Bijlage toelichting Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Hippisch Centrum’ te Montfort
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 31 augustus 2020 : Hippisch Centrum Montfort : P00687 : Ing. A.A. van Grinsven : ir. M.J.I.C. van de Schoot
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de bouw van twee nieuwe paardenstallen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016.
Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 12 juli 2018 van circa 9.30-10.30 uur door een ecoloog ingehuurd via BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden waren droog, zonnig, 1-2 bft en circa 20 ⁰C. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere
1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen aan de Waarderweg in het oosten van Montfort, gemeente Roerdalen . In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit voormalige Manege de Boshoeve, met kantine, rijhallen, buitenbakken, stal met paardenboxen en wasplaatsen, etc. Ten zuiden en westen van het plangebied liggen bosschages. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek.
2
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Voorzijde voormalige manege (kantine)
Figuur 4. Oostzijde voormalige manege
Figuur 5. Achterzijde voormalige manege (rijstallen)
Figuur 6. Buitenzijde paardenstallen achter woning
3
Figuur 7. Oostelijke binnen-rijbak voormalige manege
Figuur 8. Binnenzijde paardenstallen achter woning
Figuur 9. Westelijke binnen-rijbak voormalige manege
Figuur 10. Oostelijke zijgevel woning
Figuur 11. Overzichtsfoto achterzijde voormalige manege
Figuur 12. Overzichtsfoto oostzijde voormalige manege
Figuur 13. Zuidelijk gelegen wateropvang
Figuur 14. Zuidelijke bosrand
4
Toekomstige situatie De wijziging betreft het legaliseren en vergunnen van de activiteiten van het Hippisch Centrum. Ten tijde van het veldbezoek waren de werkzaamheden hiervoor reeds begonnen, welke inmiddels zijn afgerond. De quickscan toetst echter wel deze werkzaamheden. Diverse daken en spanten waren reeds gesaneerd en inmiddels is ook het woonhuis gerenoveerd. Ook zijn de nieuwe paardenboxen en hooiopslag gerealiseerd. Er komen geen nieuwe lichtmasten in het plangebied. De wateropvang langs de zuidrand blijft behouden. Ook wordt er extra opgaand groen toegevoegd langs de zuidrand en worden bomenrijen langs de weg aangevuld. Er worden geen bomen gekapt.
Figuur 15. Toekomstige situatie plangebied
5
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Roerdal”, bevindt zich op circa 2,5 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de uitbreiding van de manege betreft, is een toename aan emissie te verwachten. Een AERIUS-berekening dient meer duidelijkheid te verschaffen of de depositie op de Natura 2000- gebieden in de omgeving toeneemt door de voorgenomen plannen.
Indien deze toeneemt, dan wordt vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, noodzakelijk geacht om te beoordelen of de toename kan leiden tot een significant negatief effect. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat de NNN uit de goudgroene natuurzone. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Deze gebieden worden omzoomd door de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone. Volgens de POL-viewer van provincie Limburg ligt de goudgroene natuurzone ten zuiden van het plangebied (zie figuur 16). In het bosgebied ten zuiden ligt ’t Sweeltje, een buitenzwembad. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zal de hoeveelheid activiteiten bij de manege toenemen. Echter, gezien het plangebied niet is gelegen binnen de goudgroene natuurzone, hoeven externe effecten niet getoetst te worden (zie onderstaand knipsel uit Geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 versie december 2019).
6
Aangezien het ruimtelijk plan geen betrekking heeft op (een deel van) de goudgroene natuurzone is artikel 2.6.2 niet van toepassing. Wel wordt geadviseerd om effecten met betrekking tot licht en geluid richting de naastgelegen goudgroene natuurzone zoveel mogelijk te beperken.
Figuur 16. Ligging goudgroene natuurzone (groen), zilvergroene natuurzone (geel) en bronsgroene landschapszone (blauw) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien bij de werkzaamheden geen (onderdelen van) houtopstanden worden verwijderd is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
7
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming in Limburg ziet er hierdoor iets anders uit dan in andere provincies. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming)
In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 WNB) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. De meeste nationaal beschermde soorten zijn in Limburg vrijgesteld. Voor alle planten en dieren, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming.
Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). In de ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortbescherming onder de wet Natuurbescherming in Limburg’ van de provincie Limburg (6 december 2017) is een aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten gepubliceerd. Hier wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten die beschermd zijn binnen de provincie Limburg. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-3 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 4-soor-
8
ten’). Daarnaast zijn binnen de provincie Limburg specifieke vrijstellingen voor enkele soorten. Zo genieten eekhoorn, steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis van een vrijstelling in bepaalde periodes van het jaar. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op het terrein is bebouwing aanwezig, namelijk opstallen van de voormalige manege en een woonhuis. Verder bestaat het terrein uit voormalige weides en rijbakken en grenst aan een bosgebied. Voormalige manege Doordat de daken van de opstallen van de voormalige manege bijna allen geheel verwijderd zijn is er geen geschikte nestgelegenheid voor broedvogels vastgesteld. Ter plaatse van de manegeopstallen waren nog enkele golfplaten daken aanwezig.
Vanaf de goot konden broedvogels echter geen geschikte nestruimte vinden onder de golfplaten. De broedvogels komen namelijk uit in de binnenzijde van de voormalige binnen-rijbak. Tijdens het veldbezoek, dat plaatsvond binnen het broedseizoen van vogels en bij gunstige weersomstandigheden, zijn geen huismussen gehoord. Wel zijn diverse boerenzwaluwen, witte kwikstaarten en zwarte roodstaarten waargenomen op de locatie. Er zijn geen nestresten van boerenzwaluw aangetroffen. Wel is er een nestrest van een mogelijk zwarte roodstaart aangetroffen in de westelijke zijgevel van de voormalige rijbak. Het desbetreffende nest was niet in gebruik ten tijde van het veldbezoek. Zover bekend blijft deze gevel in tact. In de direct omgeving en in de toekomstige situatie is daarnaast voldoende nestgelegenheid aanwezig voor de zwarte roodstaart. Een jaarrond beschermde status is hierdoor niet aan de orde. Tijdens het veldbezoek is tevens gelet op sporen als uitwerpselen, braakballen of ruiveren. Diverse delen, waaronder de voormalige paardenstallen, waren geveegd. Er zijn geen sporen aangetroffen. Voor een soort als kerkuil of steenuil is de bebouwing daarnaast eveneens in de huidige situatie niet geschikt als broedlocatie. De voormalige weides liggen in de huidige situatie braak.
In de toekomstige situatie wordt er weer weiland gerealiseerd, waardoor een mogelijk in de directe omgeving aanwezige steenuil of kerkuil op de locatie kan foerageren. Een foeragerende buizerd is tijdens het veldbezoek op de locatie waargenomen. Jonge buizerds zijn gehoord in een boom ten oosten van de locatie, buiten de invloedssfeer van de voornemens. Daarnaast zijn geen aanwijzingen gevonden dat met betrekking tot de delen van de opstallen waar nog werkzaamheden uitgevoerd zullen worden een verstoring kan optreden ten aanzien van overige (algemene) broedvogels als witte kwikstaart, houtduif of merel.
9
De voormalige weides en rijbakken waren geschikt voor grondbroeders als geelgors en veldleeuwerik. Werkzaamheden dienen ter plaatse van de voormalige weides en rijbakken uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Woonhuis Het dak van het woonhuis bood nestgelegenheid aan diverse broedvogels. Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is als huismussen en gierzwaluwen worden niet verwacht gezien het ontbreken van waarnemingen tijdens het veldbezoek en de ligging in het buitengebied. Wel kan een soort als witte kwikstaart en zwarte roodstaart er tot broeden komen. Aangrenzend bos Het aangrenzend bos is te voet doorlopen tijdens het veldbezoek. Er zijn geen sporen van broedvogels aangetroffen waarvan het nest jaarrond beschermd is. Er zijn geen horsten, braakballen, uitwerpselen, ruiveren of plukplaatsen etc. aangetroffen. Wel zijn ten oosten van de oostelijk gelegen ontsluitingsweg jonge buizerds gehoord. Tevens is daar een volwassen buizerd waargenomen die kraaien verjoeg. Hier is een broedlocatie van buizerd aanwezig. Subconclusie Bij de verdere uitvoering van de opstallen van de voormalige manege en het woonhuis gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren.
Bij het verder uitvoeren van de werkzaamheden aan het woonhuis en de voormalige weilanden en buitenrijbakken kunnen wel nesten van algemeen voorkomende broedvogelsoorten verstoord worden. Verstorende werkzaamheden betreffen met name werkzaamheden die potentiele nestgelegenheden in het dak van het woonhuis kunnen verstoren of eventueel aanwezige grondbroeders op het perceel. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een broedgeval dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, ingekorven vleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Er worden bij de uitvoer van de plannen geen bomen gekapt en er zijn geen bomen met geschikte verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig grenzend aan de locatie. Wel zijn er verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig in het woonhuis, deze is echter reeds gerenoveerd. Daarnaast zullen de potentiele vliegroutes, de bosrand en de bomenrijen langs de Waarderweg, geen negatief
10
effect ondervinden door de voornemens, mits de verlichting niet toeneemt. Is dit wel aan de orde dan dient een aanvullend protocollair onderzoek meer duidelijkheid te verschaffen over de soorten en aantallen die de potentiele vliegroute gebruiken. Essentieel foerageergebied voor vleermuizen op de locatie is niet aanwezig. Voormalige manege De opstallen, rijbakken en paardenstallen van de voormalige manege zijn tijdens het veldbezoek niet geschikt geacht voor veermuizen. Dit gold voor de delen waar de werkzaamheden aan de opstallen nog plaats moesten vinden. Inmiddels is dit uitgevoerd. De voorzijde van de voormalige manege, kantine, is geschikt voor vleermuizen door onder andere de aanwezigheid van open stootvoegen en ruimtes achter betimmering. Hier vinden voor zover bekend geen werkzaamheden plaats die de potentiele verblijfplaatsen negatief kunnen beïnvloeden. Woonhuis Het woonhuis is tijdens het veldbezoek geschikt geacht als verblijfplaats voor vleermuizen door de aanwezigheid van verschillende potentiële verblijfplaatsen als een pannen dak, bereikbare ruimtes achter demontabele delen en een toegankelijke spouwmuur. De renovatie was echter al reeds in gang gezet en is inmiddels afgerond. Of hierbij verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren zijn gegaan is niet bekend.
Subconclusie Bij de nog uit te voeren ingrepen zal geen sprake meer zijn van aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen. Indien de potentiele verblijfplaatsen een negatief effect kan ondervinden, dan dient tijdig voorafgaand aan de ingreep een protocollair vleermuizenonderzoek uitgevoerd te worden om meer duidelijkheid te verkrijgen of er een verblijfplaats aan- of afwezig is en door welke soorten en aantallen deze eventueel gebruikt worden. Daarnaast vormt de bosrand en de bomen langs de Waarderweg een potentiële vliegroute. Deze dient het aaneengesloten en donkere karakter te behouden. Licht gericht of uitschijnend op het opgaand groen dient te worden vermeden. Is dit niet mogelijk dan dient op voorhand een aanvullend protocollair vleermuizenonderzoek uitgevoerd te worden. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als konijn en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. In het aangrenzend bos zijn holen van konijn aangetroffen en één pijp van vermoedelijk vos. Daarnaast zijn sporen van reeën aangetroffen, prenten en een slaapplek. Binnen het plangebied en de aangrenzende bosrand zijn geen burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, zoals eekhoorn of bever zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbre-
11
ken van geschikt habitat of ontbrekende sporen tijdens het veldbezoek eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied wel de wezel, hermelijn en steenmarter voor. De soorten kunnen incidenteel voorkomen binnen het plangebied. Door de aanwezigheid van voldoende leefgebied en doordat de locatie in de toekomst geschikt blijft voor de soorten betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel leefgebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor veel van bovenstaande soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde.
In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis en hazelworm. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de buurt. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor de hazelworm. In de aangrenzende bosrand kan wel mogelijk levendbarende hagedis voorkomen. Deze wordt echter door de voorgenomen plannen niet verstoord. Subconclusie Negatieve effecten op reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Aan de zuidelijke randzone binnen de locatie was tijdens het veldbezoek een droogstaande wateropvang aanwezig. Indien deze (in het voorjaar) waterhoudend is kan de wateropvang dienstdoen als voortplantingswater voor algemeen voorkomende amfibieën. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, boomkikker, kamsalamander, vinpootsalamander en Alpenwatersalamander bekend. Het is niet op voorhand geheel uit te sluiten dat Alpenwatersalamander van de wateropvang gebruikt maakt als deze waterhoudend is.
Boomkikker, poelkikker, vinpootsalamander, kamsalamander en rugstreeppad worden niet in de wateropvang verwacht, aangezien deze soorten kritischer zijn dan de Alpenwatersalamander met betrekking tot hun leefgebied.
12
Het plangebied zelf biedt weinig schuilgelegenheid. Wel kunnen de amfibieën uit de wateropvang in het aangrenzend bos schuilgelegenheid vinden. De wateropvang op het zuidelijk deel van het terrein blijft in de huidige staat en functie behouden. Eventueel kan in overleg met een ter zake kundige de wateropvang geschikter gemaakt worden voor amfibieën. Subconclusie De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken. Overtreding van de Wet natuurbescherming is dan op voorhand te voorkomen en inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel onverwachte passerende individuen op locaties waar de werkzaamheden plaatsvinden. Vissen Vanwege het ontbreken van waterhoudende oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. De waterput bij de toegang bij de Waarderweg is wel waterhoudend, maar deze blijft gehandhaafd. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn verschillende waarnemingen bekend van beschermde libellen en dagvlinders. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, wat in het plangebied niet aanwezig is.
Daarbij biedt het plangebied geen geschikt (voortplantings)habitat voor deze soortgroepen. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De soorten komen eerder voor rondom de Vlootbeek. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vermiljoenkever, vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en binnen de invloedssfeer is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als dreps, kartuizer anjer, glad biggenkruid en grote leeuwenklauw. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop n het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Daarnaast zijn deze soorten tijdens het veldbezoek niet aangetroffen.
13
Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.
14
Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:
Licht gericht of uitschijnend op de bossen rondom de locatie en de bomenrijen langs de ontsluitingswegen dient te worden vermeden. Is dit wel het geval dan dient een protocollair onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen uit te wijzen of er een negatief effect plaats zal vinden met betrekking tot foerageer- en vliegroutefuncties; Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dienen werkzaamheden ter plaatse van potentiele nestgelegenheden, om overtreding op voorhand te voorkomen, buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige Aerius-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) dan wel beleidsmatig beschermde natuur is bij dit plan verder niet aan de orde.
15
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Potentieel Sprake van aanwezig verstoring
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Algemeen
Ja
Mogelijk
Werkzaamheden binnen plangebied buiten broedseizoen uitvoeren of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Jaarrond beschermd
Nee
Nee
-
-
Verblijfplaatsen
Ja
Mogelijk
Werkzaamheden zijn reeds uitgevoerd
-
Foerageerhabitat
Ja
Nee
-
-
Vliegroutes
Ja
Mogelijk
Licht gericht of uitschijnend op opgaand groen vermijden
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Heeft betrekking op een soort als egel
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Nee
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van overtreding
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
ca. 2,5 km
Mogelijk
Aerius-berekening naar de depositiewaarden
Indien de depositiewaarden toenemen zal vervolgonderzoek noodzakelijk zijn.
Natuurnetwerk Nederland
Tegen plangebied aan
Nee
Plangebied niet gelegen binnen goudgroene natuurzone
-
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Zuidelijke wateropvang blijft gehandhaafd
16
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbe-
Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Uitgevers, Utrecht.
scherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Regionale literatuur
van Buggenum, H.J.M., R.P.G. Geraerds & A.J.W. Lenders (red.) 2009. Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Hermans, J.T., R.W. Akkermans, F. Mertens, J. van der Weele & H.W.G. Heijligers 2004. Werkatlas libellen in Limburg. Inventarisatiegegevens periode 1977-2003. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.
Huizinga, C.E., L.S.G.M. Verheggen & R.W. Akkermans 2005. Werkatlas zoogdieren in Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond.
Huizinga, C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen 2010. Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Kurstjens, G., B. Peters & K. van Looy 2010. De flora van het Maasdal. Ontwikkelingen van bijzondere soorten sinds de start van natuurontwikkeling vanaf 1994. Deelrapport 7. Kurstjens ecologisch adviesbureau, Beek-Ubbergen / Bureau Drift, Berg en Dal / INBO, Brussel.
Algemene websites
bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
floron.nl (soortgegevens planten)
ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
sovon.nl (soortgegevens vogels)
synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale bronnen
Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg, Gede-
www.polviewer.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg)
www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)
puteerde Staten van Limburg, 6 december 2017
17