Bijlage 1 - verordening Beslistermijn Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 2021
Tekst van het document
Verordening Beslistermijn Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Roermond 2021 Artikel 1. Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: a. College: college van burgemeester en wethouders; b. Schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg; c. Wgs: de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 2. Beschikkingstermijn De beschikking tot schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 4a lid 1 Wgs, dan wel de afwijzing of beëindiging ervan, wordt door het college gegeven binnen acht weken na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4 lid 1 Wgs. Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. 2. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Beslistermijn Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Roermond 2021.
Toelichting Verordening Beslistermijn Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Roermond 2021 Algemene toelichting Per 1 januari 2021 is Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) op een aantal punten gewijzigd. Gemeenten krijgen hierdoor nadrukkelijk en expliciet de opdracht om een beschikking af te geven voor schuldhulpverlening. De maximale beschikkingstermijn is conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesteld op acht weken. De Tweede Kamer nam op 10 maart 2020 een amendement aan (Kamerstuk 35 316, vergaderjaar 20192020) met daarin het voorstel om het advies van de Nationale Ombudsman op te volgen en een wettelijke beslistermijn in de gemeentelijke verordening op te nemen. In de toelichting stellen de indieners: ‘Niet alleen burgers dienen zich aan wettelijke termijnen te houden. Ook van een dienende overheid mag verwacht worden dat zij op een verzoek van een burger binnen een redelijke, door de gemeenteraad in een gemeentelijke verordening vastgestelde, termijn reageert.’