Bijlage 2 - Bijlagen Transitievisie Warmte
Tekst van het document
BIJLAGE 1 HET PROCES
Figuur 1: Het proces voor de ontwikkeling van de Transitievisie Warmte gevisualiseerd.
De TVW is opgebouwd uit twee sporen: een sociaal spoor en een technisch-economisch spoor (zie figuur 1). Het is dus meer dan enkel een technische analyse. Door in een vroeg stadium te beginnen met communicatie en door het sociale spoor wordt de uiteindelijke participatie verbeterd. Dit leidt tot een sneller resultaat met meer draagvlak. De analyses brengen de huidige stand van zaken en kansen in beeld. Waar kunnen de woningeigenaren samen met de gemeente het beste starten met verduurzamen naar aardgasvrij (of aardgasvrij-ready1) en waar duurt dit aanmerkelijk langer? Bovendien wordt gekeken welke technieken realistisch zijn en welke niet. De analyse is gemaakt door de beschikbare open data te combineren met lokale (gesloten) data. Belangrijke bronnen zijn de Startanalyse van het Rijk, het CBS, de Klimaatmonitor, de Warmteatlas, het warmtebronnenregister, de Energietransitieviewer van Geodan, maar zeker ook de lokale input van de gemeente en belanghebbenden zoals woningcorporaties, de netbeheerder, het waterschap en energiecoöperatie. De analyse is uitgevoerd op drie niveaus: buurtniveau, straatniveau en postcode-6 niveau. Gemeenten hebben een regierol als het gaat om de warmtetransitie. Maar zij kunnen deze grote verandering niet zonder andere partijen bereiken. Samenwerking is dan ook heel belangrijk. Daarom hebben
wij
deze
TVW
samen
met
woningcorporaties,
energiecoöperaties,
bewoners,
ondernemers(verenigingen), de netbeheerder en het waterschap gemaakt. Samen met deze belanghebbenden gaan we de TVW ook uitvoeren. Deze belanghebbenden zijn via werktafels betrokken bij de TVW (zie bijlage 6).
1 Woningen en gebouwen worden door middel van energiebesparende maatregelen en het (wanneer nodig)
aanpassen van radiatoren klaar gemaakt om de laatste stap naar aardgasloos te zetten. - 1 -
Naast een technische, economische analyse is ook een sociale analyse gemaakt. Bij de sociale analyse is een beeld gevormd van het sociale karakter van een buurt. Daarvoor is gestart met openbare data en cijfers (demografie, koopkracht, leeftijd). Daarna zijn de zachtere kenmerken van de gemeente en van de buurten in beeld gebracht. Denk daarbij aan: wat speelt er, zijn er initiatieven, hoe is de wijk georganiseerd?) De bestaande sociale infrastructuur is het speelveld dat je nodig hebt om uiteindelijk bewoners steeds meer mee te nemen in de warmtetransitie. De vertegenwoordigers van de sociale netwerken zijn immers de oren en ogen van de buurt/het dorp en kunnen anderen aanwakkeren tot actie.
- 2 -
BIJLAGE 2 MCA CRITERIA Bij het uitvoeren van deze MCA is uitgegaan van de stand van zaken zoals die ten tijde van uitvoering (voorjaar 2021) bekend was. Ontwikkelingen in buurten gaan echter door, waardoor in verloop van tijd ook anders gescoord kan worden op de verschillende criteria. Minimaal iedere 5 jaar worden deze criteria opnieuw gewogen. Voor de prioritering van buurten sluiten we grotendeels aan bij de criteria die in de Handreiking van het landelijke Expertisecentrum Warmte worden genoemd. We hanteren in Roermond de volgende criteria: •
CO2-besparing;
•
Draagvlak;
•
Maatschappelijke kosten;
•
Aanwezigheid bronnen;
•
Technische staat van gebouwen;
•
Koppelkansen
•
Aandeel corporatiewoningen;
•
Inkomen inwoners.
Niet alle criteria zijn even belangrijk. Daarom zijn in overleg met de belanghebbenden (zie bijlage 6) aan de verschillende criteria weegfactoren toegekend. In totaal konden 100 punten verdeeld worden over de acht criteria. Figuur 2 laat zien wat de criteria zijn en wat de weegfactor is die de belanghebbenden hieraan hebben toegekend.
8%
CO2-besparing
4% 19%
Draagvlak
9%
Maatschappelijke kosten Aanwezigheid bronnen
12% 19%
Technische staat van gebouwen Koppelkansen Aandeel corporatiewoningen
14% 15%
Inkomen inwoners
Figuur 2: Prioriteringscriteria en de weegfactoren.
Uitkomsten multicriteria-analyse (MCA) Met de prioriteringscriteria en de bijbehorende weegfactoren is een MCA uitgevoerd. Het toekennen van scores per criterium is in samenspraak met alle belanghebbenden uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een ‘ranking’ van alle buurten in de gemeente Roermond (zie figuur 3). - 3 -
Figuur 3: ‘Ranking’ van de buurten
Deze ‘ranking’ geeft de mate van geschiktheid van de gehele buurt aan voor de transitie naar aardgasvrij. Het lijkt het meest logisch om de transitie naar aardgasvrij te starten in de buurten met de hoogste scores. Soms zijn de verschillen tussen de verschillende buurten echter erg klein. We hebben daarom een MCA-validatie (gevoeligheidsanalyse) uitgevoerd. Een methodiek waarmee we in het ‘mengpaneel’ bewust elk criterium 1 keer belangrijker maken. We kijken daarmee hoe robuust de wijken in de top-5 of top-10 blijven.
- 4 -
Na de validatie zien we dat de volgende buurten het meest robuust in de top staan: •
Vliegeniersbuurt
•
Herten
•
Tegelarijeveld-Broekhin
•
Kastelenbuurt
•
Componistenbuurt
Het lijkt logisch in deze buurten te starten met gesprekken met inwoners en bedrijven om vervolgens in één of meerdere van deze buurten aan de slag te gaan met wijkuitvoeringsplannen. We hebben deze top-5 van buurten ook getoetst bij de belanghebbenden, om na te gaan of dit inderdaad logische buurten zijn om te starten met gesprekken. Deze gesprekken en onderzoeken worden ook vervolgd na het vaststellen van de TVW. Hieronder worden de prioriteringscriteria beschreven.
Prioriteringscriterium 1: Kansen voor CO2-besparing Deze technische categorisering speelt een rol bij het selecteren van de verkenningsbuurten. Per categorie is, op basis van bouwjaren, een inschatting gemaakt van de mogelijk te behalen besparing met geen-spijt matregelen. Deze prioriteit geeft aan of het vanuit het oogpunt van besparing slim is om snel te starten met de warmtetransitie in buurten.
Prioriteringscriterium 2: Draagvlak Draagvlak is een belangrijk aspect van de warmtetransitie. Wanneer bewoners niet mee willen doen dan wordt het lastig om de warmtetransitie in de betreffende buurt uit te voeren. Om draagvlak te peilen is een enquête gehouden. Dit leidt tot een beeld maar daar hoort een kanttekening bij. Draagvlak is lastig te peilen omdat het veranderlijk is en bovendien de mening van elk individu anders is. Draagvlak ontstaat ook meestal niet in één keer maar groeit. Daar waar de veranderbereidheid het grootst lijkt wordt aan dit criterium de hoogste score gegeven. De hoeveelheid enquête respondenten was in een aantal buurten te laag om representatief te zijn. Daarom is voor nu (vanwege gebrek aan andere informatie) het draagvlak alleen beoordeeld op basis van de Adoptiegraad die in de Slimme Wijken tool van Enpuls2 is bepaald aan de hand van een aantal criteria De resultaten van de enquête zijn gebruikt om de resultaten van de MCA aan te vullen.
Prioriteringscriterium 3: Maatschappelijke kosten (en baten) Naast de eindgebruikerskosten heeft het PBL ook de nationale kosten van de verschillende strategieën per buurt berekend. De nationale kosten zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een buurt een strategie uit te voeren, ongeacht wie die kosten betaalt. Hoe hoger de nationale kosten, hoe lager een buurt scoort op dit onderdeel.
Prioriteringscriterium 4: Aanwezigheid duurzame bronnen 2https://www.enpuls.nl/visie/de-collectieve-wijkaanpak/slimme-wijken/
- 5 -
Bronnen van duurzame warmte zijn beperkt aanwezig, niet alleen in Roermond maar in heel Nederland. Het is daarom verstandig om alle geschikte bronnen zo optimaal mogelijk te benutten. Dit kunnen bronnen van restwarmte bij bedrijven zijn, maar ook oppervlaktewater voor aquathermie, grote wegen voor asfaltthermie en geschikte locaties voor zonnepanelen en wind. Een overzicht van de aanwezigheid van de duurzame bronnen in Roermond en andere relevante data te vinden in de storymaps.
Prioriteringscriterium 5: Technische staat gebouwen De technische staat van gebouwen is gescoord op basis van kansen voor no-regret maatregelen. Per categorie is, op basis van bouwjaren, een inschatting gemaakt van het gebruik van no-regret maatregelen en de technische en economische haalbaarheid daarvan. Op basis hiervan is er een prioriteit toegekend aan de verschillende categorieën. Deze prioriteit geeft aan of het vanuit technisch oogpunt slim is om snel te starten met de transitie in de buurten uit deze categorie of juist voor de hand ligt om nog even te wachten.
Prioriteringscriterium 6: Aansluiten bij koppelkansen/natuurlijke investeringsmomenten Bestaande planningen zoals de investeringsagenda voor infrastructuur (zoals riolering of het elektriciteitsnet) kunnen van invloed zijn op de keuzes die gemaakt worden in buurten. Wanneer je aan kunt sluiten op natuurlijke investeringsmomenten of natuurlijke vervangingsmomenten (infrastructureel bijvoorbeeld), kan dit de kosten drukken en de overlast beperken (benutten van koppelkansen). Voor individuele woningeigenaren zijn natuurlijke investeringsmomenten zoals de vervanging van een cv-ketel of de aanschaf van een ander huis, belangrijke momenten om een extra stap te zetten. Hoewel dit niet kan worden meegenomen bij de prioritering van wijken en buurten, is het voor de totale warmtetransitie belangrijk dat deze momenten zoveel mogelijk worden benut.
Prioriteringscriterium 7: Aandeel corporatiewoningen De landelijke Handreiking spreekt over het criterium Contracteerbaarheid: in buurten waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit, wordt het contracteren van de warmtevraag eenvoudiger omdat er maar met een beperkt aantal partijen afspraken hoeven te worden gemaakt. Wanneer in een buurt veel corporatiewoningen aanwezig zijn, kan dit de transitie vergemakkelijken. Voor de corporatiewoningen hoeft de gemeente namelijk maar met één partij om tafel. Voor woningen in particulier eigendom is de eigenaar van elke afzonderlijke woning in principe één partij. Dit maakt het veel lastiger om een transitie in gang te zetten.
Prioriteringscriterium 8: Jaarlijks inkomen (per huishouden) De gemeente Roermond vindt het bestrijden van energiearmoede belangrijk. Met de stijgende energielasten (en andere woonlasten) wordt het voor de lagere inkomens steeds moeilijker om de vaste lasten te kunnen betalen. Door het jaarlijks inkomen als prioriteringscriterium mee te nemen, kunnen buurten met lagere inkomens eerder aangepakt worden. - 6 -
7
BIJLAGE 3 BEGRIPPEN EN AFKORTINGEN Transitievisie Warmte Elke gemeente in Nederland moet voor het eind van 2021 een Transitievisie Warmte opstellen. Aan de hand van deze visie wordt duidelijk op welk moment een wijk, buurt of gebied aardgasloos wordt. Ook wordt voor de eerste woningen (die tot 2030 aardgasloos worden) beschreven welke mogelijke alternatieve warmtevoorzieningen en -bronnen er zijn. Klimaatakkoord Het nationale Klimaatakkoord is op 28 juni 2019 gepubliceerd en is tot stand gekomen uit een samenwerking van de overheid met bedrijven en organisaties. In het akkoord zijn maatregelen afgesproken die ervoor moeten zorgen dat in Nederland in 2030 49% minder CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot met 95% gereduceerd zijn. Ook moet in 2030 70% van al het elektriciteitsgebruik opgewerkt worden uit duurzame bronnen. Klimaatneutraal Klimaatneutraliteit betekent dat de gemeente geen broeikasgassen (zoals CO2) uitstoot. Dit wordt ook wel CO2-neutraal genoemd. CO2-neutraliteit kan ook bereikt worden door CO2 die toch wordt uitgestoten op te vangen of te binden (in bijvoorbeeld begroeiing). Opname van CO2 is waarschijnlijk ook in de toekomst nog (in beperkte mate) nodig, omdat bijvoorbeeld bepaalde vormen van industrie en mobiliteit mogelijk blijven draaien op energiebronnen die CO2 uitstoten.
Terajoule (TJ) De joule is de eenheid van energie die over de hele wereld wordt gebruikt. Aan de hand van deze eenheid kunnen verschillende vormen van energie bij elkaar opgeteld worden. Een kilowattuur elektriciteit kan niet opgeteld worden bij een kuub aardgas. Door beide vormen van energie om te zetten naar joule kan dat wel (1 kWh elektriciteit staat gelijk aan 3.600.000 joule en 1 m3 aardgas staat gelijk aan 31.650.000 joule). Omdat het energieverbruik op gemeenteniveau erg hoog is, wordt er over het algemeen gesproken over megajoule (1 MJ is 1.000.000 joule), gigajoule (1 GJ is 1.000.000.000 joule) of terajoule (1 TJ is 1.000.000.000.000 joule). Lage-, midden-, en hoge-temperatuur warmte Warmte
kan,
afhankelijk
van
het
verwarmingssysteem,
geleverd
worden
in
verschillende
temperaturen. Over het algemeen worden 3 groepen onderscheiden: lage-temperatuur (LT), middentemperatuur (MT) en hoge-temperatuur (HT). Lage-temperatuur voorzieningen vragen een goede tot zeer goede isolatie van woningen. Bij Hoge-temperatuur systemen is de isolatie minder van belang. De huidige systemen op aardgas werken op een hoge temperatuur. Systemen op bijvoorbeeld een warmtepomp werken op een lage temperatuur. De volgende gradaties worden onderscheiden (deze gradaties kunnen in de praktijk afwijken): •
LT: <40 °C 8
•
MT: 40-70°C
•
HT: >70 °C
Thermische Energie Oppervlaktewater (TEO) TEO-systemen maken gebruik van temperatuurverschillen in het oppervlaktewater gedurende het jaar. In de zomer wordt warmte uit (relatief warm) oppervlaktewater opgeslagen in bijvoorbeeld een WKO (warmte-koude opslag) installatie. Deze warmte kan vervolgens in de winter gebruikt worden om gebouwen te verwarmen met een warmtepomp. In de winter kan ook koude worden opgeslagen die in de zomer gebruikt wordt om op een duurzame manier te koelen, iets wat in de toekomst waarschijnlijk steeds belangrijker wordt. TEO wordt in deze warmtevisie ook wel aquathermie genoemd. Thermische Energie Afvalwater (TEA) TEA-systemen halen warmte rechtstreeks uit het rioolstelsel of uit het gezuiverde afvalwater bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Om gebruik te kunnen maken van deze warmtebron is er een bepaalde hoeveelheid warmte in het stelsel nodig. Indien het riool zowel voor afvalwater als voor de afvoer van regenwater gebruikt wordt, is de kans aanwezig dat er niet voldoende warmte aanwezig is. Het regenwater zorgt voor een flinke afkoeling van het stelsel. TEA wordt in deze warmtevisie ook wel riothermie genoemd. Biomassa Biomassa is een verzamelnaam voor allerlei materialen zoals groenafval, snoeiafval, resthout, mest enz.
Door middel van het verbranden, vergisten (biogas, door opwaardering van biogas ontstaat groen gas) of vergassen van biomassa kan energie worden opgewekt. Over het gebruik van de energiebron is veel discussie: hoe duurzaam en noodzakelijk is de inzet van biomassa? Warmte-koude opslag (WKO) Een WKO-installatie wordt gebruikt om warmte of koude op te slaan die niet direct gebruikt kan of hoeft te worden. Een reden hiervoor kan zijn dat een bepaalde warmtebron alleen in de zomer beschikbaar is (bijvoorbeeld TEO) terwijl de warmte juist in de winter nodig is. In een WKO-installatie wordt grondwater in de bodem benut als energiebuffer. Dit kan via een open systeem (er is een open verbinding met het grondwater. Het grondwater wordt ook daadwerkelijk omhoog gepompt) of een gesloten systeem (de warmtewisselaars staan niet in direct contact met het grondwater maar gebruiken een energiedrager, veelal een glycoloplossing, die wordt rondgepompt. De energie in de bodem wordt overgedragen aan de energiedrager). Een installatie bestaat uit twee bronnen: een warme en een koude bron. Een warmtewisselaar zorgt ervoor dat energie in de bronnen opgeslagen wordt. Op het moment dat de energie nodig is, wordt deze uit de bron omhoog gepompt.
9
Zonthermie Een zonthermie-systeem gebruikt de warmte van de zon op water in collectoren op te warmen. Een zonnecollector komt voor in allerlei soorten en maten en kunnen soms verwarmd worden met een zonnepaneel dat elektriciteit opwekt. Zonnecollectoren kunnen kleinschalig op een woning toegepast worden, maar ook grootschalig op velden of daken. Een zonnecollector is een effectievere bron van warmte dan elektriciteit. Daarom is het verstandig om per locatie te inventariseren of er grootschalig ingezet wordt op zonthermie of zonnepanelen die elektriciteit opwekken. Zonthermie op het land concurreert met zonnepanelen die elektriciteit opwekken. Per locatie moet gekeken worden wat de beste invulling is, daar kan op dit moment nog geen uitsluitsel over gegeven worden. Wanneer er in de directe omgeving bijvoorbeeld geen zonnewarmte nodig is, kan gekozen worden voor elektriciteitsopwekking. In de vervolgstappen gaan deze keuzes gemaakt worden. Restwarmte Restwarmte is energie die overblijft bij (industriële) processen. Voorheen ging deze energie via bijvoorbeeld de schoorsteen of het afvalwater verloren. Tegenwoordig kijkt men ook naar mogelijkheden om de restwarmte te benutten voor andere processen (bijvoorbeeld de verwarming van gebouwen). Veel bedrijven met restwarmte kijken eerst of de warmte in de eigen processen of gebouwen gebruikt kan worden.
Wanneer er warmte over is, kan deze met een warmtenet ingezet worden in de directe omgeving. Daarbij is het belangrijk dat we niet afhankelijk worden van één bedrijf omdat het dan lastig is om de levering te garanderen. Door meerdere warmteleveranciers toe te laten op een open warmtenet, kan het risico van afhankelijkheid worden beperkt. Condenswarmte Condenswarmte is restwarmte uit koelprocessen. Supermarkten, koel- en vrieshuizen en datacenters gebruiken veel energie voor koelsystemen. Die energie wordt nagenoeg volledig omgezet in warmte. Een deel van de bedrijven hergebruikt de warmte zelf, maar veel energie wordt op dit moment naar buiten geventileerd en gaat verloren. Deze warmte kan in potentie ingezet worden voor de verwarming van gebouwen. Waterstof Waterstof kan door middel van een brandstofcel als vervanger van aardgas dienen en wordt daarom onder de noemer hernieuwbaar gas geschaard. Het is echter nog geen algemeen geaccepteerde techniek en wordt op dit moment alleen via pilots in woningen toegepast. Het is onzeker of waterstof in de toekomst grootschalig kan worden ingezet voor het verwarmen van woningen. De productie van waterstof kost erg veel elektrische energie. Tel daar de productie- en transportverliezen bij op en dan zijn er aanzienlijk meer zonnepanelen en windmolens nodig om van waterstof een duurzame 10
brandstof te maken. Voorlopig blijft waterstof daarom in de pilotfase voor woningen. Mogelijk dat het op de middellange termijn wel als brandstof voor auto’s en grote bedrijven kan gaan dienen. Asfaltwarmte Systemen gebaseerd op asfaltwarmte maken gebruik van warmte die via asfaltcollectoren wordt opgewekt. De collectoren worden in het wegdek verwerkt en bevatten water. Dit water
neemt
warmte
op
die
ontstaat
wanneer de zon op het asfalt schijnt. De warmte wordt vervolgens in een WKO opgeslagen en wordt in de winter gebruikt voor de verwarming van gebouwen. Dit concept bevindt zich op dit moment nog in de experimentele fase.
11
BIJLAGE 4 SAMENHANG OVERIGE BELEIDSTRAJECTEN Op allerlei niveaus zijn er (beleids)doelstellingen opgesteld die raakvlakken hebben met de warmtetransitie of waar de warmtetransitie aan moet voldoen. In deze bijlage brengen we deze in beeld. Internationale en nationale afspraken
In 2015 ondertekende Nederland het Klimaatakkoord van Parijs. Daarmee beloofde Nederland zich in te zetten voor het beperken van de opwarming van de aarde tot maximaal twee graden met het streven om de opwarming te beperken tot anderhalve graad. De Nederlandse klimaatambities, gebaseerd op de internationale afspraken, zijn vastgelegd in de Klimaatwet. De afspraken die hieruit voortvloeien
(met
o.a.
gemeenten,
het
bedrijfsleven,
natuur-
en
milieuorganisaties
en
energiebedrijven) zijn verankerd in het landelijke Klimaatakkoord. Daarin is opgenomen dat vóór 2030 de uitstoot van broeikasgassen met 49% verminderd moet worden ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot met (minimaal) 95% zijn teruggebracht. Inmiddels is op Europees niveau besloten dat een versnelling van de reductie noodzakelijk is (naar 55% in 2030). Deze versnelling is nog niet verankerd in de Nederlandse klimaatdoelstellingen. Een belangrijke maatregel om de doelstellingen te behalen is het stoppen met het gebruik van aardgas in woningen en utiliteitsbouw. Het verminderen van de CO2-uitstoot is niet de enige reden om dit te doen. Rondom de aardgaswinningsinstallaties ondervinden inwoners grote problemen door aardbevingen gerelateerd aan de gaswinning. Daarom wordt de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk verminderd. In het verlengde hiervan heeft de Rijksoverheid het doel gesteld om minder afhankelijk te zijn van fossiele brandstoffen, waaronder aardgas. Concreet is het sinds juli 2018 niet meer toegestaan om nieuwbouwwoningen op aardgas aan te sluiten, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit wel te doen. Wettelijke kaders Energie is een basisbehoefte. De regels voor energie zijn gebaseerd op Europese verordeningen en Nederlandse wetten. In de Nederlandse wetten hebben de Europese verordeningen een plaats gekregen.
Energiewet Het wetsvoorstel Energiewet dat dit jaar van kracht wordt, beoogt de huidige Gaswet en Elektriciteitswet 1998 te vervangen en een modern en geactualiseerd ordeningskader te bieden dat: 1)
de energietransitie ondersteunt en stimuleert en tegelijkertijd,
2)
bijdraagt aan het doel van een schone energievoorziening die veilig, betrouwbaar, betaalbaar en ruimtelijk inpasbaar is.
12
Warmtewet Op 1 januari 2014 is in Nederland de Warmtewet van kracht is geworden. De wet geeft regels omtrent stadsverwarming, blokverwarming en warmte-koude-opslag en is gericht op de levering aan kleinverbruikers zoals consumenten. De Warmtewet biedt bescherming aan consumenten en bedrijven die gebonden zijn aan lokale warmtenetten, met name tegen een te hoge prijs voor de warmte. Op dit moment wordt gewerkt aan een uitbreiding van de Warmtewet. Met de uitbreiding wil men de voorziene grotere rol van warmtenetten in de Nederlandse warmtevoorziening faciliteren.
Omgevingswet Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen, zodat het straks bijvoorbeeld gemakkelijker is om bouwprojecten te starten. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking. De Omgevingswet gaat veel betekenen voor de warmtetransitie. De interactie tussen de warmtevoorziening en de fysieke leefomgeving is namelijk groot. Het begin van een grootschalige warmte- en energietransitie is tot op heden veelal vormgegeven door middel van experimenten. Om te blijven leren zal de Omgevingswet handvatten bieden om te blijven experimenteren. Deze experimenten geven een mooi inkijkje in de Omgevingswet. Waar gemeenteraden nu worden beperkt door de wettelijke reikwijdte van een bestemmingsplan, waarin enkel regels over ‘een goede ruimtelijke ordening’ mogen worden opgenomen, kunnen zij straks regels stellen met betrekking tot de ‘gezonde en fysieke leefomgeving’. Onderdeel hiervan zijn ook regels met betrekking tot (niet-ruimtelijk relevante) duurzaamheidseisen, zoals de beperking van CO2-emissie. Regionaal beleid
Regionale Energie Strategie (RES) & Regionale Structuur Warmte (RSW) De uitwerking van het landelijke Klimaatakkoord vindt voor een groot deel op regionaal en lokaal niveau plaats. Om de regionale uitwerking vorm te geven, is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s waarin gemeenten, provincies en waterschappen samenwerken aan een Regionale Energie Strategie (RES). De gemeente Roermond werkt in de RES-regio Noord- en Midden Limburg samen met andere gemeenten, de provincie en het Waterschap. De verplichte scope van de RES richt zich op grootschalige opwek van elektriciteit en de gebouwde omgeving (dus ook warmte). De RES 1.0 is inmiddels door alle betrokken overheden bestuurlijk vastgesteld. Inmiddels is een start gemaakt met de uitvoering van de plannen (uitvoeringsprogramma en RES-deals met bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties).
RSW Het onderdeel Warmte is binnen de RES uitgewerkt in de vorm van een Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW verschaft op regionaal niveau inzicht in de totale (toekomstige) warmtevraag binnen de regio, de beschikbare duurzame warmtebronnen en de bestaande en geplande infrastructuur. In de RSW is op hoofdlijnen en op regionaal vastgelegd hoe in de nabije toekomst wordt omgegaan met de beschikbare bronnen, ruimte en infrastructuur ten aanzien van warmte. De RSW wordt door gemeenten op lokaal en wijkniveau vertaald naar een Transitievisie Warmte. De relatie tussen de RES, de RSW en de TVW wordt geïllustreerd in onderstaande figuren.
13
De RSW brengt dus vraag en aanbod van warmte in beeld en geeft inzicht in de potentie van verschillende warmtebronnen in de regio. Deze informatie is echter nog grofmazig en moet voor de Transitievisie Warmte worden aangevuld met lokale informatie. De RSW levert input voor de lokale TVW maar treedt hiervoor niet in de plaats. De RSW richt zich vooral op het gebruik van bronnen die bovengemeentelijke potentie hebben en helpt bij het leggen van verbindingen tussen sectoren en gemeenten. Afstemming binnen de regio moet voorkomen dat een bron ten onrechte meerdere malen in lokale TVW’s wordt opgenomen. Het regionale inzicht voorkomt bovendien dat interessante bronnen onbenut blijven.
14
BIJLAGE 5 UITSLAGEN INWONERSENQUÊTE: DE SENTIMENTEN ANALYSE In onderstaand overzicht zijn de resultaten van de inwonersenquête opgenomen. De resultaten geven een indicatie van hoe de houding ten opzichte van de warmtetransitie is en hoe groot de bereidwilligheid is om mee te doen is (de sentimenten van de inwoners ten opzichte van de warmte transitie). Dit geldt voor Roermond als geheel, alsook op het niveau van buurten. Voor drie van de vijf verkenningsbuurten zijn de resultaten ook op buurtniveau bekend. Dit zijn de Kastelenbuurt, Tegelarijeveld-Broekhin en Herten. Niet alle buurten hadden voldoende respondenten om zinvolle uitspraken te doen. De buurten met minder dan 10 respondenten zijn buiten beschouwing gelaten. Hieronder vallen ook de Componistenbuurt en de Vliegeniersbuurt. De antwoorden van deze respondenten zijn wel meegenomen in de generieke uitspraken over de warmtetransitie in Roermond. Bij het interpreteren van de antwoorden moeten we er rekening mee houden dat de respondenten niet per se een afspiegeling zijn van de samenleving. Vaak trekt een dergelijke enquête inwoners aan die juist al veel met verduurzaming bezig zijn, of inwoners die er juist geen heil in zien. Desalniettemin geeft het een goed beeld van waar al beweging zit. De enquêteresultaten worden sowieso meegenomen om de gesprekken in de buurten te starten.
De enquête is in totaal door 1070 inwoners ingevuld. Van de respondenten had 85% een koopwoning, 9% huurde een woning bij de woningstichting en 5% van de respondenten huurde bij een particulier. Warmtetransitie Een grote meerderheid van de respondenten is bekend met de warmtetransitie (86%) en iets meer dan 70% weet ook wat de warmtetransitie specifiek inhoudt voor zijn eigen woning. Ook zegt 73% positief te staan tegenover de warmtetransitie. Van de respondenten vind 92% duurzaamheid belangrijk. Deze aantallen suggereren reeds dat de inwoners die de enquête hebben ingevuld een selectieve groep zijn: inwoners die al nagedacht hebben over dit soort vraagstukken. Bijna de helft van de respondenten weet ook dat de warmtetransitie positieve gevolgen voor hen kan hebben. 8% van de respondenten is van mening dat er niets gedaan hoeft te worden, zij zien geen nut in de warmtetransitie. Uit de open antwoorden blijkt ook vaak dat het volgen van het eigen tempo belangrijk wordt gevonden (niet afdwingen). Hieronder een overzicht van onderwerpen die inwoners belangrijk vinden als het gaat over aardgasvrij en energiebesparende maateregelen.
15
De meeste respondenten (74%) het gevoel een bijdrage te kunnen leveren aan de warmtetransitie. 50% van de respondenten geeft aan het niet eens te zijn met de manier waarop de warmtetransitie wordt ontworpen. Van de verkenningsbuurten met meer dan 10 respondenten hebben de meeste respondenten aangegeven positief tegenover de warmtetransitie te staan (bovengemiddeld positief). Van deze verkenningsbuurten zijn in de Kastelen buurt het grootste gedeelte van de respondenten positief tegenover de warmte transitie. Zorgen van inwoners 77% van de inwoners is bang voor verrassingen te komen te staan als ze energiebesparende maatregelen gaan treffen. Dit gaat vooral over de kosten van de maatregelen. Uit de open antwoorden blijkt ook dat er zorgen zijn over het afdwingen van maatregelen. Inwoners willen graag zelf de keuze maken. Bereidheid tot verduurzaming van de woning (willen) Het reeds gedaan hebben van maatregelen is een goede indicator voor verdere stappen in verduurzaming van de eigen woning. De meeste respondenten (83%) hebben al maatregelen genomen. Dit ligt in Nederland naar schatting rond de 55%, dus ook hieruit volt op te maken dat de respondenten mogelijk een selectieve groep zijn.
43% van de respondenten geeft aan dat als hij/zij een goed en betrouwbaar financieel aanbod van een bank of energiecoöperatie krijgt voor een lening, dat hij/zij dan waarschijnlijk bereid is om duurzame maatregelen te treffen. Van de verkenningsbuurten met meer dan 10 respondenten hebben in alle buurten het overgrote deel van de respondenten aangegeven al energie/warmte maatregelen genomen te hebben. De meeste respondenten die bereid zijn energiebesparende maatregelen aan de woning te treffen, willen dit als dit ook bijdraagt aan comfort en of een lagere energierekening.
16
Kennis over het nemen van duurzame maatregelen (kunnen) 56% van de respondenten heeft zelf voldoende kennis om duurzame maatregelen te treffen aan de woning. Ook geeft 31% aan voldoende financiële middelen hiervoor te hebben. 48% van de respondenten geeft aan dat hij/zij weet waar hij hulp kan vinden als hij er zelf niet uit kan komen. Van de verkenningsbuurten geven in Herten en Kastelenbuurt een bovengemiddeld hoog aandeel respondenten aan voldoende kennis te hebben om milieuvriendelijke maatregelen te nemen, vergeleken met de andere buurten in gemeente Roermond. De score van Tegelarijeveld-Broekhin is vergelijkbaar met de andere buurten in Roermond. In Herten en Kastelenbuurt geven ook een bovengemiddeld hoog aandeel respondenten aan voldoende financiële middelen om maatregelen te nemen. Voor Tegelarijeveld-Broekhin is er vergeleken met de andere buurten in Roermond volgens de respondenten minder financiële draagkracht. Sociale cohesie en bereidheid tot participatie en gezamenlijke acties Van de respondenten voelt 54% zicht zich onderdeel van hun buurt (eens of helemaal oneens met de uitspraak), 37% heeft hierop ‘neutraal’ geantwoord. Dit is een indicator voor de mate van sociaal kapitaal in de buurt en het beïnvloed de bereidheid tot participatie. Ook de mate van onderling contact is hierin een belangrijke indicator 48% geeft aan veel contact te hebben met hun buren.
Meer dan de helft van de respondenten (60%) heeft aangegeven dat ze in hun buurt de drive ervaren om problemen samen op te lossen, ook dit is een indicator de mate van sociaal kapitaal in de buurt. Uit de literatuur blijkt dat sociaal kapitaal een positieve invloed heeft op participatie en duurzame projecten in het algemeen. Sociaal kapitaal is de sterkte van de sociale netwerken en relaties binnen een buurt. Verder geeft 53% aan graag maatregelen te nemen samen met de buren of met de buurt/wijk. Als er in de transitie voor een gezamenlijke aanpak gekozen wordt dan is de mate waarin inwoners in een buurt samen maatregelen willen nemen een factor die het succes van deze aanpak kan bepalen. De respondenten van de verkenningsbuurten Kastelenbuurt en Herten gaven voor mate aan contact met buren en onderdeel van de buurt antwoorden vergelijkbaar met de meeste andere buurten in Roermond. Op het gebied van enthousiasme om samen problemen op te lossen scoren beide buurten bovengemiddeld hoog vergeleken met de andere buurten in Roermond. De verkenningsbuurt Tegelarijeveld-Broekhin scoort vergeleken met de andere buurten in Roermond laag voor alle drie sociaal kapitaal indicatoren. De respondenten in Tegelarijeveld-Broekhin geven wel in verhouding vaak aan het liefst maatregelen samen met hun buren of wijk te willen nemen.
Samenwerken met de gemeente 63% van de respondenten heeft het gevoel dat er in zijn / haar buurt bereidheid is om met de gemeente samen te werken. 54% van de respondenten vindt de warmtetransitie een gezamenlijke verantwoordelijkheid tussen overheid en inwoners. 25% vindt het vooral een verantwoordelijkheid van de overheid. Ongeveer de helft van de respondenten (45%) ziet de gemeente als goede partij om de warmtetransitie vorm te geven. Om dit vertrouwen te vergoten zegt 58% van de inwoners dat het belangrijk is om inwoners mee te laten beslissen in wat er gaat gebeuren. Ook dienen inwoners beter geïnformeerd te worden over wat er gaat gebeuren en waarom (44%). Éen vijfde deel van de respondenten beweert dat er niets is dat de gemeente zou kunnen doen om het vertrouwen in haar 17
op het gebied van de warmtetransitie te vergroten. In de open antwoorden is op te maken dat er ook veel andere zaken spelen, die het vertrouwen hebben geschaad. Ook heeft veel weerstand te maken met de vraag ‘waarom moet ik iets doen, terwijl er zoveel grote vervuilers zijn?’. In verkenningsbuurten Herten en Kastelenbuurt geeft een bovengemiddeld aandeel van de respondenten aan het gevoel te hebben dat er in hun buurt bereidheid is om samen te werken met de gemeente. In de verkenningsbuurt Tegelarijeveld-Broekhin is het antwoord van de respondenten vergelijkbaar met de meerderheid van de buurten in Roermond. Ervaren problemen in de buurt en koppelkansen Om de warmtetransitie vorm te geven is het vooral ook belangrijk te weten wat er speelt bij inwoners. Wat vinden zij belangrijk? Wat speelt in de wijk? Waar maken zij zich zorgen over? Of in sommige gevallen zelfs misschien: wat dient er eerst opgelost te worden? Bijna een derde (31%) van de respondenten geeft aan dat veiligheid een van de problemen is die het meeste spelen in de buurt. Opvallend is dat niemand aan heeft gegeven dat de warmte transitie een probleem is dat in de buurt speelt. Het belangrijk om te benoemen dat het grootste aandeel van de respondenten de enquête heeft ingevuld voor dat de overstromingen van de Maas hebben plaatsgevonden. Waarschijnlijk zou het probleem van wateroverlast nu zwaarder wegen.
Waar zijn bewoners mee geholpen Er is een grote behoefte aan concrete en duidelijke informatie vooral voor wat betreft de kosten en de financiële ondersteuning, alsook wat het concreet voor de woning betekent. Daarnaast hebben de respondenten aangegeven geholpen te zijn met de volgende zaken:
18
In de categorie ‘anders’ zijn vooral antwoorden gegeven door respondenten die aangeven het nut van aardgasvrij niet te zien. Ook geven een aantal huurders aan dat zij teleurgesteld zijn in de enquête die zich vooral concentreert op huiseigenaren.
19
BIJLAGE 6 OVERZICHT WERKTAFELS In het proces om te komen tot de TVW zijn werktafels opgezet, waarin informatie over de TVW is gedeeld en waarin de verschillende belanghebbenden werden gevraagd om hun mening te geven en hun kennis en ervaring te delen. De belanghebbenden in onze gemeente die (naast de interne betrokken (beleids)adviseurs van de gemeente), hebben deelgenomen aan deze werktafels zijn: Woningcorporatie Wonen Zuid, Woningcorporatie Wonen Limburg, Woningcorporatie Nester, Energiecoöperatie RoerOm Energie, Energiecoöperatie EOS, LLTB, SER (Slim Energienet Roermond), Parkmanagement Midden Limburg, Smurfit Kappa, Rockwool, Waterschap Limburg, Enexis, Bedrijvenvereniging Roerstreek. Verder is er een online inwonersavond georganiseerd op 23 september 2021. Tijdens deze avond werden inwoners geïnformeerd over de warmtetransitie en kregen zij de gelegenheid om hierover vragen te stellen. Er werden ook vragen aan de inwoners gesteld (met een online tool) om een beeld te krijgen van wat zij belangrijk vinden in het kader van de warmtetransitie. Daarnaast heeft een werktafel zich met het sociale spoor, communicatie en participatie, bezig gehouden. Hieraan zaten energiecoöperatie RoerOmEnergie, energiecoöperatie EOS, Wonen Zuid (communicatiemedewerker), Wel.kom en interne medewerkers van gemeente Roermond (waaronder communicatie).
20
BIJLAGE 7 AANVULLENDE INFORMATIE ‘SLIM ENERGIENET ROERMOND’ Opgesteld i.s.m. SER
Het Slim Energienet Roermond (SER) is een publiek-privaat initiatief van de Gemeente Roermond, Provincie Limburg, Smurfit Kappa Roermond Papier, Enpuls (onderdeel van Enexis Groep) en EQUANS (onderdeel van Engie). Het doel is het ontwikkelen van een warmtenet waarmee duurzaamheidsdoelstellingen in Roermond kunnen worden behaald en een start met de warmtetransitie wordt gemaakt. Belangrijke kernwaarden naast duurzaamheid zijn daarbij transparantie, toekomstgerichtheid en betaalbaarheid. Het initiatief van de SER dateert al van vóór het opstellen van deze Transitievisie Warmte TVW). Dat betekent dat er soms een overlap is tussen de inhoud van de TVW en soms het SER en de TVW van elkaar verschillen of elkaar juist aanvullen. Volgens de initiatiefnemers van het SER is dat geen probleem: het gaat er om dat bewoners, bedrijven en andere belanghebbenden worden overtuigd om deel te nemen aan het SER op basis van hierboven genoemde kernwaarden. Wat het SER onderscheidt is, dat door het aanwenden van de restwarmtebron van Smurfit Kappa Roermond Papier een uniek lokaal duurzaam initiatief ontstaat. Deze bestaat uit het effluent van een industriële afvalwaterzuivering die is gelegen bij Smurfit Kappa Roermond Papier ter grootte van 5,2MW met een temperatuurniveau van 30 – 35 ℃ welke nu geloosd wordt in de Maas.
Door met deze bron te starten wordt lokaal (her)gebruik van energiestromen aangemoedigd en ontstaat een beter gebalanceerde energiemix in de gemeente Roermond (zeker met oog op de druk die toenemende elektrificatie legt op het energienet). In tegenstelling tot andere bronnen voegt het gebruik van deze restwarmtebron geen nieuwe CO2 toe aan de atmosfeer en is daarmee ook duurzaam. Met de warmtebron van Smurfit Kappa Roermond Papier wordt een begin gemaakt voor de ontwikkeling van een zogenoemd “smart thermal grid”, waarbij op basis van (zeer) lage temperatuur een infrastructuur wordt gebouwd welke het vervolgens toelaat lokaal (bv. op wijk- of gebouwniveau) modulair verschillende technieken, restwarmtebronnen en opties tot opslag en buffering aan te brengen waarmee het een echt slim energienet wordt. Denk daarbij aan het gebruik van warmtepompen, warmte- koude opslag, hergebruik reststromen energie, aqua- en zonthermie en andere warmtebronnen welke aan het energienet kunnen worden toegevoegd waarmee de groeipotentie enorm is.
21
Het product dat SER aan afnemers aanbiedt bestaat uit o.a. warmte en/of koude. Afgiftetemperaturen worden daarbij afgestemd op de behoefte van de afnemer. Daarbij gaat het soms om bestaande bouw welke wordt gerenoveerd maar nog steeds een relatief hoge temperatuursbehoefte heeft, maar anderzijds ook nieuwbouw met een relatief lage temperatuursbehoefte. Bij industriële en utilitaire afnemers wordt ingepast in bestaande processen, waardoor de behoefte daar varieert op basis van ontwerpkeuzes. Zo kunnen de bestaande opwekinstallaties dan bv. enkel nog voor back-up en peak loads fungeren maar niet uitgesloten is dat ook middle load daartoe behoort (op basis van klantwensen en toekomstvisie) waardoor, wederom afhankelijk van proces, verschillende temperatuurniveau’s nodig zijn. Per afnemer (of cluster van gelijksoortige afnemers) wordt dan ook een maatwerk energieconcept uitgewerkt. Middels deze strategie is uiteindelijk de technische potentie in de eindsituatie zo’n 5000+ Warmte Eenheid Equivalenten (WEQ; waarbij 1 equivalent gelijk staat aan 1 gemiddeld huishouden). Bij deze aantallen WEQ’s wordt de initiële beschikbare duurzame restwarmte volledig gebruikt, wordt gebruik gemaakt van ondergrondse warmteopslag, en is er parallelle warmte-koude productie en uitwisseling. De 1e fase wijk, die primair uit woningcorporatiewoningen bestaat, heeft een omvang van bijna 600 WEQ’s.
Hieronder is een grafische weergave/vlekkenplan opgenomen van de ontwikkelgebieden van SER. Deze ontwikkelgebieden zijn geselecteerd op basis van potentie met als criteria: geschikt soort vastgoed, geïnteresseerde afnemers en nabijheid van afnemers tot de bron en tot elkaar (warmtedichtheid). In het vlekkenplan zijn diverse typen gebied opgenomen. In algemene zin betreft het hier stedelijk gebied maar binnen de vlekken vallen woningbouw (grondgebonden en gestapeld), industrie (zie m.n. gebied in de buurt van de haven) en utiliteit (scholen, kantoren, ziekenhuizen, winkels).
Figuur 4: vlekkenplan van het ontwikkelgebieden van SER 22
Belangrijke startgebied is de wijk Tegelarijeveld. Een wijk welke bestaat uit woningen in particulier bezit en in bezit van woningcorporaties. Al voornoemd vastgoed in de wijk Tegelarijeveld tezamen is door de gemeente Roermond aangemerkt als wijk voor het Programma Aardgasvrije Wijken, waarvoor een rijksbijdrage is toegekend. Tezamen vormt deze wijk bijna 600 WEQ’s. Naast voornoemde wijk is het SER is gesprek met zeer divers palet aan potentiële afnemers, van nieuwbouw woningen, utilitaire gebouwen (bv. kantoren en scholen) en (lichte) industrie. Hiermee biedt het SER een bijdrage aan de warmtetransitie voor en door iedereen in Roermond. Op dit moment zit het project SER in de ontwikkelfase. Wordt deze fase met een GO afgesloten, wordt opgeschaald naar de contract- en realisatie fase. Het voornemen is om in de periode 2023 – 2030 afnemers aan te sluiten op het warmtenet.
23
BIJLAGE 8 BUURTENKAART Label
Buurtnaam
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
Binnenstad Voorstad Roer-Zuid Roerzicht Willem-Alexander Roermondse Veld Vrijveld Kapel-Muggenbroek De Kemp Roerstreek Kitskensdal Kitskensberg Kern Maasniel Leeuwen Tegelarijeveld-Broekhin De Wijher en omgeving Stadsrandzone-Noord Componistenbuurt Vliegeniersbuurt Kastelenbuurt Sterrenberg Hoogvonderen Asenray buitengebied Asenray Ool Herten Merum Oolder Veste Swalmen-Centrum Groenekruisgebied Heide 24