervallen, indien als gevolg van nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 5
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 6
Artikel 6 6.1
Algemene bouwregels
Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in a. en b. uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
6.2
Infiltratie
6.2.1
Infiltratieplicht
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater.
6.2.2
Afwijking
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 6.2.1 voor zover op andere wijze in de nodige infiltratievoorziening wordt voorzien.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 7
Artikel 7 7.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Tot strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik voor een seksinrichting; b. het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken; c. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken; d. het gebruik van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 8
Artikel 8 8.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor: a. het afwijken van de maatvoering (inclusief percentages) met ten hoogste 15%; b. geringe afwijkingen, van de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen, welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking niet meer dan 2,00 m bedraagt.
8.2
Voorwaarden
8.2.1
Voorwaarden ten aanzien van de situering
Het bevoegd gezag kan bij verlening van een omgevingsvergunning voorwaarden stellen ten aanzien van de situering van de in 8.1 bedoelde bouwwerken, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing van deze bouwwerken ten opzichte van de omgeving te waarborgen.
8.2.2
Geen onevenredige afbreuk aan gebruiksmogelijkheden
De in artikel 8.1 genoemde afwijkingen mogen slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 1 9
Artikel 9 9.1
Algemene wijzigingsregels
Algemene wijziging
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van: a. het wijzigen van de voorgeschreven maatvoering voor bouwwerken met ten hoogste 25%; b. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bestemmingsgrenzen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de uitvoering van een bouwplan waarvan realisering wenselijk of noodzakelijk wordt geacht; c. het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven; d. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van tervisielegging van het vastgesteld plan worden gewijzigd.
| bestemmingsplan Swalmdal 2 woningen | status: vastgesteld |
Pagina | 2 0
Artikel 10 Algemene procedureregels Bij het stellen van nadere eisen als bedoeld in deze regels gelden de volgende procedureregels: a. het vastgesteld besluit ligt gedurende tenminste twee weken voor belanghebbenden ter inzage ter gemeentesecretarie; b. burgemeester en wethouders maken de ter inzage legging van het vastgesteld besluit tevoren bekend in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze; c. de bekendmaking houdt in de bevoegdheid van belanghebbenden tot het schriftelijk indienen van zienswijzen bij burgemeester en wethouders tegen het vastgesteld besluit gedurende de onder a. genoemde termijn; d. burgemeester en wethouders delen aan hen, die zienswijzen hebben ingediend, de beslissing daaromtrent mede.