CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3: Toelichting

Gemeenteraad 3 juli 2024, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Landgoed Kasteel Aerwinkel12.174 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mogelijk aanwezig

Beschermingsregime

X

VR

X X

HR AS

Vogels Alle in het wild levende vogels in Nederland zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten aanwezig. De nesten van algemene vogelsoorten zijn niet jaarrond beschermd. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli. Echter hierop zijn altijd uitzonderingen. Het is niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedende vogels. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen, is een overtreding van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Houtopstanden Binnen het plangebied wordt mogelijk één boom gekapt, de paardenkastanje naast het kasteel. Omdat het hier slechts om één boom gaat, is bescherming van houtopstanden niet van toepassing. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is derhalve niet van toepassing. Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende soorten vleermuizen zijn beschermd volgens het beschermingsregime Habitatrichtlijn.

Uit de resultaten blijkt, dat diverse soorten vleermuizen in het plangebied kunnen voorkomen. Diverse soorten gebouw bewonende vleermuizen kunnen hun verblijfplaats hebben onder de dakpannen, leien en lood van het kasteel, het badhuisje, de schuur en de boerderij- en kapelvleugel. Daarnaast zijn er op het kasteel, het badhuisje en de boerderijvleugel

27

schoorstenen aanwezig met daaromheen lood. Diverse soorten vleermuizen kunnen hieronder hun verblijfplaats hebben. De aanwezigheid van vleermuizen kan derhalve niet worden uitgesloten. Bij werkzaamheden aan de daken van het kasteel, het badhuisje, de schuur en de boerderij- en kapelvleugel en de schoorstenen op het kasteel, het badhuisje en de boerderijvleugel kunnen vleermuizen en hun verblijfplaats verstoord, vernield of verwijderd worden. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wet Natuurbescherming. Middels aanvullend onderzoek naar vleermuizen dient onderzocht te worden of er daadwerkelijk verblijfplaatsen van deze soorten in het plangebied aanwezig zijn. Het is aan te bevelen om het vleermuisonderzoek uit te voeren volgens het Vleermuisprotocol 2017. Het vleermuisonderzoek wordt uitgevoerd door middel van drie veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli (twee direct na zonsondergang en één direct voor zonsopkomst) en twee veldbezoeken in de periode 15 augustus t/m 1 oktober (één ruim na zonsondergang en één ruim voor zonsopkomst). Deze bezoeken dienen met behulp van een heterodyne batdetector met time expansion uitgevoerd te worden.

Wanneer geen werkzaamheden plaatsvinden aan de daken van het kasteel, de schuur en de boerderij- en kapelvleugel en de schoorstenen op het kasteel, het badhuisje en de boerderijvleugel, is er geen negatief effect op de (mogelijk) aanwezige vleermuizen en hun verblijfplaatsen en wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Steenmarter De steenmarter is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. Op de zolders van de gebouwen en in de ruimte onder de barakken kan de steenmarter zijn vaste rust- en verblijfplaats hebben. Bij een verbouwing van de zolders en bij sloop van de barakken, kan de steenmarter en zijn verblijfplaats verstoord, vernield of verwijderd worden. Dit is een overtreding van artikel 3.10, lid 1 en 2 van de Wet Natuurbescherming. De steenmarter is in Limburg vrijgesteld in de periode 15 augustus t/m februari. Wanneer de werkzaamheden aan de zolders en de sloop van de barakken in deze periode worden uitgevoerd, zijn er geen negatieve effecten op de steenmarter en wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Conclusie Worden er wel werkzaamheden uitgevoerd aan de daken van het kasteel, de schuur en de boerderijen kapelvleugel en de schoorstenen op het kasteel, het badhuisje en de boerderijvleugel, dan dient tijdig aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.

Afhankelijk van de resultaten van dit aanvullend onderzoek kan een aanvraag van een ontheffing en het opstellen en uitvoeren van een compensatie- en mitigatieplan noodzakelijk zijn. Voor de sloop van de barakken geldt het volgende. Wanneer de barakken gesloopt worden in de periode 15 augustus t/m februari, worden negatieve effecten op de steenmarter voorkomen. Een overtreding van de Wet natuurbescherming is dan niet aan de orde.

28

Het opstellen van het concept bestemmingsplan is geen ruimtelijke ingreep. Het toewijzen van nieuwe functies aan de gebouwen is ook geen ruimtelijke ingreep. In feite hebben deze handelingen geen negatief effect op potentieel aanwezige beschermde soorten. Pas op het moment dat daadwerkelijk werkzaamheden aan of sloop van gebouwen gaat plaatsvinden, is er sprake van een ruimtelijke ingreep. Een ecologische quickscan en een aanvullend ecologisch onderzoek is in de regel drie jaar geldig, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd. Hiermee dient in de planning van de werkzaamheden rekening gehouden te worden.

4.5

Externe veiligheid

Beleid, wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.

Situatie Met behulp van de risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html) is op 1 april 2022 gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op afbeelding 4.5 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Met blauw is het plangebied aangegeven.

29

Afbeelding 4.5: Uitsnede risicokaart

Vervoer van gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 600 meter ten noordwesten van het plangebied liggen twee ondergrondse buisleidingen A-578 en A-520 van de Nederlandse Gasunie NV. Deze buisleidingen zijn met rode lijn op afbeelding 4.5 weergegeven. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) is op afbeelding 4.5 met zwarte stippellijn weergegeven. Het invloedsgebied van buisleiding A-578 bedraagt 490 meter en van buisleiding A-520 310 meter. Het plangebied ligt buiten de contour van het plaatsgebonden risico. Daarnaast ligt het buiten het invloedsgebied waardoor een beoordeling aan het groepsrisico niet aan de orde is. Daarnaast worden er in de omgeving geen gevaarlijke stoffen vervoert over de weg, het spoor of over water. Hoogspanningslijn De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bovengronds) betreft de lijn Maasbracht – Siersdorf (380 kV). Deze lijn heeft aan weerszijde een indicatieve zone van 110 meter. Deze zone is vooral van belang bij langdurig verblijf van personen (o.a. een woning). De hoogspanningslijn ligt op een afstand van ca. 1,9 kilometer van het plangebied. De hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor het initiatief. Risicovolle inrichtingen In de omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen (bedrijven waar zeer grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of bewerkt) aanwezig.

Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief niet in de weg staat. 30

4.6

Wegverkeerslawaai

Beleid, wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor de toelaatbare geluidbelasting. De geluidseisen zijn alleen van toepassing op geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de geluidzone van een geluidsbron. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van het spoor, van een weg of rond een bedrijven/ industrieterrein. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen. Situatie Er wordt binnen het plangebed één nieuwe geluidgevoelige functie toegevoegd. Het betreft het toevoegen van één levensloopbestendige woning binnen de bestaande bebouwing. De functie wonen is op deze locatie al toegestaan. De levensloopbestendige woning wordt opgericht buiten een geluidszone van een weg. Op grond van de Wgh geldt voor het aspect wegverkeerslawaai geen onderzoeksplicht. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Op afbeelding 4.6 is een uitsnede van de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer’ van het RIVM weergegeven. Met blauw is het plangebied aangegeven.

Afbeelding 4.6: Uitsnede kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer’ (Bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

31

Uit de kaart ‘Geluid in Nederland van wegverkeer’ blijkt dat de gevelbelasting ter plaatse van de bestaande bebouwing minder dan 46 dB bedraagt. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Hier wordt aan voldaan. Er is sprake van een aanvaardbaar geluidsniveau. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect wegverkeerslawaai de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid, wet- en regelgeving Wet milieubeheer (5.2 Luchtkwaliteitseisen) Het doel van Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. De wet bevat grenswaarden voor diverse stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De normen gelden overal in de buitenlucht en niet alleen ter plekke van gevoelige bestemmingen. Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het begrip NIBM speelt een belangrijke rol in de regelgeving voor luchtkwaliteit en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekende mate bijdragen’ en de Regeling 'Niet in betekende mate bijdragen’. Projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen), tot 100.000 m2 kantooroppervlakte met één ontsluitingsweg (200.000 m2 met twee ontsluitingswegen) en intensieve veehouderijen (afhankelijk van het aantal dieren), bij voorbaat aangemerkt als niet in betekenende mate. Situatie Met voorliggend initiatief wordt planologisch één woning en één recreatiewoning toegevoegd.

Gelet op het aantal draagt het project 'Niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel dient er worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit de wet Milieubeheer worden de volgende grenswaarden gesteld: •

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³;

•

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³;

•

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m3 en een uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3. De uurgemiddelde grenswaarde mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

32

Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide geraadpleegd kan worden. Op afbeelding 4.7, 4.8 en 4.9 zijn de concentraties weergeven.

Afbeelding 4.7: Uitsnede kaart fijnstof 2020, PM10 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

Afbeelding 4.8: Uitsnede kaart fijnstof 2020, PM2,5 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

33

Afbeelding 4.9: Uitsnede kaart Stikstofdioxide, NO2 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentraties ter plaatse van het plangebied zijn voor fijnstof PM10 14,67 μg/m³, voor PM2,5 8,45 μg/m³ en voor stikstofdioxide NO2 9,92 μg/m³. De concentraties blijven ruim onder de grenswaarden uit de wet Milieubeheer. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.

4.8

Verkeer

Beleid Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede verkeersafwikkeling en een veilige verkeersontsluiting van alle modaliteiten van belang. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Situatie Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Aerwinkelallee. Via de Roermondseweg wordt in noordoostelijke richting aangesloten op de N293. In de westelijke richting wordt via de Sint Josephstraat en de Waarderweg aangesloten op de A73 en de A2. In de omgeving van het plangebied zijn diverse (recreatieve) fietsroutes aanwezig. De ontsluiting wordt met voorliggend initiatief niet aangetast. Het toevoegen van één woning en één recreatiewoning brengt extra verkeer met zich mee. Deze toename is minimaal en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. 34

Parkeren Het plangebied ligt in het buitengebied in een “niet stedelijke” omgeving (bron: CBS). Op grond van de CROW-publicatie wordt voor een vrijstaande woning uitgegaan van een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen, en voor recreatiewoningen 2,0 tot 2,2 parkeerplaatsen. Voor de uitbreiding dient te worden voorzien in 5 parkeerplaasten. Er zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig. 40 naast de hoofdoprijlaan, 30 bij de barakken en 40 naast de afgesloten oprijlaan. Op afbeelding 4.10 is de locatie van de parkeerplaasten weergegeven. Bij grote evenementen kunnen 500 auto’s parkeren op de achterliggende agrarische gronden. Omdat er sprake is van agrarische gronden dient hiervoor een tijdelijke omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

40 pp

40 pp

30 pp 500 pp

Afbeelding 4.10: Locatie van de parkeerplaatsen.

Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

35

4.9

Water

Beleid, wet- en regelgeving In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is tevens een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Nationaal waterplan In het Nationaal Waterplan aangegeven dat het waterbeheer in Nederland gericht moet zijn op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik gegarandeerd blijft. Voor wat betreft het buitengebied zijn met name aspecten als verdroging en beperking van emissies van bestrijdingsmiddelen van belang. Waterkwaliteit staat daarmee in het buitengebied voorop. Waterschap Limburg Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap de doelstellingen en de benodigde handelingen om te komen tot de doelstellingen.

Deze doelstellingen vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur en de Legger. De Keur en de legger De Keur is regelgeving over wat mensen wel en niet mogen doen in en nabij water, dijken en stuwen. Op de Legger staan alle oppervlaktewateren en dijken aangegeven die Waterschap Limburg in beheer heeft en waarop de Keur van toepassing is. Situatie Waterberging Met voorliggend initiatief vindt geen toename van verharding plaats omdat er geen nieuwe bebouwing wordt toegevoegd. Ook de parkeerplaatsen worden niet verhard. Compenserende maatregelen zijn niet nodig. Beschermingszone Ten westen, tegen het plangebied, ligt een secundaire watergang. Ten oosten van het plangebied ligt, op ca. 140 meter, een primaire watergang. Op afbeelding 4.11 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven. Met rood is het plangebied aangegeven.

36

Afbeelding 4.11: Uitsnede leggerkaart (Bron: www.waterschaplimburg.nl/uwbuurt/kaarten-meetgegevens/leggerkaart)

De watergangen zijn van belang voor het functioneren van het watersysteem. Met voorliggend initiatief worden de watergangen niet aangetast. Daarnaast vinden er geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van de watergangen. Afvalwater en hemelwater Het hemelwater en het huishoudelijke afvalwater dient gescheiden te worden ingezameld. Met het hemelwater direct op eigen terrein (infiltreren op afkoppelen op oppervlaktewater) en het afvalwater op de bestaande riolering. Voor infiltratie op eigen terrein wordt een norm gehanteerd van 100 mm per m2 in 24 uur. Ten behoeve van de waterkwaliteit dienen zoveel mogelijk duurzame bouwmaterialen te worden toegepast. Conclusie De kwalitatieve en kwantitatieve waterbelangen komen met de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in het gedrang.

4.10 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleid, wet- en regelgeving Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (mer), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het

37

milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: •

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige mer- (beoordelings)plichtige besluiten;

•

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden;

•

Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig mer- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit MER. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit MER geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije merbeoordeling’ uit voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld. Situatie Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van één woning en één recreatiewoning. Deze activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit MER aangemerkt als: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. Er dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voorliggend plan blijft ver onder de drempelwaarden. Er geldt geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een voorvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Door middel van de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden.

Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een m.e.r. Conclusie Geconcludeerd wordt dat belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten zijn. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving.

38

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

5.1

Planbeschrijving

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en de legenda. Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, namelijk: 1. de verbeelding, met zoveel mogelijk relevante informatie wat betreft de (dubbel)bestemmingen, aanduidingen, afmetingen en verklaringen van de betreffende gronden; 2. de regels, hierin wordt per bestemming een zo eenduidig mogelijke omschrijving van het gebruik en bouwmogelijkheden van de betreffende bestemming gegeven; 3. de toelichting, hierin worden de beweegredenen weergegeven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming aan een stuk grond, als mede een interpretatie en uitleg van de gebruikte bestemmingen. De verbeelding en de bijbehorende regels vormen de enige juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan.

5.2

Regels

Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2: Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

39

Bestemmingsregels Artikel 3: Kastelen en landgoederen De bestaande cultuurhistorische buitenplaats heeft gezien het bijzondere karakter de bestemming Kastelen en landgoederen gekregen. Binnen deze bestemming is sprake van verschillende mogelijkheden in toegestaan gebruik en functies om er voor te zorgen dat de exploitatie financieel tegemoet te komen. Hiermee wordt het behoud van de objecten voor de toekomst zeker gesteld. Als goot- en bouwhoogte zijn de bestaande maten opgenomen. Bij nieuwe gebouwen kan hiervan afgeweken worden. De huidige woning in het kasteel kan uitgewisseld worden met het zuidelijke bouwvlak. De woning mag dus óf in het kasteel óf in het zuidelijk bouwvlak gerealiseerd worden, waarbij: •

zonder uitwisseling maximaal één woning is toegestaan in het kasteel en drie woningen in het zuidelijke bouwvlak;

•

met uitwisseling maximaal 4 woningen in het zuidelijk bouwvlak zijn toegestaan.

Er mag een vijfde woning worden toegevoegd binnen de bestaande boerderij mits deze levensloopbestendig wordt uitgevoerd. Artikel 4: Waarde – Archeologie 5 Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en met een diepte van meer dan 0,4 meter onder maaiveld. Algemene regels Artikel 5: Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Artikel 6: Algemene bouwregels Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Artikel 7: Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels leggen een aantal vormen van gebruik vast die, ongeacht de bestemmingslegging, in ieder geval zijn uitgesloten. Artikel 8: Algemene aanduidingsregels Hierin is de ‘milieuzone – roerdalslenk II’ opgenomen die nadere regels stelt over bodemingrepen dieper dan 30 meter beneden maaiveld.

40

Artikel 9: Algemene afwijkingsregels Behalve de specifieke afwijkingsregels, opgenomen binnen de bestemmingsregels, kent het plan ook een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden. Deze bevoegdheden hebben als doel om flexibel te kunnen inspelen op afwijkingen en overschrijdingen van beperkte aard of omvang. Artikel 10: Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Artikel 11: Overige regels In deze bepaling wordt duidelijk gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan. Overgangs- en slotregels Artikel 12: Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 13: Slotregel De slotregel geeft aan hoe de regels van het plan worden aangehaald.

41

6

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De ontwikkeling wordt geheel op risico van de initiatiefnemer aangegaan en is daarmee een volledig particulier initiatief. Het plangebied is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Roerdalen en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal is verzekerd. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Er heeft een overleg plaatsgevonden met de omwonenden. Daarnaast is het initiatief besproken met de Heemkundevereniging Roerstreek en stichting Kernoverleg Natuurlijk! Postert. Omwonenden Er heeft een overleg plaatsgevonden met drie omwonenden die op minder dan 150 meter afstand van het landgoed wonen. Van het overleg is een gespreksverslag gemaakt. Dit verslag is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Heemkundevereniging Roerstreek Er is veel goodwill m.b.t. de initiatiefnemer, die er al lange tijd alles aan doet het kasteel, een rijksmonument, in goede staat te onderhouden. Dat de barakken gesloopt worden juicht het bestuur toe, want die behoren niet bij het pand. Wanneer op die plek een woning gebouwd wordt, is het zeer wenselijk dat de woning aangepast wordt in de stijl van de gerenoveerde tiendschuur. Stichting Kernoverleg Natuurlijk! Postert. Er wordt voorgesteld om de bewoners van de burgemeester Geradtsstraat en de bewoners van ’t Reutje te informeren. De bewoners moeten een kans krijgen om te reageren voordat er gesloopt en gebouwd gaat worden. Ook stichting Jules Geradts dient te worden geïnformeerd voordat er gesloopt en gebouwd gaat worden.

Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met relevante

42

overlegpartners. Het concept ontwerpbestemmingsplan is toegestuurd naar het Waterschap Limburg, de Rijksdienst en de provincie Limburg. Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wro juncto afdeling Awb. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. Eventuele zienswijzen zullen worden meegenomen in de besluitvorming omtrent onderhavig plan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is er één zienswijze ingediend.

43

BIJLAGE 1

LANDSCHAPPELIJKE ONDERBOUWING

44

BIJLAGE 2

INSPECTIERAPPORT

45

BIJLAGE 3

ECOLOGISCHE QUICKSCAN

46

BIJLAGE 4

BEREKENING STIKSTOFDEPOSITIE

47

BIJLAGE 5

GESPREKSVERSLAG OMWONENDEN

48

Klement Rentmeesters. Liefde voor monumenten en landgoederen.

Makelaardij Beheer en exploitatie Herbestemming Subsidies Grondzaken

www.klement2.com 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=8ce08195-c2e2-43ba-8974-89d3e9c3b1c0