Bijlage 2 - onderbouwing inclusief onderzoek
Tekst van het document
en als conclusie wordt vermeld : Geur vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.7
Natuur
52
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wnb. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Stikstof / Aerius De verplichting uit artikel 2.7 lid 2 jo. artikel 2.8 van de Wnb om een passende beoordeling te maken voor een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied is onder de Omgevingswet voortgezet via artikel 8.74b lid 1 van het Bkl.
Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (oftewel een natuurvergunning) alleen verleend als uit een passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 van de Ow) de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zal aantasten: Hierbij geldt dat de effecten van een (nieuw of gewijzigd) project moeten worden beoordeeld ten opzichte van de effecten die plaatsvinden in de referentiesituatie. Bij een project wordt de referentiesituatie ontleend aan een natuurvergunning of, bij gebreke daarvan, een 53
milieuvergunde situatie ten tijde van de aanwijzing van het Natura 2000-gebied (vgl. AbRS 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1507, r.o. 7). Daarnaast kan voor bepaalde activiteiten (zoals de bemesting van gronden) de referentiesituatie onder omstandigheden worden ontleend aan het bestemmingsplan (vgl. AbRS 22 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874, r.o. 15 e.v.). Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect flora en fauna beschreven. Hierbij moet worden opgemerkt dat deze beschrijving onvoldoende ingaat op het aspect “stikstofdepositie”, zodat onderstaande conclusie niet voldoende actueel is. Als conclusie wordt vermeld : Op basis van het bovenstaande blijkt dat flora en fauna geen belemmeringen vormt voor de realisatie van het plan mits rekening wordt gehouden met bovenstaande mitigerende maatregelen met betrekking tot vleermuizen en dat buiten het broedseizoen, 15 maart tot en met 15 augustus, sloop van gebouwen plaatsvindt. De initiatiefnemers hebben aangegeven de aanbevelingen op te volgen.
Bovendien kan in 2024 niet zonder meer worden voortgebouwd op een conclusie van natuuronderzoek uit 2013. Aldus is op twee onderdelen gekomen tot een actualisatie van de onderzoeken : • •
Inspectie beschermde natuurwaarden Aerius-berekening bouwfase en gebruiksfase
De uitkomsten hiervan zijn opgenomen als bijlage 2 en bijlage 3 bij deze onderbouwing en leiden tot de navolgende conclusies : De rapportage “Inspectie beschermde natuurwaarden” geeft navolgende conclusie Het plangebied is van uiterst geringe betekenis voor algemene natuurwaarden. Beschermde natuurwaarden zijn niet in het plangebied aanwezig. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Een Omgevingsvergunning - activiteit flora en fauna is niet nodig.
54
Op grond van de afwezigheid van broedvogels tijdens het inspectiebezoek van 25 april 2024 en de uiterst geringe kans op vestiging van vogels in het plangebied kunnen de groene elementen in de periode 15 maart - 15 juli worden verwijderd. Bij voorkeur vindt het verwijderen van de groene elementen in het plangebied zo spoedig mogelijk plaats. Bij alle werkzaamheden geldt de zorgplicht, ook voor soorten waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals Egel en Konijn. Dit betekent dat doden van dieren voorkomen dient te worden. Bij aantreffen van dieren in het plangebied, de opslagplaats voor materialen of de rijroute dient gewacht te worden tot de dieren uit eigen beweging een veilig heenkomen hebben opgezocht.
De Aerius berekening geeft navolgende conclusie : Uit de rekenresultaten volgt dat zowel vanwege de aanleg-/bouwfase als gebruiksfase geen sprake zal zijn van een relevante depositiebijdrage (bijdrage maximaal 0,00 mol N/ha/jaar) in de nabijgelegen binnen- en buitenlandse Natura 2000-gebieden. Significante negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen op basis hiervan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Er is inzake stikstofdepositie dan ook geen sprake van vergunningplicht in het kader van een Natura 2000-activiteit onder de Omgevingswet.
Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.8
Duurzaamheid, klimaat adaptatie, energietransitie
Het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2020-2024 van Roermond heeft als doel de stad te transformeren naar een duurzame en toekomstbestendige stad, waarin de kwaliteit van het leven en het milieu centraal staan. Specifiek richt het programma zich op verschillende terreinen, waaronder energie, mobiliteit, circulaire economie en klimaatadaptatie. Het programma bouwt voort op het eerder vastgestelde Duurzaamheidsplan en vertaalt de doelstellingen naar concrete acties en projecten voor de komende jaren. Het programma omvat verschillende actielijnen, zoals het verduurzamen van de gemeentelijke gebouwen, het stimuleren van energiebesparing en duurzame energieopwekking bij bedrijven en huishoudens, en het bevorderen van duurzame mobiliteit, bijvoorbeeld door het aanleggen van fietsroutes en het stimuleren van elektrisch rijden. Ook wordt er ingezet op het stimuleren van de circulaire economie, bijvoorbeeld door het verminderen van afval en het aanmoedigen van hergebruik van grondstoffen. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan klimaatadaptatie zoals het vergroenen van de stad om hittestress te verminderen en het anticiperen op wateroverlast. Relatie met voorliggende ontwikkeling Ten aanzien van het aspect duurzaamheid wordt hier verwezen naar paragraaf 3.6.7 van deze notitie.
55
4.9
Groen
Ten aanzien van het aspect groen wordt hier verwezen naar paragraaf 3.6.4 van deze notitie.
4.10 Bodem Wettelijk kader De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang : • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens zoals opgenomen in bijlage VA van het Bkl.
De gemeenten moeten op grond van : • artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. • artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 56
Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect bodem uitvoerig beschreven op basis van de als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan opgenomen diverse bodemonderzoeken. Als conclusie wordt vermeld : Aangezien er bodemverontreinigingen aanwezig zijn in het plangebied, komt de kwaliteit van de bodem in het plangebied niet overal overeen met het beoogd gebruik. Los van de verontreinigingssituatie zal het plangebied vrijwel geheel voorzien worden van een duurzame verhardings- en/of ophooglaag waardoor de bodem geschikt wordt gemaakt voor de te realiseren functies. Grondverzet gaat plaatsvinden aan de hand van een met provincie en gemeente afgestemd plan van aanpak en waar nodig wordt een BUS-melding ingediend.
Bij de realisatie van de in deze Bopa bedoelde bebouwing zal met het bovenstaande rekening worden gehouden c.q. zullen voormelde werkzaamheden onderdeel vormen van de planrealisatie. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.11 Weging Waterbelang Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang.
Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel 57
afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. * Verplichte omgevingswaarden Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow) Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow). Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient een BOPA ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect waterhuishouding beschreven, e.e.a.
gebaseerd op de als bijlage 8 opgenomen rapportage van Royal Haskoning. Als conclusie wordt vermeld : Uit bovenstaande blijkt dat water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling mits de maatregelen met betrekking tot hoogwaterbescherming verder worden uitgewerkt in overleg met het waterschap en rekening wordt gehouden met de overige maatregelen,
Aldus is in het kader van de ontwikkeling van Jazz City met het Waterschap afgesproken dat als onderdeel van de ontwikkeling van het gebied er ook een nieuwe hogere primaire waterkering (verholen dijk) wordt gerealiseerd. Hiermee wordt het achterliggende gebied beter beschermd tegen hoog water in de Maas. Het waterschap heeft hiertoe een besluit voor genomen: “Projectplan Versterking waterkering Alexanderhaven”. In het kader van de volgende fase van de vergunningverlening van de thans aan de orde zijnde activiteit zal ook een watervergunning worden aangevraagd, zoals ook bij project Manhattan aan de orde was. Conclusie Vanuit het aspect weging waterbelang is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.12 Ladder voor duurzame verstedelijking Wettelijk kader 58
De Ladder duurzame verstedelijking is onderdeel van de paragraaf over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (§ 5.1.5 van het Bkl) en is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Conform artikel 8.0b Bkl geldt deze instructieregel ook voor een Bopa. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: Vereniging van Nederlandse Gemeenten 15 a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling zijn wel lijnen uitgezet. : de Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' en ‘substantieel’ is. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens 500 m2. Dus met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 is er 'in beginsel' geen stedelijke ontwikkeling. Bij toevoeging van een gebouw ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dus worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is of met andere woorden of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. De Afdeling geeft hierover aan : Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre de activiteit,
59
in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (…) Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en niet voorziet in een functiewijziging, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (…). Onbenutte planologische mogelijkheden die in het voorgaande bestemmingsplan bij recht waren voorzien dienen in de vorenbedoelde vergelijking te worden betrokken. Dit betekent dat deze onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde eisen (…) Een plan dat bij recht voorziet in een stedelijke ontwikkeling, maar ten opzichte van hetgeen het voorgaande plan bij recht, in combinatie met een afwijkingsbevoegdheid mogelijk maakte, niet in relevante mate voorziet in meer of andere planologische mogelijkheden, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. (…)
60
Relatie met voorliggende ontwikkeling Uit paragraaf 2.3.3. van deze notitie “Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan van rechtswege” blijkt dat bij de toepassing van deze Bopa geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zowel ten aanzien van de commerciële plintfunctie als ook ten aanzien van de woningen is als ten aanzien van het ruimteslag (footprint) is geen sprake is van een toevoeging ten opzichte van hetgeen op basis van het omgevingsplan ter plaatse reeds mogelijk is. Conclusie Een ladderplicht is in het kader van deze Bopa is niet aan de orde.
4.13 Archeologie en cultuurhistorie Wettelijk kader Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden om daarmee vervolgens zoveel mogelijk rekening mee te kunnen houden. De essentie hierbij is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Ow. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en - voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan - ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. Zo zijn er in art 5.130 Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd.
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Ow worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd.
61
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Die veelal zijn vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect archeologie beschreven op basis van de als bijlage 9 bij dit bestemmingsplan opgenomen rapportages. Hierbij wordt vermeld : Ten aanzien van archeologie geldt dat eventueel aanwezige archeologische resten niet of nauwelijks zijn op te sporen door middel van prospectie-onderzoek. Het plangebied is reeds opgehoogd. Voorafgaand aan de geplande nieuwbouw wordt het gebied verder opgehoogd. De kans dat archeologische waarden worden aangetast is erg klein. Archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet nodig. Wel moeten aangetroffen archeologische materialen en/of sporen altijd gemeld worden bij de gemeente Roermond (conform Monumentenwet 1988).
en als conclusie wordt vermeld : Uit bovenstaande blijkt dat archeologie geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect cultuurhistorie eveneens beschreven. Hierbij wordt als beoordeling en conclusie vermeld : In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of structuren aanwezig. De ontwikkelingen hebben dan ook geen invloed op dergelijke elementen in het plangebied. Ook is er naar huidig inzicht ook geen invloed te verwachten op waardevolle elementen en structuren in de omgeving van het plangebied (zoals stadsgezicht van Roermond en Rijksmonumenten ten zuidoosten van plangebied)aangezien de locatie die bebouwd wordt reeds bebouwd is in de referentiesituatie."
Conclusie Vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.14 Lichthinder Wettelijk kader De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten : • de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera) • de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap) Vanuit het plangebied is denkbaar dat sprake is van een bepaalde hoeveelheid verlichting waardoor voor men name omwonenden lichthinder ontstaat. Lichtvervuiling kan veroorzaakt 62
worden door verschillende (licht)bronnen, zoals openbare verlichting, reclameverlichting, verlichting van gevels, verlichting van bedrijventerreinen. Het Bal noemt Lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. De specifieke zorgplicht beschermt namelijk de belangen genoemd in artikel 2.2 van het Bal, waaronder het in artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, genoemde aspect lichthinder. Belangrijk is om te voorkomen dat als gevolg van de activiteit sprake is van lichthinder in omliggende woningen. Hiertoe kan - zoals aangegeven in de Nota van Toelichting bij het Activiteitenbesluit - de richtlijn van de NSVV als uitgangspunt worden gehanteerd. Ook uit jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State blijkt dat het hanteren van de grenswaarden uit de richtlijn van de NSVV invulling kan geven aan de zorgplicht op dit onderdeel. Aldus kunnen deze grenswaarden ook worden gebruik als objectivering van het begrip “lichthinder”.
Relatie met voorliggende ontwikkeling De omgeving van het plangebied kan worden gezien als “stedelijk gebied” met zwaardere normen dan “stadscentrum / industriegebied” in de normering in de “richtlijn lichthinder NSVV”. De voorliggende activiteit brengt ten aanzien van het aspect lichthinder geen relevante wijziging ten opzichte van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden zoals vervat in het omgevingsplan van rechtswege c.q. bestemmingsplan “Jazz City”. De afstand tussen de bestaande woontoren Manhattan en de meest dichtbij zijnde woontoren onderdeel van deze activiteit is geen onderdeel van de afwijking waarvoor deze Bopa wordt opgesteld. Evenmin is sprake van een ongebruikelijke nabijheid van beide woontorens op basis waarvan de verwachting zou kunnen ontstaan dat op voorhand sprake is van een onaanvaardbare mate van lichthinder. Conclusie Vanuit het aspect lichthinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.15 Privacy en uitzicht Wettelijk kader Aan een geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat geen blijvend recht op (vrij) uitzicht bestaat. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat laat onverlet dat in het kader van kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd waarom het belang bij het behoud van privacy en uitzicht niet opweegt tegen het belang dat bestaat bij realisering van de hoogbouw. 63
Relatie met voorliggende ontwikkeling In het kader van deze Bopa is duidelijk dat de bebouwing met beide volumes in het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan reeds grotendeels tot de vigerende mogelijkheden behoort. De voorliggende activiteit brengt ten aanzien van het aspect privacy en uitzicht geen relevante wijziging ten opzichte van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden zoals vervat in het omgevingsplan van rechtswege c.q. bestemmingsplan “Jazz City”. De afstand tussen de bestaande woontoren Manhattan en de meest dichtbij zijnde woontoren onderdeel van deze activiteit is geen onderdeel van de afwijking waarvoor deze Bopa wordt opgesteld. Evenmin is sprake van een ongebruikelijke nabijheid van beide woontorens. Wel kan worden vastgesteld dat de nieuwe woontoren nabij woontoren Manhattan lager is dan conform vigerend omgevingsplan tot de mogelijkheden behoort en de afstand tussen woontoren Manhattan en de nieuwe woontoren Baton Rouge groter is dan de minimale afstand die op grond van het omgevingsplan van rechtswege mogelijk is. Van privaatrechtelijke belemmeringen is geen sprake en aanvullende bebouwing ten opzichte van hetgeen ter plaatse is gerealiseerd is evenmin een onverwachte ontwikkeling.
Conclusie Gelet op de afstanden tussen nieuwbouw en bestaande woningen en gezien de aard van de stedelijke omgeving en bebouwing grotendeels binnen de kaders van het vigerende omgevingsplan van rechtswege is vanuit het aspect privacy en uitzicht sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.16 Bezonning Wettelijk kader De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in onder meer haar uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4063, overwogen dat in het kader van een bestemmingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is dit niet anders. Voor bezonning geldt geen wettelijk vastgestelde norm. In het kader van de ruimtelijke ordening wordt als richtlijn een aan de TNO ontleend criterium gehanteerd, dat de nieuwbouw zodanig moet zijn gesitueerd dat de zon op de eerste dag van de lente dan wel de eerste dag van de herfst tussen 10.00 en 18.00 uur tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag op één gevel van een woning moet kunnen bereiken. Bij deze belangenafweging hoeft echter geen doorslaggevende betekenis toe te worden gekend aan het antwoord op de vraag of wordt voldaan aan bepaalde door TNO opgestelde normen voor bezonning, maar is de uitkomst van deze belangenafweging afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij is tevens vaste jurisprudentie dat in een stedelijke 64
omgeving minder hoge eisen aan bezonning kunnen worden gesteld dan in andere gebieden. Relatie met voorliggende ontwikkeling Om inzicht te krijgen in de gevolgen van het plan voor de bezonning en de schaduwwerking op de omliggende woningen is een quickscan bezonning gemaakt. Op diverse maatgevende momenten, representatief voor de verschillende seizoenen, is een projectie van de schaduw weergegeven. In de zonnestudie (hier opgenomen als bijlage 4) wordt aangesloten bij de lichte TNO norm. De lichte TNO norm gaat over het aantal bezonningsuren tussen 19 februari en 21 oktober en moet er minimaal 2 uur zon zijn op de vensterbank. In de zonnestudie wordt geconcludeerd als volgt : In de hierna opvolgende quickscan bezonning is te zien dat de schaduwwerking van ‘Baton Rouge’ niet voor minder dan 2 mogelijke bezonningsuren per dag zorgt, in de periode van 19 februari tot 21 oktober. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het ontwerp van ‘Baton Rouge’ voldoet aan de lichte TNO-norm ten opzichte van de naastliggende woningbouw
Conclusie Vanuit het aspect bezonning is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.17 Windhinder Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient in hiervoor in aanmerking komende gevallen inzicht te worden verkregen in de gevolgen van een activiteit voor het windklimaat in de omgeving. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan Jazz City worden gebouwen hoger dan 30 meter mogelijk gemaakt. Deze Bopa ziet enkel op een beperkte wijziging van de bouwhoogte van een van beide gebouwen. Uit de hier als bijlage 5 opgenomen notitie van bureau Peutz blijkt dat als gevolg van de in het kader van deze Bopa aan de orde zijnde afwijkingen van het omgevingsplan van rechtswege c.q. bestemmingsplan “Jazz City” geen sprake is van een onevenredig negatief effect op het windklimaat. Conclusie Vanuit het aspect windhinder is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
65
4.18 Kabels en leidingen Wettelijk kader De volgende leidingen zijn planologisch relevant : • hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; • buisleidingen voor transport van aardgas met een diameter van meer dan 50 mm en een
druk van meer dan 16 bar; • buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een diameter van meer dan 70
mm en een druk van meer dan 16 bar; • buisleidingen voor transport van andere stoffen die risico’s met zich meebrengen voor
mens en/of leefomgeving wanneer deze beschadigd raken (voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen). Relatie met voorliggende ontwikkeling In het bestemmingsplan “Jazz-City” is het aspect kabels en leidingen beschreven als volgt : Ten behoeve van de realisatie van het plangebied is een zogenaamde Klic-melding gedaan om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van kabels en of leidingen die planologisch beschermd moeten worden. Hieruit is gebleken dat een hoogdruk gas leiding aanwezig is in het plangebied dat in beheer is van Esso Nederland BV ten behoeve van de LPG tankstation nabij de Maasbrug. Uit navraag bij Esso blijkt dat er geen druk zit op deze leiding waardoor het niet noodzakelijk is om deze leiding op te nemen in de verbeelding en planregels van het bestemmingsplan.
Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.19 M.E.R.-beoordeling Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage (m.e.r.). De wetgeving rond de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Ob. Inhoudelijk verandert er niet veel, procedureel wel. Doel van de Ow is de toepassing van het bestaande merinstrumentarium te vereenvoudigen. In artikel 16.34, tweede lid Ow is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Ob, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 Ob. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt 66
verleend. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Ow geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één merbeoordelingsprocedure. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43 lid 2 Ow, met de bijbehorende motivering op in het (ontwerp van het) besluit. Relatie met voorliggende ontwikkeling In het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan “Jazz-City” is gekomen tot een als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan opgenomen MER van bureau Royal Haskoning. Jurisprudentie stelt dat voor een activiteit waarvoor al eerder een project-mer-procedure is doorlopen, dit niet nog een keer gedaan hoeft te worden. Dit mits de activiteit past binnen de bandbreedtes van de eerder onderzochte activiteit en effecten van de activiteit. Dat laatste is ten deze het geval.
Conclusie De bebouwing die mogelijk wordt gemaakt middels deze Bopa valt binnen de bandbreedte van voormelde MER, zodat geen verdere MER verplichting resteert en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.20 Duurzaamheid en gezondheid Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. Wel bevat de bruidsschat een artikel betreffende energiebesparende maatregelen (art. 22.52). Daarnaast kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezond in het omgevingsplan zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om : • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
67
Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Ow. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Ow dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Ow bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de Bopa is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Ow, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Ook bij de vergunningverlening voor een milieubelastende activiteit op grond van afdeling 8.5 Bkl, maakt de bescherming van de gezondheid van de mens onderdeel uit van het beoordelingskader. Onder milieuverontreiniging wordt ook de aantasting van de gezondheid van de mens verstaan, zodat onder meer verzekerd moet zijn dat alle passende preventieve maatregelen tegen de aantasting van de gezondheid moeten worden getroffen. Relatie met voorliggende ontwikkeling Als gevolg van de voorziene activiteit wordt het beoogde bouwplan Baton Rouge mogelijk gemaakt, waarmee tevens de boulevard tot (gedeeltelijke) afronding komt. Hiermee zal de huidige onaangename verharde (parkeer)omgeving vervangen worden door een groene leefomgeving wat uitnodigt tot het doen van onder andere wandelingen van en naar het stadscentrum. Tevens wordt langzaamverkeer gestimuleerd, waarmee de beoogde activiteit de gezonde leefomgeving positief beïnvloed door zowel haar groene karakter alsook de stimulansen die ontstaan om te bewegen. Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid en gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
68
5
UITVOERBAARHEID
De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Ow niet terug. De gemeente hoeft niet meer aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie er ook zal komen. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. De Ow maakt het mogelijk dat dit onderzoek gefaseerd kan worden. Pas als zich een concreet, binnen de toegedeelde functie passend, initiatief aandient wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. De gemeente moet wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Bij een Bopa die immers ziet op een concrete activiteit concreet is, moet de uitvoerbaarheid hiervan wel worden onderzocht en aangetoond.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Financieel economische haalbaarheid Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Conform de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij het omgevingsplan passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal. Ten eerste zal worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. De nieuwe onuitvoerbaarheidstoets leidt tot minder mogelijkheden voor het gemeentebestuur om een bestemming te weigeren, omdat deze niet uitvoerbaar zou zijn. Relatie met voorliggende ontwikkeling Tussen de gemeente Roermond en ontwikkelaar is gekomen tot de realiseringsovereenkomst Jazz City d.d.
29-10-2013, waarin alle relevant afspraken zijn opgenomen. Conclusie De Financieel economische haalbaarheid van de activiteit is op basis van anterieure afspraken voldoende geborgd.
69
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevingsvergunningen, en dus ook voor de Bopa. Artikel 7.4 Or schrijft voor dat aangegeven moet worden of derden bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en – als dat het geval is – hoe zij zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Artikel 7.4 Or gaat ervan uit dat participatie niet verplicht is voor omgevingsplanactiviteiten. Voor de Bopa geldt het uitgangspunt dat alleen aangegeven hoeft te worden óf participatie heeft plaatsgevonden. Dit is anders als de raad bepaalt dat voor bepaalde activiteiten participatie verplicht moet plaatsvinden. Voor de Bopa’s waarvoor de gemeenteraad participatie verplicht stelt, is documentatie over participatie een aanvraagvereiste. Als uit de omgevingsvergunningaanvraag blijkt dat niet aan de verplichte participatie is gedaan, dan zal de initiatiefnemer in de gelegenheid moeten worden gesteld om de aanvraag aan te vullen. Als niet binnen de gestelde termijn de gegevens zijn aangevuld, dan zal het bestuursorgaan alsnog moeten besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten. Ingeval ten onrechte géén verplichte participatie heeft plaatsgevonden, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Voor de Bopa in relatie tot participatie is ook de aangenomen motie van kamerlid Nooren van belang.
De motie verplicht er – vooruitlopend op de Wet versterking participatie - toe dat gemeenten, provincies en waterschappen van tevoren nadenken over de wijze waarop zij participatie willen uitvoeren en dat in beleid vastleggen en publiceren. Gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Ow een lijst opstellen waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor participatie verplicht wordt gesteld; met daarbij aandacht voor de rol/ het doel van participatie. Eventuele participatie wordt door de aanvrager gedaan voorafgaand aan de aanvraag. Relatie met voorliggende ontwikkeling Jazz City B.V. en de gemeente Roermond hebben in het kader van participatie de plannen kenbaar gemaakt aan de omgeving en daartoe een zorgvuldig participatieproces doorlopen, zoals opgenomen het participatielogboek (bijlage 6). In dit participatielogboek is nauwkeurig vastgelegd wie bij de bijeenkomsten zijn betrokken, op welke thema’s is ingegaan, wat is gepresenteerd en wat de reacties alsook de adviezen waren die de omgeving tijdens deze bijeenkomsten hebben gegeven voor de ontwikkeling van Baton Rouge. Een van de belangrijkste punten uit het buurtadvies is dat de voorkeur van de omgeving uitgaat naar de variant waarbij de hoogste toren wordt gesitueerd als zuidelijke toren in plaats van de noordelijke toren.
Dat heeft geleid tot de aangevraagde afwijking van de beoogde activiteit waarvoor thans deze Bopa deels aan de orde is, aangezien hiermee de toegestane bouwhoogte voor bouwvlak II wordt overschreden.
70
Bestuurlijk vooroverleg Vooroverleg is onder de Ow niet langer voorgeschreven, maar er maf desondanks vanuit worden gegaan dat overheden hier gebruik van maken voorafgaand aan het verlenen van een BOPA. Uit dit bestuurlijk vooroverleg met hogere overheden en andere stakeholders (bijv. de veiligheidsregio) moet blijken of er hogere belangen zijn gediend en/of er specifieke aandachtspunten zijn ten aanzien van het voornemen. Uit het vooroverleg moet onder andere blijken of de gemeente inderdaad het bevoegd gezag is voor de behandeling van deze vergunningaanvraag, of dat de provincie of zelfs het rijk bevoegd gezag is vanwege gemeente-overstijgende belangen. Relatie met voorliggende ontwikkeling Het plan is vanwege van de aard van voorliggende afwijkingen ten opzichte van hetgeen reeds van rechtswege is toegelaten in het bestemmingsplan Jazz City niet in een vooroverleg besproken.
Advies en instemming Gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Ow een lijst opstellen waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/instemming moet worden gevraagd; met daarbij aandacht voor de wijze waarop deze advisering kan worden ingepast in het besluitvormingsproces bij Bopa’s Relatie met voorliggende ontwikkeling Op 19 maart 2024 is de gemeenteraad tijdens een Raadsinformatiebijeenkomst geïnformeerd over de ontwikkeling van Baton Rouge, het volgende deelplan binnen het gebied Jazz City aan de Maashaven. De architect heeft de raadsleden over het participatieproces en de totstandkoming van het ontwerp van 100 appartementen op een plint van outlet gerelateerde retail/horeca met ondergelegen parkeerkelder. Op 17 februari 2022 heeft de gemeenteraad het ‘Aanwijzingsbesluit bindend adviesrecht buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Roermond 2022’ vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat een bindend adviesrecht van Uw raad geldt bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bij ‘de nieuwbouw (geen functiewijziging of transformatie) van meer dan 10 (bedrijfs)woningen’.
71
6
BELANGENAFWEGING EN CONCLUSIE
6.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl) Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). De vraag bij de vergunningverlening is of het initiatief – de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er – na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? Relatie met voorliggende ontwikkeling Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de voorgaande hoofdstukken).
6.2
Conclusie
Zoals in paragraaf 2.3.3. beschreven is op vier onderdelen sprake van een afwijking ten opzichte van het vigerende omgevingsplan / bestemmingsplan “Jazz City”: 1. een afwijkende situering van de woningen in het plangebied 2. een afwijking van de bouwhoogte in bouwvlak II 3. geen invulling van bouwvlak II boven de plint met de oorspronkelijk bedoelde functie 4. actualisatie parkeernorm Uit de voorgaande paragrafen is gebleken dat deze relatief beperkte afwijking gezien de wenselijkheid van de voorziene woonbebouwing, gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De conclusie is derhalve dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.
72
7
BIJLAGEN
Als bijlagen bij deze notitie zijn opgenomen Bijlage 1 : Bijlage 2 : Bijlage 3 : Bijlage 4 : Bijlage 5 : Bijlage 6: Bijlage 7:
rapportage bureau Peutz inz. geluid, d.d. 28 mei 2024 rapportage “Inspectie beschermde natuurwaarden”, d.d. 26 april 2024 aerius rapportage, d.d. 21 mei 2024 quickscan bezonning, d.d. 13 maart 2024 notitie beschouwing windklimaat, d.d. 01 mei 2024 participatielogboek, d.d. februari 2024 maatvoering Baton Rouge, d.d. 29 april 2024
73
Bureau Meervelt, Ecologisch onderzoek en advies
Jazz City B.V. t.a.v. D. Salmans Philitelaan 73 5617 AM Eindhoven Nederweert, 26 april 2024 Uw kenmerk:
-
Ons kenmerk: 24-042 Onderwerp:
Brief inspectie beschermde natuurwaarden
Baton
Rouge, Roermond
Geachte heer Salmans, Jazz City B.V. is voornemens over te gaan tot de bouw van ‘Baton Rouge’ in Roermond. De voorgenomen ontwikkeling van Baton Rouge bestaat uit een commerciële plint (een plint is het onderste deel van een bouwwerk of bouwdeel) met daarboven 100 gestapelde woningen in de hoedanigheid van twee torens. Onder de nieuwe bebouwing wordt een parkeergarage aangelegd. Het plangebied ligt te midden van de stedelijke bebouwing van Roermond, aan de rand van het Designer Outlet Roermond. De westelijke rand grenst aan de weg Maashaven en de als jachthaven in gebruik zijnde Maashaven. De ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 1 zijn tevens enkele foto’s van het plangebied opgenomen. In de huidige situatie is het plangebied voor het overgrote deel van verhardingen voorzien. Deze verhardingen zijn als drukke parkeervoorziening in gebruik. Plaatselijk zijn groene elementen aanwezig in de vorm van enkele bomenrij en een klein stukje ruderaal (vrijwel onbegroeid) terrein. U heeft verzocht na te gaan in hoeverre het plangebied en de omgeving daarvan leefgebied vormt van beschermde soorten en in hoeverre kans is op overtredingen van de Omgevingswet - activiteit flora en fauna door de voorgenomen werkzaamheden. Daartoe is een bureauonderzoek uitgevoerd en is op 25 april 2024 een inspectie ter plekke van het plangebied uitgevoerd.
De resultaten van het bronnenonderzoek en het inspectiebezoek vindt u in deze brief. Diverse openbare gegevenssets zijn geraadpleegd (Nationale Databank Flora en Fauna, periode 2017 2024, zie bijlage 2) om een indruk te krijgen van mogelijk voorkomende soorten in het plangebied en de omgeving daarvan. Uit het terrein zijn enkel waarnemingen bekend van enkele algemeen voorkomende wilde planten. Waarnemingen van beschermde soorten zijn hier niet bekend. Tijdens het inspectiebezoek is gelet op de geschiktheid van de bomen als groeiplaats voor beschermde soorten planten, indicaties van broedvogels en is gelet op de betekenis als leefgebied voor beschermde diersoorten. De resultaten van het inspectiebezoek zijn verwerkt in deze brief.
Bureau Meervelt (VOF) Beatrixstraat 6, 6031 BC Nederweert, Tel: 0495-622268, email: info@meervelt.nl KvK: 12056511 ING: NL12 INGB 0005 3295 66
Flora Tijdens het inspectiebezoek werden geen beschermde soorten planten aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied kon tijdens het veldbezoek op grond van het aangetroffen biotoop uitgesloten worden. Nader onderzoek of een ontheffing voor planten is niet nodig.
Vogels De aanwezige bomen en struiken waren door het koude voorjaar nog goed te bekijken/inspecteren: in gebruik zijnde nesten werden niet aangetroffen. Tijdens het inspectiebezoek werden evenmin indicaties van territoriaal gedrag (balts, zang, paarvorming) waargenomen. Op grond van het inspectiebezoek wordt geconcludeerd dat het plangebied van geen tot uiterst geringe betekenis is voor broedvogels door de vele verhardingen in de directe omgeving van het plangebied en het intensieve gebruik van de parkeervoorziening. Alle nesten van broedvogels zijn beschermd zo lang deze in gebruik zijn en de jongen afhankelijk zijn van het nest. Nesten van een aantal soorten genieten een jaarronde bescherming. Verstorende werkzaamheden of activiteiten in het broedseizoen zijn niet toegestaan als nesten aanwezig zijn in het plangebied of de nabijheid daarvan. Een indicatie voor de broedperiode is 1 maart tot 15 juli. Let op: dit is slechts een indicatie, van belang is of broedende vogels aanwezig zijn of niet. Op grond van de afwezigheid van broedvogels en de uiterst geringe kans op vestiging in het plangebied kunnen de groene elementen in de periode 15 maart - 15 juli worden verwijderd. Bij voorkeur vindt het verwijderen van de groene elementen in het plangebied zo spoedig mogelijk plaats.
Zoogdieren In de NDFF zijn geen waarnemingen van zoogdieren bekend. Het plangebied is vrijwel geheel ongeschikt als leefgebied voor zoogdieren door het intensieve gebruik als parkeerplaats. In het plangebied ontbreken geschikte vaste rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen. Ook ontbreken lijnvormige elementen die als vliegroute voor vleermuizen dienst doen.
Amfibieën en reptielen In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van amfibieën en reptielen. Door de grote oppervlakte met verhardingen, het gebruik als parkeerplaats en het ontbreken van open water (voortplantingslocaties voor amfibieën) kan de aanwezigheid van amfibieën en reptielen in het plangebied geheel worden uitgesloten.
Overige soorten De aanwezigheid van andere beschermde soorten in dit perceel kan op grond van de inrichting en het gebruik van het plangebied worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing voor overige soorten is niet nodig.
Bureau Meervelt (VOF) Beatrixstraat 6, 6031 BC Nederweert, Tel: 0495-622268, email: info@meervelt.nl KvK: 12056511 ING: NL12 INGB 0005 3295 66
Conclusie Het plangebied is van uiterst geringe betekenis voor algemene natuurwaarden. Beschermde natuurwaarden zijn niet in het plangebied aanwezig. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Een Omgevingsvergunning - activiteit flora en fauna is niet nodig. Op grond van de afwezigheid van broedvogels tijdens het inspectiebezoek van 25 april 2024 en de uiterst geringe kans op vestiging van vogels in het plangebied kunnen de groene elementen in de periode 15 maart - 15 juli worden verwijderd. Bij voorkeur vindt het verwijderen van de groene elementen in het plangebied zo spoedig mogelijk plaats. Bij alle werkzaamheden geldt de zorgplicht, ook voor soorten waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals Egel en Konijn. Dit betekent dat doden van dieren voorkomen dient te worden. Bij aantreffen van dieren in het plangebied, de opslagplaats voor materialen of de rijroute dient gewacht te worden tot de dieren uit eigen beweging een veilig heenkomen hebben opgezocht.
Met vriendelijke groet,
Ing. R.A.J. Pahlplatz Bureau Meervelt
Bureau Meervelt (VOF) Beatrixstraat 6, 6031 BC Nederweert, Tel: 0495-622268, email: info@meervelt.nl KvK: 12056511 ING: NL12 INGB 0005 3295 66
Bijlage 1: Ligging en impressie van het plangebied
Figuur 1: Ligging van het plangebied.
Figuur 2: Impressie van het plangebied.
Figuur 3: Impressie van het plangebied.
Figuur 4: Detail van de nog niet uitgelopen struiken, hetgeen de inspectie van de groene elementen op aanwezigheid van broedvogels eenvoudiger maakte.
Bijlage 2: Gegevens uit de NDFF (betreft alle waarnemingen, beschermde soorten niet aanwezig)
Jazz City Roermond; deelplan Baton Rouge Onderzoek stikstofdepositie in het kader van de Omgevingswet
Rapportnummer H 8923-4-RA-002 d.d. 21 mei 2024
Jazz City Roermond; deelplan Baton Rouge Onderzoek stikstofdepositie in het kader van de Omgevingswet
Opdrachtgever: Jazz City B.V. Rapportnummer: H 8923-4-RA-002 Datum: 21 mei 2024 Referentie: JHa/JHa/ /H 8923-4-RA-002 Verantwoordelijke: drs. ing. J.V. Harbers Opsteller: drs. ing. J.V. Harbers +31 858228673 j.harbers@peutz.nl
Peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, info@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid Nlingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook - zoetermeer - groningen - eindhoven - haps - düsseldorf - dortmund - berlijn - nürnberg - leuven - parijs - lyon
H 8923-4-RA-002 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
4
2
Wet- en regelgeving
6
3
Uitgangspunten
8
3.1
Aanleg-/bouwfase
8
3.2
Gebruiksfase
9
4
Rekenresultaten
10
4.1
Rekenmethode
10
4.2
Rekenresultaten
10
4.2.1
Aanleg-/bouwfase
10
4.2.2
Gebruiksfase
11
Beoordeling en conclusie
12
5
Bijlage 1: AERIUS-berekening aanlegfase Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase
H 8923-4-RA-002 3
1
Inleiding In opdracht van Jazz City B.V. is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofemissies en stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden vanwege het beoogde nieuwbouwplan Jazz City ‘Baton Rouge’ in Roermond. Het plan betreft een, voornamelijk, woongebouw (ca. 100 appartementen) met een plint waarin o.a. winkels en horeca zijn voorzien. Boven op de plint zijn twee woontorens met een hoogte tot respectievelijk 34m en 43m + peil gesitueerd. Onder het plan is een parkeergarage geprojecteerd. Het totaaloppervlak van de plint, parkeergarage en collonade samen bedraagt ca. 6.400 m² bvo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en zijn er, ten opzichte van de situatie ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan Jazz City in 2014, wijzigingen doorgevoerd in de planopzet en het ruimteprogramma van het plan Baton Rouge. Om die reden is men voornemens om een verzoek tot een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) in te dienen waartoe onder andere de stikstofemissies en -depositie vanwege het het bouwplan dient te worden beoordeeld. Het projectgebied bevindt zich op ca. 350 meter van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied “Roerdal”. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op tenminste 4 km afstand (Meinweg, Swalmdal, Leudal). In figuur f 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.