CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 - advies begeleidingscommissie Roermond def

Gemeenteraad 19 september 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: Aanbevelingen begeleidingscommissie onderzoek Joods vastgoed3.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies begeleidingscommissie Roermond inzake: BALANS OPMAKEN: EEN BITTERE NOODZAAK. De onteigening van Joods vastgoed in de gemeente Roermond en het naoorlogs rechtsherstel.”

1. Inleiding De begeleidingscommissie had als opdracht het onderzoek naar de Joodse onteigende huizen in Roermond te begeleiden en te sturen op de voortgang en de kwaliteit van het onderzoek. Onderdeel van de opdracht is ook om advies uit te brengen aan het College van B&W van Roermond en aanbevelingen te doen op basis van de bevindingen tijdens het onderzoek en de conclusies. Bij de uitvoering van het onderzoek is de begeleidingscommissie tweemaal betrokken. Bij de startbijeenkomst en bij het eerste concept- rapport dat opgeleverd is. In het onderstaande rapport doen we kort verslag van: 1. Het verloop van het onderzoek en de rol van de begeleidingscommissie hierbij. 2. Enkele - in onze ogen - essentiële bevindingen uit het onderzoek. 3. Aanbevelingen door de begeleidingscommissie.

2. Het verloop van het onderzoek en de rol van de begeleidingscommissie Het Pointer-onderzoek uit 2019 zette de manier waarop gemeenten tijdens en na de bezetting hebben gehandeld met Joods vastgoed nadrukkelijk op de agenda. Pointer is het platform voor onderzoeksjournalistiek van KRO-NCRV. Tijdens de bezetting moesten veel Joden ondergaan hoe het vastgoed dat zij bezaten werd onteigend en doorverkocht. Pointer deed onderzoek naar deze praktijken aan de hand van de nieuw gedigitaliseerde vastgoedboeken die door de Duitsers werden bijgehouden. Deze zogenoemde Verkaufsbücher bieden een inkijkje in de grootschalige onteigening van Joods vastgoed in de Tweede Wereldoorlog. Van de ruim zevenduizend panden en kavels die in de boeken staan, kon Pointer van meer dan vijfduizend de locatie achterhalen. Door incomplete of verkeerd ingevoerde gegevens en veranderende straatnamen lukte het niet om alle huizen op de kaart te zetten. Vaak komen meer huizen boven tafel als er nader onderzoek wordt gedaan in de individuele gemeenten. De voorbije jaren hebben geleid tot een gewijzigde houding tegenover het naoorlogse rechtsherstel en de compensatie van de ongekend zwaar getroffen Joodse gemeenschap.

Dat blijkt eens te meer uit het groeiend aantal gemeenten dat alsnog rekenschap wenst te geven van een naoorlogs afwikkelingsproces met schrijnende tekortkomingen; gebreken die van meet af aan werden gesignaleerd en op grond van aanzwellende kritiek stapsgewijs, maar nooit volledig werden rechtgezet. Inmiddels hebben 147 Nederlandse gemeenten besloten om onderzoek te doen naar hun eigen handelen. De gemeente Roermond is op initiatief van de stadsarchivaris, als eerste Limburgse gemeente, gestart met het onderzoek naar de onteigende huizen. Het bestuur van de Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge in Maastricht (NIHS-Limburg) is hierbij betrokken als vertegenwoordiger van de joden in Limburg. De insteek voor het onderzoek bij de gemeente Roermond is een breed en diepgaand onderzoek te doen naar het handelen en/of nalaten van de gemeente, waarbij met name ook de morele kant van het rechtsherstel een belangrijk issue is. Het gaat niet alleen over het geroofd Joods vastgoed

1

en de gestolen huisraad. Het gaat ook over de rol die het bestuur van de gemeente, zijn ambtelijk apparaat en zijn politiekorps hebben gehad. Het College van B&W van Roermond gaf opdracht voor dit onderzoek aan dr. Fred Cammaert, zelfstandig historicus. In februari 2022 zijn voormalig wethouder Ferdinand Pleyte, (wethouder onderwijs, monumenten, cultuur en innovatie), Erik Caris (coördinator monumentenzorg en archeologie), onderzoeker Fred Cammaert en de begeleidingscommissie, bestaande uit Jac Lemmens (stadsarchivaris van Roermond en Weert), Hein van der Bruggen (voormalig advocaat en historicus) en Ernst de Reus (voorzitter Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge in Maastricht (NIHS-Limburg) voor het eerst bij elkaar gekomen om de opdrachtformulering, onderzoeksvragen en voorgestelde aanpak van het onderzoek te bespreken. Bij dit gesprek was ook aanwezig Ronny Naftaniel (oud-voorzitter Centraal Joods Overleg en in veel gemeenten betrokken bij dit onderwerp). In dit gesprek zijn de onderzoeksvragen aangescherpt en verduidelijkt. De onderzoeker heeft vervolgens op basis hiervan het onderzoek uitgevoerd. Op 6 december 2023 zijn de begeleidingscommissie, wethouder Jos van Rey, Erik Caris en Fred Cammaert bijeengekomen om het concept-rapport te bespreken. Vanuit de begeleidingscommissie zijn enkele voorstellen gedaan om het rapport op onderdelen aan te scherpen.

Op 28 februari 2024 heeft de commissie in samenspraak met Wethouder Jos van Reij het beleidsadvies besproken en afgerond. De afronding en aanbieding van het rapport zal plaatsvinden in het tweede kwartaal van 2024.

3. Enkele essentiële bevindingen uit het onderzoek Het onderzoek “BALANS OPMAKEN: EEN BITTERE NOODZAAK” geeft een indringende inkijk in de jaren tijdens en na de oorlog. Natuurlijk is er de afgelopen decennia veel over de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging geschreven en dat zal in de toekomst ongetwijfeld nog vaak gebeuren. Direct na de oorlog startte de overheid met rechtsherstel van de joden. In 1967 werd de Raad voor het Rechtsherstel opgeheven. Ruim twintig jaren gingen voorbij alvorens het naoorlogs rechtsherstel aan het begin van de jaren 1990 opnieuw prominent op de agenda kwam. Aanleiding vormden ontwikkelingen in het buitenland op dit gebied en de herhaalde constatering dat in de voorgaande fase mankementen waren opgetreden met onredelijke en onrechtvaardige gevolgen voor de Joodse slachtoffers. Om ‘finaal recht’ te kunnen doen werden al met al vijf commissies ingesteld die zich in essentie gingen buigen over de vraag wat er (mogelijk) was misgelopen met de teruggave van roerende en onroerende goederen (tegenwoordig onroerende zaken genoemd) van Joodse oorlogsslachtoffers. Vrijwel eenstemmig kwamen de commissies tot de slotsom dat het rechtsherstel weliswaar correct was verlopen, maar dat tevens sprake was van tekortkomingen die voor de betrokkenen nadelig konden uitpakken. Daarom is er ook nu nog steeds reden om kritisch naar de rol van de gemeenten te kijken.

De resultaten van het onderzoek, zoals beschreven in dit rapport, zijn pijnlijk en hard. De gemeente kon zijn burgers niet beschermen tegen het vreselijke onrecht en soms wilde zij dat ook niet. Toenmalige bestuurders, ambtenaren en politieagenten hebben actief meegewerkt met de bezetter, geen compassie betoond met de Joodse inwoners. Ook na de bevrijding schoot de overheid tekort. Op materieel gebied was het rechtsherstel karig, onvolledig en vaak inhumaan. Bij de onteigende ondernemingen werd slechts in beperkte mate de schade hersteld. Bij de woonhuizen ging het vaak om “minnelijke schikkingen” waarbij de getraumatiseerde overlevende Joden of hun nabestaanden aan het kortste eind trokken. De panden gingen na de oorlog weliswaar terug naar de oorspronkelijke eigenaar, maar ze compliceerden het rechtsherstel in 2

zoverre dat rekening moest worden gehouden met kostenposten als onbetaalde hypotheekrente, gederfde huren en onderhoud. De Maror-gelden waren een goede stap in de richting om het leed van de joden serieus te nemen. Het rechtsherstel van Joden na de Tweede Wereldoorlog schoot tekort. De Rijksoverheid stelde daarom geld ter beschikking aan de slachtoffers en hun nabestaanden. Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland (Maror) beheert de Maror-gelden van private partijen (banken, beurs, verzekeraars) die bestemd zijn voor collectieve doelen binnen de Joodse gemeenschap in Nederland en verstrekt daaruit subsidies. Oud-burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam zag dat anders gelet op een artikel in Het Parool van 30 maart 2013 met als titel “Gemeente eiste erfpacht op van teruggekeerde Joden”. Van der Laan noemde het een ernstige kwestie en hij herhaalde termen als formeel, kil en bureaucratisch om eraan toe te voegen dat bekeken zou worden hoe rechtgezet kon worden wat rechtgezet kon worden. Het NIOD kreeg opdracht om onderzoek te doen. Daarmee gaf Van der Laan in 2014 het startsein voor de derde fase waarin we ons nog steeds bevinden. Want na Amsterdam volgden al snel Den Haag, Rotterdam en andere (grote) gemeenten die het eigen doen en laten met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel lieten en laten onderzoeken.

Onlangs is het onderzoek in de gemeente Maastricht als eerste in Limburg afgerond en heeft de burgemeester van Maastricht openbare excuses aangeboden aan de joden in Maastricht en heeft de joodse gemeente een genoegdoening ontvangen ten behoeve van de continuïteit van de joodse gemeente en educatie.

4. De rol van het bestuur, ambtenaren en politie en andere instanties tijdens en na de oorlog Van oudsher kende Roermond een kleine, bloeiende Joodse gemeenschap met opvallend veel kleine en grotere ondernemers. Ofschoon de Joden niet op sympathie van de katholieke kerk en de katholieke pers hoefden te rekenen, stond het alom heersende antisemitisme de integratie van de Roermondse Joden in de lokale samenleving niet in de weg. Ze namen deel aan het verenigingsleven en onderhielden intensieve contacten met niet-Joodse stadgenoten. Na de overname van de macht door Hitler in Duistland veranderde het klimaat voor de joden sterk. Er was niet of nauwelijks nog steun voor de joden. Zoals in zoveel dorpen en steden ontbraken ook in Roermond leidinggevenden in het overheidsapparaat die protesteerden tegen de anti-Joodse maatregen of iets voor de Joden probeerden te doen. Het minimale verzet kwam uit de lagere echelons van zowel politie als ambtenarij. Burgemeester Paul Reijmer maakte geen geheim van zijn pro-Duitse houding. Met steun van de naderhand tot gemeentesecretaris opgeklommen NSB’er Herman van Keeken voerde hij alle instructies en bevelen van de bezetter zonder meer uit. Het laatste deed ook de commissaris van politie, Johannes Odekerken. Ofschoon hij niet voor ’fout’ doorging, gaf ook hij stipt gehoor aan alle anti-Joodse maatregelen.

Toen hij in juni 1943 op eigen verzoek ontslag kreeg, waren vrijwel alle Joden uit Roermond weggevoerd. De eerste uittocht had hij persoonlijk begeleid. Om alle, op discriminatie, roof en uiteindelijk op vernietiging gerichte voorschriften te realiseren, waren de Duitsers afhankelijk van alle mogelijke informatie die hun telkens weer zonder tegensputteren werd aangereikt. Gedetailleerde persoonsgegevens, radio’s, fietsen, inboedels en voedselvoorraden, vrijgekomen woonruimte: alles werd desgevraagd geregistreerd en doorgegeven waarna genadeloos werd toegeslagen. Dat gebeurde altijd met medewerking van of uitsluitend door de politie. Zelden kwam er een Duitser aan te pas. Joden werden uit hun huizen gezet en moesten op verzameladressen samenhokken. Politiemannen verzegelden de leeggekomen woningen en namen de bewaking en het beheer op zich totdat de nieuwe

3

eigenaren of huurders erin trokken. Meestal waren dat oorlogskopers, NSB’ers of ouders van oostfrontstrijders. Gedurende de tijd dat de woningen leegstonden, was Mathieu Schmitz, een rechercheur, belast met het beheer. Verscheidene collega’s verdachten hem ervan achtergelaten geld en sieraden uit de woningen te hebben gestolen. Zij werden daarin gesterkt toen bij een huiszoeking in de woning van Schmitz veel geld en waardevolle goederen werden aangetroffen. “Uitzonderingen daargelaten telde het belang van de kwetsbare Joodse minderheid niet bij burgemeesters, politieagenten, gemeentelijke ambtenaren, notarissen en rechters”, aldus Raymond Schütz, auteur van een gezaghebbende studie over de dubieuze rol van het Nederlands notariaat tijdens de bezettingsjaren. Sprekend over onroerend goed geldt hetzelfde voor de makelaardij en zogeheten oorlogskopers die wisten of konden weten aan wie de geroofde eigendommen toebehoorden, maar er desondanks in handelden. Verschillende onderzoekers wijzen er terecht op dat de overheid over weinig speelruimte beschikte bij de toepassing van de Duitse maatregelen. Dat mag zo zijn, maar tegelijk moet worden vastgesteld dat de ambtelijke collaboratie wel erg ver reikte en zich over alle bestuurslagen uitstrekte, de gemeentelijke niet uitgezonderd. Opdrachten om allerlei persoonlijke gegevens van Joden te verstrekken, werden stipt uitgevoerd.

Na de oorlog werden maar betrekkelijk weinig gezagdragers veroordeeld. Burgemeester Paul Reijmer zwaaide de scepter in Roermond; een pro-Duitse en autoritaire bon vivant die prima uit de voeten kon met de invoering van het leidersbeginsel. Zijn biograaf, Theo Beckers, noemt hem een narcistische alleenheerser: intimiderend en solistisch. Voor zijn vervolgde Joodse stadgenoten deed hij nagenoeg niets. Alle anti-Joodse maatregelen voerde hij klakkeloos uit. De NSB- burgemeester Jozef Lensing spande zich in om de synagoge aan de Hamstraat te verwerven. Het naastgelegen politiebureau was aan uitbreiding toe en sloop dreigde. De toestemming voor koop kwam in de zomer van 1944. Omdat niet veel later de fronttijd aanbrak, liep de koop op niets uit. Ondanks het feit dat alle burgemeesters in Nederland de Duitse maatregelen uitvoerden, waren er zeker verschillen. In tegenstelling tot Roermond, Venlo en Maastricht waar gesproken kan worden van nuanceverschillen, waren de verschillen met Heerlen levensgroot. Burgemeester Marcel van Grunsven toonde overtuigend aan dat het ook anders kon. Omringd door behendig opererende verzetsmensen loodste hij zijn gemeente op voorbeeldige wijze door de moeilijke bezettingsjaren.

5. Rechtsherstel De Joodse gemeenschap ervoer de periode na de bevrijding als een voortzetting van de onverschilligheid waarmee ze ook tijdens de oorlog werd geconfronteerd. Het formalistische rechtsherstel in Nederland en ook Roermond was gebaseerd op regels van de landelijke overheid. De uitvoering van het rechtsherstel was ook de achilleshiel. Daarbij gaat het niet zozeer om het formele herstel van rechten en de teruggave van geroofd eigendom want dat verliep overwegend correct hoewel zeker niet vlekkeloos. Het zwakke punt schuilt onmiskenbaar in het morele rechtsherstel. De historicus Isaac Lipschits liet zich eveneens zeer kritisch uit over het handelen van de Nederlandse overheid en bevolking. In zijn boek uit 2001 sprak hij zelfs van “De kleine Sjoa”. Lipschits’ conclusie wordt in brede kring gedeeld. Hoewel de herstelwetgeving geen woord wijdde aan de behandeling van de slachtoffers, luidde het consigne dat er begrip moest worden getoond. De vrijblijvende instructie stond op gespannen voet met de naoorlogse realiteit. Vijf jaren van aanhoudende antisemitische propaganda en indoctrinatie hadden het van oudsher aanwezige volkse antisemitisme van nieuwe brandstof voorzien. De bevrijding maakte daar geen einde aan. De regering was er blind voor en trad er niet tegen op. Gelijke behandeling mocht dan 4

het parool zijn, maar dat werd door minister Lieftinck, die zo’n belangrijke rol voor zich opeiste in het rechtsherstel, uiterst selectief toegepast. Zo onthield hij de Joodse gemeenschap compensatie door bijvoorbeeld te weigeren de kosten van de bouw van de kampen Vught en Westerbork te vergoeden die met Joods geld waren betaald. Ook Roermondse Joden leden onder het uitgangspunt van de regering, dat de Joodse gemeenschap geen uitzonderingspositie mocht krijgen, ondanks het feit dat Joden bovenmatig getroffen waren door ontrechting en vervolging. Een cynisch standpunt als men bedenkt dat zeventig procent van de Nederlandse Joden was vermoord. Van de oorspronkelijke Joodse gemeente in Roermond was bijna niemand meer over. De weinigen die de Holocaust hadden overleefd emigreerden, verhuisden of stierven in de loop der jaren. In 1987 werd de Joodse gemeente van Roermond opgeheven en ondergebracht bij de Joodse gemeente in Maastricht. De overgrote meerderheid van de claims werd door middel van een minnelijke schikking afgewikkeld, maar waarbij toch vaak de Jood de onderliggende partij was. De vraag kan worden gesteld of de uitgangspunten voor het rechtsherstel wel voldoende waren. Er zijn de nodige tekortkomingen vastgesteld. Het rapport geeft daarvan ook verschillende voorbeelden. Nog niet de helft van de Roermondse Joden keerde na de oorlog in hun woonplaats terug.

Vooral het handjevol overlevenden uit de kampen was er slecht aan toe. Waarnemend burgemeester René Höppener zag het met lede ogen aan en nam het uit Bergen-Belsen teruggekeerde echtpaar Marx-Basnizki bij zich in huis en zorgde voor nieuwe huisvesting. Was zijn gedrag illustratief voor de naoorlogse opvang of het gemeentelijk beleid op dit punt? Enkele uitzonderingen daargelaten, bevatten de archieven geen sporen die wijzen op een structurele aanpak. Kortom op enkele individuele uitzonderingen na was het beleid van de Nederlandse overheid, de gemeentelijke autoriteiten, kil en zonder enige empathie.

6. Aanbevelingen door de begeleidingscommissie Inmiddels leven we in 2024 en we kijken anders naar rechtsherstel dan vlak na de oorlog. Met name het morele rechtsherstel is ernstig tekortgeschoten en ook maar gedeeltelijk door de Maror gelden gecompenseerd. Bijna alle leden van de generatie die is teruggekeerd uit de kampen zijn inmiddels overleden. In Roermond is de Joodse gemeenschap volledig verdwenen en in Limburg is de omvang van de Joodse gemeenschap nog maar een fractie van de gemeenschap van vóór de oorlog. Niet alleen door het vermoorden van Joden is het aantal gedecimeerd, maar ook door de hardvochtige wijze hoe de overheid is omgegaan met de terugkeerders heeft ertoe geleid dat de Joden Nederland, maar ook Roermond verlieten. In 2024 is het een uitdaging om nog iets aan joods leven te doen in Limburg. De commissie doet daarom een aantal aanbevelingen om invulling te geven aan met name het morele rechtsherstel en om de beperkte joodse gemeenschap in Limburg te steunen. De begeleidingscommissie doet hiervoor de volgende aanbevelingen: •

De burgemeester biedt publiekelijk excuus aan voor wat de Joodse gemeenschap in en na de Tweede Wereldoorlog in de gemeente Roermond is aangedaan.

•

De Joodse gemeente NIHS-Limburg ontvangt ter genoegdoening voor het leed in en na de Tweede Wereldoorlog van de gemeente Roermond een financiële bijdrage voor de borging van de continuïteit en versterking van de Joodse gemeenschap. De begeleidingscommissie vindt het belangrijk dat niet uitsluitend geld beschikbaar wordt gesteld voor herdenken, educatie en restauratie, maar dat er ook een impuls wordt gegeven aan het actieve joodse leven in Limburg. Voor de Sjoa waren in veel dorpen en 5

steden van Limburg Joodse gemeenschappen en synagogen. De Sjoa heeft het uitgebreide joodse leven in Nederland, in Limburg en ook in Roermond vrijwel geheel vernietigd. Na de oorlog was er sprake van een gedecimeerde joodse gemeenschap, maar is de synagoge in 1953 nog wel herbouwd. Uiteindelijk waren er in Roermond te weinig Joden voor het in standhouden van een joodse gemeente. Deze werd in 1987 opgeheven. De enige synagoge die met veel krachtsinspanning voor de eredienst kon worden behouden is die in Maastricht. Dit betekende dat de rol van de synagoge Maastricht na de oorlog ook drastisch veranderde. De focus richtte zich niet alleen meer op Maastricht, maar op de hele regio Limburg. De synagoge Maastricht is inmiddels het middelpunt van joods leven in Limburg. De NIHS- Limburg heeft leden vanuit de hele provincie en zelfs vanuit België. Een financiële impuls maakt het mogelijk om dit beleid te continueren en nieuwe activiteiten te ontwikkelen. De rol van de joodse gemeenschap kan bijvoorbeeld ook worden vergroot in Roermond. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vergroten van de betrokkenheid van de joodse gemeenschap bij herdenkingen en/of lezingen. De Joodse gemeenschap heeft via de zgn. Resonansgroep Jodendom-Katholieke Kerk goede banden met het Bisdom.

In 2005 hebben de bisschoppen besloten om per bisdom een klankbordgroep (resonansgroep) op te richten om katholieken meer bekend en vertrouwd te maken met het Jodendom. Voor Limburg was het een initiatief van Bisschop Frans Wiertz. De uitvoering werd opgepakt door Benoit Wesly (oud-voorzitter NIHS-Limburg) en de recent overleden Theo Willemsen (oud-deken dekenaat Roermond). Via dit platform worden lezingen georganiseerd en wordt de jaarlijkse dag van het Jodendom gehouden. Hoewel het leed van de joden niet met geld is te compenseren, is een tegemoetkoming om het weinige joodse leven in Limburg voort te zetten en ook toekomstbestendig te maken een gebaar van verzoening. De begeleidingscommissie heeft bij het vaststellen van het bedrag onder meer gekeken naar het beleid van de gemeenten Nijmegen en Maastricht in deze. Voor de continuïteit en versterking van het joods leven in Limburg en Roermond adviseren wij dan ook om een bedrag van 75.000 euro toe te kennen. •

De NIHS-Limburg is eigenaar van de synagoge in Roermond. Het onderhoud is uitbesteed aan de stichting Rura. Voor de instandhouding van de synagoge als museum is het wenselijk dat de synagoge wordt gerestaureerd, de toegang wordt schoonhouden en dat in de achtertuin het onkruid en het afval wordt verwijderd. De begeleidingscommissie stelt het College voor om hier een bedrag van 25.000 euro voor beschikbaar te stellen.

•

Verspreiding van kennis en educatie en andere zaken. De begeleidingscommissie stelt voor om 25.000 euro beschikbaar te stellen voor bijvoorbeeld: a. Poetsen van Stolpersteine op 4 mei en 9 november. b. Herdenking van de Kristallnacht en Chanoekaviering openlijk op de Markt. c. Actievere rol bij educatie Tweede Wereldoorlog door Gemeentearchief/ Historiehuis aan de hand van rondleidingen en Stolpersteine-website. d. Faciliteren studiereizen basisschoolleerlingen naar Westerbork en voor middelbare schoolkinderen naar Auschwitz. e. De gemeente Roermond spant zich in voor een collectief monument voor de 25 Sintislachtoffers bij Kapel in ’t Zand. f. Holocaust Memorial Day 5-jaarlijks ondersteunen, samen met Provincie Limburg. g. Uitwisseling met zusterstad Mönchengladbach voor jong en oud op gebied geschiedenis Holocaust en WOll.

6

Het totaalbedrag dat de begeleidingscommissie adviseert voor continuïteit joodse gemeente, onderhoud synagoge en educatie bedraagt €125.000,-.

7. Slotwoord De begeleidingscommissie hoopt dat, na het lezen van dit rapport, de gemeente Roermond zich kan vinden in de aanbevelingen en actief wil bijdragen aan de continuering van joods leven in de provincie Limburg en aan het vergroten van de kennis over de Sjoa bij de Roermondse bevolking. Wij hopen van harte dat de gemeente Roermond zich nu menselijker opstelt en zijn morele verantwoordelijkheid wel neemt. Andere gemeenten, zoals Nijmegen, Eindhoven en Maastricht gingen Roermond voor en boden een genoegdoening en excuus aan de Joodse gemeenschap. De impact voor Joden in Nederland als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten is enorm. Het antisemitisme is met honderden procenten toegenomen. Juist in een tijd van toenemend antisemitisme is voorlichting aan burgers en scholen essentieel. Een landelijk onderzoek, begin 2023, liet zien dat 25 % van de jeugd denkt, dat de Holocaust niét heeft plaatsgevonden en dat het 'fake news' is. Het legt ons allen de plicht op, om iedere keer opnieuw aandacht te vragen voor wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarna is gebeurd. De begeleidingscommissie spreekt ook de hoop uit dat de gemeente Roermond nooit meer mensen zal uitsluiten vanwege ras, godsdienst, seksuele geaardheid, handicap of nationaliteit. De begeleidingscommissie Hein van der Bruggen Jac Lemmens Ernst de Reus Roermond, 4-3-2024

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=d0819e2d-a9e4-4584-a7a9-79f49c60c77b