CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - toelichting bestemmingsplan Blankwater 12 Swalmen

Gemeenteraad 25 april 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Blankwater 12 Swalmen11.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

20

▪

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen. Milieucategorie

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Afbeelding 10. Tabel milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van bestaande en nieuwe functies plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (2009). De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren.

21

Locatie

Activiteit

Blankwater Witteweg 221

Blauwe bessenkwekerij Autodemontage

Milieucategorie

Maximale richtafstand

2 3.2

30 m 100 m

Afstand tot plangebied Circa 120 m Circa 90 m

Afbeelding 11. Tabel Nabijgelegen bedrijven.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor de locatie Blankwater 12 voldaan kan worden aan de maximale richtafstanden zoals deze gesteld worden. De woning is ten opzichte van de bessenkwekerij als agrarische bedrijfswoning te beschouwen. Het gaat hier echter ook om een bestaande, toegestane situatie en de tweede woning wordt gerealiseerd binnen de bestaande woning. Hierdoor kan worden aangenomen dat er ook in de nieuwe situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. Momenteel is het gehele perceel inclusief de bedrijfswoning met achterliggende loods onderdeel van de bessenkwekerij. Om het plan te realiseren is een nieuwe melding Activiteitenbesluit ingediend waarbij de voormalige bedrijfswoning en achtgelegen loods geen onderdeel meer van de inrichting uitmaken. De nu opgenomen toetsing qua afstand is hiermee identiek. Tegenover de locatie ligt een vergunde groepsaccommodatie. Dit bouwvlak is enkel in gebruik voor de groepsaccommodatie en niet voor andere bedrijfsdoeleinden. Voor wat betreft het autodemontagebedrijf kan gesteld worden dat het plan geen gevolgen geeft voor het bedrijf. De huidige situatie de woning met tuin te beschouwen is als regulier woongebied ten opzichte van het autodemontagebedrijf en is reeds aanwezig alsmede een toetspunt voor dit bedrijf. Er worden geen gebouwen of bouwwerken toegevoegd op een kortere afstand dan nu het geval is.

De gesplitste woning is/wordt geheel inpandig ontwikkeld. Vanuit de onderzoeksaspecten geur, geluid, veiligheid en luchtkwaliteit volgen ook geen belemmeringen voor het planvoornemen. Conclusie De geplande ontwikkeling ondervindt geen hinder van omliggende functies of bedrijven. Het project is in het kader van milieuzonering dan ook zonder belemmering mogelijk.

4.4.8.Spuitzones Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen/fruitteelt en andere gewassen in de open lucht wordt geteeld en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen, verblijfsrecreatie en/of (horeca)terrassen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming (c.q. gevoelige objecten). Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel (op basis van constante jurisprudentie). Het is echter een indicatieve afstand. Dat wil zeggen, er kunnen omstandigheden aanwezig zijn op basis waarvan hiervan kan worden afgeweken. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat er een onderzoeksplicht of er sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van voornoemde afstand rechtvaardigen.

De in acht te nemen afstand in verband met de verwaaiing van spuitvloeistof (drift) is onder meer afhankelijk van de toxiciteit (aard en omvang) van het gewasbeschermingsmiddel, de spuittechnieken die door de teler worden toegepast, de hoogte van de bomen/struiken, de feitelijke afstand van de bomen/struiken tot de gevoelige functie, de rijsnelheid bij machinale bespuiting, de windsnelheid en windrichting alsmede de aanwezigheid van een blad houdende beplanting ter afvang van door drift verplaatste stoffen.

22

Op een in acht te nemen richtafstand van 50 meter of minder dan 50 meter van het plangebied is een blauwe bessenkwekerij aanwezig, die zodanig bespoten worden met gewasbestrijdingsmiddelen, dat hiermee rekening moet worden gehouden bij onderhavige planontwikkeling in het belang van de volksgezondheid voor aanwezigen binnen het plangebied. Bij biologische fruitteelt is geen gezondheidsrisico tot buiten de boomgaard te verwachten. Daarom geldt er geen minimale afstand, buffer of spuitzone tot een gevoelige bestemming. Om dit aan te tonen is bewijs noodzakelijk dat er in de boomgaard biologisch wordt geteeld. Het bedrijf is SKAL gecertificeerd met nummer 112376. Er is daarmee geen gezondheidsrisico tot buiten de boomgaard te verwachten. De kweker is voornemens om op een duurzame wijze de biologische teelt voort te zetten. In geval dat ooit sprake zal zijn van reguliere teelt ter plaatse van de bestaande blauwe bessen kwekerij kan worden aangenomen dat er geen gezondheidsrisico’s zullen zijn voor bewoners binnen het plangebied. Er is immers sprake van laagstamteelt. In vergelijking met de teelt van appels en peren vertoont de teelt van blauwe bessen enkele verschillen: ▪ ▪

de teeltvorm: blauwe bessenstruiken bereiken een hoogte van 1,5 tot 2,5 meter; de daarbij benodigde spuittechniek: gelet op de hoogte is een neerwaartse spuittechniek mogelijk. Een neerwaartse spuittechniek vertoont minder driftvorming dan een op- en zijwaarts gerichte spuittechniek. De neerwaardse spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief, omdat er zo minder spuitvloeistof verloren gaat en de bomen het meest worden geraakt met vloeistof.

Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat voor het middel Dimethoaat – het middel met het hoogste risico - het dermale blootstellingseindpunt (=100%) niet wordt overschreden bij bespuiting op bomen met blad op een afstand van 10 m tot de laatste bomenrij. In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting. Gezien de ligging van de woningen ten opzichte van het meest nabijgelegen perceel met blauwe bessen, betekent dat in dit geval dat eventuele drift in hoofdzaak van de woningen af zal waaien. Aangetoond moet worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat de bedrijfsvoering van de blauwe bessenkweker niet mag worden belemmerd door het voorliggende planvoornemen en dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar leefklimaat aanwezig dient te zijn. Zoals beschreven in deze paragraaf blijkt dat een afstand van 10 meter tussen het agrarische perceel met blauwe bessen en het plangebied van de beoogde extra woning toereikend is.

In dat geval is er geen sprake van overschrijding van het maximale blootstellingseindpunt bij de toepassing van het meest toxische middel met toepassing van de standaard spuitmethoden. De kweker kan zijn of haar bedrijfsactiviteiten uitvoeren zonder dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Tevens is er bij die afstand sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde extra woning. Concluderend kan worden gesteld dat ter hoogte van het planvoornemen een goed woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

23

4.5. Natuur 4.5.1.Gebiedsbescherming Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Binnen een straal van 10 kilometer bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden. Gelet op de afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkeling zal er zeer waarschijnlijk geen sprake zijn van significante effecten als gevolg van stikstofdepositie. De NB-wet is hiermee geen belemmering voor het initiatief. De bestemmingswijziging gaat niet gepaard met bouwactiviteiten of aanvullende gebruiksactiviteiten t.o.v. de referentiesituatie.

4.5.2.Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. In het besluitgebied zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten en planten.

Door het jarenlange gebruik van de betrokken locatie als bedrijfswoning is de kans op de aanwezigheid van bijzondere planten- en dierensoorten op de locatie zeer beperkt. De plantensoorten op de locatie worden grotendeels door mensen gereguleerd. Voor diersoorten geldt dat er gedurende een lange reeks van jaren een dusdanige verstoring plaatsvond, verkeer en menselijke activiteit, dat de betreffende locatie niet geschikt is als leefgebied. Deze locatie is geen geschikt vestigings- en/of permanent leefgebied voor soorten uit de eerste en tweede categorie. Hooguit zullen een of meer van de algemeen voorkomende beschermde soorten hier bij tijd en wijle verblijven. Het planvoornemen zorgt niet voor sloop en/of aanbouw. Werkzaamheden kunnen dan ook geen negatieve gevolgen hebben voor de beschermde soorten en planten. Gezien de aard van de bodembedekking, gazon en erfverharding is niet te verwachten dat er zich in de onmiddellijke omgeving van de bestaande bebouwing beschermde plantensoorten bevinden. Gezien de aard van het bouwwerk en het huidige gebruik is niet aannemelijk dat de gebouwen worden gebruikt voor de huisvesting van bijvoorbeeld vleermuizen of andere beschermde diersoorten. Gezien de aard van de ontwikkelingen en het actuele gebruik van de locatie, zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn.

24

4.6. Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. De bestemmingswijziging zorgt voor het toevoegen van één woning, de reeds aanwezige bedrijfswoning wordt gewijzigd in twee burgerwoningen. Deze wijziging zorgt niet voor toename van verkeersbewegingen daar de agrarische activiteiten op deze locatie gelijktijdig komen te vervallen. De woning is en blijft ontsloten op Blankwater. Verkeerskundige problemen zijn dan ook niet te verwachten. Bij het opstellen van bestemmingsplannen worden parkeernormen gehanteerd als norm voor het minimum aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een gebouw of functie binnen een plangebied. Voor wat betreft het aantal benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied dient uit te worden gegaan van de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen 2021’, welke is vastgesteld door de raad van de gemeente Roermond op 14 oktober 2021. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het te realiseren woningtype. Het parkeren dient binnen het plangebied zelf gerealiseerd te worden. Uitgangspunt is dat er op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen (voor bewoners en bezoekers) aanwezig moet zijn.

Uit de nota volgt dat voor een woning (2,4) en voor een appartement (1,6) dien in het buitengebied gelegen zijn in totaal 4 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit betekent dat in principe op eigen terrein voorzien dient te worden in minimaal vier parkeerplaatsen voor de woonfuncties. Overeenkomstig de bestaande situatie, waarin het parkeren op eigen erf reeds geregeld is, is er op de locatie meer als voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan de parkeernormen op eigen terrein.

4.7. Waterhuishouding De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan.

4.7.1.Provinciaal waterplan Limburg Op 30 maart 2021 heeft Provinciale Staten het ontwerp Provinciaal Waterplan Limburg 2022 – 2027 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2016 -2021. Het Provinciaal Waterplan 2022-2027 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken

25

en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.

4.7.2.Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.

4.7.3.Hemelwaterinfiltratie Het totale verharde oppervlak op de locatie zal gelijk blijven. Zowel in de huidige situatie als in de beoogde situatie is er binnen het plangebied meer als voldoende mogelijkheid tot het laten infiltreren van hemelwater op eigen terrein.

4.7.4.Conclusie waterparagraaf Onderhavig plan betreft een bestemmingswijziging van de bedrijfswoning en de splitsing hiervan. Door de aard en omvang van het plan zijn er geen gevolgen te verwachten voor de waterhuishouding op de locatie.

26

5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1. Economische haalbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Voorliggend plan heeft betrekking op een initiatief voor inpandige verbouwing van 1 woning naar 2 woningen. Er worden geen aanpassingen aan de openbare ruimte gedaan. Gelet op het vorenstaande kan in het kader van het voorliggende plan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Uit de gevraagde planologische wijziging kan planschade voortvloeien. In verband met mogelijke vergoedingen van planschade als bedoeld in art.

6.1 Wet ruimtelijke ordening is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten.

5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

5.2.1.Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Vanuit initiatiefnemers is een omgevingsdialoog gevoerd, zie ook bijlage 4.

5.3. Procedure Dit plan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen wordt het plan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een plan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

27

5.4. Vooroverleg en inzage Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een plan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen op het ontwerp bestemmingsplan Blankwater 12 Swalmen.

28

6. Juridische planopzet 6.1. Inleiding Onderhavig plan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het plan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).

6.3. Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Wijzigingsregels.; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen

29

Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=c2b12b97-b00d-43a4-ab65-7da480a5000d