CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Concept ruimtelijke onderbouwing realisatie 27 appartementen Slachthuisstraat 113-115

Gemeenteraad 7 november 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: VVGB realisatie 27 appartementen met lift Slachthuisstraat 113-115 te Roermond6.637 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

 

  

  

  

 

 

 

  

       

        

  

 

  

  

    

  

 

  

  

 

  

   

Verkennend asbest- en bodemonderzoek Slachthuisstraat 113-115 te Roermond

Verkennend asbest- en bodemonderzoek Slachthuisstraat 113-115 te Roermond Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum

: AM21573 : Definitief (versie 3) : 29 februari 2024 (zie addendum voor wijziging onderzoekslocatie)

Opdrachtgever

: Victor Adams Beheer B.V. Solvayweg 7 6049 CP Herten

Opgesteld door Paraaf

: BEd L. Koomen :

Gecontroleerd door Paraaf

: M. Vrolix, bc :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

2001 + 2002 + 2018

Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN 5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

AM21573

Pagina | 2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ............................................................................................................................................................................................................4

2.

VOORONDERZOEK ............................................................................................................................................................................................5 2.1

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5

2.2

Topografische beschrijving........................................................................................................................................................................5

2.3

Historisch overzicht en omgeving ...........................................................................................................................................................6

2.4

Dossieronderzoek ..........................................................................................................................................................................................6

2.5

Bodemopbouw en geo(hydro)logie ...................................................................................................................................................... 10

2.6

Beschrijving van de onderzoekslocatie .............................................................................................................................................. 10

2.7

Asbest ............................................................................................................................................................................................................. 11

2.8

Bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord ................................................................................................................................... 11

2.9

Onderzoekshypothese .............................................................................................................................................................................. 11

3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE............................................................................................................................................................................ 12 3.1

Inleiding ......................................................................................................................................................................................................... 12

3.2

Onderzoeksstrategie NEN 5740 ............................................................................................................................................................ 12

3.3

Onderzoeksstrategie NEN 5707 ............................................................................................................................................................ 13

4.

VELDWERKZAAMHEDEN.............................................................................................................................................................................. 14 4.1

Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 14

4.2

Grondbemonstering ................................................................................................................................................................................... 14

5.

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................................................................................... 16 5.1

Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 16

5.2

Grondmengmonsters asbest (fijne fractie) ........................................................................................................................................ 16

5.3

Grond(meng)monsters NEN 5740 pakket .......................................................................................................................................... 17

5.4

Toetsing van de gestelde hypothese .................................................................................................................................................. 19

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.......................................................................................................................................................... 20

Addendum .......................................................................................................................................................................................................................... 21

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening onderzoekslocatie met foto- en boorpunten Boorprofielen en zintuiglijke waarnemingen Verklaring veldmedewerker Analyserapport grondmengmonsters asbest (fijne fractie) Toetsingstabellen en analyserapport grond(meng)monsters Omgevingsrapportage gemeente Roermond Rapportage bodemonderzoek Carmelitessenstraat 2 te Roermond, AM23123-2

AM21573

Pagina | 3

1.

INLEIDING

In opdracht van Victor Adams Beheer B.V. heeft Aeres Milieu B.V. een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Slachthuisstraat 113-115 te Roermond

Kadastrale registratie

: Roermond, sectie B, nummer 8265 (gedeeltelijk)

Oppervlakte

: circa 3.250 m2

Huidig gebruik van de locatie

: diverse bedrijfslocaties met parkeerterrein

Toekomstig gebruik

: herontwikkeling tot wonen

Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740 en NEN 5707. Het bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een verkennend asbest- en bodemonderzoek op het perceel.

Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit onderzoek is de voorgenomen aankoop en herontwikkeling van de onderzoekslocatie met woningbouw.

Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven.

Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond-

en

grondwateronderzoek)

beschreven.

Hoofdstuk

5

beschrijft

de

laboratoriumwerkzaamheden

en

de

onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in december 2021 en januari 2022. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de protocollen van de BRL SIKB 2000. De chemische analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam en Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. SGS Environmental Analytics B.V. en Eurofins Analytico B.V. zijn geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000).

AM21573

Pagina | 4

2. VOORONDERZOEK 2.1

Inleiding

Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: •

de opdrachtgever;

•

het kadaster;

•

topotijdreis.nl;

•

gemeente Roermond;

•

het dinoloket;

•

terreininspectie.

In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken.

2.2

Topografische beschrijving

De onderzoekslocatie ligt aan de Slachthuisstraat 113-115 te Roermond. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Roermond, sectie B, nummer 8265 (gedeeltelijk). De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 197.616 / Y = 356.713. Zie bijlage 1 voor een kadastrale kaart. Op onderstaande luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.

Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (Bron luchtfoto: PDOK-viewer )

AM21573

Pagina | 5

2.3

Historisch overzicht en omgeving

In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat er reeds in begin 1900 bebouwing op de onderzoekslocatie aanwezig is. In de loop der jaren wijzigt de bebouwing in omvang. Op de kaart uit 1980 is er geen bebouwing meer aanwezig zichtbaar op de onderzoekslocatie. Op de kaart uit 1988 is de huidige bebouwing zichtbaar. Op de kaart uit 1999 is nog een uitbreiding van deze bebouwing zichtbaar op het binnenterrein.

1900

1962

1970

1980

1988

1999

Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (Bron kaarten: topotijdreis.nl)

2.4

Dossieronderzoek

Via de website van de gemeente Roermond is bodeminformatie gedownload van de locatie en directe omgeving. Deze omgevingsrapportage is opgenomen in bijlage 8. Voor het verkrijgen van historische informatie van de onderzoekslocatie is op 15 november 2022 tevens een informatieverzoek ingediend bij de gemeente Roermond. Gevraagd is naar uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen, verleende hinderwet- of milieuvergunningen, bouw- en/of sloopvergunningen, de aanwezigheid van onder- en/of bovengrondse brandstoftanks, gegevens over calamiteiten en eventuele asbestinventarisaties. Tevens is gevraagd of de locatie en de directe omgeving verdacht is op het voorkomen van verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX, of dat er ter plaatse bronlocaties bekend zijn voor PFAS of GENX.

AM21573

Pagina | 6

In het gemeentelijk archief was één bouwvergunning beschikbaar met kenmerk B2-2001-0527, d.d. 15 maart 2002 voor het vergroten van een kantoorpand. Nadere informatie over bronlocaties voor een verhoogd voorkomen van verontreiniging in de bodem of het grondwater zijn niet bekend. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn de in tabel 2.1 weergegeven bodemonderzoeken en -saneringen uitgevoerd. Kenmerk

Bijzonderheden

Bodemonderzoek,

Dit rapport is uitgevoerd op de huidige onderzoekslocatie. Aanleiding voor het onderzoek vormt de

Carmelitessenstraat 2,

voorgenomen verkoop van het perceel.

Roermond

Zintuigelijk zijn er slakken en kooldeeltjes aangetroffen op de onderzoekslocatie.

rapport Grontmij, d.d.

Analytisch is er een PAK-verontreiniging aangetoond in de bovengrond. De PAK-verontreiniging is duidelijk te

juli 1997

relateren aan de slakken- en kolenrestdeeltjes, die diffuus voorkomen. De streefwaarde voor PAK wordt frequent overschreden en de toetsingswaarde voor PAK incidenteel. Deze toetsingswaarde-overschrijding beperkt zich tot de bodemlaag 0-0,50 m -mv. in fase 2 is een interventiewaarde overschrijding geconstateerd in boring 11.2. Bij het uitgebreide onderzoek (3e fase) zijn analytisch geen interventiewaarde-overschrijdingen voor PAK aangetoond. Om deze reden kan dan ook niet gesproken worden van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals in bedoeld in de Wet Bodembescherming, omdat het volumecriterium van 25 m 3 sterk verontreinigde bodem niet gehaald wordt. Zie afbeelding 3 voor een situatietekening met de boorpunten.

Afbeelding 3: situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten (Bron tekening: Grontmij)

AM21573

Pagina | 7

Kenmerk

Bijzonderheden Een mogelijke verklaring voor het diffuus voorkomen van de PAK-verontreiniging wordt gegeven door het feit dat het een zogenaamde ‘ophooglaag’ betreft, die wellicht met kolenrest- en slakkendeeltjes verontreinigd is door de voormalige tramactiviteiten op het perceel. Gezien het huidige gebruik hoeven erop dit moment en ook in de toekomst geen milieuhygiënische beperkingen aan de locatie gesteld te worden.

Bij grondverzetactiviteiten dient er rekening mee gehouden te worden dat de grond niet zonder meet herbruikbaar is, gezien het voorkomen van slakken- en kolenrestdeeltjes en daarmee de samenhangende PAKverontreiniging. Gezien de omvang en intensiteit van het verrichte onderzoek is verder onderzoek niet nodig. Saneringsnotitie,

Aanleiding tot het laten opstellen van een saneringsnotitie vormt de voorgenomen verkoop van de locatie

Carmelitessenstraat 2,

Het doel van de voorliggende notitie is tweeledig:

Roermond

•

nagaan of ter plaatse van de locatie saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn;

rapport Grontmij, d.d. 20

•

nagaan of eventuele bebouwingsuitbreidingen ter plaatse van de locatie leiden tot verhoogde kosten.

mei 1998

Conclusies: Het in juli 1997 gerapporteerde bodemonderzoek concludeert dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, zoals bedoeld in de Wet Bodembescherming. Wel is er sprake van een lichte, diffuse bodemverontreiniging ter plaatse van het gehele terrein tot een diepte van ca. 1,5 tot 2,0 meter beneden maaiveld.

Toetsing van de lichte verontreinigingen aan het Bouwstoffenbesluit leidt tot de conclusie dat de grond als Categorie I grond ingedeeld dient te worden. Dit wil zeggen dat de grond ter plaatse van de locatie hergebruikt kan worden en dat de grond elders in een werk, zoals bedoeld in het Bouwstoffenbesluit, zonder isolerende voorzieningen verwerkt kan worden.

Toetsing aan de notitie “Bouwen op verontreinigende grond” wijst uit dat het huidige gebruik van de locatie voortgezet kan worden. Toetsing aan het toekomstige bestemmingsplan leidt tot de volgende voorlopige conclusies: 1.

de bestemming zal “kantoorgebied” zijn;

2.

ook bij deze bestemming behoeven geen sanerende maatregelen getroffen te worden;

3.

het huidige bebouwde oppervlak kan niet verder uitgebreid worden indien de parkeerplaats aangemerkt wordt als “bebouwing”;

4.

naar verwachting zullen er geen grondverzetsactiviteiten van het perceel naar elders uitgevoerd hoeven te worden.

Evaluatierapport

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er ter plaatse van één van de deellocaties nog een zeer lichte

sanering gemeentewerf

verontreiniging met benzeen aanwezig is. Gelet op het gehalte van de benzeenverontreiniging heeft er geen

Roermond, rapport

verdere ontgraving plaatsgevonden. Verder zijn ter plaatse van de vijf overige ontgravingsvakken géén

Econsultancy b.v., d.d. 4

verontreinigingen met minerale olie en vluchtige aromaten in de grond achtergebleven.

december 1998

Nazorg van olie- en aromatenverontreiniging is niet van toepassing. De overige nazorg zal conform het saneringsplan van Oranjewoud worden uitgevoerd.

Verkennend

Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw ter plaatse

bodemonderzoek,

van de onderzoekslocatie.

Venloseweg 78,

Zintuigelijk zijn er plaatselijk bijmengingen met puin, kooltjes en sintels waargenomen.

Roermond

De bovengrond is licht verhoogd met koper, kwik, lood en zink. De ondergrond is licht verhoogd met koper, kwik en PAK.

AM21573

Pagina | 8

Kenmerk

Bijzonderheden

rapport Milieutechnisch

Er is geen grondwateronderzoek verricht vanwege grondwater dieper dan 5 m -mv.

Adviesbureau Heel BV,

De

d.d. 10 mei 2007

bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

Bodemonderzoek,

De onderzoekslocatie ligt zuidelijk van onderhavig plangebied. Aanleiding voor het onderzoek vormen de

Slachthuisstraat e.o.

voorgenomen reconstructiewerkzaamheden in het gebied

aanleg fietspad, rapport

Ter hoogte van Slachthuisstraat 115 is in de bovengrond een sterke verhoging met PAK aangetoond. Er is geen

Milieutechnisch

asbest aangetroffen. Vanwege de omvang van de sterke PAK verontreiniging (< 25 m3) is formeel geen sprake

Adviesbureau Heel BV,

van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Zie afbeelding 4 voor een situatietekening met boorpunten.

resultaten

van

dit

onderzoek

vormen

geen

bezwaar

ten

aanzien

van

de

voorgenomen

d.d. 30 maart 2016

(IN-SITU) partijkeuring

Afbeelding 4: situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten en asbestinspectiegaten (Bron tekening: MAH) Aanleiding voor de keuring van de (in-situ) partij grond betreft de afvoer c.q. toepassing ervan elders.

grond Carmelitessenstraat te

De partij voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse wonen. Daarnaast is geen overschrijding van de

Roermond, rapport

restconcentratienorm (100 mg/kg d.s.) voor asbest aangetoond).

Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV,

Aangezien in de (in-situ) partij grond geen van de zware metalen de emissietoetswaarde overschrijdt, kan de

d.d. 7 februari 2018

partij zonder aanvullend uitloogonderzoek worden hergebruikt in een grootschalige bodemtoepassing.

Aanvullend

Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de uitbreiding van het herinrichtingsgebied (zowel in horizontale

bodemonderzoek

als plaatselijk in verticale richting) ter plaatse van de Slachthuisstraat e.o. te Roermond. Dit aanvullend

herinrichting

bodemonderzoek dient in combinatie gezien te worden met het verkennend bodemonderzoek d.d. 30 maart

Slachthuisstraat e.o.,

2016.

rapport Milieutechnisch

De bovengrond is licht verhoogd met PAK, kobalt, kwik en lood.

Adviesbureau Heel BV,

De ondergrond is licht verhoogd met kobalt, koper, kwik, lood en PAK.

d.d. 25 oktober 2018

Ter hoogte van de onderzoekslocatie zijn geen verhogingen met asbest aangetoond. Volgens een indicatieve toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit (hergebruik) komt ter plaatse de bodemlaag van 0,05 – 1,0 m-mv in aanmerking voor hergebruik als grond die voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000), bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie.

AM21573

Pagina | 9

Kenmerk

Bijzonderheden

Aanvullend

Aanvullend op voorgaand bodemonderzoek ter plaatse is de grond zuidelijk van de Slachthuisstraat 113-115

bodemonderzoek

onderzocht op de aanwezigheid van PFAS in de bodem.

herinrichting

In de ondergrond (1,0-5,5 m-mv) ter plaatse van de overstortput Slachthuisstraat en in de bovengrond ter

Slachthuisstraat e.o.,

plaatse van de sterke PAK verontreiniging overschrijdt PFAS de detectielimiet van 0,1μg/kg ds niet.

rapport Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, d.d. 22 november 2019 Tabel 2.1: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken

Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden.

2.5

Bodemopbouw en geo(hydro)logie

Het plangebied ligt in het stedelijk gebied. De verwachte bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.2. Diepte [m-mv]

Lithostratigrafie

Lithologie

0 – 4,0

Formatie van Boxtel

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind

4,0 – 11,4

Formatie van Beegden

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken.

11,4 – 16,0

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei en klei, weinig fijn en midden zand en een spoor veen, grof zand en grind

16,0 – 26,6

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken

26,6 – 50,4

Formatie van Sterksel

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei

Tabel 2.2: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket identificatienummer B58D0096)

Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 26,8 m +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal westelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 18,5 m+ NAP (ca. 7-8 m-mv). De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.

2.6

Beschrijving van de onderzoekslocatie

Op 22 december 2021 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein.

AM21573

Pagina | 10

Op de onderzoekslocatie staat vooraan een bedrijfspand met rondom een betonklinkerverharding. Aan de achterzijde bevindt zich centraal op de onderzoekslocatie de ingang naar een verdiept gelegen parkeerkelder. Bovenop de parkeerkelder bevinden zich ook parkeerplaatsen. Het perceel is in twee gesplitst door een hekwerk met noordelijk ook een kleine fietsenstalling. Aan de zuidwestzijde van het perceel is er een groenstrook aanwezig. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde begrensd door een pand aan de Carmelitessenstraat nr. 28, aan de oostzijde door de Slachthuisstraat, aan de zuidzijde door een pand aan de Slachthuisstraat 111 en aan de westzijde door woningen.

Tijdens de veldinspectie is op het maaiveld en op de aanwezige panden zover zichtbaar geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. De fotostandplaatsen zijn opgenomen op de situatietekening in bijlage 3.

2.7

Asbest

Uit het dossieronderzoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie mogelijk asbestverdachte activiteiten hebben plaatsgevonden gezien het historisch gebruik van het perceel.

2.8

Bodemkwaliteitskaart Regio Limburg Noord

Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Roermond blijkt dat voor de onderzoekslocatie de ontgravingsklasse ‘industrie’ geldt

voor

de

bovengrond

en

de

ontgravingsklasse

‘landbouw/natuur’

geldt

voor

de

ondergrond.

Op

de

bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘industrie’.

2.9

Onderzoekshypothese

Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd op het voorkomen van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) in de bodem. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan vanwege het historisch gebruik (industriepand en verhard terrein) niet worden uitgesloten. Derhalve is de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem.

AM21573

Pagina | 11

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1

Inleiding

Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) en NEN 5707 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.

3.2

Onderzoeksstrategie NEN 5740

Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘VED-HE’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Ter plaatse van de voormalige sterke verhoging met PAK zal een grondboring verricht worden om na te gaan of deze sterke PAK-verhoging nog aanwezig is. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. Het freatisch grondwater bevindt zich dieper dan 5,0 m-mv. waardoor conform de NEN5740 geen grondwateronderzoek noodzakelijk wordt geacht. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'VED-HE' Aantal boringen oppervlakte (m²) tot 0,5 m in de verdachte laag 3.250

12

boring tot de onderzijde van de èn boring met verdachte laag met een maximum van peilbuis 2m 2 1*

Aantal te onderzoeken (meng)monsters grond grondwater (verdachte laag) 4 (+1 ondergrond)

--

Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 “verdacht” Uit elke boring worden monsters genomen in trajecten van ten hoogste 0,5 m. * Gezien de diepte van het grondwater wordt deze boring vervangen door een boring tot 2,0 m -mv. Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie

AM21573

Pagina | 12

3.3

Onderzoeksstrategie NEN 5707

Voor het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest in bodem is uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. De veldwerkzaamheden bestaan uit het uitvoeren van een maaiveldinspectie en het graven van inspectiegaten. In principe worden de asbestgaten willekeurig verspreid over het asbestverdachte gedeelte van de onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van een eventuele verontreiniging met asbest in de bodem zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. Indien noodzakelijk blijkt bij de uitvoering, worden aanvullende (meng)monsters genomen. Oppervlakte locatie

Minimaal aantal te

Gaten in de verdachte laag

Gaten / broing tot

Aantal te analyseren

(m )

inspecteren punten van

tot maximaal 0,5 m in de

onderzijde verdachte

(meng)monsters

het maaiveld

verdachte laag

laag met een maximum

2

van 2 m 3.250

12

12

2

3

Tabel 3.2: Onderzoeksopzet verkennend onderzoek asbest

AM21573

Pagina | 13

4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1

Algemeen

Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.

4.2

Grondbemonstering

Op 22 december 2021 zijn de meeste boringen geplaatst en asbestinspectiegaten gegraven conform protocol 2001 en 2018. Een deel van de asbestinspectiegaten en boringen zijn gecombineerd. In verband met de vorst ter plaatse van de aanwezige betonklinkerbestrating zijn op 14 januari 2022 de resterende boringen en asbestinspectiegaten geplaatst op de onderzoekslocatie. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer H. van den Tillaar en de heer M. Vrolix, beiden erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Tijdens de inspectie was het zonnig en helder weer. De asbestverdachte locatie is grotendeels bebouwd (80%), voor 15% verhard met klinkers en voor 5% braakliggend/groenstrook. Op het maaiveld zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Verdeeld over de onderzoekslocatie zijn in totaal 14 asbestinspectiegaten gegraven van minimaal 0,3 x 0,3 m tot 0,5 m-mv. (inspectiegaten 01 t/m 14). Diverse asbestinspectiegaten zijn doorgezet tot de onverdachte ondergrond. Globaal bestaat de bodem onder de betonklinkerbestrating uit een grindhoudende matig fijne zandlaag. op ca. 0,5-1 m-mv is plaatselijk een humeuze bodemlaag aangetroffen.

Ter plaatse van het plangebied heeft in het verleden vermoedelijk een ophoging plaatsgevonden. Op ca. 1,5-2 m-mv is een sterk siltige zandlaag / sterk zandige leemlaag aangetroffen. Ter plaatse van asbestinspectiegat 10 (parkeerplaats nabij de Slachthuisstraat) is een menggranulaat als funderingslaag aangetroffen. Het uitkomende materiaal is manueel voorbehandeld (zeeffractie 20 mm) en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. In het uitkomende bodemmateriaal bij de inspectiegaten en boringen zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. De boringen voor het verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) zijn verricht met behulp van de Edelmanboor (ø 7 cm). Het grondwater is niet onderzocht daar dit zich dieper dan 5 m- mv. bevindt. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5 m-mv bevindt, kan conform de onderzoeksnorm NEN5740 het plaatsen van een peilbuis achterwege blijven. De locaties van de geplaatste asbestinspectiegaten en boringen zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 3.

AM21573

Pagina | 14

Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging.

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden en zijn in het veld grond(meng)monsters samengesteld voor een analyse op asbest in de fijne fractie. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4). In tabel 4.1 zijn de boringen beschreven waarin zintuiglijk afwijkingen zijn geconstateerd. Boring

Traject (m -mv) 0,35 - 0,60

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

01

Diepte boring (m -mv) 2,00

Zand

Sporen kolen, resten beton

03

0,80

0,50 - 0,80

Zand

Gestaakt op beton

09

2,50

1,50 - 2,00

Zand

Sporen beton, sporen baksteen

10

0,90

0,15 - 0,50

15

0,90

0,00 - 0,40

Volledig menggranulaat Zand

Zwak betonhoudend

Tabel 4.1: Overzicht zintuiglijke afwijkingen

Gezien het gelijktijdig uitvoeren van een verkennend asbest in bodemonderzoek geven deze aangetroffen bijmengingen in de bodem geen aanleiding om de eerder bepaalde verdachte onderzoeksstrategie aan te passen.

AM21573

Pagina | 15

5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1

Algemeen

De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam en Eurofins Analytico B.V. te Barneveld. SGS Environmental Analytics B.V. en Eurofins Analytico B.V zijn geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.

5.2

Grondmengmonsters asbest (fijne fractie)

In de grove fractie is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Van de uitgezeefde fijne fractie (<20 mm) zijn in het veld vijf grond(meng)monsters samengesteld van minimaal 10 kg. De mengmonsters zijn genomen door per asbestinspectie gat evenredige grepen van de gezeefde grond te nemen. In tabel 5.1 is de samenstelling van deze mengmonsters weergegeven. Mengmonster

Inspectiegat

Traject (m-mv.)

ABM1

ABG2

0,08 – 0,5

Bijmengingen met grind (20%)

ABG4

0,08 – 0,5

Bijmengingen met grind (5%)

ABG5

0,1 – 0,5

Bijmengingen met grind (5%)

ABG6

0,05 – 0,5

Bijmengingen met grind (10%)

ABG11

0,08 – 0,5

Bijmengingen met grind (1%)

ABG8

0,08 – 0,5

Bijmengingen met grind (10%)

ABG9

0 – 0,5

Geen bijzonderheden / bijmengingen (0%)

ABG14

0 – 0,5

Geen bijzonderheden / bijmengingen (0%)

ABM3

ABG10

0,15 – 0,5

ABM4

ABG12

0,08 – 0,5

ABG14

0 – 0,5

Geen bijzonderheden / bijmengingen (0%)

ABG1

0,15 – 0,35

Bijmengingen met grind (2%)

ABG3

0,08 – 0,5

Bijmengingen met grind (5%)

ABG7

0,08 – 0,5

Bijmengingen met grind (2%)

ABM2

ABM5

Visuele waarnemingen (%>20 mm)

Asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen Nee

Geselecteerd voor analyse

Nee

Nee

Volledig menggranulaat (40%)

Nee

Ja

Geen bijzonderheden / bijmengingen (0%)

Nee

Nee

Nee

Ja

Ja

Tabel 5.1: Overzicht bemonsterde grond(meng)monsters voor eventuele analyse van de fijne fractie

De berekende concentratie is bepaald door sommatie van de asbestconcentratie in de grond (mg/kg d.s.) en de bijdrage van de materiaalmonsters uit het inspectiegat (mg/kg d.s. voor het geschouwd volume). In onderstaande table 5.2 is het resultaat weergegeven. Zie bijlage 6 voor het analyserapport.

AM21573

Pagina | 16

Monster

Visuele waarneming

Vastgestelde hoeveelheid asbest

grove fractie [mg/kg d.s.]

fijne fractie [mg/kg d.s.]

serpentijn

amfibool

serpentijn

amfibool

Indicatief berekende asbestconcentratie [mg/kg d.s.kg]

ABM1

Bijmengingen met grind

n.a.

n.a.

<2

<2

<2

ABM3

Volledig menggranulaat

n.a.

n.a.

0,84

<2

0,84

ABM5

Bijmengingen met grind

n.a.

n.a.

<2

<2

<2

Tabel 5.2: Analysemonsters grondmonsters fijne fractie n.a. = niet aangetroffen/aangetoond

De meest verdachte bodemlagen zijn analytisch onderzocht. In grondmengmonster ABM3 (menggranulaat) is een marginaal verhoogde asbestconcentratie aangetoond van 0,84 mg/kg d.s. In de overige onderzochte monsters ABM1 en ABM5 zijn geen verhoogde asbestconcentraties aangetoond.

5.3

Grond(meng)monsters NEN 5740 pakket

In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie. In overleg met de opdrachtgever is besloten om de zintuiglijk schone ondergrond van boring 01 (M6) aanvullend separaat te analyseren op het voorkomen van PAK’s. Analysemonster MM1

Traject (m -mv) 0,05 - 0,50

Deelmonsters

Analysepakket

04 (0,08 - 0,50) 06 (0,05 - 0,50)

Standaardpakket incl. lu/os

11 (0,08 - 0,50) 12 (0,08 - 0,50) M2

0,00 - 0,40

15 (0,00 - 0,40)

Standaardpakket incl. lu/os

MM3

0,00 - 0,50

02 (0,08 - 0,50) 05 (0,10 - 0,50)

Standaardpakket incl. lu/os

09 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) M4

1,50 - 2,00

09 (1,50 - 2,00)

Standaardpakket incl. lu/os

M5

0,35 - 0,60

01 (0,35 - 0,60)

Standaardpakket incl. lu/os

M6

0,60 - 1,00

01 (0,60 - 1,00)

PAK (10) (VROM)

MMPFAS1

0,05 - 0,50

04 (0,08 - 0,50) 06 (0,05 - 0,50)

PFAS (30) advieslijst 12 juli

MMPFAS2

0,00 - 0,50

11 (0,08 - 0,50) 12 (0,08 - 0,50) 02 (0,08 - 0,50) 05 (0,10 - 0,50)

PFAS (30) advieslijst 12 juli

09 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) Tabel 5.3: samenstelling analysemonsters en analysepakket

De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven.

*

Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergronden interventiewaarde;

**

het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;

AM21573

Pagina | 17

***

het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing altijd moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stof gehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit.

In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 7 voor het analyserapport. (Meng)monster MM1

Traject (m -mv) 0,05 - 0,50

Zintuiglijke waarnemingen Geen bijzonderheden / bijmengingen

Verhoogde component PAK (10-VROM)

Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing 2,07 *

Som PCB

30

*

M2

0,00 - 0,40

Zwak baksteenhoudend

-

-

-

MM3

0,00 - 0,50

Geen bijzonderheden / bijmengingen

PAK (10-VROM)

3,38

*

M4

1,50 - 2,00

Sporen baksteen en beton

Kwik

0,321

*

PAK (10-VROM)

1,69

*

Kobalt

22,89

*

Lood

101

*

Minerale olie

1250

*

PAK (10-VROM)

60,1

***

M5

0,35 - 0,60

Sporen kolen en resten beton

M6

0,60 - 1,00

Geen bijzonderheden / bijmengingen

-

-

-

MMPFAS1

0,05 - 0,50

Geen bijzonderheden / bijmengingen

-

-

-

MMPFAS2

0,00 - 0,50

Geen bijzonderheden / bijmengingen

-

-

-

Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters

Uit de analyseresultaten blijkt dat bovengrondmengmonsters MM1 en MM3 licht verhoogd zijn met PAK waarbij in MM1 tevens een lichte verhoging met som PCB aangetoond is. In het zwak baksteenhoudende bovengrondmonster M2 zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde gemeten. In ondergrondmonster M4 is een lichte verhoging met PAK en kwik aangetoond. Grondmonster M5 (boring 01) blijkt licht verhoogd met kobalt, lood, minerale olie en sterk verhoogd met PAK. In ondergrondmonster M6 (boring 01) is geen verhoging met PAK aangetoond. In de twee onderzochte bovengrondmengmonsters is tevens geen verhoogd gehalte aan PFAS gemeten.

Zware metalen bezitten een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan slib- en kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Tot de bedrijfsactiviteiten die verontreiniging van de bodem met zware metalen kunnen veroorzaken worden onder andere gerekend galvanische bedrijven, grafische industrie, sloperijen en metaalbewerkende industrie.

De afkorting PAK staat voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Het gaat hierbij om een verbindingsklasse van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen. Ze ontstaan met name bij verbrandingsprocessen, en kunnen dus zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s ontstaan o.a. door onvolledige verbranding van minerale olie zoals die ook in het verkeer plaatsvindt. AM21573

Pagina | 18

Ze worden tevens gevormd bij het proces van droge destillatie van steenkool, zoals die bij gas- en cokesfabrieken werd toegepast. Daarnaast kunnen ze worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten.

In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica. De belangrijkste PAK-verbindingen in steenkoolteer zijn naftaleen, chryseen, fenanthreen en fluorantheen. Alle zijn praktisch onoplosbaar in water, niet vluchtig en persistent (niet afbreekbaar).

PCB (Polychloorbifenylen) zijn geen natuurlijk voorkomende stoffen. De aanwezigheid van PCB in het milieu is met name het gevolg van industriële productie en het gebruik van PCB van ongeveer 1930 tot 1980. PCB werden gebruikt als hydraulischeof warmtegeleidingsvloeistoffen, smeermiddelen en als weekmakers in producten zoals verf en koolstofvrij kopieerpapier. Sedert 1985 is de verkoop en het toepassen van PCB in Nederland verboden.

5.4

Toetsing van de gestelde hypothese

Geconcludeerd kan worden dat de berekende concentraties in de grond in overeenstemming zijn met de vooraf geformuleerde hypothese dat de locatie als verdacht beschouwd kan worden. Ter plaatse van boring 01 is de in het verleden aangetoonde sterke verhoging met PAK in de bovengrond nog aangetroffen. Deze verhoging met PAK betreft een reeds vastgestelde puntverontreiniging (zie bodemonderzoek Camelitessenstraat 2, rapport Grontmij, d.d. juli 1997). Voor de bevestiging van de lokale aanwezigheid is het hieronder gelegen bodemtraject tevens op PAK onderzocht. Deze bodemlaag blijkt niet verhoogd met PAK. Ter plaatse van boring 01 (traject 0,35 – 0,6 m-mv.) is geen sprake zijn een geval van ernstige bodemverontreiniging daar de omvang minder dan 25 m3 bedraagt. De overige gemeten concentraties in de bodem liggen ruim beneden de tussenwaarde (= het gemiddelde van de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden voor grond). Uit de onderzochte bovengrondmonsters blijkt dat de bodem ter plaatse onverdacht is op het voorkomen van PFAS. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk geacht. Voor asbest in de bodem wordt de vooraf opgestelde hypothese dat de locatie verdacht is niet bevestigd. Bij het verkennend onderzoek is in de fijne fractie van ABM3 (menggranulaat parkeerplaats) wel een zeer lichte verhoogde asbestconcentratie van 0,84 mg/kg d.s.

aangetoond. Dit is ruim beneden de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kd d.s. waardoor er geen aanleiding bestaat voor het uitvoeren van nader asbest in bodemonderzoek. De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie kan als onverdacht op het voorkomen van asbest beschouwd worden.

AM21573

Pagina | 19

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde en uitgegraven bodemmateriaal is in de bovengrond van boring 01 een spoor kolen en beton waargenomen. Ter plaatse van boring 09 zijn in de ondergrond een spoor baksteen en beton waargenomen. Ter plaatse van de parkeerplaats is in de bovengrond van boring 10 een menggranulaat aangetroffen. Tenslotte zijn in de bovengrond van boring 15 een resten beton waargenomen. Visueel zijn op de onderzoekslocatie en in het uitkomende bodemmateriaal geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de fijne fractie mengmonster ABM3 (menggranulaat boorpunt 10) is een zeer lichte verhoging met asbest aangetoond van 0,84 mg/kg d.s. In de overige geanalyseerde asbestmonsters zijn geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie kan als onverdacht op het voorkomen van asbest beschouwd worden.

Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met PAK en som PCB. Ter plaatse van boring 01 is in de bovengrond de eerdere sterke verhoging met PAK nog aangetroffen. Ter bevestiging van de lokale aanwezigheid is tevens het hieronder gelegen bodemtraject op PAK onderzocht. Deze bodemlaag blijkt niet verhoogd met PAK. De ondergrond blijkt licht verhoogd met kwik en lood. Daar het grondwater zich dieper dan 5,0 m-mv. bevindt, heeft hiernaar conform de NEN 5740 geen onderzoek plaatsgevonden. In de twee onderzochte bovengrondmengmonsters op PFAS is geen verhoogd gehalte aan PFAS aangetroffen. De aangetroffen sterke verhoging met PAK betreft een in het verleden ingekaderde puntverontreiniging (zie boring 11 van bodemonderzoek Carmelitessenstraat 2, rapport Grontmij d.d. juli 1997). Ter plaatse van boring 01 (traject 0,35 – 0,6 m-mv.) is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging daar de omvang minder dan 25 m3 bedraagt. Afhankelijk van de planontwikkeling wordt geadviseerd om deze verontreinigde bodem te saneren. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt plaatselijk een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling tot wonen. Opgemerkt wordt dat de bestaande bebouwing nog in gebruik was en dus niet inpandig geboord is. Gezien de huidige onderzoeksresultaten rondom het pand is onder het pand geen ernstige bodemverontreiniging te verwachten. Geadviseerd wordt om na sloop van het pand een terreininspectie conform de NEN 5725 uit te voeren. Eventuele visuele verontreiniging die nu niet zichtbaar is door de bebouwing kan dan worden opgemerkt en waar nodig verder onderzocht worden om eventuele bodemverontreiniging uit te sluiten. Bij beoogde grondwerkzaamheden ter plaatse of rondom boring 01 (westelijk van de parkeerkelder) of een gevoeligere bestemming/gebruik dient de sterk met PAK verhoogde kolen- en betonhoudende bodemlaag van ca. 0,35-0,6 m-mv) voorafgaand gesaneerd te worden. Bij voorkeur wordt deze ontgraven en afgevoerd. Hiervoor is een melding bij de gemeente benodigd. Hiervoor kan voorafgaand een plan van aanpak opgemaakt worden. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is de lokale Nota Bodembeheer, het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing.

AM21573

Pagina | 20

Addendum Vanwege een kadastrale splitsing is de onderzoekslocatie aangepast. Zie onderstaande afbeelding voor de onderzoekslocatie met het bijgevoegde gedeelte (inrit richting Carmelitessenstraat). Kadastraal staat de locatie bekend als Roermond, sectie B, nummer 8454 en heeft een oppervlakte van 2.790 m2 .

De inrit (noordelijk gelegen) richting de Carmelitessenstraat is onderzocht in het rapport AM23123-2 (Rapport Aeres Milieu Carmelitessenstraat 2 te Roermond, d.d. 6 oktober 2023, bijgevoegd in bijlage 9). Uit de rapportage blijkt dat er in de inrit twee boringen geplaatst zijn, boring 3 en 4. Uit de analyseresultaten blijkt dat er maximaal licht verhoogde gehalten aan metalen, minerale olie en PAK zijn aangetoond ter plaatse van de inrit.

AM21573

Pagina | 21

aeres milieu

Bijlage 1 Topografische en kadastrale overzichtskaart

AM21573

Kadastrale kaart

Uw referentie: AM21573

Deze kaart is noordgericht

12345 25

Schaal 1: 1000

Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens

Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Roermond B 8265

Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 15 november 2021 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

aeres milieu

Bijlage 2 Foto’s onderzoekslocatie

AM21573

AM21573

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto 4

Foto 5

Foto 6

AM21573

Foto 7

Foto 8

Foto 9

Foto 10

Foto 11

Foto 12

AM21573

Foto 13

AM21573

Foto 1

Foto 2

Foto 3

Foto 4

Foto 5

Foto 6

AM21573

Foto 7

Foto 8

Foto 9

Foto 10

Foto 11

Foto 12

AM21573

Foto 13

Foto 14

Foto 13

Foto 14

aeres milieu

Bijlage 3 Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten

AM21573

197601

197626

197651

197676

356725 356700

356700

356725

356750

197576

356750

197551

Legenda Plangebied Boorpuntenkaart (A4) Foto's

AM21573 Roermond Slachthuisstraat 113-115

Boringen

Schaal

N

boring tot 0,5 m-mv

v1.0_26-1-2022_LK

boring tot 1,0 m-mv boring tot 2,0 m-mv Achtergrond: Luchtfoto PDOK Actueel 25 cm, Kadastrale kaart WFS PDOK

197551

356675

356675

asbestinspectiegat

197576

197601

197626

197651

197676

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=69814b19-88ea-49ba-a1f2-61818d2eedfb