CConstaterende datRoermond
Koppel je AI →
Document · PDF

A71 MER RWE Furec project 3532 brief Provincie

Commissie Ruimte (RU) 23 mei 2024, gemeente RoermondBij agendapunt: Ingekomen brieven uit de raad van 25 april 20249.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

IEGROE

s Aan

Postadres:

Roggelseweg 58 6081 NP Haelen Secretariaat: 047 5 -592867

Bankrek.: NL 67 RABO 0l1.86.90.280

e-mail: Ieudalmuseum@gmail.com

website: www.studiegÍoepleudal.nl

Kvk: Btw:

41066365 802687404B01

Provinciale Staten van Limburg Postbus 5700 6202 MA Maastricht

Haelen, 7 apríl2024

Betreft: Reikwijdte voorlopig advies MER inzake initiatief RWE voor afoalverwerking (Zevenellen) en waterstof productie (Chemelot) / project 3532

Geacht College, Op 20 februari 2024 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage een voorlopig advies uitgebracht over de in opdracht van de RUD-Zuid Limburg opgestelde MER om op het

bedrijventerrein Chemelot een grote waterstoffabriek te realiseren. Deze fabriek zal hoofdzakelijk worden gevoed met pellets vanuit een nieuw te bouwen verwerkingsfabriek voor huishoudelijk restafval op het bedrijventerrein Zevenellen (gemeente Leudal). Beide deelprojecten zijn een

initiatief van RWE. ln het kader van de WNB-vergunníng hebben wU u onze zienswijze met betrekking tot deze op het bedrijventerrein Zevenellen te realiseren afvalverwerkingsfabriek doen toekomen. ln die zienswijze hebben wij aangegeven dat naar onze mening de realisatie van de huisvuilverwerking op Zevenellen onlosmakelijk verbonden is met de realisatie van die waterstoffabriek op Chemelot. Ons inziens zou een MER-rapport dan ook beide onderdelen dienen te bevatten. De

huisafvalverwerking op zevenèllen en de waterstoffabriek op Chemelot zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Deze twee projecten vormen twee zijden van dezelfde medaille RWE-Furec! Letterlijk zegt de Commissie MER: "Het MER moet ingoon op olle deelonderdelen von Furec (niet alleen de woterstoffobriek) en de doaraan verbonden milieugevolgen.". Daarnaast vermeldtzij: "De commissie adviseert om in een oonvulling op het MERvoorafgaond oon een besluit over de De stichting Studiegroep l"eudal e.o. is een particutiere organisatie, die zich bezig houdt met de studie van de natuur, de geschiedenis en de rnilieuproblematiek van het Leudal en zijn omgeving. Zii is de uitgeefster van het tijdschrift 'Rondom hel Leudal'. De stichting is erkend als een Algemeen Nut Beogende lnstellingen (ANBI).

omgevingsvergunning voor de woterstoÍÍabriek ook de dndere hierboven genoemde deel activiteiten, zools de pelletÍdbriek, vdn Furec op te nemen. Beschriif ook doarvon de milieu-effecten nog odequadt, inclusief relevonte olternotieven en de aanlegfose.". Dit standpunt staat haaks op het standpunt dat door GS wordt ingenomen, namelijk dat voor het RWE-Furec project afualverwerking Zevenellen geen MER nodig is.

Wij onderschrijven dÍt standpunt van de Commissie MER. Dit wordt nog versterkt doordat de Commissie MER tevens constateert dat met betrekking tot de gevolgen voor Natura2000 gebieden "een onderbouwing ontbreekt dot door stikstof- en zwoveldepositie von de woterstoÍÍabriek geen

aontosting van notuurlijke kenmerken optreedt.". Voor de depositie vanuit het Furec-project Zevenellen is met betrekking tot de depositie naar onder andere het waardevolle Natura2000

natuurgebied Leudal, in het geheel geen MER opgesteld! Voorts gaat de Commissie MER in op de milieu impact van deze - nieuwe - wijze van afvalverwerking ten opzichte van reeds bestaande verwerkingstechnieken voor deze afualstromen. Concreet adviseert de Commissie om in een aanvulling de volgende aspecten op te nemen:

.

Dat de voor pellet productie gebruikte afvalstromen technisch ongeschikt zijn voor materiaal recycling;

.

Hoe Furec zich verhoudt tot de Nederlandse afualmarkt, in het bijzonder de bestaande AEC-

overcapaciteit en de import van brandbaar restafual;

o ln hoeverre Furec leídt tot een meer hoogwaardige en meer rendabele verwerking van afualstromen ten opzichte van 'reguliere' afualverbranding en energieproductie. Dit advies van de Commissie MER sluit dan ook nauw aan bi.i onze eerder opgestelde zienswijze met betrekking tot de natuurvergunning voor het deelpro.ject RWE-Furec Zevenellen, welke reeds in uw bezit is. De door GS bij de WNB-vergunning nauwelijks onderbouwde afwijzing van onze zienswijze voedt onze vrees dat GS het advies van de commissie MER om te komen tot een integrale MER voor het gehele RWE-Furec project niet zal volgen. Het is daarom dat wij u dringend verzoeken om uw invloed aan te wenden teneinde GS te overtuigen van de noodzaak om te komen tot een integrale MER, waarna de besluitvorming kan plaatsvinden. Graag worden wij op de hoo8te gehouden van eventuele initiatieven uwerzijds.

Hoogachtend, het bestuur Stichting Studiegroep Leudal

ilnnr-

orzitter

/. De stichting Studiegroep Leudal e.o. is een particuliere organisatie, die zich bezig houdt met de studie van de natuur, de geschiedenis en de milieuproblematiek van het Leudal en zijn omgeving. Zij is de uitgeefster van het tijdschrift 'Rondom het Leudal'. De stichting is erkend als een Algemeen Nut Beogende lnstellingen (ANBI).

Bijlage: voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 3532 l.a,a:

Gedeputeerde Staten van Limburg (postbus@prvlimburs.nl) Gemeenteraad van de gemeente Leudal (w.cornelissen@leudal.nl) Gemeenteraad van de gemeente Roermond (iosvervuurt@ roermond.nl) Dagblad De Limburger (ian.hensels@dellmburs.nl) L1 (nieuws(al1.nl)

De stichting Studiegroep Leudal e.o. is een particuliere organisatie, die zich bezig houdt met de studie van de natuur, de geschiedenis en de milieuproblematiek van het Leudal en zijn omgeving. Zij is de uitgeefster van het tijdschrift 'Rondom het Leudal'. De stichting is erkend als een Algemeen Nut Beogende lnstellingen (ANBI).

írs

T

I

Advies over het MER in het kort RWE Ceneration NL B.V. (hierna: RWE) wil het project'FUREC'r realiseren. FUREC zal bestaan

uit twee verschillende inrichtingen.2 Op industrieterrein zevenellen in de gemeente Leudal een 'pelletfabriek'voor de voorbewerking van gemenqd afval. op het chemische industrieterrein chemelot (hierna: Chemelot) in de gemeente sittard-Geleen een fabriek voor de productie van waterstof uit dit voorbewerkte afval. Een project dat op deze schaal waterstof uit afual produceert is niet eerder in Europa qerealiseerd. RWE ziet FUREC in Limburg als een blauwdruk voor de toekomstige uitrol van dergelijke installaties op andere locaties in Nederland en Europa. De te verwerken afvalstromen zijn huishoudelijk afval, bedrUfsafu al en gedroogd afvalwaterzuiveringsslib. De Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg heeft namens Cedeputeerde Staten van de provincie

Limburg (hierna: de provincie) de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) gevraagd te adviseren over kwaliteit en volledigheid van het opgestelde milieueffectrapport (hierna: MER) voorafgaand aan een besluit over een omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek op Chemelot.

Wat staat in het MER? Het [4ER gaat alleen in op het FUREC-deelproject voor waterstofproductie op Chemelot. Op jaarbasis zal deze fabriek ongeveer 600.000 ton gemengde-afvalpellets en andere afval- en restromen omzetten in ongeveer 60.000 ton waterstof, 840.000 ton CO2 en 140.000 ton (vaste) afvalproducten (slakken en filterkoek).

\ ''I

v

:,(

,Í*

ö

',

\, _2"/é Figuur 1, ligging fabríek op industrieterrein Chemelot in de gemeente Sittard - Celeen. De haven Stein (gemeente Stein) is lihks zichtbaar, De pelletfabríek op industrieterrein Zevenellen ed de haven vah Ruggenum (beide in dë getueente Leudal) liggen ruim 30 kilometet noardelijket (bron: MER),

Uit het [4ER blijkt dat FUREC open staat voor partners die de CO2 van de installatie willen afuangen en opslaan (hierna: CCS3). Vooralsnog kiest ze daar zelf niet voor en de installatie blaast dus de COz af naar de lucht. Het i,IER bevat dan ook geen (technisch) onderzoek naar CCS. Het MER concludeert verder dat de fabriek overwegend geen of beperkte negatieve

Furec staat voor 'Fuse Reuse Recycle'. Zae ook de website van

f!E!e.

CCS staat voor Carbon Capture and Storage, oftewel permanente CO2-opslag.

-l -

milieueffecten heeft, ook vanwege later nog uit te werken maatregelen en de ligging op Chem€lot. Het IVIER vergelUkt daarnaast vervoer per binnenvaartschip en vrachtwagentranspon tussen de pelletfabriek in Zevenellen en de fabriek in Chemelot. De voorkeursvariant is tÍansport peÍ binnenvaartschip vanuit de pelletfabriek (haven Buggenum) naar Chemelot (haven Stein), en vanaf daar verder per vrachtwagen naar de fabriek. De reden voor deze keuze volgens het MER is het Iagere energieverbruik. Dit heeft wel een hogere luchtverontreiniging (NO, en

fijnstofl en meer lokale geluidemissie (door vervoer van en naar de havens) tot gevolg dan volledig vervoer per vrachtwagen,

Wat is het advies van de Commissie? Het MER is prettig leesbaar, verzorgd en logisch opgebouwd. De Commissie constateert desondanks dat het MER geen helder en volledig beeld geeft van de milieueffecten. Op veel

plekken concludeert het MER namelUk dat de waterstoffabriek geen of een beperkt nadelig effect zou hebben. Dit wordt dan bijvoorbeeld onderbouwd met het nemen van (al wettelijk verplichte) maatÍe9elen. Verder milieuonderzoek of -onderbouwing zijn dan achterwege gebleven.4 De Commissie merkt hierover het volgende op. Wanneer een project aan normen kan voldoen

of wanneer RWE iets vergunbaar acht, betekent dit niet dat in het MER er verder geen

milieueffecten in beeld gebracht hoeven te worden of dat onderbouwing van techniekkeuzes achterwege kan blijven. De beoogde verwerkingscapaciteit van de waterstoffabriek is daarbij met ongeveer de helft verhoogd ten opzichte van de zogenaamde NRD (het eerdere onderzoeksvoorstel) en het advies vah de Commissie daarovers. De Commissie signaleert - mede om de hierboven vermelde redenen - dat bU de toetsing van

het MER belangrijke informatie nog ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving straks volwaaÍdig mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvergu nning voor de waterstoffabriek en bij andere FUREC-deelbesluiten zoals water- en natuurvergunningen. Het gaat om de volgende punten:

.

achteÍgrond en doel van h€t FUREC-project. De onderbouwing mist waaÍom het FURECproject leidt tot een meer duurzame vorm van waterstofproductie én tot een hoogwaardiger en meer rendabele verwerking van afoalstromen dan nu in Nederland

.

afbakening van het FUREC-proj€ct. Het MER moet ingaan op alle deelonderdelen van FUREC (niet alleen de waterstoffabriek) en de daaraan verbonden milieugevolgen;

gebruikelijk is;6

. . .

een toelichting op het proces en de massa-, water- en energlebalansen van de waterstoffabriek. Dit is nodig om een goed onderbouwd én navolgbaar beeld te krugen van de verwachte emissies en milieugevolgen; een mogeluke onderschafting van de verontreinigingsgraad van de te verurerken afualpellets. Een mogeluk gevolg hiervan is meer emissies van onder meer Zeer Zorgwekkende Stoffen (hiernar ZZS); milieugevolgen van de waterstoffabriek. Oeze zun onvolledig en met te weinig diepgang onderzocht. Het gaat om Iuchtverontreiniging (waaronder ZZS), gezondheidseffecten

Zie ook de bÍiefvàn de RUD Zuid Limburg van 22 november 2023, die hier melding van maakt. Zie Adviezen - Commissiemer.nl voor het onderzoeksvoorstel (concept-NRD) van RWE uit 2O2O èn het Commissieadvies.

GebruikelÍk is recycling reststromeh en/ofdaarna vérbranding met enerEieproductiè (elektriciteit en warmtehetten).

-2-

(wHo-advieswaardenT), concretisering geluidmaatregelen, verkeers- en milieueffecten van transpon en overslag zoals in de Haven van Stein (gemeente Stein) en erfgoed (archeologie):

vrijkomende reststoffen. Een onderbouwing ontbreekt dat het aannemelUk is dat door vrijkomende afvalstoffen geen ongunstige effecten voor milieu of gezondheid optreden én dat een zogenaamde 'einde afualstatus' kan worden verkregen, en voor welk type toepassingen; gëvolgen voor Natura 2000-gebieden. Een onderbouwing ontbreekt dat door stikstof- en zwaveldepositie van de waterstoffabriek geen aantasting van natuurlijke kenmerken

optreedt;

monitoring- en evaluatiepÍogramma voor de waterstoffabriek. Het MER stelt dat er voor milieu geen relevante kennisleemtes zijn en dat een monitoring- en evaluatieprogramma deÍhalve niet nodig is. De Commissie vindt dat een innovatieve fabriek van deze omvang juist om een volwaardig monitoring- en evaluatieprogramma vraàgt om het innovatieve proces en de emissies te monitoren. Dit is in het bijzonder van belang tijdens de opstartjaren van de fabriek. Het is ook belangrijke informatie voor de vergunningverlener om afi^/egingen over voorschriften voor een dergelijk programma te kunnen maken en voor de communicatie met de omgeving en andere belanghebbenden. Cezien het aantal onderdelen waarop nog infoÍmatie ontbreekt, adviseert de Commissie om de aan te vullen informatie niet in een apart document te presenteren maar bijvoorb€eld in de vorm van een volgende of herziene versie van het MÉR (en de relevante bulageonderzoeken), en dan pas een besluit te nemen over vergunningen voor FUREC. De Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg heeft aangegevens dit advies over te nemen en de

Commissie later opnieuw om advies te vragen over de kwaliteit en volledigheid van een volgende versie van het MER. Op dit moment (februari 2024\ zijn n09 geen ontwerpbesluiten beschikbaar voor FUREC

locatie Chemelot. De Commissie gaat in dit advies daarom uit van de in het MER beschreven dimensies en ontwerpkeuzes van de waterstoffabriek. Mocht later blijken dat hierin wUzigingen optreden - bUvoorbeeld vanwege de technische uitwerking van ontwerpkeuzes en/of het hierboven gegeven advies over aan te vullen milieu-informatie - dan moeten de

milieugevolgen ook hiervan nog worden verwerkt. Anders bestaat het rlsico dat het MER niet bruikbaar is. De Omgevingsdienst RUD zuid-Limburg en andere betrokken overheden zullen dit in een later stadium zelf nog moeten nagaan, ln hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraje«.

De World Health Organizatioí (WHO) brengt periodiek nieuwe advieswaarden voor de luchtkwaliteit uit op basis van recenté wetehschappelijk inzichten, zie ook Nieuwe wHO-advieswaarden luchtkwaliteit - Schone lucht akkoord. Per mail d.d- 14 fèhruàri 2024.

-3-

Aanleldlng MER Voor de ontwikkeling van FL)REC is een omgevingsvergunning nodig. Het MER geeft aan dat hieNoor de

wetgeving geldt zoals die van toepassing was voorafgaand aan de inwe*ingtredíng van de Omgevingswet (peÍ I januari 2024). Daarom is nog op gtond van het Besluit milíeueffectrappoftage voot de bouw en het gebruík van de waterctoffabriek een MER opgesteld, meer specifiek omdat er meer dan l0o ton van niet-gevaarlijke afualstoffen peÍ dag zullen worden vetwe*t (categorie C|8.4). Naast de

omgevingsverguhning zijn er mogelijk ook andere vergunningen nodig, zoals een natuurvergunning (nog op grond van de Wet natuurbescherming) en een wateNergunning (nog op grond van de Watetwet). Uit de Europese richtlun over milieueffectrapportage (Richtlijfl 201 I /92/EU) volgt dat de milieugevolgen van het hele project ín het MER beschrcven moeten worden, ongeacht het felt of al deelbesluiten (zoals een natuuNetgunning) voor het project ve eend z|n.e Dit stelt het bevoegd gezag en andere

betrokkenen in staat om de wisselwerking tussen de vetschillende milieueffecten te beoordelen, en dus het totale effect van het proje.t op het milieu.

Uitetaad kunnen dus voor FUREC deeltoestemmingen worden aangevraagd, maar dit betekent niet dat relevante milieugevolgen dan in het MER beperkt kunhen wotden tot die deeltoestemmingefi of achtetwege kunnen blAven,ta De Commissie gaat et in dit advies vanuit dat de onderhavige

omgevingsvergunning voor de waterstoffabrlek van FUREC het besluit is waarbij de milieugevolgen van heel FUREC ín een MER in beeld gebracht gaan/moeten worden. Rol vdn de Commissle De Commissie is onaÍhankelUk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER.

Zij stelt voor iedet prcjed een werkgroep samen van onaíhankelijke deskundigen. ZU schruft geen milieueffectrappoften. Dat doet de initiatiefnemer (RWE). Het bevoegd gezag - in dit geval in ieder geval de Omgevingsdienst RUD Zuid Limbury namens Cedeputeerde Staten van de provincie Limburg - besluit ove r de omgevi ngsvergunn í ng.

De samenstelllng en de werkwijze van de wetkgroep en vetdere projectgegevehs staan in bijlage 1 van

dit advies. De projectstukken die bA het advies z|n gebruikt, zijn te vinden door nummer 35L2 op wrytv"eo,nmi-s:ElnelD[ in te vullen ín het zoekvak.

2

Toelichting op het advies ln dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel verder toe en geeft zU adviezen vooÍ de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bU besluiworming dooÍ de v€rschillende betrokken vergunningverleners. ln algemene zin mist het MER volgens de Commissie nog de diepgang en de onderbouwing dle beide voor een innovatief afvalverwerkingsproject op een dergelijke niet eerder vertoonde schaalgrootte noodzakelijk zijn. Hierdoor zijn milieurisico's niet goed in beeld. Het is volgens de Commissie de bedoeling van het MER dat in dit stadium zicht is op milieugevolgen van het totale FUREC-project en op die van de waterstoffabriek in het bijzonder.

e zie onder andere artikel 3 en bijlage lV van de Richtlijn 2O1 ll92lEU. i0 Zie ook de uitspraak van het Europese Hof van Juttatiè, 24 februari 2022, ECLI:ÉU:C:2o22:121, die nader ingaat op besluitvorming over een mer-(beoordelings)plichtig project dat is opgedeeld in deelbesluiten en/of fasen.

-4-

De Commissie benadrukt dat bij de waterstoffabriek informatie over de uitwerking en de effectiviteit van technische maatregelen, en over kansen om de'milieu-impact'terug te dringen in dit stadium essentieel is, zodat de omgeving en de vergunningverleners tijdig over die informatie kunnen beschikken,

2.1

Achtergrond, doel en afbakening FUREC

2.1 .1

Achtergrond en onderbouwing doel Het is de bedoeling dat het MER onderbouwt dat FUREC naast de productie van waterstof leidt

tot een hoogwaardiger verwerking van afvalstromen en pÍoductie van syngas (ten opzicht€ van productie uit aardgas). Het MER stelt dat er in Nederland en Europa grote hoeveelheden afval bestaan die niet volgens traditionele manieren kunnen worden gerecycled. De verdere context en onderbouwing ontbreken echter. Uit het MER blijkt dat voor de productie van brandstofpellets vooral huishoudelijk restatoal en bedrijfsafval wordt gebruikt, waaronder stromen die mogelUk (eerst nog) in aanmerking komen voor materiaalrecycling. De Commissie merkt op dat huishoudelijk restafval en bedrijfsafval, dat niet kan worden gerecycled in Nederland, wordt verwerkt in AfvalEnergiecentrales (hierna: AEC), waarbU energiewinning plaatsvindt. ln Nederland is sprake van overcapaciteit van AECS. Er vindt daarom import van restafval voor verbranding plaats uit andere Europese landen. ln die zin lUkt FUREC niet zozeer een oplossing voor reststromen die niet kunnen worden gerecycled, maar een alternatieve en concurrerende techniek van/voor een AEC, waarbij in plaats van elektriciteit en warmte in dit geval wateÍstof

wordt geproduceerd. Het MER onderbouwt niet hoe FUREC met een schaalgrootte van ongeveer l0% van de totale AEc-capaciteit in Nederland, zich verhoudt tot de bestaande AEC-infrastructuur en de impon van afvalstromen uit andere Europese landen. De claim dat FUREC hoogwaardiger is dan restafvalverbranding in een AEC is onvoldoende

onderbouwd. Dit geldt in het buzonder voor de vergelijking van de Co2-balans van FI,JREC met een AEC (zie ook §2.3.1 van dit advies). De Co2-emissies van FUREC zijn aanzienlUk en zijn op onjuiste wijze vergeleken met deze referentie. Oaardoor geven ze volgens de Commissie een vertekend beeld. Ook de conclusie van RwE dat FUREC zou leiden tot een negatieve CO2 emissierr geeft volgens de Commissie een te positief beeld (zie verder §2.3.1 van dlt advies). Dit geldt in het bijzonder nu wordt afgezien van CCS. Ook voor de waterstofproductie (nu vanuit aardgas, straks vanuit afval) is onduid€lijk hoe groot het duurzaamheidsvoordeel is ten opzichte andere vormen van waterstof. Het MER stelt weliswaaÍ dat FUREC groene waterstof produceert dat grijze waterstof verdringt, maar

Zie bijvoorbeeld pagina 8l , 82 en I l4 van h€t MER'... rhdirecte emissies, die worden uitgespaatd doot de níethoofdproducten (en daarom een'negatieve emissie')...'en '...1n het gevalvan FUREC is de vervanging hoget dan 100%. Oat kodt doot de netto negatieve Co2-emissie - ofwel Co2-credits - van het project. De nègatieve emissie woídt toegekend aan nlet-p maire producten die andere productie veNangéh.' en '..-Gezien ih brcdere context dan enkel het ptangebied heeft het project een negatieve CO2 efiissie - door het prcject *otdt io brede zin minder CO2 geëmitteerd dan zonder het proJect' Ook de FUREC-lyebsite gaat hier op in: '...omdat daarnaast het afuàl voot rneet dan de helft bestaat uit biogeeh rnateÍiaal, kleuft ongeveer 5o% van de geproduceerde waterstof 'groen'.

-5-

onderbouwt dit verder niet. Op de website van FUREC wordt gesteld dat tot 50% van de geproduceerde wateÍstof groen is,l l De Commissie merkt op dat waterstof uit afual of biomassa in de regel maar beperkt als

groen kan classificeren. Croene waterstof is namelijk volledig afkomstig uit hernieuwbare energiebronnen, bijvoorbeeld uit zonnevelden of windturbineparken.r z Mogelijk zou een deel van de biomassa, dat in het restafval aanwezig is, wel kunnen classificeren als hernieuwbare biomassa. Of dlt het geval is en welk deel het dan betreft is de Commissie niet duidelijk geworden uit het MER. Het is belangrÍk dat duidelijk is in hoeverre geproduceerde waterstof inderdaad duurzamer is dan gruze of blauwe waterstof en of ze (deels) zou kunnen classificeren als'CO2-arme' (bruine) waterstofr3. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het N4ER voorafgaand aan een besluit over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek alsnog te onderbouwen: . dat de voor pelletproductie gebruikte afvalstromen technisch ongeschikt zijn voor mate riaalrecycling;

. .

hoe FUREC zich verhoudt tot de Nederlandse afvalmarkt, in het bUzonder de bestaande AEC-overcapaciteit en de import van brandbaar restafval; in hoeverre FUREC leidt tot een meer hoogwaardiger en meer rendabele verwerking van

afvalstromen ten opzichte van'reguliere afvalverbranding met energie productie'; in hoeverre de door FUREC Aeproduceerde waterstof vanuit het milieu bezien inderdaad hoogwaardiger is dan waterstofproductie met fossiele brandstoffen al dan niet met CCS (grijze of blauwe waterstof) en (deels) kan en mag classificeren als 'COz-arme' (bruine) waterstof: Pas hiermee het overzicht van de milieuvoordelen van deze techniek aan, rekening houdend met hetgeen beschreven in deze paragraaf.

.

2.1 .2

Afbakening FUREC en MER-onderzoek De Commissie adviseerde eerder in haar advies over de NRD5 het MER voor het FURECproject goed af te bakenen en de gemaakte keuzes te onderbouwen, in het buzonder voor CCS. lnmiddels is bekend dat het project FUREC zal bestaan uit twee verschillende deelinrichtingen en een CCS-installatie voor Co2-afvang achterwege blijft. Het gaat om de volgende twee fabrieken: . een 'pelletfabriek' op industrieterrein Zevenellen in de gemeent€ L€udalra voor de voorbewerking van gemengd afval; . een fabriek voor de productie van waterstof uit dit voorbewerkte afval op Chemelot in de

gemeente Geleen. Daarnaast is sprake van transport van en naar de pelletfabriek, tussen de pelletfabriek en Chemelot en overslag in de havens van Buggenum en stein. Ook zullen mogelijk ander€

]?

De definitie van Groene waterstof is in de Íegel waterstoí geproduceead door elektrolyse rvaarbÍ de elektriaiteit arkomstig is van hernleuwbare energie, zle bijvoorbeeld publicaties van IRENA en www,waterstofouide.nl. Naast fosslele brandstoffen als aardgas en steenkool zijn ook biogas en houtpellets geschlkt om waterstof mee te produ.eren. Waterstof geproduceeíd ult biomassa heet in d€ regel bruine waterstof, zie buvoorbeeld SuulzaO!_c!-.lfoÉligE

lyaEIstof in alle kleure

WattisDutlr-zaam.Il. 8ij dè pelletfabriek in Zevenelleh is oíder meer sprake van milieugevolgen door verkeer. Zo vermeldt de eerdere ontwerp Wet natuurbeschermingsvergunning (kenmerk DOC-00503697, 20 junl 2023) 100.000 vervoersbewegingen per as, plus bijna 300 schepen perjaar,

-6-

afvalstromen - zoals gedroogd zuiveringsslib - worden aangevoerd op deels nog onbekende wUzers en zal nog een bestemming gevonden moeten worden voor restaívalstromen.

Tot slot vermeldt het N4ER dat er sprake is van een integratie met andere industrièle activiteiten op Chemelot. Het valt de Commissie op dat het MER met name ingaat op de waterstoffabriek op Chemelot en maar beknopt op de verkeersbewegingen van de pelletfabriek naar Chemelot. De andere hierboven genoemde activiteiten en de daaraan verbonden verkeerstromen, zijn verder in het qeheel niet beschreven en uitgewerkt. Deze afbakening vindt de Commissie voor het l\4ER te smal en onvoldoende,

N4ilieuefÍectrapportages moet ingaan op alle relevante onderdelen van het project en de daaraan verbonden directe én indirecte aanzienlUke milieugevolgen. Dit stelt het bevoegd gezag en andere betrokkenen in staat om de wisselweÍking tussen de verschillende milieueffecten te beoordelen, en dus het totale effect van het project op het milieu. De Commissie beschouwt de p€lletfabriek en de waterstoffabriek als zodanig samenhangende activiteiten dat deze één project vormen.l5

UiteraaÍd kunnen voor deelactiviteiten binnen FUREC gefaseerd of afzonderlijk deeltoestemmingen worden aangevraagd. Denk bijvoorbeeld aan de water- en natuurvergunningen (bU verschillende bevoegde gezagen). Dit betekent echter niet dat relevante milieugevolgen dan in het MER beperkt kunnen worden tot die deeltoestemmingen of achterwege kunnen blijven. Ook de aanlegfase en daaraan verbonden milieueffecten van FUREC (anders dan stikstofdepositie) als geheel en de waterstoffabriek in het bijzonder horen thuis in het MER. Deze stap is in het N4ER nauwelijks uitgewerkt. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over

de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek ook de andere hierboven genoemde deelactiviteiten, zoals de pelletfabriek, van FUREC op te nemen. Beschrijf ook daarvan de milieueffecten nog adequaat, inclusief eventuele relevante alternatieven, en de aanlegfase. Vermeld hierbU duidelijk aan welke besluit (vergunning) welke deelactiviteiten zUnlworden

toegerekend en onderbouw de gemaakte keuzes.

2.2 Proces besch rUvin g en massa-, water- en energiebalansen wate rstoffabrie k

2.2.1 Mogelijke onderschatting verontreinigingsgraad pellets en zuiveringsslib Het MER geeft een oveÍzicht van de maximale concentraties verontreinigingen, waaronder

zzs, die in de te verwerken pellets aanwezig kunnen zijn. Hierbij wordt verwezen naar de acceptatievoorwaarden van de pelletfabriek in de gemeente Leudal. Bij de pelletfabriek mag

rs ln het MER (§6.3) is wel aangegev€n dat: gedroogd slib per as wordt aang€voerd en afooer restproducten deels per schip en deels per as, maar niet duidelijk waar het preciès vandaàn komt eí waar de restproducten naar toe qaan. 16 N.B. ook in de situatie dat aantoonbaar zou zijn dat er géén sprake is van één project (maar van losse projecten) moeten alle malieueffecten in beeld moetefl komen vanwege de Mer-richtlijn. De richtlijn verlangt namelUk dat ook indirecte/secundaire milieueffecten goed beschreven zijn in een I\4ER,

-7-

een brede range aan afvalstoffen worden geac(epteerdrT. Van sommige van deze afvalstoffen is bekend dat er relatief hoge concentraties verontreinigingen in kunnen voorkomen, waaronder ZZS boven de CCWr6 waarde. Voor verschillende afvalstoffen, waarbij dus mogelijk kans is op ZZS boven de CCW, qeeft het MER (bUlaqe M I 2) aan dat FUREC zich richt op die stromen waarbU ZZS concenrraties laag

zijn. Daarbij is ook aangegeven dat eventueel voorkomende hogere concentraties in een partij afoal gecompenseerd worden door lagere concenraties in andere afi/alstromen. Dit is niet verder toegelicht. Controle op de samenstelling en aanvullende acceptatiecriteria van pellets uit de pelletfabriek zijn volgens het MER niet voorzien. De Commissie merkt op dat uit het MER niet duidelijk is hoe wordt geborgd dat uitsluitend

afvalstoffen met lage concentraties zzs worden geaccepteerd in de pelletfabriek. Hierdoor bestaat het risico dat pellets met hogere concentraties ZZS worden verwerkt in de waterstoffabriek. Dit kan leiden tot hogere emissies dan voorspeld in het MER. Dit is ook van belang omdat het bij de beoogde schaalgrootte van FUREC wellicht praktisch niet altijd mogelUk is om heel kritisch te zijn op de kwaliteit van inkomende partijen afval. Daarnaast geeft het l\4ER aan dat in partijen afoalwaterzuiveringsslib mogelijk hogere concentraties ZZS kunnen voorkomen. Niet aangegeven is wat dit betekent voor het acceptatiebeleid en hoe dit doorwerkt in emissies. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over de

omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek het volgende te onderbouwen: hoe wordt geborgd dat in de pellets alleen de lage concentraties ZZS voorkomen waar het l\4ER vanuit gaat, dan wel te verduidelijken in hoeverre sprake kan zUn van een grotere range aan concentraties ZZS dan in het MER aangegeven is, en wat dit betekent voor de voorspelde emissies uit de fabri€k; . hoe het acceptatiebeleid wordt vormgegeven voor afvalwaterzuiveringsslib met mogelUk

.

hogere concentraties zZS.

2.2.2

Navolgbare onderbouwing massa-, water- en energiebalansen en onvolledige procesbeschruving Het MER bevat in tabellen 4-6,4-7 en 4-8 de massa-, water- en energiebalans. Deze balansen geven belangrUke informatie over ingaande- en uitgaand€ stromen. Die dienen als basis voor het bepalen van de milieugevolgen (€missies naar lucht, water en bodem). De Commissie constateert echter dat met behulp van informatie in het t\.,1ER de balansen niet navolgbaar zUn en/of teÍug te leiden zijn naar de verschillende processtappen, emissiepunten en emissies. Daardoor kunnen de milieugevolgen die hierop gebaseerd zUn

niet gecontroleerd worden.

De afvalstoffen zUn gesp€aific€erd aan de hand van Eural.odes, waarbU één Euralcode veelal een brede range aan afoalstoffen van verschillende kwaliteit kan bevatten. Een voorbeeld is 'proEesafhankelijk industrieel afr/al van productieproces5en' (zie bijvoorbeeld bÍlage Ml2 van het MER, pagina I en 9). De in het !\P3 vastgestelde (oncentratiegrenswaarde (CGW.

-8-

Onvolledlge procesbeschrUving Daarnaast mist de Commissie een aantal deelprocessen en/of daaraan verbonden emissies. Deze zijn mogelijk ook nog relevant om op te nemen in de massa-, water- en energiebalansen. Zoals gezegd, de Commissie heeft dit niet kunnen nagaan. Het gaat om het volge nde:

. . . . . . . .

opslagvooÍziening pellets en zuiveringsslib en (ventilatie)emissies daaruit; mogelijke (stof/geur)emissies verbonden aan de voorbehandeling van pellets en zuiveringsslib om deze geschikt te maken voor de tÍansportband en geschikt te maken voor transport naar de'torrefactie-unit';le emissies bU terugwinnlng zwavel, en opslag en verlading daarvan;20 diffuse emissies zoals bij de zogenaamde'torrefactiegasbehandeling'2r waterstoffluoride- en methanolemissie5r2 die wel vermeld zijn maar niet uitgewerkt, de omvang hiervan en of maatregelen nodig zUn is niet uitgewerkt; stofvorminq bij transport van slakken vanaf de sluis van het slakkenbad en bij nabewerking van slakken;23 ZZs-emissies, de ZZS-studie is onvolledig.2a Naast de wettelijke verplichting van een dergelijke studie kan deze studie ook relevant zijn om Zzs-emissies beter in de balansen op te nemen en de minimalisatieplicht hiervan alsnog volwaardig uit te werken; overzicht integratie met andere industrièle activiteit€n op Chemelot,2s

re lt'lER, pagina 37, ult de pellètopslag worden de pellets per transportband getransporteerd naar de torrefactie-installatie. Torrefactie is het verkolen van organisch materiaal hierih,

20 MER, pagina 43, vermeld is dat de teruggewonhen zwavel woÍdt opgeslagen en afgevoeÍd. Tijdens de op5lag en verlading kunnen opgeloste gassen zoals H25, SO2 en mogelijk nog andere zwavelverbindingen uitdampen uit de vloejbare zwavel. Dit is niet nader uitgewerkt evenmin als maatregelen om de verdringings- en ademverliezen te voorkomen of beperken. '?r MER, pagina 74, de gassen die vrijkomen bÍ de torÍefactie (bU een temperatuur van eveneens tu55en de 2OO - 300'C) worden in een aparte Iijn vergast, waarbij syngas wordt gevormd - evenals in het hoofdproces. Dit gevormde gas wordt bij hèt syngas uit het hoofdproces gevoed. Cesteld is dat deze behandeling geen emissíes naar lucht hèeft. [4aar diffuse emisgles in de vorm van lekverliezen treden op tenzlj aile onderdelen intrinsiek dicht zUn. Dit kan bljvoorbeeld door gelasle verbindingen in plaats van flensverbindingen. Lekverliezen trèden bUvoorbeeld op bij: afdichtihgen van pompen, compressoren, roerwerken, afsluiters, (veiligheids)kleppen, en flenzen. 22 MER pagina 41 en 42- Hier ontbreken een aantal proaesstappen: . Het koelsysteem voor methanol is niet aahgegeven. Zo i5 niet bekend of en zoja eeh koelmedium wordt gebruikt. .

I\rethanolzuiveíin9, methanol wordt na de zwavelterugwinning (Claus-unit) ontdaan van verontreinagingen maar hoe is niet is aangegeven evenmin als de aard van de verontreiniging €n het verdere verloop ervan. Wel vermeld is dat methanol al5 niet-pro(esgebonden afoal ontstaat. Waarmee is deze a6/alstroom verontreinigd en wat is het debiet op jaarbasis; hoe wordt dit opgeslagèn eh 2ijn er maatregelen om de verdringings- en àdemverliezen te voorkomen of beperken aan de orde? Methanolopslas, een dubbelwandige opslagtank voor l0 ton methanol js genoemd maar niet is aangeven of eí voor2iehihgen zUn om verdringingsverliezen en ademverliezeh te beperken of !e voorkomen. 23 De maatregelen om stofuorming tegen te gaan bij het schèidén, grof malen, frn malen, intern transport naaÍ verpakkingse€nheid en het laden van de verpakklngseenheid (bUvoorbeeld afzakken) zUn niet duidelík, De volgende stappeh van het proces lijken te ontbreken in de besahíijvang evenals eventueel getÍofÍen maatregelen om stofvorming tegen te gaanl

.

. .

Transpon van slakken varaf de sluis van het slakkenbad naar volgende stap, opslag en transporteenheid. Worden de slakkèn nog mechahisch verkleind en/of gèzeefd? 2a zo ontbreekt CO als ZZS, is diesel als Zzs-mengsel niet vermeld, ir niet aangegeven of katalysatoren ZZS bevatten (zware metalen, boorverbindingen), Dit is van belang omdat katalysatorsrof mogelijk kan vrijkomen bij her wisselen- Ook is niet aangegev€n welke non-ferro metalen te verwa(hten zijn en of die ZZS kunnen zijn. 2§ De tamenhang aan met de emissies vàn andere lnstallaties op het Chemelot-terrein is oóvolledig beschouwd, zoals lageÍ€ uitstoot van de stoomreformers, stoomketels en warmtekrachtcentrale Swentibold. Alleen in het kader van N-depositie wordt aangegeveh dat dè uitstoot van Swehtibold zal afnemen (zonder dat dit verdér toegèllcht wordt), De donorbron voor saldering van 2wavelemissies is onduidelijk (vermèld is'een andere site usea).

-9-

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek alle (deel)processtappen met mogelUke

belasting van de omgeving te beschrijven. l\4aak veÍvolgens de màssa*, water- en energiebalansen van de waterstoffabriek herleidbaaÍ naar de verschillende deelprocessen, emissiepunten én emissies. Vul de procesbeschriiving aan waar nodig. Houd hierbij ook íekening met het in §2.2.1 van dit advies geadviseerde acceptatiebeleid.

2.3

Milieugevolgen: onvolkomen heden, onvoldoende diepgang en volledigheid waterstoffabriek

2.3.1 Klimaatmitigatie / Co2-voordeel De Commissie merkt op dat de vergeluking van Co2-effecten van FUREC met alternatieve

productie van waterstof en afvalverwerking onvolledig is. De oorzaak hiervan is van methodische aard. De vermelde indirecte CO2-emissies gerelateerd aan het energieverbruik van FUREC en aan vermeden elektriciteitsproductie in de referentie zijn - voor zover de Commissie heeft kunnen nagaan - buiten beschouwing gelaten in het MER.Z5 Hierm€e wordt in het vooÍdeel van FUREC Aerekend. Het energieverbruik van FUREC zou naar menlng van de Commissie wel moeten worden meegerekend, net als de energieproductie die plaats had gevonden wanneer de afvalstromen in een AEC waren verbrand. Overigens lUkt ook de energie die nodig is voor het maken van de pellets in de pelletfabriek en transport niet te zUn meegerekend. Consequentie is dat het MER éen te optimistisch beeld geeft van het positieve klimaateffect van FUREC. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het N4ER voorafgaand aan een besluit over

de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek een aangepaste vergelijking van COzeffecten van alle (deel)activiteiten van FUREC op te nemen, die rekening houdt met bovenstaande.

2.3.2 Luchtkwaliteit De luchwerontreiniging van de fabriek is in het MER onvolledig en deels met te weinig

diepgang onderzocht. Het gaat om de volgende twee punten: . inzicht in de werkelÍk te verwachten uitstoot ontbreekt, daarbij missen op onderdelen onderbouwingen van de in het MER gebruikte aannames en zijn mogelijk ook emissiepunten gemist; . de beoordeling van effecten van emissies op de luchtkwaliteit is onvolledig en geeft daardoor mogelUk een te positief beeld, zoals ontbrekend inzicht in de gezondheidseffecten ook onder de maximale norm (WHO-advieswaardenz). Verder is de ZZS-studie onvolledig. Hierdoor heeft naar oordeel van de Commissie de vergunningverlener onvoldoende inzicht om goed onderbouwde ah,vegingen over straks toegestane emissies te maken.

25 ln het MER wordt een systematiek gebruikt uit een E!19lgesgbti![eBIgglal8è waaóU voor het verkrijgen van de subsidie deze andere CO2-èmissies niet hoeven te wordeh meegenomen. Dit betekeht niet dat ze voor het MER ook niet relevant zouden zijh.

-t 0-

lnzicht in werkelijke ultstoot en mogelijk ontbrekende emissles Het l\4ER moet naast de maximale uitstoot die wordt aangevraagd, ook inzicht geven in de werkelijk te verwachten uitstoot in de volgende situaties: . een overzicht en beschouwing van de werkelUk te veMachten (bijvoorbeeld bandbreedtes) en theoretísch maximale uitstoot bU regulier bedrijf. Denk hierbU ook aan de relatie met de samenstelling van de te verwachten realistische en'worst case'brandstofpakketten (zie §2.2.'l van dit advies); . nog niet beschreven (diffuse) emissies, bijvoorbeeld in de aanlegfase, bij opslag en verlading als door lekverliezen of van nog ontbrekende processtappen. Dit geldt in het bijzonder voor stof en de op- en overslag van vloeibaar zwavel (zie ook 52.2.2 van dit advies);

.

een overzicht van emissies die samenhangen met: het tijdelUk stilleggen en w€er opstarten van de installatie (aangegeven is: tot 20 keer perjaar bypass-bedrijf), groot onderhoud, katalysatorwissel bij de CO-shift en bij de gaszuivering (Claus-unit en hydrogenatie). Dit is in het bijzonder nodig vanwege het innovatjeve karakter van de fabrie k;

Het is nodig om bij deze emissies ook onderscheid te maken tussen de verschillende emissiepunten op de fabriek. Het luchtkwaliteitsonderzoek bij het MER bevat een aantal aannames die onderbouwing behoeven. Het gaat om het volgende: . de aanname dat de No,-concentratie in de rookgassen van de stoomverhitter lager

. .

.

zullen zijn dan 70 mg/Nm3 (als NO2; droog; 3% zuurstofovermaat). Dit behoeft onderbouwing gelet op waterstofgehalte in het stookgas en de benodigde hoge temperatuur voor het oververhitten, mogelijk zijn emiSsies onderschat; de verwachte fakkeltijd behoeft onderbouwing, zowel voor het eerste jaar als de daaropvolgende jaren; evenzo het debiet en de calorische waarde, mogelijk zijn de benodigde periodes en daarmee emissies onderschat; de aangenomen H2S- en methanol-concentraties in de COz-afblaas behoeven onderbouwing. Zonder adequate onderbouwing is namelijk geen goed oordeel mogelijk over de effectiviteit en noodzaak van alternatieve emissiebeperkende technieken die mogelijk de uitstoot verder kunnen beperkeni de aangenomen stofconcentratie bedraagt 5 mg/Nm3. Dit behoeft onderbouwing, zeker omdat de aangenomen concentratie hoger is dan de algemene emissiegrenswaarde uit het Eesluit activiteiten leefomgeving. Zonder adequate onderbouwing is geen goed oordeel mogelijk over de effectiviteit en noodzaak van alternatieve emissiebeperkende technieken die tenminste aan de algemene emissiegrenswaarde voldoen.

Beoordeling effecten emissies op luchtkwaliteit waterstoffabriek Het Iuchtkwaliteitsonderzoek2T stelt dat voor koolmonoxide (CO), zwavel (SOz) en metalen geen overschrijding van de wettelijke grenswaarde of richtwaarde te verwachten is. Deze stelling schiet tekort omdat hiermee het effect op de volksgezondheid (en ook de natuur) niet

duidelijk is. Het gaat in ieder geval om de volgende aanzienlijke emissies die samenhangen met FUREC: . SO2- uitstoot, deze is aanzienlijk en vraagt ook om verplichte rapportage aan het Europese Milieuagentschap onder de Europese E-PRTR Regelingze. De effecten op

27 zie §2.1 van het biilagerapport lu.htonderzoek.

,3 Volgens het European Pollutant Release Transfer RegisteÍ zijn bepaaldc bedrijveh verplicht jàarlij ks hun emissies te rapporteren blj overschrljding van drempelwaarden, zie verdèr E-PRTR L Risico's van stoffen (rivm.nl),

-t 1-

volksgezond heid, natuur (anders dan depositie), landbouw en infrastructuur zijn niet beschouwd; concentraties NOz en fijnstof (PMro en PMz,s), een bespreking van de effecten van deze emissies ontbreekt. Er wordt alleen vermeld dat de totale concentratie (achtergÍond én FUREC) niet voldoet aan de advieswaarden van de WHOT; CO-uitstoot, Chemelot stoot zonder FUREC al een aanzienlijke hoeveelheid CO uit. Zo is het de derde grootste industriële uitstoter van Nederland volgens E-PRTR. De CO-

uitstoot van FUREC is vergelijkbaar met de totale huidige Co-uitstoot van Chemelot. Onduidelijk is of FUREC nog gevolgen heeft op de Co-uitstoot van de overige Chemelotinstallaties. De effecten van de gecombineerde uitstoot (Chemelot met FUREC) op de volksgezondheid zUn niet beschouwd, terwijl CO een ZZS is en voor ZZS een m in imalisatieplicht geldt. VergelUking effecten emissies op Iuchtkwaliteit transport van en naar de waterstoffabriek De veÍgelukingen tussen de vervoersvarianten op pagina 87 van het MER is op een aantal punten onvolledig:

o . .

het is onduidelijk of alle vervoerstromen van en naar de pelletfabriek en de daaraan verbonden luchtemissies zijn meegenomen (zie ook §2.2 van dit advies); emissies van wegverkeer en binnenvaart zijn gemodelleerd met kentallen voor de situatie in het jaar 2023 waarbU een kwantitatieve prognose over een redelijke periode in de toekomst met een operatjonele FUREC ontbreektl het gezamenlUke effect van broeikasgassen (zoals COz) en gezondheidsschadelijke gassen en deeltjes (zoals NO, en fijnstof) wordt niet beschouwd zodat scheepvaart (minder uitstoot van broeikasgassen) niet kan worden afgezet tegen verkeer over de weg (minder gezondheidsschadelijke gassen). Dit ls echter wel mogelijk en te doen qebruikelijk in m ilieueffectrap ponage.2e

De Commissie adviseeft om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek het luchtkwaliteitsonderzoek integraal te heÍzien rekening houdend met hetgeen beschreven in deze paragraaf.

2.3.3 Geluid Uit het MER blijkt dat het noodzakelijk is geluidmaatregelen te nemen bU de waterstoffabrieklo. De'detail-engineering' is echter naar later doorgeschoven waardoor afweqingen over technische haalbaarheid van de emissie- en immissie-eisen en detailengineering voorafgaand aan vergunningverlening niet mogelUk zijn. Het is juist de bedoeling van líER dat in dit stadium en voor de vergunning al zicht is op de effectiviteit en haalbaarheid van maatregelen, zodat de omgeving en de vergunningverlener tijdig over die informatie kan beschikken.

Dit kan bijvoorbèeld aan de hand vaí milieuprijzen: https:/ /www.riiksoverheid.nl/documenten /raooorlen / 2023 /02 / 28/ hand boek-milieuprij.zen-2023. Na een eerste modelberekening, waarbij de akoestische inpassing niet paste, zijn aanvullende berekeningen gedaan waarbij de emissiès vah de relevante deelbronnen zijn verlaagd tot dat er een vergunbare eindsituatie ontstàat (volgens het ME . De uitwerking van maatregelen js in deze fasé alleen als randvoorwaard€ beschreven. De gedachte van de initiatiefnemer is dat de randvoorwaaíden worden vertaald naar de detail-engineering en dat nà ingebruikname er een opleveringstoets komt. De randvooíwaarden di€ bU het verdere ontweÍp gehanteerd moeten worden staan in bijlage 1 van het geluidonderzoek samengevat. Uit dit overzicht blijkt dat èen aantal bronnen (de affakkelinstallatie 60 meter hoog, eeh stoomketel en een aantal(turbo) compressoren) de hoogste geluidemissle kènnen. Daar zijn zeker maatregelen nodig.

-12-

Het advies van de Commissie is juist in dit stadium, ontwerpvarianten te ontwikkelen en te toetsen. Aldus kunnen afwegingen nog integraal worden meegenomen in het MER, buvoorbeeld over het opstellen van relevante geluidbronnen (deels binnen en deels buiten) of

wijzigingen in terreininrichting van de waterstoffabriek vanwege geluid. Dan is er nog sturing en afirveging mogelijk, terwijl na oplevering en ingebruikname van de fabriek sturing en afweging amper nog mogelijk is. ln het geluidonderzoek is sprake van een aantal onvolkomenheden en moqelijk zijn relevante geluidbronnen gemist (zie ook §2.1.2 van dit advies). Het gaat in ied€r geval om het volgende: . de heersende geluidbelasting is niet in beeld gebracht. Er is voor zowel chemelot als de Haven van stein sprake van een wettelUke geluidzonering onder de wët geluidhinder. Oeze zones ontbreken in het MER. Voor de activiteiten bij de waterstoffabriek is alleen gesteld dat getoetst is aan de geluidruimte op de zogenaamde'Doelstellingspunten'van

.

.

Chemelot. De activiteiten binnen de Haven van Stein zun niet beoordeeld en getoetst; het geluidonderzoek (prognosemodel FUREC Chemelot) bevat enkele omissies, met name de presentatie van emissiepunten (en bronnummers in het rekenmodel). Verder is te beperkt onderbouwd waarop de emissie van de meest dominante geluidbronnen is gebaseerd, omdat niet is aangegeven waar de gestelde reducties in de praktiik al zUn gerealiseerd of dat is uitg€werkt hoe op deze locatie de reductie in de praktuk zal worden geÍealiseerd;31 de noodzakelijke en haalbare geluidsreductie dient nog 'spectraal'te worden t€ worden getoetst;r2

.

geluid afkomstig van overslag en transpon onder meer in de haven van Stein is niet uitgewerkt, Locatie en rijroutes zUn niet visueel weergegeven. Niet onderbouwd is dat hier geen knelpunten voor de verkeersafi,vikkeling en geluideffecten ontstaan (anders dan vermeld 'dat gebruikt wordt gemaakt van een vergunning van derden').

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het l\4ER voorafgaand aan een besiuit over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek geconstateerde onduidelijkheden en mogeluke ontwerpvarianten volwaardig uit te werken, zodat goed onderbouwd is dat en hoe de waterstoffabriek en daaraan verbonden verkeer in de praktijk binnen de beschikbare

geluidruimte past.

2.3.4

Restproducten Het MER concludeen dat te verwachten is dat de restproducten (slakken en mogelijk filterkoek) een einde afvalstatus ontvangen. Een onderbouwing dat de samenstelling en fysisch-chemische eigenschappen zodanig zijn dat deze kan worden verkregen ontbreekt, Het is belangrijk dat deze restromen op de plaats van bestemming geen ongunstige effecten voor milieu of gezondheid hebben. De verdere bestemming, transportwijzen en m ilieugevolgen zijn daarbij onvermeld.

rr Zie ook de reactie van de RUD Zuid Limburg op het akoestisch ondeÍzoek (brief 22 november 2023). r] ln de prognosebèrèkeningen zijn in deze fase noodzàkelijke emissiereducties in alle zogenaamde 'octaafbanden' gelijkmatig doorgevoerd. Dit is evenwel niet d€ praktijk. Door omkastingen en gebouwen waar de installaties worden gerealiseerd, woden voornamelijk de hoge frequentie5 het meest geredu(eerd. De restemis5ie heeft een meer laagfrequeht spectrum. Hier moet bij de detail-enqineering van geluldmaatregelen nog rekening mee gehouden worden.

-t 3-

De fabÍiek produceert jaarlUks circa I 36.000 ton slakken en 2.000 ton filterkoek. Gezien de

mogelijke verontreinigingsgraad kan de Commissie ongunstige effecten voor milieu of gezondheid niet op voorhand uitsluiten en is mogelijk het verkrugen van een dergelijke status niet vanzelfsprekend. Het is daarom nodig dit alsnog goed te onderbouwen en ook de milieugevolgen verbonden aan de transportbewegingen van de afuoer van Íestafualproducten noq in te schatten, De Commissie adviseert daarom in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit

over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek de sam€nstelling en fysischchemische eigenschappen van de reststoffen te specificeren. Onderbouw dat het aannemelijk is dat geen ongunstige effecten voor milieu of gezondheid optreden, en voor welk type toepassingen.

2.3.5

Erfgoed (archeologie) Het archeologisch vooronderzoek bij het MER geeft aan dat de bodem op de fabriekslocatie een'nog hogere gaafheid'dan verwacht heeft. Om deze reden is het gebied archeologisch relevant en is de midd€lhoge tot hoge verwachtingswaarde33 'gehandhaafd'. CeconcludeeÍd is dat een proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode is om te bepalen

of archeologische resten aanwezig zijn en om deze te waarderen. Het resultaat daarvan heeft mogelUk consequenties voor de terreininrichting van de waterstoffabriek. Het doel is immers behoud in situ. Mitigatie kan gevonden worden in zogenaamd'archeologievriendelijk bouwe n'.

Het MER geeft echter aàn dat de uitvoeringsvarianten geen invloed hebben op het milieuaspect archeologie en dat pas bij de bouwaanvraag archeologie verder inzichtelijk gemaakt zal worden. Daarmee wordt de effectbeoordeling voor archeologie in het proces veÍschoven zodat deze buiten de kaders van het MER vallen. De Commissie kan dit niet volgen. Het MER geeft nu geen inzicht in de te verwachten negatieve effecten van het voornemen terwijl er wel ruimtelijke ontwikkeling gepland is op een terrein met (middel)hoge archeologische verwachting. Het is van belàng dat voldoende archeologische informatie beschikbaar komt voorafgaand aan de fabrieks indeling (techniek- en ontwerpkeuzes) en constructietekeningen, zodat met archeologie rekening mee gehouden kan worden in de toekomstige terreininrichting. Om tijdig zicht hierop te hebben en op eventuele aanwezig ondergrondse archeologische monumenten is het nodig om het geadviseerde proefsleuvenonderzoek nu al uit te laten uitvoeren. De Commissie adviseert daarom in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit

over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek de resultaten van het

proefsleuvenonderzoek op t€ nemen. WeÍk de eventuele consequenties daarvan uit voor de terreininrichting en fabrieksindeling.

Zo zijn in de directe omgeving verschillende vindplaatsen uit de ijzertijd en Romeinsè tijd aangetroffen. Het gaat om graven uit de Uzertud en een waterput mogelijk behorende tot èen villa-terrein uit de Romeirse tijd. Daarnaast wordt binnen het plangebied (plot l0) een landgraaf uit '1507 veÍwacht.

-1 4-

2.4

Cevolgen Natura 2000-gebieden Het MER en het achtergrondrapport'Natuurtoets gebiedsbescherming'geven inzicht in de emissies NO,, NH: en SO: van de waterstoffabriek. Deze emissies worden volgens het MER en de natuurtoets'intern gesaldeerd'. Daartoe worden vergunde emissies van'donorbronnen'

op de site 'te rugged raaid'. Als donorbron voor emissies van NOx en NH3 worden emissies van Warmtekrachtcentrale (hierna: WKC) Swentibold ingezet. Deze emissies zijn vergund op basis van de Wnb-vergunning die voor gehele Chemelot-complex is verleend ('koepelvergunning', i 6 juli 2018), De donorbron vooÍ SO2-emissie is 'een andere site user', maar niet duidelUk is welke. Op basis van de intern gesaldeerde emissies zijn met AER|U534 depositieberekeningen uitgevoerd. Deze laten zien, dat de depositie op stikstofgevoelige Natura 2000-9ebieden na interne saldering afne€mt ten opzichte van de in de rapporten gehanteerde referentiesituatie. Hierover merkt de Commissie het volgende op. De omvang van de vooÍ verzuring en vermesting relevante emissies van de waterstoffabriek zUn inzichtelijk gemaakt. MogelUk zijn hierin volgens de Commissie nog onvolkomenheden (zie verder §2.2 en §2.3 van dit advies). Echter, het MER en de bulager maken n,et inzichtelijk, waarop de genoemde 'referentiesituatie'voor de WKC Swentibold (900 ton No,-emissie) is gebaseerd. Ook aan de hand van de door de Commissie bij de omgevingsdienst opgevraagde'koepelvergunning'35 wordt dit niet duidelUk. Een juridische onderbouwing ontbreekt dat desondanks intern gesaldeerd mag worden.

Daarbij komt dat er bij deze referentiesituatie geen onderscheid gemaakt is tussen de daadwerkelUk optredende, vergunde, emissies van de WKC en niet benutte, vergunde emissies (de zogenoemde 'latente ruimte'). Voor de Commissie is het dan ook niet duidelijk, of er intern gesaldeerd wordt met vergunde, maar niet benutte emissieruimte, of dat sprake is van saldering door fysieke emissies van saldogevende bronnen daadwerkelUk te verminderen (of door een combinatie van beide). Als gevolg hiervan maken het MER en bijhorende stukken ook niet duidelUk of en in hoeverre de realisering van de waterstoffabriek leidt tot een rysiek milieueffect in de vorm van een

daadwerkelijke toename van emissie en daaruit resulterende depositietoename op stikstofgevoelige natuur ten opzichte van de huidige, feitelUke situatie. Er zal immers sprake kunnen zijn van toename van emissie en depositie indien de beoogde saldering (alleen of ten dele) ziet op een vermindering van de latente ruimte in de 'koepelvergunning'. Voor de vergunbaarheid binnen de Natura 2ooo-wetgeving mag in principe worden uitgegaan van saldering met dergelUke vergunde emissies. Voor een goed beeld van alle aanzienlijke milieugevolgen is echter ook een beeld van het fi/sieke milieueffect door een eventuele toename ten opzichte van de feitelijke situatie noodzakelUk, inclusief maatregelen om die eventuele toename zoveel mogelijk te voorkomen. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafgaand aan een besluit over

de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek inzicht te geven in de salderingsaanpak en de haalbaarheid van de interne saldering beter te onderbouwen. Beschruf ook het

daadwerkelijke fysieke effect door vermesting en verzuring op omliggende Natura 2000gebieden. Breng vervolgens maatregelen in beeld om extra uitstoot van stikstof ten opzichte van de feitelijke situatie zoveel mogelijk te voorkomen.

3. AERIUS is een rekenmodel voor de uitstoot van stikstof en de nee.slag daarvan op Nàtlrra 2ooo-gebaeden. 35 Zie PPL057-201 8071 6083429 (officiele-oveÍheidsoublicaties.nl).

-15-

2.5

Kennisleemtes en ontbrekend monitoring- en evaluatieprogramma De Commissie heeft in haar NRD-advies gevraagd om in het MER ervaringen met referentie-

installaties elders te betrekken. Dit is maar beperkt gebeurd. Het MER benoemt wel de innovatieve status en schaalgÍootte van de fabriek (Technology Readiness Levels 6-7, hierna: TRL)36 maar stelt tegelukenijd dat er'vanuit milieueffecten gezien geen leemten in kennis en informati€ zijn die voor de besluitvorming essenti€el zijn'.37 De commissie kan dit laatste niet goed volgen. Het door RWE zelf aangegeven TRL-niveau

van de fabriek impliceert dat er nog belangrijke onzekerheden kunnen zijn voor wat betreft de procesvoering €n optredende emissies en milieueffecten, en uit het IMER wordt niet

duidelijk of en hoe deze onzekerheden worden weggenomen voordat de fabriek wordt g€realiseerd en in bedruf komt. Ook vindt de Commissie het nodig alsnogs ervaringen met de beoogde technieken, voor zover die al elders worden toegepast, samen te vatten. Ca daarbU in het bUzonder in op (de onzekerheden in) de emissies naar de lucht, het water en de bodem (zie ook §2,3 van dit advies). Naar inschatting van de Commissie vraagt een innovatieve fabriek van deze omvang en dit

TRL-niveau juist om een volwaardig monitoring- en evaluatieprogramma om het innovatieve proces en de emissies te monitoren. Het is zo\Ível relevant vooÍ de vergunningverlener als voor de communicatie met de omgeving en ander€ belanghebbenden. Een dergelUk programma is daarom essentieel. Het geeft de vergunningverlener(s)

belangrijke informatie om afwegingen te kunnen maken over toegestane techniekkeuzes en emissievoorschriften en latere controles bU oplevering en toezicht. ln het bijzonder op hoe emissies gevolgd en verder teruggedrongen kunnen worden tUdens de opstartjaren van de fabriek en onderbouwd dat de milíeu-uitspraken in het MER waargemaakt kunnen worden in de praktijk. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER voorafqaand aan een besluit over de omgevingsvergunning voor de waterstoffabriek een volwaardig monitoringsprogramma op te nemen, zodat dit programma kan worden gebruikt bij de verdere uitwerking (detail-

engineering, opstartfase, technische aanpassingen en controles brj oplevering en toezicht).

FUREC schaalt ih het MER zelf (tabel 4.I 0) de technieken 'Torrefactie en de veígassing' overigens

zelf ook in op 'Techhology

Readiness Levels 6-7', oftewel het stadium van onwjkkelen en demonstreren, zie ook www.wo.nl. Ook het tot 20 keer per

jaar aangevraagde bypass-bedÍijf illustreert dit. ln hoofdstuk 9 van het MER wordt daarom alleen ingegaan op algemene (verplichte) monitoíing èn metingen en is aangekondigd dat indien in de toekomst mogelijk niet aah grenswaardeh voldaan kan worden aanvu,lendè maatregelen noodzakelijk kunnen zrjn.

-t 6-

BULAGE I : Projectgegevens toetsing

Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zU die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afi,r,/egin9en. Dan adviseen de Commlssie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Meer informatie over de egllllis:ig en over haar werkwiize vindt u op onze website. Samenstelllng van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Reinoud van der Auweraert ir. jan Bakker

dr. ir. Wim Brilman ir. Arjen Brinkmann drs. Sjoerd HaÍkema (secretaris) ing, Cerard Krone dr. Heleen van Londen iÍ. Harry Webers (voorzitter) Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Omgevingsvergunning en mogelijk een natuuÍvergunning (nog op grond van de Wet natuurbescherming) en een \Íyatervergunning (nog op grond van de Waterwet).

waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Dit project valt onder de regelgeving van voor de inwerkingtÍeding van de Omgevingswet (l januari 2024). Voor deze procedure volgt daarom nog uit onderdelen C en D van de biilaoe bii het voormalig_e Besluit m ilieu effect rapoortaqe dat een MER vereist is. Daarom is nog op grond van het Eesluit milieueffectrapportage voor de bouw en het gebruik van de waterstoffabriek een MER opgesteld, meer specifiek omdat er meer dan 100 ton van niet-gevaarluke afualstoffen per dag zullen worden verwerkt (cat€gorie CI8.4). Naast de om-

gevingsvergunning zijn er mogelijk ook andere vergunningen nodig, zoals een natuurvergunning (nog op grond van de Wet natuurbescherming) en een waterveÍgunning (nog op grond van de Waterwet). Bevoegd 9eza9 besluiten

ln ieder geval de Omgevingsdienst RUD Zuid-Limburg namens Gedeputeerde staten van de provincie Limburg. lnitiatiefnemer besluiten RWE Generation

NL B.V.

Heeft d€ Commissie ook zienswijzen en advlezen bij haar advles betrokken? Het bevoegd gezag heeft de Commissie gemeld geen zienswuzen of adviezen te hebben ontvangen, omdat het MER nog niet t€r visie ligt.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bU het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemeÍ. nl projectnumm€r 351? in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roermond&id=7010e7d5-6074-419e-b121-2816df9285e7