Bijlage 2: Nota van Zienswijzen - Verklaring van geen bedenkingen Zonnepark Kleine Bergerweg Sint Odiliënberg
Tekst van het document
De ontwikkeling van het zonnepark heeft hiermee geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Subsidiaire zienswijze Reclamant De subsidiaire zienswijze van reclamant is de gedeeltelijke vernietiging van de ontwerp verklaring van geen bedenkingen. De gedeeltelijke aanpassing van de ontwerp verklaring van geen bedenkingen zou naar mening van reclamant inhouden dat een gedeelte van het zonnepark – te weten de panelen aan de oostzijde van het landbouwperceel – komt te vervallen. Het perceel komt dan slechts aan één zijkant tegen het zonnepark aan te liggen. Alhoewel ook deze opstelling van het zonnepark schade oplevert aan het landbouwperceel, waarvoor reclamant gecompenseerd zal moeten worden door de gemeente Roerdalen en/of de Solar Provider Group, zal deze schade aanmerkelijk minder zijn dan wanneer het landbouwperceel aan vier zijden door het zonnepark omgeven wordt en volledig in het plangebied ligt, aldus reclamant. Antwoord gemeente Deels verlenen VVGB. Er bestaat geen aanleiding om de verklaring van geen bedenkingen (VVGB) maar gedeeltelijk te verlenen. Een gedeeltelijke verlening betekent dat de VVGB deels geweigerd wordt. Uit artikel 6.5 lid 2 van het Besluit omgevingsrecht volgt dat een VVGB alleen geweigerd kan worden in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
Dit betekent dat er sprake moet zijn van ruimtelijke argumenten om de VVGB deels te kunnen weigeren. Hier is echter geen sprake van.
23
Nota van Zienswijzen
Mocht er verder sprake zijn van inkomensschade dan wel waardedaling van de betreffende onroerende zaak als gevolg van het afgeven van de omgevingsvergunning dan bestaat de mogelijkheid om een aanvraag voor planschade (nadeelcompensatie) in te dienen. Zie verder het antwoord onder het bovenstaande kopje ‘Waardedaling perceel ODLOO-F-730’. Tertiaire zienswijze Reclamant De tertiaire zienswijze van reclamant is het aanpassen van de ontwerp verklaring van geen bedenkingen door ODLOO-F-730 aan het plan toe te voegen en indien gewenst aan de noord- of oostzijde van het plangebied 1,36 ha zonnepanelen te laten vervallen. Op deze wijze wordt een compacter zonnepark gerealiseerd dat beter in de omgeving en het landschap zal passen. Het perceel ODLOO-F-730 bevindt zich niet in een uitsluitingsgebied Zon en kan dus zonder probleem aan het plan toegevoegd worden. Een andere optie is dat het perceel gebruikt zou kunnen worden voor de bezoekers van het informatiecentrum, aldus reclamant. Antwoord gemeente Perceel ODLOO-F-730 opnemen in besluitgebied. De initiatiefnemer van dit zonnepark heeft bij de gemeente een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. De raad dient een besluit te nemen over het verlenen van de definitieve verklaring van geen bedenkingen op basis van deze aanvraag.
Immers, uit de jurisprudentie1 blijkt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Om de volgende reden is het op voorhand niet duidelijk dat door het toevoegen van het perceel ODLOO-F-730 een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het toevoegen van het perceel ODLOO-F-730 zou betekenen dat de aanvraag afwijkt van het initiatief waar het college van burgemeester en wethouders op 6 december 2022 principemedewerking aan heeft verleend. Deze principemedewerking is gebaseerd op de beoordeling door de destijds daartoe ingestelde adviesgroep. De voorgestelde toevoeging van het perceel ODLOO-F-730 is niet ter beoordeling voorgelegd aan de adviesgroep en kan dus niet zonder meer toegevoegd worden aan het besluitgebied. Wanneer het betreffende perceel toegevoegd wordt dan dient de tender opnieuw opengesteld te worden, zodat alle initiatiefnemers weer de kans hebben om hun eventueel gewijzigd initiatief te laten beoordelen door de adviesgroep.
Het opnieuw openstellen van de tender kan dus tot gevolg hebben dat het aangepaste zonnepark van initiatiefnemer een te lage score behaalt als gevolg van de toevoeging. Op dat moment kan er geen principemedewerking meer verleend worden aan het initiatief. Een eventuele aanvraag van initiatiefnemer voor het gewijzigde plan zal dan geweigerd worden.
1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 23 januari 2019, 201804681/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:178.
24
Nota van Zienswijzen
Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in het ontwerpbesluit en wordt ongegrond verklaard.
Zienswijze 2 Reclamanten Reclamanten stellen dat in het raadsvoorstel de raad is voorgehouden dat in de ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat er daarom geen weigeringsgronden aanwezig zijn die het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen in de weg staan. Hierop afgaande heeft de raad volgens reclamanten een ontwerp verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Reclamanten zijn het hier niet mee eens en verzoeken de raad de definitieve verklaring van geen bedenkingen te weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De argumenten hiervoor zijn opgenomen onder A. tot en met H. A. Ondeugdelijk beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen en ondeugdelijke beoordelingsmatrix. In de aan de raad verstrekte informatie is gesteld (zie beantwoording emailvraag over de procedures Zon op land en de rol van de gemeenteraad hierin d.d. 6 december 2022) dat de raad met de vaststelling van het beleidskader ‘Zonne- en windenergie gemeente Roerdalen’ de ruimtelijke kaders heeft bepaald voor de realisatie van een zonnepark. Gesteld wordt ‘Als de aanvraag voor een zonnepark voldoet aan het beleidskader en voldoende scoort in de beoordelingsmatrix dan voldoet het plan aan de door de raad vastgestelde eisen.
Dit kan niet leiden tot een ruimtelijk argument om de VVGB te weigeren.’ Dit is naar mening van reclamanten niet juist. Dat zou namelijk betekenen dat het voor belanghebbenden zoals reclamanten onmogelijk zou zijn om het beleidskader en de beoordelingsmatrix in een zienswijze en vervolgens eventueel bij de rechter ter discussie te stellen. Reclamanten hebben geen bezwaar kunnen maken tegen het beleidskader en de beoordelingsmatrix, omdat beleidsregels niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn. Om deze reden kunnen reclamanten in deze zienswijze het beleidskader en de beoordelingsmatrix wel degelijk nog aan de orde stellen en heeft u als gemeenteraad nog wel degelijk de mogelijkheid om dit te betrekken in uw overwegingen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of u een definitieve verklaring van geen bedenkingen afgeeft. U zult u besluit ook afdoende moeten motiveren op basis van een afweging of het zonnepark voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening. Eventuele door de gemeente met de aanvrager/ontwikkelaar Solar Provider Group gemaakte afspraken, doen er niet aan af dat u zorgvuldig moet afwegen en afdoende moet motiveren of het Zonnepark Kleine Bergerweg voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke
25
Nota van Zienswijzen
ordening. Overigens plegen gemeentebesturen in hun afspraken met aanvragers/ontwikkelaars ook een gedegen voorbehoud op te nemen dat zij niet kunnen instaan voor afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, omdat dit een bevoegdheid is van de gemeenteraad alsook een voorbehoud dat belanghebbenden zienswijzen mogen indienen en (hoger) beroep mogen instellen en dat dit eveneens aanleiding kan zijn om de aanvraag alsnog te weigeren. Reclamanten zijn van mening dat het gemeentelijke beleidskader en de beoordelingsmatrix ten onrechte onvoldoende kaders bevatten om tot een gedegen selectieprocedure en keuze te komen. Reclamanten zijn van mening dat de opgenomen kaders onvoldoende geschikt zijn om te kunnen beoordelen of een locatie vanuit ruimtelijk oogpunt geschikt en aanvaardbaar is. Reclamanten zijn van mening dat in de beoordelingsmatrix onvoldoende ruimtelijke beoordelingscriteria zijn opgenomen. De beoordelingscriteria gaan over de passendheid binnen het landschap (1), landschappelijke inpassing (2), meervoudig ruimtegebruik (3), toevoeging meerwaarde (4), borging onderhoud, ontmanteling meerwaarde, coöperatieve realisatie, participatie bij planontwikkeling (5). Er zijn bijvoorbeeld geen of onvoldoende criteria opgenomen om te kunnen beoordelen welk plan het beste past gezien de in de directe omgeving reeds aanwezige functies en activiteiten.
Er zijn onvoldoende criteria opgenomen om te kunnen beoordelen welk plan de minste kans geeft op beperkingen voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden of anderszins tot hinder of schade voor agrarische bedrijven en omwonenden in de omgeving van het besluitgebied. Er zijn onvoldoende criteria opgenomen om te beoordelen welke locatie het beste voldoet aan de Regionale Energiestrategie en aan rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid, waaronder de voorkeursvolgorde voor zon (ook wel zonneladder genomen) die zowel in rijksbeleid als in de Omgevingsvisie Limburg is opgenomen. Er zijn onvoldoende criteria opgenomen ten aanzien van het gebruik waarvoor de locatie is bestemd (in casu agrarisch) en de wenselijkheid om de locatie voor de komende 30 jaar aan dat bestemde gebruik te onttrekken. Er zijn onvoldoende criteria opgenomen op het gebied van milieu (schittering vanaf de panelen, geluid, bodemkwaliteit etc.), cultuurhistorie, archeologie etc. . Al deze voor een goede ruimtelijke ordening relevante criteria ontbreken en zijn bijgevolg niet meegewogen in de beoordelingsmatrix en derhalve ook niet bij de keuze van de locatie. De keuze voor ‘Zonnepark Kleine Bergerweg’ is naar de mening van reclamanten alleen reeds om deze reden onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en getuigt niet van een goede ruimtelijke ordening.
Bovendien is aan een aantal ‘strenge voorwaarden’ niet voldaan. Reclamanten verwijzen in het bijzonder naar strenge voorwaarde 1, inhoudend dat het te ontwikkelen zonnepark moet passen in de schaal, de sfeer en de maatvoering van het landschap waar het zonnepark deel van gaat uitmaken. Hieraan is naar de mening van reclamanten niet voldaan nu gekozen is
26
Nota van Zienswijzen
voor een locatie gelegen binnen een volgens het RES voor een zonnepark nauwelijks geschikt veldenlandschap. Antwoord gemeente ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ / beoordelingsmatrix. Ten eerste kan door reclamanten uitsluitend een zienswijze worden ingediend op de ontwerp omgevingsvergunning/ontwerp verklaring van geen bedenkingen behorende bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning Zonnepark Kleine Bergerweg. Het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ en de bijbehorende beoordelingsmatrix maken geen onderdeel uit van deze aanvraag. Op sec het Beleidskader en de bijbehorende beoordelingsmatrix kan binnen deze procedure dus geen zienswijze worden ingediend. Verder is de wijze waarop het Beleidskader en de beoordelingsmatrix tot stand zijn gekomen, en hoe de beoordeling van de ingediende initiatieven heeft plaatsgevonden, binnen het kader van deze vergunningsprocedure, ruimtelijk niet relevant. Voor zover de zienswijze van reclamanten betrekking heeft op het voornoemde, wordt deze voor kennisgeving aangenomen. Ten tweede heeft de raad heeft op 15 juli 2021 het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ vastgesteld. Na vaststelling van de beoordelingsmatrix door de raad op 3 februari 2022 is een uitvraag aan de markt gedaan om zonnepark initiatieven in te dienen.
Alle initiatieven zijn aan de hand van de door de raad vastgestelde beoordelingsmatrix beoordeeld door een daartoe deskundig adviespanel. In december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders principemedewerking verleend aan de twee best scorende initiatieven, te weten het Zonnepark Hobertsveldweg en het Zonnepark Kleine Bergerweg. Voorts is voor beide parken een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De omgevingsvergunning voor het Zonnepark Hobertsveldweg is inmiddels onherroepelijk. In het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (fairplay beginsel) behoren beide aanvragen aan het beleid getoetst te worden, zoals vastgesteld op 15 juli 2021. Dit volgt verder ook uit het zogenaamde Drimmelen-arrest2. Uit deze uitspraak blijkt dat een gemeente niet zonder meer haar beleid mag wijzigen tijdens een vergunningenprocedure, althans voor zover hierdoor verschillende beoordelingsmaatstaven ontstaan. Een gemeente moet alle aanvragen objectief en op een gelijke wijze beoordelen en mag daarbij geen partij bevoordelen. Kortom, door in dit stadium van de vergunningenprocedure het beleidskader qua beoordelingsmaatstaven nog aan te passen, wordt de initiatiefnemer van het Zonnepark Kleine Bergerweg mogelijk benadeeld ten opzichte van de initiatiefnemer van het Zonnepark Hobertsveldweg. Dit is in strijd met het fairplay beginsel. ‘Strenge voorwaarde 1’.
Reclamanten stellen dat niet voldaan is aan ‘strenge voorwaarde 1’, omdat gekozen is voor een locatie gelegen binnen een volgens de Handreiking Landschap RES voor
2
Zie de uitspraken van de ABRVS van 16 februari van 2020, ECLI:NL:RVS:2022:437 en ECLI:NL:RVS:2022:442
27
Nota van Zienswijzen
een zonnepark nauwelijks geschikt veldenlandschap. Om onderstaande redenen bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat niet is voldaan aan ‘strenge voorwaarde 1’. Op basis van de ‘Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg’ ligt het zonnepark deels in het gebiedstype ‘Velden’ en deels in het gebiedstype ‘Droge heide-ontginningen’. In de Handreiking wordt het gebiedstype ‘Velden’ aangemerkt als nauwelijks geschikt voor een zonnepark. Op pagina 39 van de Handreiking wordt over het ‘nauwelijks geschikt zijn’ het volgende gesteld: ‘Deze landschappen staan een grootschalig initiatief voor zon-op-land nauwelijks toe. De vraag is of de schaalgrootte van het initiatief aan kan sluiten bij de landschappelijke kenmerken (de geschiktheid en het lokale laadvermogen). Het vergt aanpassingen van landschappelijke structuren. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat de kernkwaliteiten en karakteristiek van het landschap herkenbaar blijft en versterkt wordt. De benaderingswijze van het landschap verdient hierbij extra aandacht, zoals aangegeven in onderstaand handvat. …….’
Het voorgaande betekent dus dat aan de hand van de kernkwaliteiten/karakteristiek van het landschap onderbouwd moet worden waarom het Zonnepark Kleine Bergerweg passend is binnen het nauwelijks geschikte gebiedstype ‘Velden’. Deze onderbouwing is vanaf pagina 16 e.v. opgenomen in het Landschapsplan (bijlage 2 van de ruimtelijke onderbouwing). Uit de onderbouwing blijkt dat het besluitgebied geschikt is in plaats en schaal voor de inpassing van het zonnepark. Aanvullend wordt hierbij nog het volgende opgemerkt. De provincie Limburg heeft tijdens het wettelijk vooroverleg aangegeven dat de locatiekeuze nader onderbouwd moet worden aan de hand van de voornoemde Handreiking. Zie de e-mails in bijlagen 1 en 2. Naar aanleiding hiervan is, zoals hiervoor reeds voormeld, een uitvoerige onderbouwing opgenomen in het Landschapsplan (bijlage 2 van de ruimtelijke onderbouwing). De provincie heeft ons uiteindelijk tijdens de zienswijzenperiode van de ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen medegedeeld dat het initiatief en de onderbouwing van de instructieregels, waaronder dus ook de onderbouwing van de locatiekeuze, in voldoende mate passend is binnen de vereisten vanuit de Omgevingsverordening 2014. Zie de e-mail in bijlage 3. Reclamanten B. Geen sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing/geen goede ruimtelijke ordening 1.
Gevolgde procedure is onzorgvuldig, er is onvoldoende onderbouwd dat geen sprake is van beperkingen voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden op het agrarisch bedrijf van reclamanten, alternatieve locaties zijn onvoldoende onderzocht, de belangen van actieve agrarische bedrijven in het Linnerveld en omwonenden zijn onvoldoende meegewogen. Reclamanten oefenen aan de Kleine Bergerweg een agrarisch bedrijf uit. De locatie ligt aan één zijde onmiddellijk aansluitend aan het besluitgebied en daarnaast aan de overzijde van het besluitgebied (slechts gescheiden door de breedte van de Kleine Bergerweg).
28
Nota van Zienswijzen
Reclamanten exploiteren een melkveehouderij- annex akkerbouwbedrijf. Het akkerbouwbedrijf is voornamelijk gespecialiseerd in de teelt van aardappels. De twee kinderen willen in de toekomst het bedrijf van de ouders overnemen. Daarvoor is nodig dat de omstandigheden in de directe omgeving van het bedrijf blijven overeenkomen met hetgeen noodzakelijk is om het bedrijf goed te kunnen uitoefenen. Eén van de criteria van de beoordelingsmatrix bestond uit de borging van het participatieproces bij de concrete planontwikkeling. Vanuit de gemeente Roerdalen is met reclamanten niet rechtstreeks gesproken, omdat de participatie via de aanvrager/ontwikkelaar Solar Provider Group zou lopen. De Solar Provider Group heeft weliswaar een participatieproces gevoerd met enkele omwonenden, waaronder reclamanten, maar vanuit de houding: wij hebben de tender gewonnen, we snappen dat jullie het niet willen maar dit zonnepark komt er gewoon. Jullie mogen alleen nog aangeven wat jullie vinden van een paar door ons bedachte opties qua uitvoering en dan gaan wij kijken wat we daar mee willen doen. Keer op keer hebben reclamanten aangegeven het niet eens te zijn met het plan, te vrezen voor beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van hun agrarisch bedrijf en de redenen daarvoor aangegeven, echter vergeefs. Met de zorgen van reclamanten is niets gedaan.
Het enige wat hun is aangeboden ‘ter compensatie’ is een aantal zonnepanelen tegen inkoopprijs die ze dan ook nog zelf moesten laten installeren en misschien was er een mogelijkheid om goedkoper energie af te nemen hetgeen vervolgens vaag bleef. Reclamanten vinden het triest dat de gemeente een dergelijke opstelling voldoende vindt. Wel is ieder gesprek braaf geturft en is de ruimtelijke onderbouwing met daarin de weergave van het participatieproces in de ogen van het college van burgemeester en wethouders een goede ruimtelijke onderbouwing. Het participatieproces dat volgens de strenge voorwaarde 5 moest zijn geborgd, stelt op deze manier niets voor. Reclamanten hebben ingesproken tijdens een vergadering van de raadsadviescommissie en tijdens de raadsvergadering over de ontwerp verklaring van geen bedenkingen. Ook hierin hebben zij kenbaar gemaakt dat zij vrezen voor beperkingen voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van hun agrarisch bedrijf. In de raadsvergadering hebben reclamanten tijdens het spreekrecht het college verzocht de gemeenteraad te informeren over hoe de provincie Limburg over de vergunningsaanvraag dacht. De provincie Limburg had namelijk nog de nodige bedenkingen over het plan en had daarmee nog niet ingestemd.
Dit gebeurde vervolgens maar zeer summier, waardoor de gemeenteraad naar de mening van reclamanten niet volledig geïnformeerd was toen deze ging stemmen over de ontwerp verklaring van geen bedenkingen. Reclamanten hebben gedurende de procedure begrepen dat de gemeente Roerdalen achteraf ook vond dat de eigen beleidsregels en de beoordelingsmatrix ongelukkig gekozen waren en
29
Nota van Zienswijzen
dat er onvoldoende criteria en waarborgen waren opgenomen, maar desondanks is er een ontwerp verklaring van geen bedenkingen afgegeven en is er een ontwerp omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Keer op keer moesten reclamanten ervaren dat met hun bezwaren, waaronder de vrees dat het plan zou leiden tot beperkingen voor wat betreft de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van hun agrarische bedrijf, niets werd gedaan. Reclamanten voelden en voelen zich door de gemeente Roerdalen in de steek gelaten. Reclamanten hebben het zo ervaren dat hun bezwaren niet meer meetellen omdat het plan voor Zonnepark Kleine Bergerweg tot de twee hoogste scores volgens de beoordelingsmatrix behoorde. Dit terwijl reclamanten niet in de gelegenheid zijn geweest om inspraak te doen ten aanzien van de beleidsregels van de gemeente en beoordelingsmatrix. De belangen van de omliggende bedrijven en omwonenden van het Zonnepark Kleine Bergerweg zijn onvoldoende meegenomen. Reclamanten ervaren dit dusdanig dat zij het gelag moeten betalen van in het verleden door de gemeente Roerdalen onvoldoende doordacht gemaakte keuzes qua beleidsregels en voorwaarden van de tender. Vandaar de onderhavige zienswijze en het beroep aan de gemeenteraad om alsnog een goede afweging te maken die voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening.
Het beoogde zonneveld wordt aangelegd in het hart van het Linnerveld. Daarmee wordt het hart uit een agrarisch gebied gerukt. De kansen voor actieve agrarische bedrijven in het gebied om hun bedrijf toekomstbestendig te kunnen (blijven) exploiteren worden daarmee beperkt. De Solar Provider Group zou in het kader van de participatie overlegd hebben met stakeholders. Met de Limburgse Land- en Tuinbond, zijnde de belangenbehartiger van de agrarische sector heeft geen overleg plaatsgevonden. Bewoners van omliggende dorpen, zoals Linne, die gewoon zijn te recreëren, wandelen en fietsen in het Linnerveld zijn evenmin in de participatie betrokken. Vanuit het dorp Linne is er veel weerstand tegen het onderhavige plan, hetgeen naar de mening van reclamanten een duidelijk teken is dat het participatietraject onvoldoende is doorlopen. In hetgeen thans ter inzage ligt, blijkt ook niet dat de bezwaren van reclamanten toereikend zijn onderzocht. In de ter inzage gelegde ruimtelijke onderbouwing wordt hier niet op ingegaan en evenmin is er een onderzoeksrapport overgelegd waaruit blijkt dat er geen sprake is van beperkingen voor de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf.
Reclamanten hebben alternatieve locaties aangewezen, die vanuit ruimtelijk oogpunt beter geschikt zijn omdat deze niet in het hart van een actief agrarisch gebied tevens veldenlandschap liggen maar op gronden die aansluiten aan de snelweg/spoorlijn of het stort liggen, maar dat is niet adequaat opgepakt. Dit terwijl op voorhand duidelijk was dat op deze gronden een gelijkwaardig resultaat zou kunnen worden behaald met aanzienlijk minder
30
Nota van Zienswijzen
bezwaren. Dit laatste omdat de ligging van deze gronden minder snel zal leiden tot bezwaren van uit actieve agrarische bedrijven en vanuit de inwoners van onder meer Linne, waartoe dit gebied van oudsher behoorde. Antwoord gemeente Onzorgvuldig gevoerde procedure. In de documenten ‘Communicatie- en participatieverslag’ en ‘Stakeholder contactmomenten’ (bijlagen 12 en 13 van de ruimtelijke onderbouwing) wordt uitvoerig ingegaan op de wijze waarop de omwonenden en overige belanghebbenden bij de planontwikkeling betrokken zijn. Het feit dat reclamanten het niet eens zijn met de locatiekeuze betekent niet dat daarmee de gevoerde procedure/het participatietraject onzorgvuldig is. Daarnaast is het initiatief onderbouwd in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Ook de ruimtelijke onderbouwing geeft geen aanleiding om te stellen dat er sprake is van een onzorgvuldig gevoerde procedure. Dit wordt mede ondersteund door de mededeling van de provincie Limburg tijdens de zienswijzenperiode van de ontwerpomgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen dat het initiatief en de onderbouwing van de instructieregels, waaronder de participatie, in voldoende mate passend is binnen de vereisten vanuit de Omgevingsverordening 2014. Zie de e-mail in bijlage 3. Gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden agrarisch bedrijf reclamanten.
De ruimtelijke onderbouwing geeft geen aanleiding om te stellen dat de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf van reclamanten worden beperkt. Ten eerste blijft het agrarisch bouwvlak van reclamanten ongewijzigd. Dit betekent dat de geldende planologische gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarisch bedrijf ongewijzigd blijven. Ten tweede geldt het volgende. Omdat voor zonneparken geen richtafstanden gelden ten opzichte van woningen heeft de raad bij amendement van 3 februari 2022 als randvoorwaarde gesteld dat de afstand tussen zonnepanelen of een onderdeel van de technische installatie en een bouwvlak behorende bij een (agrarisch)bedrijf met bedrijfswoning minimaal 100 meter moet bedragen. Het amendement heeft weliswaar betrekking op (bedrijfs)woningen, maar doordat bij agrarische bedrijven gemeten moet worden vanaf het bouwvlak betekent dit dat in een zone van 100 m rondom het agrarisch bedrijf van reclamanten geen zonnepanelen en bijbehorende technische installaties geplaatst mogen worden. Het initiatief voldoet aan deze voorwaarde. Ten slotte geldt er geen wettelijke norm die bepaalt dat binnen een bepaalde afstand van een agrarisch bedrijf geen zonneparken inclusief installaties gerealiseerd mogen worden, omdat een agrarisch bedrijf dan beperkt wordt in de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden.
Alternatieve locaties zijn onvoldoende onderzocht. De initiatiefnemer van dit zonnepark heeft bij de gemeente een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. De raad dient een besluit te nemen over het verlenen van de definitieve verklaring van geen bedenkingen op basis van deze aanvraag. Immers, uit de jurisprudentie3 blijkt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 23 januari 2019, 201804681/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:178.
31
Nota van Zienswijzen
van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Reclamanten verwijzen onder andere naar gronden die aansluiten aan de snelweg/spoorlijn of de stort. Zij benoemen hierbij echter niet concreet de kadastrale percelen, waardoor niet beoordeeld kan worden of er daadwerkelijk een gelijkwaardig resultaat bereikt kan worden met aanzienlijk minder bezwaren. Bovendien heeft initiatiefnemer geen principemedewerking van het college van burgemeester en wethouders ontvangen voor een eventuele alternatieve locatie. Een eventuele aanvraag van initiatiefnemer voor de alternatieve locatie zal daarom geweigerd moeten worden. Immers, alleen de aanvragen die naar aanleiding van de tender een principemedewerking hebben ontvangen, worden in behandeling genomen. Uit hoofdstuk 5 ‘Voorwaarden voor de ontwikkeling van zonnevelden’ in het Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030 volgt namelijk dat uitsluitend initiatieven die de hoogste scoren behalen, mogen worden uitgewerkt. De belangen van actieve agrarische bedrijven in het Linnerveld en omwonenden zijn onvoldoende meegewogen.
Uit de zienswijze blijkt niet dat agrarische bedrijven in het Linnerveld en bewoners van omliggende dorpen reclamanten hebben gemachtigd om hun belangen te behartigen. Hier wordt dus verder niet op ingegaan. Reclamanten 2. Voorschriften zijn ontoereikend De voorschriften zoals opgenomen in de ontwerp omgevingsvergunning zijn ontoereikend en reclamanten verzoeken de raad daarom de definitieve verklaring van geen bedenkingen mede om deze reden niet te verlenen. In de voorschriften van de ontwerp-vergunning is opgenomen dat het zonnepark uitsluitend gebruikt mag worden indien binnen 1 jaar na ingebruikname van het zonnepark het bijbehorende landschappelijk inpassingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden. Hierbij dienen als voorwaarde twee faunapassages te worden gerealiseerd, waarbij de locatie met belanghebbende nader wordt bepaald. Allereerst vragen reclamanten zich af wie de belanghebbende is met wie de locatie voor twee faunapassages nader wordt bepaald. Als dit niet reclamanten zijn, zijn reclamanten van mening dat zij hier eveneens in behoren te worden betrokken nu hun bedrijf deels onmiddellijk aansluitend aan en deels onmiddellijk tegenover het besluitgebied is gelegen.
Daarnaast zijn reclamanten van mening dat het uitvoeren van de landschappelijke inpassing binnen 1 jaar na ingebruikname van het park op hetzelfde neerkomt als de put dempen nadat het kalf verdronken is. Om een goede borging van de landschappelijke inpassing te verwezenlijken is dan noodzakelijk om een voorschrift op te nemen dat het zonnepark pas gerealiseerd en in gebruik mag worden genomen nádat de landschappelijke inpassing volledig is uitgevoerd en daarnaast slechts in gebruik mag blijven als en zolang het landschappelijk inpassingsplan kwalitatief en kwantitatief in stand is gehouden.
32
Nota van Zienswijzen
Verder is in de voorschriften opgenomen dat de verlichting van de masten geen hinder mag veroorzaken voor de omgeving. Een dergelijk voorschrift is naar de mening van reclamanten onvoldoende concreet en duidelijk. Dit leidt achteraf tot discussie over de vraag wanneer sprake is van hinder voor de omgeving. Verder is een verplichting tot het uitvoeren van een nul-situatie bodemonderzoek opgenomen, maar reclamanten missen een verplichting tot het uitvoeren van een eindsituatie bodemonderzoek. Dit is nodig om de exploitant van het zonnepark te kunnen aanspreken op sanering van de als gevolg van het zonnepark eventuele ontstane bodem- en grondwaterverontreiniging. Voor wat betreft de voorschriften inzake brandveilig bouwen, is voor reclamanten onvoldoende duidelijk of de hier opgenomen voorschriften toereikend zijn om brandonveilige situaties uit te sluiten. De bedrijfs- en woonlocatie van reclamanten ligt zoals gezegd deels onmiddellijk aansluitend en deels tegenover het besluitgebied. In het bijzonder missen reclamanten hier voorschriften die erop zien dat aanvullende eisen op het gebied van brandveiligheid kunnen worden gesteld indien toekomstige aanscherping/wijziging van de brandveiligheidsnormen daartoe aanleiding geven. Verder missen reclamanten voorschriften voor het gebruik van onder meer reinigingsmiddelen benodigd voor de panelen en verdere installaties.
Evenmin zijn voorschriften opgenomen voor wat betreft een verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid. Ook vragen reclamanten zich af in hoeverre de ontmanteling van het zonnepark na afloop van de periode van 30 jaar financieel geborgd is. Evenmin wordt duidelijk wat heeft te gelden als het zonnepark niet meer in gebruik is maar de periode van 30 jaar nog niet is verstreken of indien de exploitant failliet gaat of ontbonden wordt en om die reden geen verhaal meer biedt. Weliswaar wordt gesteld dat dit in een privaatrechtelijke overeenkomst geborgd wordt, maar of dat in toereikende mate het geval is, is voor reclamanten niet inzichtelijk en bovendien voor reclamanten niet afdwingbaar. Antwoord gemeente Faunapassage. De ligging van de faunapassage wordt door initiatiefnemer bepaald in overleg met de gemeente en de grondeigenaar waar de faunapassage op uitmondt. Landschappelijke inpassing. Het is niet praktisch om eerst de landschappelijke inpassing te realiseren en vervolgens pas het zonnepark. De kans is groot dat na realisatie van het zonnepark de landschappelijke inpassing deels opnieuw aangelegd moet worden. Dit leidt tot extra kosten voor de initiatiefnemer en dat is niet wenselijk. Cameramasten. De dichtstbijzijnde cameramast is geprojecteerd op +/- 200 m vanaf de woning van reclamanten. Zie de technische tekening (bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing).
Gelet op deze
33
Nota van Zienswijzen
afstand is het zeer onwaarschijnlijk dat reclamanten overlast zullen ervaren van het licht van de cameramast. Eindsituatie bodemonderzoek. Het uitvoeren van een eindsituatie bodemonderzoek is privaatrechtelijk geregeld. Er is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In artikel 15 van deze overeenkomst is opgenomen dat initiatiefnemer verplicht is om, na beëindiging van de exploitatie, het besluitgebied terug te brengen in oorspronkelijke staat, conform de nulmeting. Voorschriften brandveiligheid. De voorschriften voor de brandveiligheid zijn opgelegd vanuit de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Dit is een deskundig orgaan op het gebied van brandveiligheid. Er kunnen verder na verlening van de omgevingsvergunning geen aanvullende voorschriften qua brandveiligheid opgenomen worden. De vergunning is dan rechtens onaantastbaar geworden. Voorschriften reinigingsmiddelen/verzekering wettelijke aansprakelijkheid. Dit zijn geen aspecten die een relatie hebben met de bouw van het zonnepark incl. voorzieningen. Ook zijn ze ruimtelijk niet relevant. Deze aspecten kunnen daarom niet als voorschriften aan de vergunning gekoppeld worden. Financiële borging ontmanteling zonnepark. In bijlage 9 van de ruimtelijke onderbouwing is het amoveringsplan opgenomen. In dit plan is inzichtelijk gemaakt op welke wijze de amovering financieel geborgd is. Uit het plan volgt o.a.
dat, uitgaande van de huidige amoveringskosten, € 30.000,- per hectare jaarlijks gereserveerd moet worden. Het zonnepark inclusief de landschappelijke inpassing omvat 20 ha. Dit betekent dus dat na 30 jaar € 600.000,-- gereserveerd moet zijn voor de amovering van het zonnepark. Mocht de exploitatie van het zonnepark eerder beëindigd worden dan zal de amovering betaald worden uit de restwaarde van het zonnepark. Dit is volgens het plan € 500.000,--. Aangezien een gedeelte van de landschappelijke inpassing na beëindiging van de exploitatie gehandhaafd blijft, is ook het bedrag van € 500.000,-- voldoende om het park te kunnen ontmantelen. De financiering van de ontmanteling is verder ook geborgd in de anterieure overeenkomst die de gemeente met initiatiefnemer heeft gesloten. Het amoveringsplan maakt onderdeel uit van de overeenkomst. Reclamanten 3. Overige verplichtingen werken nog extra beperkend voor reclamanten Verder is onder in het besluit onder ‘overige verplichtingen’ opgenomen dat met het plan tijdelijke natuur wordt gerealiseerd, maar dat in de eerst volgende planologische mogelijkheid tot functiewijziging een gedeelte van deze tijdelijke natuur wordt omgezet naar permanente natuur.
Reclamanten zijn van mening dat het te ver voert om aan het faciliteren van het onderhavige plan een verplichting te verbinden, inhoudend dat er blijvende natuur moet ontstaan in ruil voor een zonnepark gedurende 30 jaar. Daarmee wordt de aanspraak op goede landbouwgrond voor niet agrarische functies alleen maar groter. Dit belemmert voorts de stelling dat het besluitgebied na 30 jaar weer in de oorspronkelijke staat kan worden gebracht. Voorts is het zo dat deze nieuwe natuur leidt tot beperkingen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van
34
Nota van Zienswijzen
reclamanten. Reclamanten protesteren hier met klem tegen, ook omdat zij op deze manier naar hun mening worden beperkt in hun mogelijkheden om hier in de toekomst nog rechtsmiddelen tegen aan te wenden. Reclamanten verzoeken de raad om de definitieve verklaring van geen bedenkingen mede om deze reden te onthouden. Antwoord gemeente Permanente natuur. Het omzetten van de tijdelijke natuur naar permanente natuur komt voort uit de provinciale vooroverlegreactie van 29 maart 2023. Zie bijlage 1. In deze reactie wordt het volgende door de provincie Limburg gesteld: ‘Ad lid 5 d. Verwijdering na beëindiging van de activiteit …………, maar gelet op het bepaalde in art. 2.17.2, lid 8 van de Omgevingsverordening, verzoeken wij u om deze verwijdering, in combinatie met het verplicht in stand houden van de groenstructuren na het verdwijnen van het zonnepark, via een voorschrift in de vergunning vast te leggen. Tevens verzoeken wij u aan te geven wat er gebeurt met de aan te leggen structuren en hun voortbestaan na de ontmanteling van het zonneveld. Het landschapsplan meldt hier niets over.’
De groenstructuren worden verder voornamelijk aan de randen in stand gehouden, zodat er na amovering van het zonnepark toch sprake is van goed te bewerken landbouwpercelen. Reclamanten 4. Er is geen sprake van een goede ruimtelijke onderbouwing en bijgevolg kan niet worden gesteld dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college van burgemeester en wethouders geeft in de ontwerp omgevingsvergunning aan dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de aanvraag een goede ruimtelijke onderbouwing omvat. Reclamanten zijn van mening dat het besluit weliswaar een ruimtelijke onderbouwing bevat, maar dat deze niet valt aan te merken als een goede ruimtelijke onderbouwing. Reclamanten voeren het volgende aan: a. Landschappelijke analyse, laadvermogen van het landschap, geschiktheid van de locatie. In de ruimtelijke onderbouwing en de daarbij behorende bijlagen waaronder het landschappelijk inpassingsplan wordt ingegaan op de geschiktheid van het besluitgebied voor een zonnepark. Vermeld wordt dat het zonnepark gepland is in een landschapszone die volgens de RES nauwelijks geschikt geacht wordt voor een zonnepark. Het Linnerveld is namelijk een veldenlandschap.
Vervolgens wordt in de ruimtelijke onderbouwing en in het landschappelijk inpassingsplan toe geredeneerd naar het voor de aanvrager gewenste resultaat, namelijk het zonnepark toch op deze nauwelijks geschikte plek te realiseren omdat de Solar Provider Group nu eenmaal met de eigenaren van deze percelen afspraken heeft gemaakt over gebruik van hun percelen.
35
Nota van Zienswijzen
Gesteld wordt: ‘Het zonnepark is gelegen in een beperkte geschiktheidszone volgens het RES, maar past in onze motivatie binnen de principes van de provinciale omgevingsvisie en het RES Noord- en Midden Limburg en voldoet aan het laadvermogen van het landschap.’ Gesteld wordt dat de karakteristieke openheid van het Linnerveld minder waarneembaar is door de komst van nieuwe bospercelen en boomkwekerijen rond het besluitgebied. Gesteld wordt dat hoewel het besluitgebied in het open veldontginningslandschap ligt, er meer sprake is van een mozaïeklandschap met verschillende opgaande productiebosjes, boomkwekerijen, fruitkwekerijen, een houtsingel en een bomenrij. Dit is in de ogen van reclamanten een verdraaiing van feiten. Reclamanten moeten bij aanvragen van vergunningen ook voldoen aan voorwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen omdat sprake is van een veldenlandschap. In het bestemmingsplan is opgenomen dat de waarden in dit gebied dienen te worden beschermd. Een ieder die het gebied kent of zelfs maar de moeite neemt om de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen, kan concluderen dat sprake is van een veldenlandschap, een open gebied met een wijds uitzicht over een agrarisch cultuurlandschap. Op veel plaatsen kan tot aan de horizon worden gekeken. Enkele bosjes en bomenrijen ontnemen niet de openheid en het wijdse zicht op het gebied.
Boomkwekerijen zijn er volgens reclamanten niet in dit gebied. Er is sprake van één fruitteler en die ligt niet in de nabijheid van het besluitgebied, maar meer aan de rand van het Linnerveld. Reclamanten bestrijden dan ook de deugdelijkheid van de ruimtelijke onderbouwing en daarbij behorende bijlagen. Het open veldenlandschap van het Linnerveld gaat verloren door het ontwikkelen en exploiteren van een zonneveld in het hart van het gebied, voorzien van landschappelijke inpassing die bovendien ook nog deels de status krijgt van blijvende natuur. Daarmee gaat het open veldenlandschap niet alleen de komende 30 jaar maar definitief verloren. Reclamanten betwisten dan ook de juistheid van de conclusie dat het plan voldoet aan de principes van de provinciale omgevingsvisie en het RES Noord- en Midden Limburg en aan het laadvermogen van het landschap. Reclamanten zijn van mening dat de kernkwaliteiten van het gebied worden aangetast als gevolg van het initiatief waarvoor thans vergunning wordt gevraagd. De openheid van het gebied gaat verloren door een zonnepark in het hart van het gebied. Het zonnepark inclusief hekwerken en voorziene haag- en struweelbeplanting, blokkeren het zicht op het wijdse landschap en reclamanten bestrijden dat de maat en schaal van het landschapstype hiermee behouden blijft.
Er wordt een zonnepark aangevraagd in een gebied dat is aangemerkt als veldenlandschap en deze zijn nauwelijks geschikt voor zonneparken. Dit getuigt niet van een goede ruimtelijke ordening. Antwoord gemeente Omgevingsverordening Limburg 2014. Artikel 2.17.2 lid 5 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gaat bij zonneparken op landbouwgrond uit van het zogenaamde ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat een ruimtelijk plan een zonnepark op landbouwgrond uitsluitend onder een aantal voorwaarden toelaat. Eén van de voorwaarden is dat het ruimtelijk plan is voorzien van een zorgvuldige afweging ten aanzien van de locatie. Een andere voorwaarde is dat moet worden
36
Nota van Zienswijzen
voorzien in een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing en beheer passend bij de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap. In tegenstelling tot wat reclamanten stellen is er wat betreft de landschappelijke analyse, het laadvermogen van het landschap en de geschiktheid van de locatie wel degelijk sprake van een goede ruimtelijke ordening. Hier beneden wordt dit nader toegelicht. Locatiekeuze. Wat betreft de locatiekeuze volgt uit de ruimtelijke onderbouwing (pagina 38 en 39) het volgende. Ten eerste heeft de raad in het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ een Uitsluitingsgebied Zon aangewezen. De planlocatie ligt niet binnen dit Uitsluitingsgebied. Op basis van het gemeentelijke beleidskader ligt de locatie dus in potentiegebied. Ten tweede past het initiatief binnen het landschapstype en de bijbehorende kernkwaliteiten van de locatie. Het ‘Landschapskader Noord- en Midden Limburg’ en de ‘Handreiking Landschap Grootschalige Energie opwek zon-op-land RES Noord- en Midden Limburg’ bieden hierbij handvatten voor het onderbouwen van de locatiekeuze. De landschappelijke analyse heeft daarom aan de hand van deze stukken plaatsgevonden.
Op pagina 39 van de ruimtelijke onderbouwing volgt uit het gestelde onder het kopje ‘Handreiking Landschap RES’ het volgende: ‘Op de geschiktheidskaart behorende bij de Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg is er sprake van ontwikkeling binnen een Zeer geschikte locatie (Droge heideontginning) en Nauwelijks geschikt (Velden). Volgens de Handreiking Landschap RES geldt voor de als ‘nauwelijks geschikt’ aangemerkte landschapstypen dat de geschiktheid beperkt is, omdat de schaal van het initiatief in veel gevallen aanpassingen van landschappelijke structuren vergt. Een belangrijke randvoorwaarde om in die landschapstypen toch een zonnepark te realiseren, is het herkenbaar houden van de karakteristiek van het landschap. Derhalve dient de aanpassing van landschappelijke structuren te worden vergezeld van een onderbouwing waarin is weergegeven op welke wijze de kwaliteiten van het landschap minimaal behouden blijven. Om aan die voorwaarde te voldoen is een onderbouwing opgesteld op welke wijze de kwaliteiten van het landschap wordt behouden en zelfs versterkt. Voor deze locatie is een landschappelijk inpassingplan (zie separate bijlage) opgesteld, welke onder andere ingaat op de inpassing vanuit de RES-Handreiking.’
Zie verder hier beneden het gestelde bij ‘Kernkwaliteiten’. Ten derde biedt de voorliggende locatie kansen om aan te sluiten bij aanwezige groenstructuren, waaronder de Goudgroene natuurzone. De invulling van gronden met een zonnepark geeft de gemeente en provincie de kans om in combinatie met de realisatie van het zonnepark ongeveer 12 ha. natuur te ontwikkelen in de vorm van graslanden, patrijzen- en dassenakkers, struweelhagen en een wadi. Na de beëindiging van de exploitatie van het zonnepark (30 jaar) blijft een gedeelte van deze natuur gehandhaafd. In de eerste volgende planologische mogelijkheid zullen deze gronden een natuurfunctie krijgen. Er is kortom niet sprake van het tijdelijk realiseren van natuur bij het zonnepark, maar juist van permanente natuur.
37
Nota van Zienswijzen
Kernkwaliteiten. De onderbouwing van de locatiekeuze kan verder niet los worden gezien van de kernkwaliteiten van het landschap. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing wordt over de kernkwaliteiten van het landschap het volgende gesteld: ‘Ad sub b. De kernkwaliteiten van het landschap worden omschreven in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Op basis van dit kader ligt het projectgebied grotendeels binnen het gebiedstype ‘Velden’ en deels binnen ‘Droge heide-ontginningen’. In de Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg wordt het gebiedstype ‘Velden’ aangemerkt als nauwelijks geschikt, daarentegen wordt het gebiedstype ‘Droge heide-ontginningen’ aangemerkt als zeer geschikt. In het landschapsplan is een onderbouwing gegeven over de landschapskenmerken die aanwezig zijn en waarmee zoveel mogelijk wordt aangesloten op de ontwerpprincipes uit de Handreiking.’
In het Landschapsplan (bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing) zijn de 11 landschapskenmerken/kernkwaliteiten behorende bij een ontginningslandschap omschreven. Zie pagina 9 van het Landschapsplan. In het ontwerp van het inpassingsplan is rekening gehouden met deze 11 aanwezige kernkwaliteiten (zie pagina 9 Landschapsplan), waaronder: 1. De panelen en hagenstructuur worden met max. 1,77 meter zo laag mogelijk gehouden, zodat er overheen gekeken kan worden en vergezichten behouden blijven. 2. Prominente zichtlijnen worden opgenomen in het zonnepark. 3. Het zonnepark wordt ingepast in de bestaande kavelstructuur en volgt de leidende kaveloriëntatie. 4. Het panelenveld kent een blokvormige inpassing, heeft geen rafelranden en volgt de leidende kaveloriëntatie. Kortom, in tegenstelling tot wat reclamanten stellen, is rekening gehouden met de vergezichten en wordt het zicht op het landschap niet geblokkeerd door de hagen en struweelbeplanting. Ook leiden de gehanteerde ontwerpprincipes er toe dat rekening is gehouden met de ter plaatse aanwezige kernkwaliteiten waardoor het plan passend is binnen de maat en schaal van het landschapstype. Toetsing onderbouwing locatiekeuze. De landschapsdeskundigen van de provincie Limburg hebben het inpassingsplan tijdens het wettelijk vooroverleg beoordeeld of het passend is binnen de aanwezige landschapskenmerken/kernkwaliteiten.
Zie e-mails bijlagen 1 en 2. Aan de hand van deze beoordeling is het definitieve landschapsplan aangepast en aangevuld. De provincie heeft ons vervolgens tijdens de zienswijzenperiode van de ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen medegedeeld dat het initiatief en de onderbouwing van de instructieregels in voldoende mate passend is binnen de vereisten vanuit de Omgevingsverordening 2014. Zie de e-mail in bijlage 3. Dit betekent dus dat volgens de provincie de locatiekeuze (inclusief landschapsanalyse) in voldoende mate is onderbouwd en dat door het initiatief de kernkwaliteiten niet worden aangetast.
38
Nota van Zienswijzen
Ten slotte is het landschappelijk inpassingsplan voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige commissie (de LKM-commissie). Deze commissie heeft het definitieve inpassingsplan op 9 januari 2025 goedgekeurd. Verwezen wordt verder naar bijlage 4 voor de advisering tijdens de planvorming. Ook uit het advies van de LKM-commissie blijkt verder niet dat het initiatief niet passend is in het gebied, dat de landschapsanalyse onvoldoende is geweest, dan wel dat kernkwaliteiten worden aangetast. Reclamanten b. Terugbrengen in dezelfde staat en geschiktheid agrarisch gebruik na 30 jaar. Gesteld wordt dat de aanvrager het besluitgebied na 30 jaar terugbrengt in dezelfde staat als waarin dit thans is, maar na 30 jaar verschraling is de staat van de grond en de agrarische bruikbaarheid daarvan niet vergelijkbaar aan het huidige gebruik. Ook de te borgen permanente natuur maakt dat de grootte en verkaveling van de percelen die dan weer agrarisch gebruikt zouden kunnen worden dusdanig ongunstig is dat dit volstrekt niet te vergelijken is met de huidige staat. Bovendien belemmert ook de permanente natuur die als voorwaarde wordt gesteld voor de onderhavige aanvraag dit. Antwoord gemeente Terugbrengen in originele staat. Zoals op pagina 42 van de ruimtelijke onderbouwing aangegeven worden de gronden na 30 jaar weer teruggebracht in de originele staat.
Dit betekent dat ook de landbouwkundige bodemwaarde hersteld moet worden naar de originele staat. Doordat een gedeelte van de aan te leggen natuur een permanent karakter (+/- 4,5 ha) krijgt, zal er inderdaad minder landbouwgrond naar de originele staat teruggebracht worden. De permanente natuur blijft echter behouden aan de randen van de percelen, waardoor de landbouwgrond wederom door grote landbouwwerktuigen bewerkt kan worden. Reclamanten c. Meervoudig ruimtegebruik. Gesteld wordt dat sprake is van meervoudig ruimtegebruik (strenge voorwaarde 3). Zo wordt onder meer melding gemaakt van educatie, recreatie, ecologie en agrarisch gebruik door begrazing met schapen. Reclamanten betwisten dat het plaatsen van een bankje, een bijenhotel en een informatiebord gezien kan worden als ‘meervoudig ruimtegebruik’. Reclamanten hebben aangegeven dat het plaatsen van het bankje mogelijk zelfs zal leiden tot hangjeugd. De huidige recreatieve mogelijkheden worden door dit bankje niet versterkt en het is bezijden de waarheid dat de aantrekkelijkheid van het gebied voor de recreant wordt versterkt als gevolg van het zonneveld en de inpassing daarvan. Fietsers en wandelaars komen niet om tegen een zonneveld en de landschappelijke inpassing daarvan aan te kijken, maar komen juist voor de huidige kernkwaliteiten van het gebied te weten het open agrarisch cultuurlandschap (veldenlandschap).
Dat komt echter in de verdrukking en met name vanuit de kant van het dorp Montfort ontstaat zicht op een glasvlakte.
39
Nota van Zienswijzen
Eventuele begrazing met schapen heeft ten doel onderhoud van het zonnepark en niet agrarisch gebruik. In de ruimtelijke onderbouwing wordt ook erkend dat dit niet kan gelden als substantieel meervoudig ruimtegebruik. Het inzaaien van enkele stroken grond om voedsel aan te trekken voor das en patrijs is naar de mening van reclamanten geen meervoudig ruimtegebruik, maar een compensatie voor het door het zonnepark deels wegvallen van het bestaande foerageergebied van das en patrijs die in het onderhavige gebied reeds voorkomen en floreren. Dit laatste getuige onder meer de dassenkraamburcht en bijburcht in het besluitgebied en de recent geconstateerde uitbreiding daarvan en omringende burchten buiten het besluitgebied. Compensatie is geen versterking en het is nog maar zeer de vraag hoe bijvoorbeeld de dassen zullen reageren op een dergelijke verstoring van het leefgebied. Hetzelfde geldt voor de landschappelijke inpassing die ten doel heeft het zonnepark zo veel als mogelijk aan het zicht te onttrekken. Het gebruik van de ruimte is evident dienend aan het zonnepark. Van meervoudig ruimtegebruik is geen sprake en aan de voorwaarde uit de beoordelingsmatrix wordt niet voldaan. Antwoord gemeente ‘Strenge voorwaarde 3’.
Op pagina 51 van de ruimtelijke onderbouwing is de ‘strenge voorwaarde 3: meervoudig ruimtegebruik’ zoals bedoeld in het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ omschreven: ‘Strenge voorwaarde 3: meervoudig ruimtegebruik. Deze eis komt gedeeltelijk overeen met de tweede trede van de Limburgse Zonneladder. In de gemeente Roerdalen geldt dat bij omzetting van (bijvoorbeeld) agrarische gronden naar een zonnepark, de nieuwe invulling een functie aan het landschap zelf of aan de beleving van het landschap moet toevoegen. Deze functie kan onder andere vanuit culturele, educatieve of toeristische doeleinden worden gemotiveerd…….’
Vervolgens wordt strenge voorwaarde 3 op pagina 52 als volgt ingevuld: ‘Er zijn meerdere vormen van gebruik die mogelijk worden gemaakt met voorgenomen ontwikkeling. Centraal op het zonnepark Kleine Bergerweg en langs de recreatieve route wordt een informatie- en rustpunt gemaakt. Hiermee draagt het zonnepark bij aan educatieve doeleinden waarbij informatieborden worden geplaatst en aangelegd. De agrarische functie blijft behouden doordat de schapen middels beweiding tussen de panelen grazen. De schapen dragen middels drukbegrazing bij aan het agrarische karakter van het besluitgebied in combinatie met een ecologisch beheer. Door de huidige opstelling van de pv-panelen met voldoende rijafstand (ca. 2 meter) kunnen schapen goed onder de panelen komen. Tot slot is er een flinke ecologische meerwaarde die de biodiversiteit ten goede komt door de takkenrillen, wadi, hagen, bijenhotels en kruidenrijk gras. Zie hiervoor het landschappelijk inrichtingsplan in de bijlage behorende bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing.’
Op basis van deze omschrijving wordt niet ingezien waarom onder andere de landschappelijke inpassing, de stimulering van de biodiversiteit en het informatie- en rustpunt niet aangemerkt
40
Nota van Zienswijzen
kunnen worden als meervoudig gebruik zoals bedoeld bij ‘strenge voorwaarde 3’. Het betreft immers functies die voorheen niet aanwezig waren. Ze worden nu gelijktijdig toegevoegd met de realisatie van het zonnepark. Reclamanten d. Stikstofberekening De ruimtelijke onderbouwing bevat een Aeriusberekening waaruit zou blijken dat voor de bouw en het onderhoud en de daarvoor benodigde verkeersbewegingen van het Zonnepark Kleine Bergerweg geen natuurvergunning nodig zou zijn. Niet duidelijk is of de effecten van het beweiden met schapen daarin meegenomen zijn, hetgeen wel had gemoeten. Verder blijkt uit de toelichting van de Aeriusberekening dat sprake is van interne saldering. De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 20 januari 2021 (Logtsebaan) wordt aangehaald en vermeld wordt dat op basis van deze uitspraak geen vergunning meer nodig is op grond van de Wet natuurbescherming. Dit is echter volledig achterhaald als gevolg van de recente uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (Rendac). De conclusie dat geen natuurvergunning nodig is, is onjuist en de ruimtelijke onderbouwing kan ook op dit punt niet worden aangemerkt als een goede ruimtelijke onderbouwing. Aangezien bij weten van reclamanten ook geen natuurvergunning is verleend, hebben reclamanten twijfels bij de uitvoerbaarheid van hetgeen is aangevraagd. Antwoord gemeente Beweiden.
Op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Roerdalen – 2e herziening’ geldt op de onderhavige gronden de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden-1’. Op grond van deze bestemming mogen de gronden reeds gebruikt worden ten behoeve van beweiding. Een stikstofberekening is daarom niet noodzakelijk. Intern salderen. In bijlage 7 van de ruimtelijke onderbouwing is het stikstofonderzoek opgenomen. Uit het rapport blijkt dat de uitkomsten in alle scenario’s en op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jr. bedragen. Het is dus niet nodig om intern te salderen. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Reclamanten e. Instructieregels zonneparken/zonneladder niet correct toegepast. Op rijksniveau is het uitgangspunt dat moet worden gestreefd naar meervoudig ruimtegebruik en het zo veel mogelijk voorkomen van zonneparken op landbouwgronden, hetgeen in beginsel ongewenst wordt geacht en alleen bij wijze van uitzondering mogelijk is. De voorkeursvolgorde zon is op rijksniveau aangescherpt. Reclamanten verwijzen naar de brief van de Minister aan de Tweede Kamer van 26 oktober 2023. Het plan voor Zonnepark Kleine Bergerweg voldoet naar de mening van reclamanten niet aan het rijksbeleid op dit punt. Er is onder meer geen sprake van meervoudig ruimtegebruik.
41
Nota van Zienswijzen
Voor wat betreft de Limburgse zonneladder wordt in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat op het Zonnepark Kleine Bergerweg de Limburgse zonneladder zoals deze recentelijk is aangepast niet van toepassing is, omdat sprake zou zijn van een plan dat al in een ver gevorderd stadium zou zijn. Reclamanten bestrijden dit. Het plan was immers nog niet in ontwerp ter inzage gelegd en ook de voor het plan benodigde instemming van de provincie Limburg was niet verkregen. Voor zover reclamanten bekend is dat laatste zelfs op dit moment nog niet het geval. Ook een natuurvergunning is niet verleend en voor zover reclamanten bekend op dit moment nog niet aangevraagd, hetgeen naar de mening van reclamanten eveneens inhoudt dat niet kan worden gesteld dat sprake is van een plan dat al in een ver gevorderd stadium is. Bovendien gold voor de aanscherping ook reeds een Limburgse zonneladder, waaraan diende te worden getoetst. Tijdens de raadsvergadering van 18 april 2024 is bovendien een motie aangenomen inhoudend dat de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders oproept om de Limburgse zonneladder onverkort te volgen en toe te passen bij alle vergunningaanvragen voor het installeren van zonnepanelen. Hierbij is geen uitzondering gemaakt voor plannen die al in een ver gevorderd stadium zouden zijn. Bijgevolg geldt de oproep van de gemeenteraad ook voor het onderhavige plan.
Het zou naar mening van reclamanten niet in overeenstemming zijn met deze motie om vervolgens toch een verklaring van geen bedenking af te geven voor een zonnepark dat niet voldoet aan de Limburgse zonneladder. Verder wordt in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat het plan aan de (aangescherpte) Limburgse zonneladder zou voldoen. Dit wordt door reclamanten bestreden. Er geldt een (in de omgevingsverordening geborgd) ‘nee, tenzij’ principe en realisatie op landbouwgrond komt pas op de vierde en laatste plaats in aanmerking als locatie voor de realisatie van een zonnepark, dus na realisatie op daken en gevels, realisatie in bebouwd gebied en realisatie in landelijk gebied, niet zijnde landbouwgrond. Dit is in het onderhavige plan naar de mening van reclamanten onvoldoende onderbouwd. Reclamanten betwisten dat sprake is van een zorgvuldige ruimtelijke afweging ten aanzien van de locatie zoals voorgeschreven in de instructieregels zonneparken. Reclamanten verwijzen naar hetgeen zij hierover reeds hebben vermeld.
Verder wordt in de ruimtelijke onderbouwing onder meer gesteld dat de gemeente in geval van realisatie volgens de eerste drie treden afhankelijk zou zijn van de medewerking van derdepartijen zoals bijvoorbeeld eigenaren van daken, gevels en andere (niet agrarische) gronden, zoals Rijkswaterstaat die eigenaar is van onder meer de gronden met daarop het talud van de A73 of Prorail die eigenaar is van gronden langs het spoor. Die benadering kan volgens reclamanten niet gevolgd worden, immers in dat geval hadden de treden 1 tot en met 3 niet opgenomen hoeven worden omdat evident is dat daarvoor altijd de instemming van de eigenaren is vereist. Bovendien is volstrekt onvoldoende ondernomen (althans blijkt dit niet uit de ruimtelijke onderbouwing) om die eigenaren (waaronder Rijkswaterstaat en ProRail) te benaderen met het verzoek in te stemmen met opwekking van zonne-energie op hun daken, gevels en gronden.
42
Nota van Zienswijzen
Onder deze omstandigheden kan niet met recht worden gesteld dat aan de Limburgse zonneladder wordt voldaan. Antwoord gemeente Limburgse Zonneladder. In het rapport ‘Onderbouwing Limburgse Zonneladder Zonnepark Kleine Bergerweg (bijlage 15 bij de ruimtelijke onderbouwing) is de Limburgse zonneladder onderbouwd. Uit het rapport volgt dat voor deze onderbouwing twee hoofduitgangspunten gelden: 1. De realisatie van het zonnepark heeft tot doel: - het behalen van de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen; én - een bijdrage leveren aan de doelstelling van het Rijk en de RES. Dit houdt in het grootschalig opwekken van respectievelijk 35 TWh en 1,2 TWh elektriciteit vóór 2030. 2. Voor wat betreft de invulling van de Limburgse Zonneladder wil de gemeente Roerdalen haar klimaatdoelen bereiken door zowel in te zetten op trede 1 (zon op dak) als op trede 4 (zon op landbouwgrond). Uit het rapport blijkt dat de inzet van alle in potentie geschikte grote daken voor zonne-installaties in de gemeente niet voldoende zijn om de duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren. Ook worden met het plaatsen van zonnepanelen op daken, gevels en onbenutte terreinen maar kleine stappen gezet. Het vergt immers tijd om particulieren/bedrijven te overtuigen om daadwerkelijk duurzaamheidsmaatregelen te treffen.