Bijlage 9: Bijlage B Voorstel invoering forensenbelasting
Tekst van het document
BIJLAGE B: Voorstel invoering forensenbelasting 1. Onderwerp Invoering Forensenbelasting per 1 januari 2026 2. Aanleiding Gezien de financiële situatie van onze gemeente en de onzekerheid over de financiële middelen vanuit de rijksoverheid, is de gemeente in het najaar 2023 gestart met Roerdalen in Balans 2.0. Dit had als doelstelling een sluitende begroting voor het jaar 2025 met een meerjarige doorwerking zonder beroep te doen op de algemene reserve, incluis ruimte voor nieuw beleid. Vanuit een benchmark en door de fracties zijn er aantal mogelijkheden aangedragen om aan de doelstelling te voldoen. Samen met de raadswerkgroep zijn er 16 voorstellen gedaan om nader uit te werken. Eén daarvan was de invoering van de forensenbelasting. 3. Forensenbelasting De juridische basis voor de forensenbelasting is te vinden in artikel 223 van de Gemeentewet. De forensenbelasting dient ertoe om mensen die relatief veel in een gemeente verblijven, maar geen ingezetene zijn van deze gemeente, mee te laten betalen aan voorzieningen in die gemeente. Het doel is niet om kosten voor deze voorzieningen één op één te verhalen, maar juist om een bijdrage te vragen voor het algemene voorzieningenniveau van de gemeente. Immers, voor deze mensen ontvangt de gemeente geen uitkering uit het Gemeentefonds. De forensenbelasting valt toe aan de algemene middelen van de gemeente.
Forensenbelasting kan worden opgelegd: • aan natuurlijke personen die, • zonder dat ze hun hoofdverblijf in de gemeente hebben, • meer dan 90 dagen per jaar een gemeubileerde woning tot hun beschikking hebben voor zich zelf of voor hun gezin. De aanslag wordt opgelegd aan degene die de gemeubileerde woning tot zijn beschikking heeft. De forensenbelasting wordt geheven van de gebruiker. Dit betreft niet in alle gevallen de eigenaar. Voor de forensenbelasting is het niet noodzakelijk dat men meer dan 90 dagen daadwerkelijk in de gemeubileerde woning aanwezig is. Het gaat er om dat men meer dan 90 dagen in de gemeubileerde woning had kunnen verblijven. In de zin van de forensenbelasting hoeft een gemeubileerde woning geen onroerende zaak te zijn, ook stacaravans kunnen aangemerkt worden als gemeubileerde woning. Een gemeubileerde woning moet aan een aantal eisen voldoen. Zo moet de gemeubileerde woning beschikken over een toilet, een keuken, een wasgelegenheid, nutsvoorzieningen en riolering. 4. Heffingsmaatstaf De Gemeentewet schrijft geen grondslag voor die gemeenten moeten hanteren. Gemeenten hebben daarmee een ruime beoordelingsvrijheid bij het bepalen van grondslag en tarief. De meest gangbare grondslagen zijn: 1. Een percentage van de WOZ-waarde eventueel aangevuld met een vast bedrag; 2. Een tarief op basis van een WOZ-staffel; 3. Een vast tarief per woning.
Argumenten / kanttekeningen 1.1 Tarieven op basis van WOZ-waarde sluiten beter aan bij de toestand / waarde van de woning. 1.2 BsGW geeft aan dat hanteren van een percentage van de WOZ-waarde niet is aan te bevelen, dit is namelijk erg bezwaargevoelig. 1.3 Bij het hanteren van een percentage van de WOZ-waarde kan de forensenbelasting in verhouding hoog uitvallen indien er geen maximum wordt ingebouwd. 2.1 Tarieven op basis van WOZ-waarde staffel is het meest gangbaar. 2.2 Tarieven op basis van WOZ-waarde sluiten beter aan bij de toestand / waarde van de woning. 2.3 Tarieven op basis van een WOZ-waarde staffel sluit aan bij de overige 2 MER-gemeenten. 2.4 Door meerdere staffels te hanteren wordt de heffingsmaatstaf bezwaargevoeliger, doordat bezwaar lonend kan zijn indien daarmee de “sprong” naar de duurdere staffel wordt voorkomen. 3.1 Een vast bedrag per woning is het meest eenvoudig. 3.2 Een vast bedrag per woning is het minst bezwaargevoelig. 3.3 Een vast bedrag per woning houdt geen rekening met de toestand / waarde van de woning. Het advies is om de heffingsmaatstaf te baseren op de WOZ-waarde, waarbij een onderverdeling in waardeklasse wordt gehanteerd. Door de waardeklassen beperkt te houden blijft de uitvoering van de regeling eenvoudig en minder bezwaargevoelig. Tevens doet een onderverdeling in waardeklasse recht aan de toestand / waarde van de woning.
Aangezien de andere twee MER-gemeenten ook uitgaan van een tarief gebaseerd op een WOZ-waarde vallend in een waardeklasse, is het logisch om hier bij aan te sluiten. Het voorstel is om aan te sluiten bij de meest eenvoudige variant die de gemeente Maasgouw hanteert en 2 staffels op te nemen: WOZ-waarde < € 100.000,- en een WOZwaarde van € 100.000,- of meer. 5. Tarief Bij de bepaling van het tarief is niet alleen gekeken naar de gemiste inkomsten vanuit de algemene uitkering voor de gemeente maar ook naar de extra lastendruk (forensenbelasting en eventuele hogere rioolheffing) voor de eigenaren en naar de tarieven die andere Limburgse gemeenten, met een WOZ-waarde staffel, hanteren. Op basis hiervan is het voorstel om voor de staffel € < 100.000,- een tarief van € 320,- te hanteren en voor de staffel € 100.000,- of meer en tarief te hanteren van € 790,-. Woningen met een WOZ waarde tot € 100.000 Woningen met een WOZ waarde van € 100.000 of meer
€ 320,€ 790,-
Door de grens te leggen bij € 100.000 betalen de kleinere, sobere en minder goed onderhouden woningen een lager tarief dan de luxere woningen. 6. Verwachte opbrengst Bruto opbrengst Op basis van ontvangen gegevens (belastingjaar 2023) van BsGW, uitgaande van voornoemde tarieven en dat het volledig potentieel belastingplichtig is zal dit leiden tot een geschatte potentiële bruto opbrengst van € 60.000,-.
Risico’s Echter, BsGW geeft aan dat hun ervaring leert dat gemeenten zich, bij de invoering van een forensenbelasting, niet te vroeg rijk moeten rekenen: • Enerzijds omdat het potentieel bij de daadwerkelijke uitvraag lager blijkt te liggen, • Anderzijds omdat parken voor wat betreft de contracten met eigenaren inspelen op de termijn van 90 dagen. • Daarnaast gebeurt het steeds vaker dat één van de eigenaren zich laat inschrijven op het adres van de tweede woning. Verwachte opbrengst Op basis van voornoemde bruto opbrengt, perceptiekosten en risico’s is het echter zeer waarschijnlijk dat de daadwerkelijke opbrengst lager zal zijn. Daarom is in de kadernota 2026, voorzichtigheidshalve, € 30.000,- aan opbrengsten geraamd. In verloop van tijd zal duidelijk worden wat de daadwerkelijk verwachte opbrengst zal zijn. Evaluatie In het tweede kwartaal van 2026 zullen de eerste aanslagen opgelegd worden. Aan de hand van de eerste resultaten zal beoordeeld worden of de geraamde opbrengsten bijgesteld moeten worden. Indien deze evaluatie leidt tot aanpassing van de verordening dan wordt dat meegenomen in de nieuwe verordening forensenbelasting die in december 2026 ter besluitvorming aan de raad wordt aangeboden.