Bijlage 1 Beleidsnotitie Kansrijke Peuter- en Kleutertijd 2024-2027 (def)
Tekst van het document
BELEIDSNOTITIE KANSRIJKE PEUTER- EN KLEUTERTIJD 2024-2027
1
INHOUD
Voorwoord
.................................................................................................................................3
Inleiding
.................................................................................................................................4
Hoofdstuk 1
Wettelijke Kaders en maatschappelijke ontwikkelingen ..........................................5 1.1 1.2
Hoofdstuk 2
Wettelijke kaders Maatschappelijke ontwikkelingen
5 6
Bestaande situatie: feiten en cijfers .........................................................................8 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Hoofdstuk 3
Voorschools aanbod in aantal en spreiding Toeleiding en bereik Vroegschoolse educatie Doorgaande ontwikkelingslijn Peuter en kleuters in jeugdhulp Niet-Nederlandstalige inwoners
8 8 10 10 11
Het jonge kind centraal: Ambitie en doelen ...........................................................13 3.1 3.2 3.3 3.4
Hoofdstuk 4
Ambitie Doelen Intensivering beleid/extra inzet Actielijst 2024-2027
13 13 16 17
Financiën 2024-2027 .............................................................................................18 4.1 4.2 4.3
Inkomsten Uitgaven Vooruitblik na 2027
18 18 19
Bijlagen: Visualisatie transformatie sociaal domein Visualisatie beleidsnotitie kansrijke peuter- en kleutertijd
2
Voorwoord Alle kinderen verdienen een kansrijke start. Wie op jonge leeftijd achterop raakt in het onderwijs, moet alles op alles zetten om die achterstand later weer in te lopen. De coronaperiode heeft ons eens te meer geleerd dat kinderen voorzieningen zoals kinderopvang en onderwijs nodig hebben om hun ontwikkeling te stimuleren. Deze voorzieningen dragen bij aan een goede en gezonde ontwikkeling in een speelrijke en veilige leeromgeving. Voor kinderen die al op jonge leeftijd achterop dreigen te raken moeten we iets extra’s bieden. Het is belangrijk om dicht bij deze groep kinderen te blijven staan. We zien in Roermond dat enkele wijken onze specifieke aandacht nodig hebben, omdat daar de uitdaging nòg groter is. Ik ben van mening dat het nodig is om ongelijk te investeren om gelijke kansen te creëren. Met de nu voorliggende aanpak houden we oog op alle jonge kinderen met een risico op een ontwikkelingsachterstand, nemen we drempels voor deelname aan peuteropvang zoveel als mogelijk weg, en zetten we extra in op een doorgaande ontwikkelingslijn tussen voorschool en basisschool. We zetten succesvolle interventies uit de voorgaande beleidsperiode voort en op onderdelen zullen we intensiveren. Tegelijkertijd biedt het programma Kiezen voor Kansen ons de ruimte om te experimenteren met nieuwe initiatieven.
In samenhang met de programmalijnen Kansrijke start (-10 maanden tot 2 jaar) en Kansrijk Onderwijs (4 tot 18 jaar) zorgen we hiermee voor een doorgaande en op elkaar afgestemde aanpak voor alle kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar. Samen met de partners in voor- en vroegschoolse educatie zet ik mij de komende beleidsperiode verder in om kinderen in de gemeente Roermond optimale kansen voor ontwikkeling te geven. Het is een investering in onze gezamenlijke toekomst. Voor de jeugd. Voor de volwassenen van morgen.
Felix van Ballegooij Wethouder Onderwijs, Sport en Wijken
3
INLEIDING Diverse onderzoeken laten zien dat de vroege kinderjaren (0-6 jaar) voor de ontwikkeling van kinderen erg belangrijk zijn. In deze jaren vindt fundamentele ontwikkeling plaats, zowel op taal, motorisch, cognitief als sociaal-emotioneel gebied. In de praktijk blijken aanzienlijke verschillen in de ontwikkeling van de kinderen te ontstaan. Deze verschillen zijn te verklaren vanuit aanleg en/of vanuit een stimulerende omgeving. De stimulerende omgeving kan door allerlei omstandigheden in de knel komen. Het is dus belangrijk dat kinderen op een zo jong mogelijke leeftijd zich goed kunnen ontwikkelen, zodat ze goed voorbereid zijn om succesvol deel te nemen aan schoolse activiteiten en vervolgens later zelfstandig en zelfverantwoordelijk in de maatschappij kunnen deelnemen. In Roermond besteden we, met onze partners in kinderopvang, onderwijs, welzijnswerk, bibliotheekwerk en jeugdgezondheidszorg, veel aandacht aan de ontwikkeling van onze jongste inwoners. Dit gebeurt onder de noemer van het VVE-beleid (voor- en vroegschoolse educatie). Het VVE-beleid kent landelijk kaders en richt zich specifiek op peuters en kleuters (2- tot 6-jarigen) met een mogelijke ontwikkelingsachterstand op de gebieden, taal, rekenen, sociaal-emotioneel en motoriek.
Vanuit het Programma Kiezen voor Kansen, vastgesteld in juli 2023 investeert de gemeente Roermond de komende jaren extra in (onder andere) een kansrijke en inclusieve samenleving. Via de aanpakken Kansrijke start, Kansrijke peuter- en kleutertijd en Kansrijk onderwijs, investeren wij in een goede startpositie voor álle kinderen. Indien nodig doen we dat ook door ongelijk en extra te investeren. Hierbij hanteren we de navolgende leidende principes: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
De basis voor iedere inwoner op orde houden of brengen; Voorkomen is beter dan genezen. Inspelen op voorkomen van risico’s; Verduurzamen wat werkt: we sluiten aan bij wat werkt in lopende projecten en samenwerkingen; Gebiedsgericht werken. Extra inzet wordt gepleegd in die buurten en wijken waar de achterstanden het grootst zijn; Streven naar eenvoud. Minder bureaucratie en met langdurige verbintenissen; Aansluiten bij majeure landelijke ontwikkelingen.
Met de aanpak Kansrijke peuter- en kleutertijd willen we voor álle peuters en kleuters een goede start creëren en gelijke kansen bieden. We streven naar een integrale aanpak om alle peuters en kleuters kansrijk te laten opgroeien, met inachtneming van de wettelijke kaders van het vve-beleid en onze gemeentelijke context. We houden rekening met de wensen en behoeften vanuit de doelgroep en onze netwerkpartners. We zetten specifieke interventies in, in die wijken (en locaties) met de grootste uitdagingen. Leeswijzer Deze notitie is tot stand gekomen in samenwerking met partners uit de kinderopvang, het onderwijs, het welzijnswerk, bibliotheekwerk en de jeugdgezondheidszorg. Het bevat een gezamenlijke visie met doelstellingen ter beantwoording van de vraag wat we samen met elkaar willen bereiken om peuters en kleuters kansrijk te laten opgroeien. We schetsen de wettelijke kaders en maatschappelijke ontwikkelingen. Vervolgens schetsen we de bestaande situatie in Roermond en brengen we in beeld wat we de komende periode gaan doen.
4
HOOFDSTUK 1
WETTELIJKE KADERS EN MAATSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGEN
In dit hoofdstuk schetsen we de context (de wettelijke kaders en maatschappelijke ontwikkelingen) waarbinnen het toekomstig beleid vormgegeven moet worden. 1.1 Wettelijke kaders Het vve-beleid maakt onderdeel uit van het brede onderwijsachterstandenbeleid van het Rijk. Het doel van het onderwijsachterstandenbeleid is het bevorderen van integratie, het voorkomen van segregatie en het bestrijden van onderwijsachterstanden. Gemeenten hebben hierin de volgende taken: ➢ Vormgeven van de programma’s voor voorschoolse educatie; ➢ Doelgroepbepaling: Gemeenten bepalen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie (in leeftijd en indicatoren); ➢ De indicering en toeleiding; ➢ Het zorgdragen voor voldoende ve-voorzieningen in aantal en spreiding; ➢ Het zorgdragen voor een goede kwaliteit van VE-voorzieningen; ➢ Inregelen van gouvernance-structuur. Voor de uitvoering van deze taken ontvangt de gemeente een specifieke doeluitkering van het Rijk. Deze financiële middelen mogen besteed worden aan de volgende onderwerpen: 1. Voorschoolse educatie (ve). Dit is een programma voor kinderen van 2 tot 4 jaar dat hun ontwikkeling stimuleert op verschillende gebieden. Het wordt aangeboden op de peuterspeelzaal of bij de kinderopvang. Voorschoolse educatie is bedoeld voor kinderen die een achterstand hebben, bijvoorbeeld op het gebied van taal.
Door het programma te volgen, kunnen zij hun achterstand inlopen en een goede start maken op de basisschool. De gemeente is verantwoordelijk voor het vebeleid. In Roermond beoordeelt het consultatiebureau of een kind extra ondersteuning kan gebruiken en daarvoor een ve-indicatie krijgt. Kinderen met die indicatie kunnen deelnemen aan een voorschoolprogramma. Gemeenten moeten zorgen voor een kwalitatief goed ve-aanbod dat ook goed verspreid is binnen de gemeente. De kosten die ve-locaties hebben om te voldoen aan de landelijke en lokale ve-eisen mogen uit de doeluitkering bekostigd worden (denk aan een ve-programma, de indicatie en toeleiding door de GGD/JGZ, inzet coach of aanschaf ouderbetrokkenheidsprogramma’s). Peuters en kleuters met een taal- en/of ontwikkelingsachterstand noemen we doelgroepkinderen voor de voor- en vroegschoolse educatie (vve). Geïndiceerde-peuters hebben recht om meer dagdelen gebruik te maken van de opvang dan niet vve-peuters. Als een organisatie ervoor kiest om een kinderopvanglocatie aan te merken als een vve-locatie, moet er gewerkt worden met een verrijkt (vve)programma en worden er hogere eisen gesteld aan de pedagogisch medewerkers die voor de groep staan. 2. Vroegschoolse educatie. Vroegschoolse educatie is vergelijkbaar met voorschoolse educatie, maar dan voor kinderen uit groep 1 en 2 van de basisschool.
Ook vroegschoolse educatie is bedoeld voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand of een risico daarop. In een speciaal programma waar kinderen tijdens schooltijd aan meedoen, ontwikkelen zij door te spelen allerlei vaardigheden op het gebied van taal, rekenen, motoriek en met elkaar omgaan. Scholen zijn verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie. Het onderwijs mag vroegschoolse educatie naar eigen inzicht inrichten. De enige verantwoordelijkheid die gemeenten en schoolbesturen samen hebben ten aanzien van de vroegschoolse educatie is het maken en monitoren van de opbrengsten van vroegschoolse educatie (zogenaamde resultaatafspraken). Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht om vve-middelen in te zetten 5
in het basisonderwijs, maar hebben wel de keuze om activiteiten mee te financieren die bedoeld zijn om onderwijsachterstanden in het basisonderwijs te bestrijden. 3. Doorgaande ontwikkelingslijn vve. Het maken van afspraken over: a ) Een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie. b) Het vaststellen welke kinderen met een risico op een achterstand in aanmerking komen voor voorschoolse educatie. c) De toeleiding van vve-geïndiceerde kinderen naar een voor- of vroegschools aanbod. d) De wijze waarop de doorgaande ontwikkellijn van voorschool naar vroegschool wordt vormgegeven. e) Het maken van resultaatafspraken. De kwaliteit van de voorschoolse educatie wordt, in opdracht van de gemeente, getoetst door de GGD Limburg Noord. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt daarbovenop specifieke kwaliteitseisen bij de kinderopvang en de basisscholen. 1.2 Maatschappelijke ontwikkelingen Naast de wettelijke kaders is er een aantal maatschappelijke ontwikkelingen waar in het toekomstig beleid rekening mee moet worden gehouden om ervoor te zorgen dat alle peuters en kleuters een kansrijke basis krijgen om zich zo goed en gezond mogelijk te kunnen ontwikkelen. a.
Stelselwijziging kinderopvang verwacht vanaf 2027 Als nasleep van de “Toeslagenaffaire” heeft het inmiddels demissionaire kabinet Rutte IV aangekondigd dat het kinderopvangstelsel vanaf circa 2027 wordt gewijzigd. De intentie is om alle ouders met recht op kinderopvangtoeslag een minimale ouderbijdrage te laten betalen voor kinderopvang. Hierdoor wordt het voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag goedkoper om gebruik te maken van de opvang, waardoor deze toegankelijker wordt voor werkende ouders. In het onlangs verschenen “Hoofdlijnenakkoord tussen de fracties van PVV, VVD, NSC en BBB” staat vermeld dat de stelselherziening wordt doorgezet. De verwachting is dat hierdoor de vraag naar kinderopvang en peuteropvang gaat toenemen. Gelet op de huidige personeelskrapte in de kinderopvang maken aanbieders zich grote zorgen. Het risico bestaat op een toenemende segregatie van peuters van werkende en nietwerkende ouders. b. Advies Onderwijsraad doorgaande lijn vve De landelijke Onderwijsraad heeft 21 september 2023 een advies uitgebracht over voorzieningen voor het jonge kind. Hieruit blijkt dat vve al jaren een succesvolle aanpak is om kansengelijkheid in het onderwijs te bevorderen. De raad adviseert om – ook bij een eventuele herziening van het financieringsstelsel- de vve te blijven garanderen en op specifieke onderdelen te versterken.
De specifieke onderdelen waarop versterking nodig is zijn: - Inzet op het bereik van de doelgroep, onder andere door aandacht te hebben voor de bezwaren van ouders om niet deel te nemen en hierop te acteren. - Betere aansluiting tussen vroegschoolse educatie en voorschoolse educatie. De raad adviseert te blijven inzetten op het versterken van het professioneel handelen van de pedagogisch medewerkers en leerkrachten. - Versterken van de kwaliteit van vve op een aantal punten, bv door inzet van gezinsgerichte programma’s en meer aandacht voor monitoring en evaluatie. - Inzetten op het creëren van betere voorwaarden voor samenwerking tussen voorschoolse voorzieningen en basisscholen. Pedagogisch medewerkers en leraren moeten de gelegenheid hebben om met elkaar af te stemmen wat kinderen nodig hebben en hetgeen 6
aangeboden wordt. Het organiseren van gezamenlijke ontmoeting en scholing dragen hieraan bij. c.
Instroom nieuwkomers Er stromen steeds meer kinderen in vanuit verschillende brandhaarden in de wereld. Dit zijn vaak kinderen met onderwijsachterstanden, taalarm, en andere uitdagingen (bv trauma’s). Ook de toestroom van arbeidsmigranten vraagt de komende periode aandacht. De toenemende instroom van nieuwkomers noodzaakt om meer en beter in te spelen op een doelgroep met een andere cultuur en andere behoeften.
d. Toename problematiek kinderen Alle vve-partners constateren een toename in de (gedrags-)problematiek bij kinderen, ook bij niet-geïndiceerde kinderen. Uit landelijke onderzoeken blijkt dat de gevolgen van de Coronapandemie en de complexer wordende samenleving die veel druk legt op ouders en kinderen, mogelijke oorzaken hiervan zijn. Dit maakt dat de pedagogisch medewerkers en leerkrachten handen tekort komen en er minder aandacht kan zijn voor het werken aan de ontwikkelingsachterstand van de individuele peuter/kleuter. Ook geven de partners aan dat er behoefte is aan coördinatie van zorg rondom het kind en het gezin. Veel ouders hebben hierbij ondersteuning nodig. e. Wachtlijstproblematiek Het dichtslibben van de zorgketen is de laatste tijd een groot aandachtspunt. Het ontbreken van personele capaciteit bij zorgpartners betekent dat kinderen niet meteen geholpen worden. Hierdoor verergert niet alleen de problematiek, maar verblijven kinderen langer binnen de reguliere opvang terwijl zij meer gebaat zijn bij een vorm van jeugdhulp. Tegelijkertijd moeten geïndiceerde kinderen hierdoor regelmatig langer wachten op een ve-plaatsing, waardoor ook zij het risico lopen op een extra ontwikkelachterstand. Langzamerhand ontstaat er een vicieuze cirkel. Bijkomend effect is dat de druk op de groepen en de medewerkers toeneemt met alle gevolgen van dien.
7
HOOFDSTUK 2
BESTAANDE SITUATIE: FEITEN EN CIJFERS
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bestaande situatie in Roermond en worden een aantal feiten en cijfers weergegeven. Daar waar in dit hoofdstuk aandachtspunten of knelpunten worden beschreven wordt in hoofdstuk 3 aangegeven welke inzet we de komende periode hiertoe plegen. 2.1. Voorschools aanbod in aantal en spreiding Een van de wettelijke kaders is dat de gemeente zorgt voor voldoende aanbod in aantal en spreiding van voorschoolse educatie. Op onderstaande kaart zijn de, door de gemeente gesubsidieerde, kinderopvanginstellingen weergegeven. Hieruit blijkt dat bijna in elke wijk van Roermond een kinderopvangaanbieder aanwezig is met een voorschools (educatief) aanbod. .
(Bron: Peutermonitor. De kleuren tonen de verschillende voorschoolse aanbieders aan. De omvang van de cirkels de grootte van de betreffende opvanglocatie)
2.2. Toeleiding en bereik Met de GGD Limburg Noord, onderdeel jeugdgezondheidszorg (het consultatiebureau) en de kinderopvang zijn afspraken gemaakt over het signaleren van risico’s op ontwikkelingsachterstanden, de voorlichting aan ouders en de controle op de inschrijving voor de voorschoolse educatie. De indicatiestelling voor doelgroepkinderen wordt afgegeven door de jeugdgezondheidszorg. De jeugdgezondheidszorg kijkt hierbij naar het kind, de ouders/verzorgers en de bredere opvoedingscontext. De indicatie vindt bij voorkeur plaats in de leeftijd van 18 maanden. Het kan echter voorkomen dat een kind op de kinderopvang komt en dat daar wordt geconstateerd dat het kind een risico loopt op een ontwikkelingsachterstand. De kinderopvang neemt, na afstemming met de ouders, contact op met de jeugdgezondheidszorg. Het consultatiebureau roept de ouders van het betreffende 8
kind op en beoordeelt of een indicatie voor vve moet worden afgegeven. Na de doorverwijzing door de jeugdgezondheidszorg bewaakt de kinderopvang of het kind ook daadwerkelijk wordt ingeschreven. Indien ouders geen gebruik willen maken van het ve-aanbod, dan registreert de jeugdgezondheidszorg de reden hiervan. In onderstaande tabel is het aantal wel en niet geïndiceerde peuters (2 en 3-jarigen) weergegeven per wijk.
(Bron: Bevolkingscjifers gemeente Roermond 1-1-2024 en Peutermonitor).
Roermond heeft in totaal 1.166 peuters (2- en 3-jarigen) waarvan 344 (30 %) een vve-indicatie heeft. Bij 1 op de 3 peuters is er dus sprake van een ontwikkelingsachterstand. Het is helaas niet mogelijk dit percentage af te zetten tegen regionale of landelijke percentages omdat gemeenten verschillende doelgroep bepalingen hanteren. Uit de cijfers blijkt dat het percentage geïndiceerde peuters in de wijken Donderberg (65%), Roermond Zuid (42%) en Roermond Oost (50%) beduidend hoger is dan het gemiddelde percentage (30 %) voor Roermond.
Deelname geïndiceerde peuters aan voorschoolse educatie
Aantal geïndiceerde peuters
Deelname
Reservering
9
la
ss
en
en ra y M
aa
sp
As
n He rte
Ho
og vo
nd
er en
m al Sw
M
aa
sn
ie
en
l
m Ce n
tru
st
er
m on
d
Oo
id Zu d Ro
er m on
Ro
Do
nd
er
be
rg
80 70 60 50 40 30 20 10 0
Niet bekend
Van deze in totaal 344 geïndiceerde peuters bezoekt 296 de vve-opvang. Dit is een bereik van 86 %. Het gemiddelde landelijke bereik van de geïndiceerde peuters bedraagt 83 %. Ondanks dat het bereik onder de doelgroeppeuters in lijn ligt met het landelijk gemiddelde vinden wij het belangrijk dat alle peuters met een risico op een ontwikkelingsachterstand een vve-aanbod ontvangen. Hierdoor zijn ze in beeld, wordt er gestuurd op het aanbod dat zij ontvangen en is er sprake van een doorgaande ontwikkellijn. 2.3. Vroegschoolse educatie Zoals vermeld is de vroegschoolse educatie een verantwoordelijkheid van het basisonderwijs. De basisscholen met een hoge achterstandsscore ontvangen extra Rijksmiddelen om een vroegschools aanbod te kunnen doen. Dit vroegschools aanbod betreft onder andere de interventies schakelklas, schakeltijd en onderwijstijdverlenging. Bij de interventies schakelklas en schakeltijd krijgen kleuters een jaar lang extra taalonderwijs in een aparte klas óf via extra onderwijstijd. Onderwijstijdverlenging is een extra aanbod buiten de onderwijstijd en streeft naast het versterken van de basisvaardigheden (Iezen, schrijven en rekenen) nog aanvullende doelen na zoals het bevorderen van sociaal-emotionele vaardigheden, culturele vaardigheden etc. Acht scholen in de gemeente Roermond hebben een dergelijk aanbod aan vroegschoolse educatie.
Vanuit de samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid voor een doorgaande ontwikkelingslijn, draagt de gemeente financieel bij aan de uitvoering van deze programma’s. 2.4. Doorgaande ontwikkelingslijn Met de gesubsidieerde kinderopvangaanbieders en het onderwijs zijn afspraken gemaakt op het gebied van registratie en monitoring van peuters, het aan te bieden ve-programma (Nji-erkend) en de doorgaande ontwikkelingslijn (warme overdracht). Ook wordt in bepaalde wijken aanvullende extra inzet gepleegd door kindcoaches in te zetten in de voor- en vroegschool (deze worden op projectbasis gefinancierd vanuit het WOP Donderberg en de NPO middelen). Zij zorgen voor een goed contact met ouders, ondersteunen waar nodig en brengen de zorg voor het kind in kaart en coördineren deze. Er is sprake van een groeiende samenwerking tussen de kinderopvang en de basisschool. De wens is te komen tot een verder op elkaar afgestemd inhoudelijk aanbod, waarbij gebruik gemaakt wordt van elkaars expertise. Op onderdelen is de wet- en regelgeving hierin niet helpend. Zo worden bijvoorbeeld gezamenlijke peuter- en kleutergroepen en het inzetten van combinatiebanen bemoeilijkt door bestaande regelgeving. De landelijke overheid onderzoekt hoe zij de wet- en regelgeving beter kunnen laten aansluiten op hetgeen in de praktijk nodig is.
In hoofdstuk 3 wordt beschreven welke acties wij lokaal inzetten om de doorgaande lijn te versterken. 2.5. Peuters en kleuters in jeugdhulp Zoals reeds vermeld in de paragraaf maatschappelijke ontwikkelingen constateren alle vve-partners een toename van (gedrags-) problematiek onder peuters en kleuters. Deze toename blijkt ook uit de jeugdhulpcijfers (zie onderstaande tabel). In onderstaande tabellen is het aantal unieke jongeren in jeugdhulp weergegeven over de periode 2018 tot en met 2023, uitgesplitst naar voorschool (0 t/m 3 jaar) en vroegschool (4 en 5 jaar).
10
Dat steeds meer peuters en kleuter jeugdhulp (lees: extra ondersteuning) nodig hebben heeft ook zijn uitwerking binnen de kinderopvang en het basisonderwijs. Pedagogisch medewerkers en leerkrachten zien de samenstelling van de groep/klas veranderen. De focus ligt niet meer alleen op het aanbieden van een ve-programma en het lesgeven aan de groep/klas, maar ook op het bieden van extra ondersteuning aan die peuters en kleuters die dit nodig hebben. En die aantallen stijgen per groep. Regelmatig ontbreekt het dan aan de benodigde capaciteit en aanvullende expertise om elk kind de aandacht te geven die nodig is. 2.6 Niet-Nederlandse inwoners. Met de toename van de vluchtelingenstromen en de arbeidsmigranten zijn er steeds meer mensen in Nederland die de Nederlandse taal (nog) niet machtig zijn. Ook in Roermond is dit een groeiende groep. Binnen deze groep migranten spelen oorlogstrauma’s en culturele verschillen een rol. Dit betekent dat niet alleen ingezet moet worden op het leren van de Nederlandse taal, maar dat er ook aandacht moet zijn voor de nog te verwerken trauma’s en culturele verschillen om een goede integratie en participatie van deze doelgroep te kunnen bewerkstelligen. In 2023 bedroeg de totale Roermondse bevolking 59.981 inwoners. Hiervan was 67 % van Nederlandse herkomst, 14 % uit een van de Europese landen en 18% uit een niet Europees land. 11
Voor 2024 en volgende jaren is de verwachting dat de doelgroep buiten Europa groeit, gezien de taakstellingen die gemeenten hebben voor de opvang van asielzoekers. Ook hier zien we verschillen per wijk. In sommige wijken van Roermond wonen meer mensen met een migratieachtergrond dan in andere wijken. Voor de peuters en kleuters betekent dit dat zij niet of niet volledig Nederlandstalig opgroeien en onvoldoende bekend zijn of raken met de Nederlandse cultuur en het aanbod aan voorzieningen. Hierdoor bestaat een nog groter risico op kansenongelijkheid en (onderwijs)achterstand. In de toeleiding naar een vve-aanbod hebben wij aandacht hiervoor. In hoofdstuk 3 wordt dit nader toegelicht.
12
HOOFDSTUK 3
HET JONGE KIND CENTRAAL: AMBITIE EN DOELEN
Onze visie is dat de gemeente Roermond een gemeente is waar kinderen veilig en gezond opgroeien en zich optimaal kunnen ontwikkelen. We willen voor alle kinderen een goede start. Als er minder inkomen is, als ouders de Nederlandse taal minder goed beheersen of meer praktisch geschoold zijn, mag dat geen belemmering zijn. Daar moeten we als lokale overheid en kindpartners waar het kan ondersteuning bieden. 3.1 Ambitie Voor de komende beleidsperiode streven we naar een goede basis voor alle peuters en kleuters, waarbij zoveel mogelijk peuters gebruik maken van voorschoolse voorzieningen, waarbij we aandacht hebben voor de achtergrondkenmerken en de omgeving waarin ze opgroeien. We behouden wat goed is en investeren extra in die wijken waar dat het hardst nodig is. We ondersteunen de kinderopvangvoorzieningen zodat zij, ondanks de complexer wordende populatie, zich kunnen blijven inzetten voor een kwalitatief goed aanbod. Ook versterken we de relatie tussen kinderopvang en basisonderwijs, zodat de peuters een soepele overgang kennen. Onze ambitie:
Alle peuters en kleuters (2-6 jr) in Roermond groeien kansrijk op en kunnen zich optimaal ontwikkelen.
Deze ambitie bereiken we door in te zetten op de volgende doelen: 3.2 Doelen Vanuit de wettelijke kaders van het vve-beleid zetten we voor de periode 2024-2027 in op: 1. Het vergroten van het bereik naar 95%: meer peuters met een risico op ontwikkelingsachterstand bezoeken een voorschoolse voorziening; 2. Het zorgen voor een goede doorgaande ontwikkelingslijn van peuter tot kleuter. Er is een goede aansluiting tussen voorschool en vroegschool; 3. Het vergroten van de ouderbetrokkenheid. Meer ouders zijn zich bewust van hun rol in de opvoeding van hun kind en ondersteunen hen; 4. Het vergroten van de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie.
Ad 1. Vergroten bereik naar 95 %. Meer peuters met risico op een ontwikkelingsachterstand bezoeken een voorschoolse voorziening We streven naar een bereik van 95% van de groep peuters met een risico op een ontwikkelingsachterstand. Door het vergroten van het bereik ontvangen meer peuters een kwalitatief goed voorschools aanbod, zijn eerder in beeld en kan er, indien nodig, eerder hulp en ondersteuning geboden worden (ook op andere gebieden). Om deze doelstelling te behalen zetten we de komende jaren in op een sluitend systeem van toeleiding. De jeugdgezondheidszorg (jgz) verzorgt de toeleiding en indicering van peuters- en kleuters met een risico op een ontwikkelingsachterstand. Belangrijk is te weten wat de motieven van ouders zijn om geen gebruik te maken van de voorschoolse voorzieningen en hier het proces van toeleiding op aan te 13
passen. Ook is het wenselijk om goede, begrijpelijke schriftelijke informatie, in verschillende talen, beschikbaar te hebben op die plekken waar ouders van jonge kinderen komen. Voor sommige ouders is het wellicht helpend om door extra inzet (een huisbezoek óf ondersteuning) de toeleiding naar de voorschoolse voorziening te realiseren. Daarnaast zetten we in op drempelloze peuteropvang voor ouders die geen tegemoetkoming ontvangen van de Rijksbelastingdienst. Ouders die een gezamenlijk huishouden hebben en waarvan één of beiden niet werken komen niet in aanmerking voor de Rijks kinderopvangtoeslag. Dit zijn vaak de meer kwetsbare ouders die ook op andere leefgebieden uitdagingen ervaren. Voor deze ouders willen wij de financiële drempel weghalen en de eigen bijdrage laten vervallen, zodat ook deze ouders gestimuleerd worden hun kinderen naar de kinderopvang te laten gaan. Ad 2. Er is een goede aansluiting tussen voorschool en vroegschool (doorgaande ontwikkelingslijn) Bij een doorgaande ontwikkelingslijn gaat het om een ononderbroken ontwikkelingsgang van kinderen van de voorschoolse voorziening naar het basisonderwijs. Het is belangrijk dat het kind in zijn ontwikkel- en leerproces zo min mogelijk overlap, breuken of gaten ervaart.
Verbinding en samenwerking tussen de kinderopvang en de basisschool zijn essentieel en zien we als een voorwaarde om peuters- en kleuters kansrijk te laten opgroeien. Gemeente, kinderopvanginstellingen en basisscholen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de organisatie van de doorgaande ontwikkelingslijn. Behalve de warme overdracht 1 is het ook belangrijk dat onderwijs en kinderopvang kennis (blijven) nemen van elkaars werkwijzen en methoden en daarnaast hun ideeën over de doorgaande ontwikkelingslijn delen met elkaar. Inmiddels zijn hiertoe al de eerste stappen gezet, waarbij de kinderopvang en het basisonderwijs gezamenlijke kennismakings- en themabijeenkomsten organiseren. Als gemeente stimuleren wij deze samenwerking, maar zien daarnaast ook dat het wenselijk is om tot een gezamenlijke pedagogische visie te komen met betrekking tot de ontwikkeling van kinderen van 0 – 13 jaar. Indien mogelijk fysiek gehuisvest op één locatie in een Integraal Kindcentrum (IKC). Vanuit deze gezamenlijke visie is het belangrijk tot concrete resultaatafspraken te komen en deze te monitoren. In de komende beleidsperiode stimuleren, regisseren en faciliteren wij het proces om te komen tot een gezamenlijke visie en resultaatafspraken. We zien dat er steeds meer kinderen met aanvullende zorgbehoefte in de kinderopvang en het onderwijs verblijven, waardoor er behoefte is aan extra ondersteuning.
Extra ondersteuning op het gebied van enerzijds aanvullende pedagogische en didactische expertise in de groep en anderzijds op het vlak van coördinatie van zorg ten behoeve van het gezin. Zowel de pedagogisch medewerkers in de kinderopvang als de leerkrachten in het basisonderwijs besteden vaak veel tijd aan het organiseren en coördineren van deze zorg, waardoor er minder tijd over blijft voor de cognitieve taken. Met tijdelijke middelen (NPO- en WOP Donderberg middelen) is extra formatie ingezet onder de noemer kindcoaches, Deze kindcoaches zijn actief in de wijken Donderberg, Roermond Oost en Roermond Zuid. Daarnaast heeft de Stichting Kinderopvang Roermond ervoor gekozen om vanuit bestaande middelen geld vrij te maken om op alle andere locaties kindcoaches in te zetten. De kindcoaches hebben als taak het vroegtijdig in kaart brengen van de zorg per kind, het organiseren en onderhouden van de benodigde zorgstructuur, het voeren van kind besprekingen en gesprekken met ouders en te zorgen voor een warme overdracht naar de basisschool. De kindcoach is de spin in het web tussen kinderen, ouders, medewerkers, instanties en school. De resultaten zijn positief. Zowel de kinderen als de ouders zijn eerder in beeld. Er is een betere samenwerking en afstemming tussen de verschillende instanties en de overgang naar de basisschool verloopt soepeler.
Op dit moment zijn er 1 Warme overdracht: de pedagogisch medewerker van de kinderopvang informeert de leraar persoonlijk over
het kind dat de overstap naar school maakt en de ondersteuning die dit kind nodig heeft. 14
zowel in de kinderopvang als in het basisonderwijs kindcoaches actief. Deze vorm van extra ondersteuning willen we voor de toekomst behouden. Ad 3. Meer ouders zijn zich bewust van hun rol in de ontwikkeling van hun kind Jonge kinderen ontwikkelen zich in interactie met hun omgeving. Het gezin is meestal de belangrijkste omgeving voor jonge kinderen. Belangrijk hierbij is de rol van ouders. Uit onderzoek blijkt dat een stimulerende rol van ouders in de eerste levensjaren van een kind het verschil maakt. Het is belangrijk dat ouders hun kind ondersteunen en stimuleren. Een sterke ouderbetrokkenheid heeft een positief effect op het zelfvertrouwen, de motivatie en de leerprestaties van kinderen op school. Roermond biedt in de wijken met de grootste ontwikkelingsachterstanden, gezinsgerichte stimuleringsprogramma’s aan zoals Opstap en Opstapje. Dit zijn effectief bewezen interventies. De werkwijze is dat ouders gedurende twee jaar, minimaal tweemaal per week een spelactiviteit uitvoeren met hun kind aan de hand van speciaal ontwikkelde materialen. Zij krijgen instructie van een speciaal getrainde begeleidster die zo mogelijk de taal van de doelgroep spreekt. Tijdens een kringbezoek draagt zij de spelactiviteiten aan de ouders over en geeft informatie over de ontwikkeling en opvoeding van kinderen. De programma’s worden goed bezocht.
Daarnaast wordt ook kortdurende individuele ondersteuning en begeleiding aan ouders in de thuissituatie geboden. Met name aan ouders die (nog) niet toe zijn aan de groepsgerichte programma’s Opstap en Opstapje. Ouders worden bewust gemaakt van hun gedrag in relatie tot de wijze waarop kinderen zich ontwikkelen en hoe zij hierin kunnen begeleiden en ondersteunen. Beide vormen van ouderbetrokkenheid worden behouden voor de komende periode. Ondanks de bestaande inzet merken de vve-partners dat niet alle ouders hun kind de aandacht kunnen/willen geven die nodig is. Als argumenten wordt aangevoerd een gebrek aan tijd, de taalbarrière bij niet-Nederlandstalige ouders en het beeld dat ouders hebben van de rol die zij spelen in de ontwikkeling van hun kind. Daar waar het niet lukt dat ouders hun kinderen voldoende ondersteunen is het belangrijk om in samenwerking met alle betrokkenen in de wijk (kinderopvang, scholen, welzijnswerk en bibliotheekwerk) te zorgen voor een sterke (pedagogische) basis, onder andere door het organiseren van een verrijkte schooldag en/of de inzet van extra interventies zoals zomerscholen. Zomerscholen bieden een extra aanbod in de eerste twee of laatste twee weken van de zomervakantie, met name voor die kinderen die thuis onvoldoende worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.
De inzet van zomerscholen in het primair en voortgezet onderwijs is inmiddels een effectief bewezen interventie (bron: Nederlands Jeugdinstituut). De afgelopen schooljaren zijn met tijdelijke middelen van het Rijk en daarna met tijdelijke middelen van de gemeente zomerscholen in de kinderopvang georganiseerd. Ervan uitgaande dat een dergelijk aanbod ook voor peuters effectief is willen wij deze interventie behouden voor de duur van deze beleidsperiode. Ad 4. Het vergroten van de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie Goede voor- en vroegschoolse voorzieningen van hoge kwaliteit zijn belangrijk om kinderen een positieve start te geven in groep 3 van de basisschool. Ook de kinderen voor wie dit vanwege de thuissituatie niet vanzelfsprekend is. Het effect van het voorschools en vroegschools aanbod wordt bepaald door de kwaliteit van het aanbod. Voor de voorschoolse voorzieningen is de kwaliteit neergelegd in diverse wet- en regelgeving (Wet OKE, Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang). Daarbovenop hebben wij nog aanvullende kwaliteitsafspraken gemaakt met de gesubsidieerde kinderopvanginstellingen en het onderwijs. Zo wordt gewerkt met door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende vve-programma’s, is het
15
kindvolgsysteem KIJK geïmplementeerd en zijn de instellingen aangesloten op de Peutermonitor.2 Alle gesubsidieerde kinderopvanginstellingen voldoen aan deze eisen. Zowel de GGD als de Inspectie voor het Onderwijs toetst op deze kwaliteitseisen. In de onderwijswetgeving zijn geen specifieke kwaliteitseisen voor de vroegschoolse educatie opgenomen. De Inspectie van het Onderwijs toetst de scholen op de (algemene) kwaliteit van het onderwijs en niet specifiek op de kwaliteit van het vroegschools aanbod. Uit een onlangs verschenen onderzoek van de Universiteit van Maastricht3 naar de instrumenten om de kwaliteit van vve te stimuleren, blijkt dat er sprake is van een complex systeem met profit en nonprofit partijen, waar in de voorschoolse periode de regie bij gemeenten ligt en in de vroegschoolse periode bij de schoolbesturen. De regie op het geheel ligt bij gemeenten. Om aan een dergelijk complex systeem sturing te geven wordt lokale netwerksturing geadviseerd die gekenmerkt wordt door formeel, in convenanten vastgelegde, missie-gedreven, intensieve samenwerking tussen alle netwerkpartners. Daarnaast is het wenselijk concrete afspraken te maken gericht op het verbeteren van de kwaliteit van vve. De gemeente is met haar onderwijs- en kinderopvangpartners in gesprek om te komen tot een meerjarige Lokale Educatieve Agenda (LEA).
In de LEA worden afspraken gemaakt om in gezamenlijkheid de kwaliteit van vve te verbeteren. De werkgroep VVE is onderdeel van de LEA-overlegstructuur. De werkgroep monitort de voor- en vroegschoolse educatie en stuurt op operationeel vlak bij. Samen met de overige werkgroepen zal de werkgroep VVE verantwoordelijk zijn voor de voorbereiding en de aanlevering van agendapunten voor het LEA-overleg. 3.3 Intensivering beleid/extra inzet Het programma Kiezen voor Kansen biedt ons de mogelijkheid om in de brede context van kansengelijkheid en inclusie voor alle peuters en kleuters te experimenteren met vernieuwende interventies. Daarnaast willen we de middelen vanuit Kiezen voor Kansen inzetten om onderzoek te laten doen naar de effecten van de ingezette interventies. Nieuwe interventies: * KinderopvangPlus-groep. Gelet op de toename van de (gedrags)-problematiek onder peuters en kleuters willen we voor de komende periode experimenteren met een zogenaamde kinderopvang Plus-groep. Regelmatig worden peuters die extra ondersteuning nodig hebben op het gebied van gedrag, de ontwikkeling of de opvoeding/omgeving doorverwezen naar jeugdhulpaanbieders. Deze peuters worden opgevangen in dagbestedingsgroepen, welke gefinancierd worden vanuit de Jeugdwet. Vaak volgt daarna ook speciaal onderwijs.
Een kinderopvangPlus groep draagt bij aan het bieden van extra ondersteuning in de basis (versterken sociale basis) en aan het principe van normalisering binnen de Jeugdwet. Maar nog meer dan dat vinden wij het belangrijk dat deze peuters binnen de reguliere opvang in de eigen wijk opgevangen worden. Dit is mogelijk omdat binnen de kinderopvangPlus veelal wordt gewerkt in kleine(re) groepen, waarbij meer en/of hoger geschoold personeel (niveau 4 of hbo) wordt ingezet en er extra ondersteuning vanuit jeugdhulpexpertise wordt toegevoegd aan de groep. Voor de kinderopvangorganisatie als aanbieder van kinderopvangPlus heeft dit gevolgen voor de bedrijfsvoering. De kosten van een Plus-groep zijn door de kleinere groepen en eventueel de inzet van meer en hoger geschoold personeel immers hoger. Uit de praktijkvoorbeelden blijkt dat deze vorm van opvang moeilijk, dan wel niet kostendekkend te krijgen is zonder aanvullende (gemeentelijke) bijdragen of subsidies. 2 Met KIJK wordt de ontwikkeling van kinderen en het effect van het aanbod gemonitord. De Peutermonitor monitort de
spreiding en het bereik van de voorschoolse voorzieningen. 3 https://cris.maastrichtuniversity.nl/ws/portalfiles/portal/187336013/s8211.pdf
16
* Oudercafé. Zoals in voorgaande paragraaf vermeld is ouderbetrokkenheid belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. Een hoge mate van ouderbetrokkenheid binnen de vve heeft een direct positief effect op de (leer)resultaten van het kind. Programma’s als Opstap en Opstapje dragen bij aan het stimuleren van ouderbetrokkenheid. Echter niet alle ouders worden bereikt met deze programma’s. Daarnaast hebben deze programma’s met name de insteek de Nederlandse taal leren. Ouders kampen vaak met allerlei uitdagingen waarvan de taal er één van is. Vandaar dat we willen experimenteren met een oudercafé, waar een groepsgericht programma/aanbod wordt aangeboden dat breder is dan alleen de (taal)ontwikkeling van kinderen. Waar ouders elkaar ontmoeten, ervaringen delen en informatie uitwisselen. In deze beleidsperiode onderzoeken we de haalbaarheid van een oudercafé. 3.4 Actielijst 2024-2027 Resumerend worden voor de beleidsperiode 2024-2027 de volgende acties en interventies ingezet. Doel
Actie/interventie
Wie
Bereik vergroten
Realiseren sluitend toeleidingsproces
Gemeente, JG, /Wel.kom
drempelloze kinderopvang
Gemeente
Flyer diverse talen
Gemeente
Gezamenlijke visie en resultaatafspraken
Gemeente, basisonderwijs
Doorgaande ontwikkelingslijn
en kinderopvang
Ouderbetrokkenheid vergroten
Kindcoaches in de kinderopvang en het
Gemeente, kinderopvang,
primair onderwijs
basisonderwijs
Zomerscholen
Kinderopvang
Opstap/Opstapje
Wel.kom
Onderzoek opstarten oudercafé
Gemeente, Wel.kom, kinderopvang
Kwaliteit vergroten
Meerjarige Lokale Educatieve Agenda
Gemeente, Onderwijs en kinderopvang
Onderzoek UM naar effecten ingezette
Gemeente, UM
interventies Versterken basisvoorziening,
KinderopvangPlus
normaliseren
17
Kinderopvang
HOOFDSTUK 4
FINANCIËN 2024-2027
4.1. Inkomsten Voor de uitvoering van de wettelijk verplichte vve-activiteiten stelt het Rijk een doeluitkering beschikbaar van jaarlijks € 2.647.060,-- (exclusief indexering). Deze middelen zijn specifiek bedoeld voor de doelgroepkinderen (vve-geïndiceerde kinderen in de leeftijd van 2-6 jaar). Daarnaast stelt de gemeente middelen ter beschikking ten behoeve van de voorschoolse educatie. Dit is een bedrag van jaarlijks € 360.000,--. In de afgelopen beleidsperiode (2019-2022) zijn niet alle middelen vanuit de doeluitkering besteed. Dit kwam door een stijging van de doeluitkering in verband met een nieuwe verdeelsystematiek en de invoering van een 16-uurs VVE-aanbod. De niet bestede middelen uit de beleidsperiode 2019-2022 mogen worden doorgeschoven naar de beleidsperiode 2023-2026, tot een maximum van 50 % van de Rijksvergoeding in 2022. Het bedrag aan niet bestede middelen bedraagt € 929.103,-- (stand 1-12024). Daarnaast is een incidenteel bedrag beschikbaar aan terug te ontvangen subsidie 2023. Vanuit het programma Kiezen voor Kansen, meer specifiek het onderdeel kansrijke peuter- en kleutertijd, zijn voor de periode 2024-2026 incidentele middelen beschikbaar ter uitbreiding en/of intensivering van het aanbod. Het betreft een bedrag van jaarlijks € 370.000,-- voor de jaren 2024 tot en met 2026.
Beide budgetten, de doeluitkering van het Rijk en Kiezen voor Kansen, zijn gelet op doelstellingen en (wettelijke) kaders, onderling uitwisselbaar. 4.2 Uitgaven De totale uitgaven fluctueren over de periode 2024-2027. Dit heeft te maken met het feit dat enkele interventies nog gefinancierd worden uit andere middelen zoals de Nationaal Programma Onderwijs (NPO-)middelen en de WOP Donderberg-middelen. Ook het feit dat de interventies die in het basisonderwijs ingezet worden voor een schooljaar worden ingezet en niet voor een kalenderjaar, zijn van invloed op deze fluctuaties. In onderstaand overzicht zijn de inkomsten en uitgaven weergegeven per kalenderjaar.
18
Uit het overzicht blijkt: • •
Dat de tijdelijke inzet van de kindcoaches in het basisonderwijs voor twee schooljaren wordt verlengd, waarna deze inzet wordt neergelegd bij het basisonderwijs. Dat de niet bestede middelen bijna volledig worden benut en er aan het eind van de beleidsperiode nog een bedrag resteert van € 88.840,-- om onvoorziene tegenvallers op te kunnen vangen.
4.3. Vooruitblik na 2027 Het ministerie van OCW heeft het Programma Ontwikkeling jonge kind ontwikkeld. Dit is een uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om leerachterstanden te voorkomen door middel van voor- en vroegschoolse educatie (vve). Het programma richt zich op het versterken van de kwaliteit van het aanbod en van de relatie tussen opvang en onderwijs. Het doel van het programma Ontwikkeling jonge kind is de kansengelijkheid van kinderen vergroten door de inzet van passende interventies. De vier programmalijnen zijn: ➢ Ontwikkeling van het kind stimuleren in het gezin ➢ Meer kinderen die daar baat bij hebben gebruik laten maken van ve ➢ Gezamenlijke training en coaching voor pedagogisch medewerkers ve en leerkrachten groep 1, 2 en 3 ➢ Groep 1 en 2 versterken met een onderwijsassistent of pedagogisch medewerker naast de bevoegde leerkracht In totaal is er € 45,4 mln vanaf 2024 beschikbaar. De middelen zijn op dit moment uitsluitend beschikbaar voor de 20 focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid 19
(NPLV). Verwacht wordt dat de komende jaren wordt toegewerkt naar een verbreding van de inzet naar andere gemeenten.
20
21
22