Bijlage 1 -raadsvoorstel - derde wijziging APV
Tekst van het document
• j•
»
gemeente Roermond
VOORSTEL AAN DE RAAD VAN DE GEMEENTE ROERMOND
Onderwerp:
Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening
Zaaknummer: 135415-2025 Datum: 13 januari 2026
Inleiding De basis van de APV van de gemeente Roermond wordt gevormd door de model -APV van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). Bepalingen die afwijken van dat model worden gemakshalve gemarkeerd met een asterisk (*). Om in voorkomende gevallen slagvaardig te kunnen optreden is het wenselijk over een geactualiseerde versie van de APV te beschikken. De laatste integrale herziening van de APV dateert van 27 februari 2024. Een (aanpassing van) vastgesteld beleid is leidend voor wijzigingen in de APV. Daarnaast is het streven om jaarlijks in ieder geval de noodzakelijke technische wijzigingen van de APV aan de Raad voor te leggen. Tevens wordt zo veel als mogelijk het model van de VNG gevolgd. Deze actualisering betreft wijzigingen die door de VNG zijn aangedragen, beleidsmatige wijzigingen, technische wijzigingen en redactionele aanpassingen. Aangezien het een beperkt aantal wijzigingen betreft wordt een wijzigingsverordening aan de raad voorgelegd. Voorstel Aan de raad wordt voorgesteld de derde wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Roermond, zoals laatstelijk is gewijzigd bij besluit van de raad van 18 december 2025, vast te stellen. Argumenten 1.1 De VNG-mode/verordening is gevolgd Uitgangspunt voor de vormgeving van verordeningen zijn de door de VNG aangereikte modelverordeningen.
Dit betekent dat een modelverordening wordt overgenomen, tenzij specifieke beleidswensen afwijking wenselijk maken. De VNG brengt normaliter jaarlijks een geactualiseerde model-APV uit ('de zomeraanpassing'). De VNG werkt sinds 2024 aan een grote herziening van de model-APV, onder meer in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het streven is dat gemeenten dit model begin 2027 kunnen gebruiken om hun eigen APV te vervangen, zodat deze weer helemaal up-to-date is. In 2024 en 2025 is door de VNG dan ook een beperkt aantal wijzigingen van de model-APV aangedragen. In het onderhavige voorstel is de zomeraanpassing van 2024 en een enkele wijziging in 2025 verwerkt. In 2025 heeft de VNG geen zomeraanpassing uitgebracht. De ledenbrief inzake de zomeraanpassing 2024 met kenmerk Lbr. 24/029 treft u als bijlage bij dit voorstel aan. De aangedragen wijzigingen zijn in dit
Pagina 1 van 6
Pagina 2
Onderwerp: Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening
voorstel overgenomen, met uitzondering van het opnemen van een expliciet verbod van het overtreden van een gebiedsontzegging, omdat dit verbod reeds is opgenomen onder artikel 2: 1 b, vijfde lid van de APV.
Wijziging artikel 1:1,aanpassing verwijzing in definitie gebouw (geen inhoudelijke wijziging) Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van 'gebouw' in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel Il, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298, resp. artikel 1, onderdeel CW van de Verzamelwet Omgevingswet 2023, Stb. 2023, 376). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. Nieuw artikel 2:54: invoeren 'slaapverbod' op openbare plaatsen Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van de stad. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Tussen zonsondergang en zonsopgang geldt daarom een verbod in aangewezen gebieden. In andere gevallen-'s nachts in niet aangewezen gebieden en overdag - geldt het verbod voor zover het gebruik als slaapplaats leidt tot overlast of hinder, gevaar voor de omgeving of aantasting van het woon- en leefklimaat (lid 1, aanhef en onder b). Op grond van het tweede lid kan het college in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het verbod.
Een ontheffing is denkbaar in het kader van overnachten in een voertuig door aanbieders van een in de gemeente te houden evenement. Het derde lid bakent de verbodsbepaling af. Voor het innemen van een ligplaats met een vaartuig of woonboot (hieronder begrepen ook woonark en woonschip) (a) of voor woonwagens met een woonbestemming (b) bestaan afzonderlijke voorschriften. Ook is nachtverblijf toegestaan op daartoe bestemde kampeerterreinen (c) of door het college op grond van artikel 4:19 aangewezen kampeerplaatsen buiten een kampeerterrein (d). De huidige APV bevat een soortgelijk artikel (artikel 2:47, eerste lid, onder c end van de APV). Het verschil na de wijziging is dat het college gebieden kan aanwijzen waar het verbod onder a. specifiek van toepassing zou kunnen zijn waar dit nu voor heel gemeente Roermond geldt. Dit artikel is nu aangepast aan de model-APV van de VNG, die we zoveel mogelijk volgen. Door de invoering van het slaapverbod wordt het bepaalde in artikel 2:47, eerste lid, onder c en d, overbodig, waardoor deze onderdelen vervallen. Wijziging artikel 2:81, 'ondermijningsvergunning' (lid 10: wetgevingstechnisch) Het betreft hier geen cumulatieve, maar afzonderlijke criteria om een besluit te kunnen nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
Wijziging artikelen 2:74 en 2:74a, opnemen 'substantie' en '2a' in lijn met Opiumwet Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a en lijst la aan de Opiumwet toegevoegd. Daarin zijn nieuwe psychoactieve stoffen (zogenaamde designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Het betreft een aantal groepen stoffen dat sterk lijkt op middelen die op lijst I van de Opiumwet zijn geplaatst. De artikelen 2:74 en 2:74a van de APV zijn erop gericht hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid door drugshandel en drugsgebruik op straat te voorkomen. Hoewel deze designerdrugs kunnen worden aangemerkt als 'daarop gelijkende waar' in de APV-artikelen, is het wenselijk hierin ook substanties als bedoeld in artikel 2a van de Opiumwet expliciet te noemen de APV. 1.2 De aanpassing van de APV betreft wijzigingen als gevolg van beleidsmatige wijzigingen, technische wijzigingen en redactionele aanpassingen
Pagina 3
Onderwerp: Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening
Behoudens enkele noodzakelijke aanpassingen in verband met de juridische juistheid, gaat het om de volgende bepalingen: Weesvoertuigen (nieuw artikel 5:5a*) Het komt met regelmaat voor dat op de openbare weg voertuigen worden achtergelaten. De eigenaar blijkt dan vertrokken of onvindbaar te zijn. Het gaat vaak om personenauto's met een buitenlands kenteken of om auto's van arbeidsmigranten die voor de tijd dat zij in Nederland verbleven een voertuig met Nederlands kenteken hadden. Het enkele feit dat een voertuig op de weg staat, levert nog geen strafbaar feit op. Deze achtergelaten voertuigen zijn echter wel een bron van overlast. Zij houden de parkeervoorzieningen in woonwijken bezet en dat tast de bruikbaarheid van de weg aan. Op dit moment moet afgewacht worden totdat een auto defect raakt of een voertuigwrak wordt (artikelen 5:4 en 5:5 van de APV) voordat een mogelijkheid ontstaat om handhavend op te treden door middel van een last onder bestuursdwang. Er is een behoefte om de overlast eerder ongedaan te maken en de leefbaarheid te kunnen herstellen. Om een oplossing te bieden voor het probleem wordt voorgesteld om een nieuw artikel op te nemen waarin het stil laten staan van een voertuig voor een periode langer dan 56 dagen wordt verboden. Naar verwachting kan met de invoering van deze APV-bepaling daadkrachtig op de problematiek worden gehandhaafd.
Zelfs als een inwoner een voertuig langere tijd niet gebruikt, bijvoorbeeld bij ziekte of een lange vakantie, is de termijn van acht weken lang en als redelijk te beschouwen. Bovendien is er geen groot risico dat een te goeder trouwe inwoner die zijn auto langdurig bij zijn woning zou parkeren direct getroffen wordt met een verwijdering van zijn voertuig. Van een spoedeisend geval als bedoeld in artikel 5:31 Awb is, louter door het verstrijken van een termijn van 56 dagen, namelijk geen sprake. Voor het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt eerst de gelegenheid geboden om een zienswijze in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 4:8, eerste lid, Awb, waardoor men tijdig geïnformeerd wordt. Het voorgestelde artikel is niet in strijd met hetgeen bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is vastgesteld. Op grond van artikel 2a WVW 1994, in samenhang gelezen met artikel 127 van de Grondwet en artikel 149 van de Gemeentewet, is de raad bevoegd om het APV-artikel vast te stellen. Het verbod geldt niet in gebieden met betaald parkeren. Op grond van artikel 225, tweede lid, Gemeentewet kan namelijk geen parkeerbelasting worden geheven als het doen of laten staan van het voertuig al bij wettelijk voorschrift (zoals de APV) is verboden. Met het tweede lid wordt voorrang gegeven aan de parkeerregulering.
Bij het niet betalen van naheffingsaanslagen parkeerbelastingen kan immers gebruik worden gemaakt van de wegsleepregeling op basis van de Verordening parkeerbelasting 2026. Het derde lid van het APV-artikel maakt duidelijk dat meer specifieke artikelen voorrang krijgen. Grote voertuigen (artikel 5:8) Volgens het huidige artikel 5:8, tweede lid, is het verboden voertuigen die langer zijn dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen locatie, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Het verbod houdt geen rekening met de breedte van voertuigen, terwijl brede voertuigen vaak twee parkeerplaatsen in beslag nemen. Dit leidt tot vermindering van de beschikbare parkeerruimte. Op basis van de huidige APV is het niet mogelijk op te treden tegen voertuigen die breder zijn dan de voorgestelde limiet. Het opnemen van een breedtebeperking van meer dan 2,2 meter draagt bij aan een efficiënter gebruik van de beschikbare parkeerruimte. Daarnaast wordt voorgesteld in dit artikel ten aanzien van campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens een uitzondering toe te voegen. Dit betekent dat deze grote voertuigen, die anders onder
Pagina 4
Onderwerp: Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening
het verbod van het eerste of tweede lid zouden vallen, voor maximaal drie dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan. Deze laatste wijziging sluit tevens aan bij de modelbepaling van de VNG. Uitbreiden weigeringsgronden exploitatievergunning 1. Feitelijke situatie De huidige APV bevat geen expliciete algemene weigeringsgrond voor exploitatievergunningen wanneer redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet overeenkomt met de aanvraag. Dit leidt tot situaties waarin vergunningen moeten worden verleend, ook als duidelijk is dat de exploitatie niet uitvoerbaar of rechtmatig zal zijn. Dit is onwenselijk voor de bescherming van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat. 2. VOG buitenlandse leidinggevende Bij de aanvraag van een exploitatievergunning wordt getoetst of de aanvrager en leidinggevende van goed levensgedrag zijn. Voor personen die in Nederland wonen, kan dit worden gecontroleerd via politie- en justitiële gegevens. Voor buitenlandse leidinggevenden ontbreekt deze mogelijkheid, waardoor het zicht op antecedenten beperkt is. Om dit risico te verkleinen, wordt voorgesteld om bij aanvragen waarbij de leidinggevende in het buitenland woonachtig is (geweest) een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) of een gelijkwaardig document uit het land van herkomst, verplicht te stellen.
Dit versterkt de bescherming van openbare orde, veiligheid en leefomgeving en sluit aan bij aanbevelingen van het RIEC ("Factsheet slecht levensgedrag en VOG") Voorgesteld wordt om per categorie exploitatievergunning (artikelen 2:28 e.v.(horecabedrijf), 2:39 e.v. (speelgelegenheden), 2:81 (vergunningplicht in het kader van tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat), 2:82 e.v. (winkelbedrijven), 3:3 e.v. (seksbedrijven), 3a:2 e.v. (speelautomatenhallen) de regelgeving op elkaar af te stemmen en daar waar nodig een weigeringsgrond op te nemen waarin wordt bepaald dat een exploitatievergunning wordt geweigerd indien: redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet overeenkomt met hetgeen in de aanvraag is vermeld. de aanvrager of leidinggevende die woonachtig is (geweest) in het buitenland, geen dan wel een afwijzende Verklaring Omtrent het Gedrag of een ander, met de verklaring omtrent het gedrag gelijkgesteld document uit het land van herkomst overlegt, afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum van de aanvraag. Leeftijd leidinggevende (artikel 2:28) Op basis van de huidige APV-bepaling moet een leidinggevende de leeftijd van 18 jaar hebben om op een exploitatievergunning bijgeschreven te kunnen worden.
Echter, in de Alcoholwet staat onder artikel 8, eerste lid, onder a, dat een leidinggevende om bijgeschreven te kunnen worden op de Alcoholwetvergunning 21 jaar dient te zijn. Aangezien een inrichting die alcohol schenkt voor gebruik ter plaatse naast een Alcoholvergunning ook een exploitatievergunning moet hebben, spreekt dit zich tegen. Gelet op het bovenstaande wordt voorgesteld artikel 2:28, zevende lid van de APV te laten vervallen, zodat de APV in overeenstemming is met de Alcoholwet.
Vechten op een openbare plaats (nieuw artikel 2:50b)
Pagina 5
Onderwerp: Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening
Recentelijk vond er een gevecht plaats in de openbare ruimte. Strafrechtelijke afdoening bleek niet haalbaar. Om desondanks repressief op te treden, is artikel 2:1 van de APV toegepast, dat zich richt op samenscholing, onnodig opdringen en uitdagend gedrag dat tot ongeregeldheden kan leiden. Dit artikel is echter te algemeen en biedt onvoldoende aanknopingspunten bij feitelijke gevechtsincidenten, bijvoorbeeld ook wanneer sprake is van lichte mishandeling zonder aangifte. Er bestaat daarom behoefte aan een specifieke APV-bepaling die handhaving bij vechtincidenten mogelijk maakt. Voorgesteld wordt in de APV een artikel op te nemen dat vechten op een openbare plaats verbiedt, met uitzondering van plaatsen of gebouwen waar vechtsporten worden beoefend. Ondermijning (2:80 en 2:81) In de Handreiking APV en ondermijning van het Aanjaagteam Ondermijning (ministerie Veiligheid en Justitie, opgesteld in samenwerking met de VNG en Nederlandse gemeenten en Regionale Informatieen Expertisecentrum), worden aanbevelingen gedaan om ondermijning beter te kunnen aanpakken. Om met de APV voldoende waarborgen te bieden tegen ondermijning worden de grondslagen uitgebreid en procedures explicieter geformuleerd. Dit leidt tot verbetering van de rechtszekerheid door verduidelijking, een betere motivering van besluiten en een beter handhaafbare bepaling.
Daarom worden de volgende voorstellen gedaan ten aanzien van het bovenstaande. Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf (artikel 2:80) Er wordt voorgesteld om de sluitingsgronden in artikel 2:80 uit te breiden met de toevoeging van veiligheid, gezondheid en zedelijkheid. Daarnaast wordt voorgesteld expliciet te verwijzen naar artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de bekendmaking van de sluiting. Dit is een juridisch-technisch verschil, aangezien de last onder bestuursdwang op grond van artikel 5:24 Awb bekendgemaakt moet worden aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft, en aan de aanvrager. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (artikel 2:81) Er wordt voorgesteld om in artikel 2:81 zorgvuldigheidscriteria, een maximale termijn en een evaluatieplicht op te nemen voor het aanwijzen van locaties of ondernemingen. Daarnaast wordt een expliciete weigeringsgrond voor strafbare feiten toegevoegd. Verder wordt voorgesteld om expliciete intrekkingsgronden op te nemen, evenals vervalgronden bij niet-gebruik van de vergunning. Tot slot wordt een verduidelijking van het overgangsrecht voorgesteld, waarbij de ontvankelijkheid van een aanvraag als voorwaarde wordt toegevoegd.
Kanttekeningen en risico's 1.1 Herziening Zoals in het vorenstaande is aangegeven werkt de VNG aan een volledige herziening van de ModelAPV Naar verwachting kunnen gemeenten dit model begin 2027 gebruiken om hun eigen APV te vervangen. Daarmee wordt de APV weer volledig actueel, onder andere in verband met de invoering van de Omgevingswet. Gelet op de aanstaande algehele herijking van het VNG-model is er voor gekozen om deze af te wachten en onze APV daarop aan te sluiten. De voorgestelde wijzigingen zijn enerzijds noodzakelijk om aan te sluiten bij wet- en regelgeving en anderzijds in het belang van de openbare orde. In het kader van deregulering zijn de voorgestelde wijzigingen beperkt tot het strikt noodzakelijke.
Pagina 6
Onderwerp: Derde Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening
1.2 Aanwijzingsbesluit Bij invoering van het artikel 2:47a 'slaapverbod' is het noodzakelijk dat het college de aangewezen gebieden vaststelt. Bij wijziging van artikel 5:8, tweede lid, is het noodzakelijk dat het huidige aanwijzingsbesluit wordt aangepast, nadat de wijziging van de verordening is vastgesteld. Beide aanwijzingsbesluiten dienen met een separaat voorstel aan het college te worden voorgelegd ter besluitvorming.
Historisch overzicht 27 februari 2024 vaststelling APV 28 mei 2025 eerste wijziging APV 18 december 2025 tweede wijziging APV i.v.m. hoofdstuk 3 APV (sekswerk)
Financiële gevolgen n.v.t. Communicatie en participatie Na besluitvorming wordt het raadsbesluit tot wijziging van de verordening formeel bekendgemaakt in het Gemeenteblad. Na inwerkingtreding is de geconsolideerde versie van de verordening te vinden op https://lokaleregelgeving.overheid. nl.
Bijlagen Bijlage 1 - concept-raadsvoorstel derde wijziging APV; Bijlage 2- concept-raadsbesluit derde wijziging APV; Bijlage 3- ledenbrief zomer 2024; Bijlage 4- doorlopende tekst APV na wijziging; Bijlage 5 was-wordt-tabel derde wijziging APV.
Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en weth degggref de
Ter inzage: Bijlage(n):