Bijlage 2: Natuurtoets
Tekst van het document
Natuurtoets bestemmingsplanwijziging verhoging tentoonstellingstoren MERU te Vlodrop Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming Versie 2023 D.E.H. Wansink
Natuurtoets bestemmingsplanwijziging verhoging tentoonstellingstoren MERU te Vlodrop Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Versie 2023 drs. D.E.H. Wansink Status uitgave: definitief Rapportnummer:
18-127
Projectnummer:
17-0758
Datum uitgave:
3 mei 2023
Projectleider:
drs. D.E.H. Wansink
Naam en adres opdrachtgever:
Maharishi European Research University (MERU) Station 24, 6063 NP Vlodrop
Referentie opdrachtgever:
Brief d.d. 1 maart 2018
Akkoord voor uitgave:
drs. G.F.J. Smit
Paraaf:
Graag citeren als: Wansink, D.E.H., 2023. Natuurtoets bestemmingsplanwijziging verhoging tentoonstellings-toren MERU te Vlodrop. Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. Verzie 2023. Bureau Waardenburg Rapportnr. 18-127. Bureau Waardenburg, Culemborg. Trefwoorden: bestemmingsplanwijziging, vleermuizen, toren Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Maharishi European Research University Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is door CERTIKED gecertificeerd overeenkomstig ISO 9001: 2015.
Bureau Waardenburg bv hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
1
Voorwoord De Maharishi European Research University (MERU) is voornemens om op zijn terrein bij Vlodrop een tentoonstellingstoren te bouwen. Deze ingreep kan effecten hebben op beschermde gebieden en soorten planten en dieren. MERU heeft Bureau Waardenburg opdracht verstrekt om de voorgenomen ingreep te toetsen aan de Wet natuurbescherming. Voor zover negatieve effecten aan de orde zijn, zijn maatregelen aangegeven om negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden te voorkomen of te verzachten. Aan de totstandkoming van dit rapport werkten mee: Dennis Wansink Erik Korsten
projectleiding, rapportage veldwerk, rapportage, fotografie
Genoemde personen zijn door opleiding, werkervaring en zelfstudie gekwalificeerd voor de door hun uitgevoerde werkzaamheden. Het project is uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van Bureau Waardenburg. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg is door Certiked ISO gecertificeerd overeenkomstig BRL 9990:2001 / ISO 9001:2008. Vanuit MERU werd de opdracht begeleid door de heer G. Rieter. Wij danken hem voor de prettige samenwerking. De Aerius berekening is uitgevoerd door Hubert Neelen van Omgevings Vergunning Management.
Veldonderzoek is altijd een momentopname. Bureau Waardenburg waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige onderzoekers. Het bureau is niet aansprakelijk voor waarnemingen van soorten door derden en waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt.
2
Inhoud Voorwoord .................................................................................................................................... 2 1
2
3
4.
5
6
7
Inleiding ................................................................................................................................ 4 1.1
Aanleiding en doel.................................................................................................... 4
1.2
Verantwoording ........................................................................................................ 6
Toetsingskader beschermde soorten en gebieden ........................................................... 7 2.1
Wet natuurbescherming .......................................................................................... 7
2.2
Beschermingsregimes soorten ............................................................................... 7
2.3
Natura 2000-gebieden ............................................................................................. 8
2.4
Houtopstanden ......................................................................................................... 8
2.5
Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................... 9
Het plan tentoonstellingstoren MERU .............................................................................. 10 3.1
Beschrijving planlocatie ......................................................................................... 10
3.2
Uit te voeren werkzaamheden ...............................................................................11
Betekenis van de planlocatie voor beschermde soorten planten en dieren .................. 14 4.1
Bronnenonderzoek................................................................................................. 14
4.2
Betekenis van de planlocatie................................................................................. 14
Effecten van de ingreep en te treffen maatregelen ......................................................... 17 5.1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn ......................................................... 17
5.2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn ....................................................... 18
5.3
Beschermingsregime andere soorten................................................................... 22
Beoordeling Wet natuurbescherming............................................................................... 23 6.1
Conclusie resultaten onderzoek ............................................................................ 23
6.2
Overtreding verbodsbepalingen ............................................................................ 23
6.3
Ontheffingsaanvraag.............................................................................................. 23
Aanbeveling ....................................................................................................................... 24
Literatuur ..................................................................................................................................... 25 Bijlage 1
Wettelijke kader ...................................................................................................... 27
Bijlage 2
Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Meinweg....................................... 33
Bijlage 3
Berekening Lux ten gevolge van de verlichting van de MERU tentoonstellingstoren........................................................................................................... 36
Bijlage 4
Stikstofdepositie als gevolg van de bouw en het gebruik van een tentoonstellingstoren op het terrein van MERU te Vlodrop .............................................. 46
3
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel De Maharishi European Research University (MERU) is voornemens om op zijn terrein (zie bouwvlak figuur 1.1) bij Vlodrop een tentoonstellingstoren te bouwen.
Figuur 1.1
Locatie bouwvlak MERU (oranje) ten opzichte van habitattypen Natura 2000gebied Meinweg. Bron: Conceptbeheerplan, Provincie Limburg 2009.
Bij uitvoering van de werkzaamheden zal rekening moeten worden gehouden met beschermde gebieden alsmede met beschermde soorten planten en dieren. De Wet natuurbescherming heeft als doel het behoud van de biodiversiteit en duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. Sommige handelingen en ontwikkelingen kunnen de natuur, en daarmee de biodiversiteit, schaden en zijn daarom krachtens de wet verboden. Is dat het geval dan is er ontheffing nodig voor het overtreden van een verbodsbepaling. In specifieke gevallen geldt een vrijstellingsregeling. Als de schade betrekking heeft op een Natura 2000-gebied moet een vergunning worden aangevraagd.1
Het terrein van MERU bevindt zich in het Nationaal Park De Meinweg op enkele honderden meters van de Duitse grens bij Vlodrop, gemeente Roerdalen. Op het terrein vinden al enige jaren bouwactiviteiten plaats. Inmiddels is ongeveer de helft van het 1
4
Zie voor de doelstelling en regels van de Wet natuurbescherming het wettelijk kader in de bijlage.
terrein bebouwd. Een van de nog te realiseren bouwwerken betreft een tentoonstellingstoren. De tentoonstellingstoren wordt in dit rapport ook wel de planlocatie genoemd. De tentoonstellingstoren zal voor publiek toegankelijk zijn (figuur 1.2).
Figuur 1.2
Ligging van de planlocatie van de 54 m hoge tentoonstellingstoren (rood vlak). De rode lijn geeft de grens van het bestemmingsplangebied Vedische Universiteit.
Oorspronkelijk was de bouw van een tentoonstellingstoren met een hoogte van 35 meter voorzien. Hiervoor is een omgevingsvergunning verleend. Recentelijk zijn de wensen ten aanzien van de bouw van de tentoonstellingstoren gewijzigd. Het betreft aanpassing van de hoogte van de tentoonstellingstoren naar 54 meter exclusief het daarop nog gesitueerde ornament alsmede een andere positionering van de tentoonstellingstoren, verder naar het westen ten opzicht van de vergunde locatie van de 35 meter hoge tentoonstellingstoren. Het bouwen van deze tentoonstellingstoren is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Realisatie is uitsluitend mogelijk door middel van een planologische procedure (herziening van het bestemmingsplan) dan wel afwijken van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening dienen de effecten van de realisatie van de tentoonstellingstoren in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) te worden beoordeeld. Deze notitie doet verslag van deze effectbeoordeling.
5
1.2
Verantwoording De toetsing is een effectbepaling en -beoordeling op basis van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de planlocatie, de functie van de planlocatie en de directe omgeving voor deze soorten en de voorgenomen ingreep, zijnde de aanleg en het gebruik van de tentoonstellingstoren. De toetsing is opgesteld op basis van eerder door Bureau Waardenburg uitgevoerd veldonderzoek, de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen. De in dit rapport gepresenteerde gegevens over beschermde soorten zijn houdbaar tot mei 2026. Indien de in dit rapport beschreven ingreep wijzigt dan wel wordt uitgevoerd na april 2026 kan een actualisatie van het onderzoek nodig zijn.
6
2 Toetsingskader beschermde soorten en gebieden 2.1
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. De Wnb heeft als doel het behoud van de biodiversiteit en duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan. De wet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, van soorten planten en dieren en van houtopstanden. De regels die toezien op bescherming van Natura 2000-gebieden zijn opgenomen in ‘Hoofdstuk 2 Natura 2000-gebieden’ van de Wnb. De verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten planten en dieren zijn in de Wnb opgenomen in ‘Hoofdstuk 3 Soorten’ en beschreven per beschermingsregime (zie onder). De regels voor houtopstanden zijn beschreven in Hoofdstuk 4 van de wet. In het voorliggende rapport toetsen we aan bepalingen voor beschermde soorten (Wnb: Hoofdstuk 3). Effecten van de ingreep op de bepalingen uit de hoofdstukken 2 en 4 van de wet zijn op voorhand uitgesloten, evenals effecten op het Natuurnetwerk Nederland. Hieronder is dit kort toegelicht.
2.2
Beschermingsregimes soorten Bij de bouw van de tentoonstellingstoren moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van beschermde soorten planten en dieren op de planlocatie. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen. De Wnb onderscheidt bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1), • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2)2 en • Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). Voor een aantal soorten vallend onder ‘Beschermingsregime andere soorten’ heeft de provincie Limburg een vrijstelling verleend voor handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (Wnb Art 3.10 lid 2a). In dit rapport wordt onderscheid gemaakt in ‘Soorten van de Vogelrichtlijn’ (§ 3.1), ‘Soorten van de Habitatrichtlijn’ (Wnb § 3.2) en ‘Andere soorten’ (Wnb § 3.3). Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, is nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen voordat de ingreep wordt uitgevoerd (zie bijlage 1). 2
Dit betreft soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn met uitzondering van vogels. Vogels vallen onder Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van EZ, versie 1.3 december 2016.
7
2.3
Natura 2000-gebieden Het bebouwde gedeelte van de planlocatie3 ligt in het zuidoosten van het Natura 2000gebied Meinweg (figuur 1.1). Het bouwvlak is geëxclaveerd en maakt dus geen deel uit van het Natura 2000-gebied Meinweg. Er zal derhalve geen sprake zijn van directe effecten, zoals oppervlakteverlies. Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Meinweg In bijlage 2 staat de essentietabel van het Natura 2000-gebied Meinweg met de instandhoudingsdoelstellingen. Habitattypen Figuur 1.1 toont de locaties van de habitattypen waarvoor de Meinweg is aangewezen. Het dichtstbijzijnde habitattype, Veenbossen (H91D0), bevindt zich op meer dan 500 m van het bouwvlak van MERU. Vanwege deze afstand zijn de meeste effecten waar de habitattypen gevoelig voor zijn (oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring enz.) op voorhand uitgesloten. Ook negatieve effecten van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase kunnen worden uitgesloten. Aeriusberekeningen laten zien dat de stikstofdepositie tijdens de bouw en het beoogd gebruik niet leidt tot een toename van de depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen (bijlage 4). Soorten De soorten waarvoor de Meinweg is aangewezen hebben hun leef-/broedgebied op meer dan 400 meter van de planlocatie van de tentoonstellingstoren verwijderd (NDFF4).
Bovendien bevindt zich binnen het MERU-terrein geen geschikt leefgebied voor deze soorten. Vanwege de afstand zijn effecten van de tentoonstellingstoren op deze soorten uitgesloten, zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase. Op basis van bovenstaande argumentatie kunnen effecten van de bouw van de tentoonstellingstoren op het Natura 2000-gebied Meinweg op voorhand worden uitgesloten. In dit rapport zal verder niet op dit onderdeel van de Wet natuurbescherming worden ingegaan.
2.4
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt houtopstanden met een oppervlakte van minimaal 10 are (1000 m2) en rijbeplantingen die bestaan uit meer dan 20 bomen (art. 1.1). Op de planlocatie van de tentoonstellingstoren bevinden zich 9 bomen (paardenkastanjes) en enkele heesters (figuur 2.2). Deze bomen en heesters worden buiten het broedseizoen en vóór aanvang van de aanleg van de tentoonstellingstoren verwijderd. 3
Dit komt overeen met het bestemmingsplangebied Vedische Universiteit en wordt kortheidshalve ook wel aangeduid als bouwvlak. 4 Geraadpleegd op 11 april 2023.
8
Het oppervlak en het aantal bomen voldoen niet aan de minima voor houtopstanden die bescherming onder de Wet natuurbescherming genieten. Bovendien staan ze op het erf van MERU (Wnb, art. 4.1, sub b). De regels ten aanzien van houtopstanden zijn daarom niet van toepassing. Op dit onderdeel van de Wet natuurbescherming zal dit rapport verder niet ingaan.
2.5
Natuurnetwerk Nederland Het bouwvlak maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Volgens het POL (herziening EHS, provincie Limburg 2005b, § 2.5) maken bebouwde terreinen geen deel uit van de EHS (nu NNN), mits de bestemming ten tijde van de vaststelling van de EHS reeds bebouwing was. Dat is hier het geval. Effecten op het NNN zijn derhalve op voorhand uitgesloten. Het NNN wordt verder in dit rapport niet behandeld.
Figuur 2.2 Op de planlocatie van de tentoonstellingstoren staan momenteel bomen en heesters.
9
3 Het plan tentoonstellingstoren MERU 3.1
Beschrijving planlocatie De planlocatie waar de tentoonstellingstoren wordt gebouwd is onderdeel van het bestemmingsplangebied Vedische Universiteit. Dit bestemmingsplangebied wordt kortheidshalve ook wel aangeduid als bouwvlak. Dit bouwvlak bevindt zich in het Nationaal Park De Meinweg op 600 meter van de Duitse grens bij Vlodrop, gemeente Roerdalen (figuur 3.1).
Figuur 3.1
Ligging van het bestemmingsplangebied Vedische Universiteit of kortweg ‘bouwvlak’ waarin de planlocatie ligt.
Direct ten zuiden van de planlocatie ligt de internationale spoorlijn (IJzeren Rijn) tussen Roermond en de Duitse grens. De spoorlijn wordt al geruime tijd niet gebruikt. De directe omgeving van de planlocatie bestaat voornamelijk uit productiebos (naaldbos, gemengd bos). Tegen de oostgrens van de planlocatie ligt een parkachtig bos met paden, vijvers en andere elementen. Dit bospark is destijds voor een belangrijk deel ingericht door de paters van het voormalige College Sint Ludwig. Binnen het bospark zijn vijverpartijen, rododendrons en andere siergewassen en delen van een afrastering en een haag aanwezig.
10
Het MERU-terrein is voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Boslaan. Deze weg komt uit op de provinciale weg N570 (Herkenbosserweg). Direct ten zuiden van de Boslaan liggen schraalgraslanden en vochtige heide. Iets zuidelijker stroomt de Roode Beek, die de grens vormt tussen Nederland en Duitsland. Binnen het bouwvlak vinden sinds meerdere jaren aanlegactiviteiten plaats. Tot enkele jaren geleden bevond zich op dit bouwvlak het voormalige College Sint Ludwig. Dit is in 2015 gesloopt. Binnen het bouwvlak wordt nieuwbouw gerealiseerd, waarvan ongeveer 40% van het door MERU ter plekke te realiseren Masterplan inmiddels opgericht en in gebruik is.
3.2
Uit te voeren werkzaamheden In het bestemmingsplangebied Vedische Universiteit is een tentoonstellingstoren voorzien. Voor een ontwerp met een hoogte van 35 meter hoog is een onherroepelijke vergunning verleend. Figuur 3.2 toont de locatie waar deze tentoonstellingstoren zou komen. Deze vergunde tentoonstellingstoren is nog niet gebouwd. MERU wil namelijk een tentoonstellingstoren bouwen die 19 meter hoger is. Deze tentoonstellingstoren van 54 meter, exclusief het daarop nog gesitueerde ornament, komt bovendien 25 meter verder naar het westen te staan dan de tentoonstellingstoren van 35 meter. Figuur 3.3 toont de locatie van de voorgestane 54 meter hoge tentoonstellingstoren. Figuur 3.4 toont het aanzicht van de tentoonstellingstoren. Aan de buitenkant van de toren komt gevelverlichting waarvan licht van maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand valt. De gevelverlichting brandt van zonsondergang tot 22:00 uur. Tijdens evenementen kan de bedrijfsduur afwijken. Zie voor evenementen artikel 3.3.2 en artikel 8 lid b van het bestemmingsplan “Vedische Universiteit”. De lichtsterkte blijft ook bij evenementen maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. De bouwactiviteiten bestaan uit het via een hijskraan prefab bouwonderdelen op elkaar zetten. De kraan staat aan de westkant van de tentoonstellingstoren. Bij de kraan staat een generator met max 85 dB.
De aanvoer van de prefab bouwonderdelen gebeurt met een vrachtwagen die langzaam rijdt. De bouwwerkzaamheden vinden overdag plaats van 07:30 tot 17:00 uur van maandag tot en met vrijdag. Er wordt niet in het donker gewerkt. De bouw zal 12 maanden in beslag nemen. De bomen en heesters die momenteel op de bouwlocatie staan (figuur 2.2) worden voor de bouw en voor het broedseizoen verwijderd. De bouw van de tentoonstellingstoren kan worden omschreven als ingreep in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Gebruik van een door de minister goedgekeurde gedragscode voor de betreffende ingreep is niet aan de orde. Voor het uitvoeren van de ingreep geldt een vrijstelling voor regels ten aanzien van soorten uit het ‘Beschermingsregime andere soorten’ van de Wnb (zie bijlage 1).
11
12
Figuur 3.2
Ligging van de planlocatie van de vergunde 35 m hoge tentoonstellingstoren (rood vlak). De rode lijn geeft de grens van het vigerende bestemmingsplangebied Vedische Universiteit.
Figuur 3.3
Ligging van de planlocatie van de 54 m hoge tentoonstellingstoren (rood vlak). De rode lijn geeft de grens van het vigerende bestemmingsplan-gebied Vedische Universiteit.
Figuur 3.4
Aanzicht van de 54 m tentoonstellingstoren.
13
4. Betekenis van de planlocatie voor beschermde soorten planten en dieren 4.1
Bronnenonderzoek In verband met de diverse bouwactiviteiten in het bouwvlak zijn in het verleden diverse onderzoeken naar het voorkomen van beschermde plant- en diersoorten op het MERUterrein verricht (zie hoofdstuk 7). Deze gegevens zijn aangevuld met waarnemingen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF; geraadpleegd op 11 april 2023). Bij de interpretatie van de gegevens is rekening gehouden met het feit dat tot begin 2015 het Sint Ludwigcollegegebouw in het bouwvlak stond. Dit gebouw is in 2015 gesloopt.
4.2
Betekenis van de planlocatie Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn In het bos rondom het bouwvlak komen diverse broedvogels van bossen voor, waaronder drie soorten met jaarrond beschermde nestplaats5: buizerd, bosuil en havik. Buizerd broedde in 2017 op meer dan 300 m van de planlocatie. Na 2017 is nabij het plangebied geen broedgeval meer vastgesteld. Van havik is in 2022 op circa 500 m van de planlocatie een mogelijk broedgeval vastgesteld. Van de bosuil is geen broedgeval vastgesteld, maar op basis van waarnemingen van roepende bosuilen is het aannemelijk dat deze soort ergens in het bos rond het terrein van MERU broedt. In het bos oostelijk tegenover de planlocatie van de tentoonstellingstoren zijn baltsende dieren van vuurgoudhaantje, zwartkop, roodborst, kuifmees, tjiftjaf, glanskop, holenduif, boomkruiper en zwarte specht waargenomen (NDFF). Van het bouwvlak zelf bevat de NDFF geen waarnemingen van broedvogels. De binnen het bouwvlak gerealiseerde bouwwerken en nog te realiseren bouwwerken hebben broedvogels weinig te bieden. In het bouwvlak is weinig opgaande vegetatie. In de verspreid staande bomen en struiken worden algemene soorten als houtduif, merel, zanglijster, koolmees, vink, winterkoning, roodborst en heggemus verwacht. Soorten met jaarrond beschermde nestplaats zijn binnen het bouwvlak niet aangetroffen.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Met uitzondering van vleermuizen zijn van de planlocatie of de directe omgeving daarvan geen waarnemingen van soorten van het beschermingsregime Habitatrichtlijn bekend. In het bos ter hoogte van de Ludwigkapel (west van het bouwvlak) is in 2015 een zandhagedis waargenomen (NDFF). Binnen het bouwvlak en meer specifiek op de planlocatie van de tentoonstellingstoren bevindt zich geen geschikt biotoop voor deze 5
Op grond van door het ministerie van EZ verstrekte handreikingen worden nesten van de volgende soorten als jaarrond beschermde nestplaatsen beschouwd: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief, zwarte wouw.
14
soort. De bolwerken van deze soort bevinden zich verder naar het westen. Het ontbreken van geschikt biotoop binnen het bouwvlak is voor het merendeel van de soorten van dit beschermingsregime de verklaring voor het ontbreken van waarnemingen; zo ontbreken bijvoorbeeld waterpartijen voor vissen, amfibieën en de meeste libellensoorten. Voor enkele soorten valt de planlocatie buiten het bekende areaal van de soort in Nederland. Het voorkomen van andere soorten van dit beschermingsregime dan vleermuizen kan op basis van het ontbreken van geschikt biotoop en de ligging van de planlocatie ten opzichte van het bekende areaal van de soorten in Nederland worden uitgesloten. De aangetroffen vleermuissoorten staan in tabel 4.1. De planlocatie biedt aan deze vleermuissoorten geen voortplantings- of rustplaatsen. Gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis foerageren mogelijk af en toe rond de bomen op de planlocatie van de tentoonstellingstoren en langs de bosrand ten oosten hiervan, maar de planlocatie vormt geen essentieel foerageergebied of vliegroute voor deze soorten. Grootoorvleermuizen zullen de planlocatie van de tentoonstellingstoren mijden, omdat van het bestaande gebouw ten noorden van de planlocatie veel licht de planlocatie en de nabijgelegen bosrand bereikt (figuur 4.1). Grootoorvleermuizen mijden verlichte plekken. Tabel 4.1
Aangetroffen vleermuizen op het MERU-terrein. bouwvlak
parkbos
omliggende bosstrook
gewone dwergvleermuis
++
++
+
ruige dwergvleermuis
-
laatvlieger
++
++
+
rosse vleermuis
+
+
+
grootoorvleermuis spec.
+-
+
+
watervleermuis
+
baardvleermuis*
-
Myotis species
+++ = vaak waargenomen. +- = soms waargenomen.
++ = regelmatig waargenomen. - = zelden waargenomen.
* In vleermuiskelder
Beschermingsregime andere soorten Op 150 meter van de planlocatie in de dichtstbijzijnde poel zijn waarnemingen gedaan van Alpenwatersalamander, hazelworm en eekhoorn. Op de planlocatie is het voorkomen van deze soorten uitgesloten. De Alpenwatersalamander heeft voor de voortplanting water nodig. De hazelworm houdt van een combinatie van open plekken en dekking biedende vegetatie. Bosranden zijn erg in trek. De planlocatie en de nabijgelegen bosrand zijn echter niet geschikt als leefgebied, vanwege het ontbreken van dekking op de bodem. De eekhoorn is in de omgeving van de Ludwigkapel in de
15
westelijke hoek van het bouwvlak waargenomen. Het voorkomen van deze soort op de planlocatie zelf kan worden uitgesloten. Er bevindt zich geen nest in het groepje binnen de planlocatie aanwezige bomen en de bomen dragen ook geen vruchten waar eekhoorns op af komen. Van andere soorten van dit beschermingsregime zijn geen waarnemingen bekend, maar het incidenteel voorkomen van soorten als rosse woelmuis, egel, gewone bosspitsmuis, bosmuis, wild zwijn of das kan niet worden uitgesloten. De planlocatie biedt aan deze soorten echter geen vaste voortplantings- of rustplaatsen. Met uitzondering van wild zwijn en das geldt voor deze soorten ook een vrijstelling van de ontheffingsplicht bij ingrepen in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
Figuur 4.1
Verlichting van het bestaande gebouw ten noorden van de planlocatie van de tentoonstellingstoren gezien vanuit het parkbos ten oosten van het bouwvlak (Foto: Erik Korsten).
16
5 Effecten van de ingreep en te treffen maatregelen Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de werkzaamheden op beschermde soorten. Uitgangspunt voor de effectbepaling is dat rust- en verblijfplaatsen die plekken zijn voor een soort die van essentieel belang zijn voor haar levenscyclus en een onmisbaar onderdeel zijn van het habitat6. Om effecten te voorkomen zal de functionaliteit van rusten verblijfplaatsen gewaarborgd moeten zijn. Waar relevant is aangegeven welke maatregelen in dit kader van toepassing zijn.
5.1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Aanlegfase De bomen en heesters op de planlocatie worden buiten het broedseizoen en vóór aanvang van de aanleg van de tentoonstellingstoren verwijderd. De planlocatie heeft dan geen betekenis meer voor broedvogels. Verstoring door het geluid van de generator of beweging van mensen op broedende vogels in het bos ten oosten van de bouwlocatie is eveneens uitgesloten. Het bos onttrekt de beweging van mensen aan het zicht van de broedvogels. Het bos dempt tevens het geluid van de generator. In het bos broeden bovendien voornamelijk soorten waarvan de staat van instandhouding gunstig is (sovon.nl). Hierdoor is geen sprake van overtreding van artikel 3.1, lid 4 van de Wnb, omdat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van deze soorten (art. 3.1, lid 5 van de Wnb). Van de enkele uitzonderingen hierop, te weten kuifmees, zwarte mees en zwarte specht die landelijk een matig ongunstige status hebben (sovon.nl), zijn broedterritoria op meer dan 100 m van de generator aangetroffen (NDFF). Het geluidsniveau van de generator is op deze afstand gedaald tot het niveau waarop geen negatieve effecten op broedvogels optreden, in casu 50 dB(A), mede door de dempende werking van het bos.
Voor de drie soorten met jaarrond beschermde nestplaats geldt dat hun vermoedelijke nestplaatsen zich te ver (enkele honderden meters) verwijderd van de planlocatie bevinden om door bewegingen en geluiden tijdens de werkzaamheden te worden verstoord (zie ook BIJ12 2017 en Krijgsveld et al. 2022 voor de verstoringsafstanden van deze soorten). Naast de afstand zorgt het tussenliggende bos voor demping van het geluid en ontneemt het het zicht op de bewegingen van mensen en voertuigen. Er wordt niet gewerkt in het donker. Effecten van licht van – bijvoorbeeld – bouw-lampen op broedende vogels zijn derhalve ook uitgesloten. Concluderend kan worden gesteld dat in de aanlegfase effecten op soorten van de Vogelrichtlijn zijn uitgesloten. 6
Guidance document on the strict protection of animal species of Community interest under the Habitats Directive 92/43/EEC. Final version, February 2007.
17
Gebruiksfase Bij gebruik van de tentoonstellingstoren in het broedseizoen vinden geen activiteiten in, op of bij de tentoonstellingstoren plaats die tot opzettelijk doden van dieren (art. 3.1, lid 1 Wnb) of vernieling of beschadiging van nesten (art. 3.1 lid 2 Wnb) kunnen leiden. De gevelverlichting aan de buitenkant van de tentoonstellingstoren zou verstorend kunnen werken op vogels in de omgeving van de tentoonstellingstoren. Vanwege deze mogelijke verstorende werking is de sterkte van de gevelverlichting van dien aard dat maximaal 0,3 lux op de dichtstbijzijnde bosrand valt. Bovendien brandt de gevelverlichting maar een deel van de nacht, namelijk van zonsondergang tot 22:00 uur. Tijdens evenementen kan de bedrijfsduur afwijken. Zie voor evenementen artikel 3.3.2 en artikel 8 lid b van het bestemmingsplan “Vedische Universiteit”. De lichtsterkte blijft ook bij evenementen maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. Nota bene, deze verlichting is al voor het broedseizoen aanwezig. Er is derhalve geen sprake van opzettelijke verstoring als vogels, ondanks het licht, besluiten op of in de buurt van de tentoonstellingstoren te broeden. Hetzelfde geldt voor verstoring door bezoekers van de tentoonstellingstoren. De tentoonstellingstoren is het hele jaar opengesteld.
Er is dus altijd menselijke activiteit, ook op het moment dat een vogel besluit op of in de buurt van de tentoonstellingstoren te broeden. Overtreding van verbodsbepalingen in artikel 3.1, lid 4 (verstoring) is niet aan de orde. Effecten van de hoogte van de tentoonstellingstoren De tentoonstellingstoren van 54 m steekt een behoorlijk eind boven het omringende bos uit. In de gebruiksfase zou dit effect kunnen hebben op vogels die over het bos vliegen. Bekend is dat trekvogels door verlichting worden aangetrokken en hierdoor gedesoriënteerd raken en van hun route afwijken en soms tegen het verlichte object aan vliegen. De locatie van de planlocatie bevindt zich echter niet in een bekende trekbaan van vogels. Effecten op migrerende vogels kunnen daarom worden uitgesloten. Overdag is de tentoonstellingstoren goed zichtbaar en makkelijk te ontwijken voor overvliegende vogels. De tentoonstellingstoren heeft ook geen grote glazen oppervlakten, waarvan bekend is dat vogels deze soms niet (op tijd) zien en er tegenaan vliegen. ’s Nachts zijn van de vogels alleen uilen actief. Deze zijn dan aan het jagen en daarbij vliegen ze laag tussen de bomen of over het terrein van MERU. De aanwezigheid van de tentoonstellingstoren is voor hen geen belemmering. Deze kunnen zij ontwijken, net zoals zij bomen kunnen ontwijken.
De grotere hoogte (van 35 naar 54 m) heeft evenmin invloed, omdat de uilen tijdens hun jacht niet boven de bomen uitkomen.
5.2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Aanlegfase Omdat de planlocatie geen belangrijke functie voor vleermuizen vervult zijn effecten in de aanlegfase op voorhand uitgesloten. Wel adviseren wij om geen werkzaamheden in
18
de schemering en het donker (avond/nacht) uit te voeren. Verstoring van eventueel jagende of langs vliegende vleermuizen wordt zo voorkomen.
Gebruiksfase In de gebruiksfase zouden de hoogte van de tentoonstellingstoren en de gevelverlichting aan de tentoonstellingstoren effect op vleermuizen kunnen hebben. Andere effecten, zoals verstoring door bezoekers van de tentoonstellingstoren, zijn uitgesloten, omdat vleermuizen ’s nachts actief zijn en dan zijn er geen bezoekers van de tentoonstellingstoren. Effecten van de hoogte van de tentoonstellingstoren Net als bij de vogels kan de tentoonstellingstoren een gevaar op leveren voor migrerende vleermuizen. De locatie van de planlocatie bevindt zich echter niet in een bekende trekbaan van vleermuizen. Effecten op migrerende vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Buiten de migratieperiode zijn vleermuizen te verdelen in soorten die zijn aangepast aan het jagen op insecten in de open ruimte (bijvoorbeeld rosse vleermuis, bosvleermuis), in halfopen ruimte (bijvoorbeeld dwergvleermuizen en laatvlieger) en de besloten ruimte tussen bomen en takken (grootoorvleermuizen, meeste Myotissoorten). Ze foerageren in de schemering en de nacht. Door het gebruik van echolocatie zijn vleermuizen goed in staat in het donker objecten te herkennen en te ontwijken. Alleen bij grote gladde en vrijwel naadloze oppervlakten komt het voor dat echo’s onder een hoek worden weerkaatst en vleermuizen in botsing met die oppervlakken kunnen komen (Greif et al. 2017).
Omdat de tentoonstellingstoren geen grote glazen oppervlakten heeft is dit gevaar uitgesloten. Enkele soorten, zoals de rosse vleermuis, vliegen ook op grotere hoogte als ze zich verplaatsen tussen hun verblijfplaats en hun jachtgebied. Zij vliegen dan wel hoog over het bos. Het betreft dagelijkse vliegbewegingen, geen jaarlijkse trek. Een object als een tentoonstellingstoren kunnen zij makkelijk herkennen en kunnen zij ontwijken. Omdat de afwijking van hun vliegroute (als die over het MERU-terrein zou zijn) gering is heeft dit geen significant effect op de vliegroute van de vleermuizen. Effecten van de hoogte van de tentoonstellingstoren op vleermuizen zijn uitgesloten. Er is geen sprake van overtredingen van verbodsbepalingen in artikel 3.5 van de Wnb. Effecten van de gevelverlichting van de tentoonstellingstoren op foeragerende en passerende vleermuizen Lacoeuilhe et al. (2014), Stone et al. (2015) en Spoelstra et al. (2017) geven een goed overzicht over de effecten van kunstlicht op vleermuizen. Alle vleermuissoorten worden in hun actieve periode (’s nachts) door kunstlicht beïnvloed. De omvang van het effect is echter niet voor elke soort gelijk. Grootoorvleermuizen en soorten van de Myotisgroep, waartoe bijvoorbeeld baardvleermuis, ingekorven vleermuis, franjestaart en
19
watervleermuis behoren, mijden tijdens het vliegen en foerageren verlichte plekken. Gewone en kleine dwergvleermuizen, laatvlieger en rosse vleermuis daarentegen worden tijdens het foerageren door kunstlicht aangetrokken. Ruige dwergvleermuizen tonen geen voorkeur of afkeer voor kunstlicht. Met betrekking tot de verlichting aan de tentoonstellingstoren zijn effecten alleen te verwachten van zonsondergang tot 22:00 uur. Tijdens evenementen kan de bedrijfsduur afwijken. Zie voor evenementen artikel 3.3.2 en artikel 8 lid b van het bestemmingsplan “Vedische Universiteit”. Gedurende deze tijd is de lichtsterkte langs de rand van een klein deel van het bosgebied (rode lijn in figuur 5.1) 0,3 lux of minder en dat is gelijk aan de verlichting onder natuurlijke omstandigheden, zoals bij volle maan. Zie kader voor een toelichting. Ook bij evenementen is de lichtsterkte op de nabijgelegen bosrand maximaal 0,3 lux.
Figuur 5.1
De ligging van de bosrand nabij de tentoonstellingstoren, waarop het lichtniveau de 0,3 lux niet overschrijdt.
De bosrand kan een functie vervullen als foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Tijdens monitoringonderzoek aan vleermuizen op het MERU-terrein zijn in de afgelopen drie jaar bij deze bosrand alleen gewone dwergvleermuizen en rosse vleermuizen waargenomen (Korsten & Wansink 2015, 2017, 2018). Licht-intolerante vleermuissoorten, zoals grootoorvleermuizen, watervleermuizen, baardvleermuizen en andere Myotis-soorten, zijn hier niet waargenomen. Zeer waarschijnlijk is deze bosrand voor de licht-intolerante soorten al ongeschikt als foerageergebied en vliegroute, vanwege de lichtverstoring vanaf het gebouw dat ten noorden van de planlocatie staat (figuur 4.1).
20
Bijlage 3 toont een voorbeeld van een gevelbelichting van de toren met LED-lampen. De gevelbelichting die wordt toegepast betreft gewone lampen die een hoeveelheid licht afgeven vergelijkbaar met 25% gedimd LED-licht. Bijlage 3 toont de sterkte van het licht in lux van LED-lampen op een verticaal vlak van 100 m breed en 50 m hoog op drie afstanden van de lampen: 30, 45 en 69 m. Hoe hoger en hoe verder van de lichtbron, hoe lager de lichtsterkte. Hieruit blijkt dat op 30 m van de lichtbron de lichtsterkte op 5 m hoogte (waar de lichtsterkte in het geval van de tentoonstellingstoren het hoogst is vanwege de vele lampen en reflecties op het gebouw) 0,61 lux is, in een ongedimde situatie (tabel 1.1.1 in bijlage 3). Op 45 m van de gevel is de lichtsterkte al tot 0,3 lux is afgenomen en op 69 m tot 0,08 lux, in een ongedimde situatie (tabellen 1.2.1 en 1.3.1 in bijlage 3). Wordt het licht van de LED-lampen met 25% gedimd, dan is de lichtsterkte op 30 m van de gevel op 5 m hoogte nog maar 0,45 lux, op 45 m 0,22 lux en op 69 m 0,06 lux (tabellen 1.1.2, 1.2.2 en 1.3.2 in bijlage 3). Tevens blijkt dat binnen een vlak de lichtsterkte op de hoeken van de gevel lager is dan in het centrum van de gevel. In het geval van de tentoonstellingstoren bevindt zich op ongeveer 45 m ten oosten van de toren een bosrand.
In het centrum van de gevel zal de lichtsterkte op 5 m hoogte op deze bosrand minder dan 0,22 lux zijn, namelijk overeenkomend met 25% gedimd LED-licht (figuur 5.1 en tabel 1.2.2 in bijlage 3). Naar de randen van de gevel zal de lichtsterkte op dezelfde afstand nog minder zijn. De bosrand loopt niet parallel aan de gevel, maar staat hier haaks op, waardoor de bosrand ten zuiden van punt A (zie onderstaande figuur) dichter bij de tentoonstellingstoren ligt dan de bosrand ten noorden van punt A. Om een idee te krijgen wat de sterkte van het licht op de bosrand ten zuiden van punt A is kunnen de lichtsterktegetallen van het vlak op 30 m van de gevel worden gebruikt (tabellen 1.1.1. en 1.1.2 in bijlage 3). Het snijpunt van dit vlak met de bosrand is punt B in onderstaande figuur. Dit punt ligt op ongeveer 26 m links van het centrum van het 30m-vlak. Volgens tabel 1.1.1 in bijlage 3 is de lichtsterkte van LED-lampen hier ongeveer 0,4 lux in de ongedimde situatie en 0,3 lux in de gedimde situatie. Waarschijnlijk is de lichtsterkte in werkelijkheid zelfs minder dan 0,3 lux, omdat geen LED-verlichting wordt gebruikt en de afstand tot de toren iets minder dan 30 m is.
21
Verder in het bos (op meer dan 150 m van de planlocatie) zijn gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, watervleermuis en een onbekende Myotis-soort wel waargenomen (Korsten & Wansink 2017, 2018). Zo ver reikt het licht van de tentoonstellingstoren echter niet. Ten zuiden en westen van de planlocatie bevindt zich open terrein dat voor vleermuizen en in het bijzonder de licht-intolerante soorten onaantrekkelijk biotoop is. Ook hiervan zijn de afgelopen drie jaar geen waarnemingen van licht-intolerante soorten gedaan. Effecten van het licht van de tentoonstellingstoren op foeragerende of passerende grootoorvleermuizen, watervleermuizen, baardvleermuizen en andere Myotis-soorten kan derhalve worden uitgesloten. Effecten op gewone en ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger zijn eveneens uitgesloten, omdat zij niet gevoelig voor licht zijn en er zelfs door worden aangetroffen. Zeer waarschijnlijk vanwege de vele insecten die op het licht afkomen. Effecten van de gevelverlichting van de tentoonstellingstoren op verblijfplaatsen van vleermuizen Als vleermuizen in hun verblijfplaats zijn ondervinden ze geen hinder van licht. Pas als ze ‘s avonds hun verblijfplaats willen verlaten kunnen effecten optreden.
Worden de uitgangen van de verblijfplaatsen van vleermuizen door kunstlicht beschenen dan verlaten de vleermuizen hun verblijfplaats later dan in onbelichte situaties (Stone et al. 2015). Bij continue verlichting kan dit leiden tot het permanent verlaten van de verblijfplaats, zoals Rydell et al. (2017) bij gewone grootoorvleermuizen vonden die in kerken verbleven waar spotverlichting op werd gericht. De gevelverlichting is echter op de gevel van de tentoonstellingstoren gericht en niet op de omgeving. Het licht op de bosrand betreft gereflecteerd licht. De kleur van het licht kan ook een rol spelen in de mate van verstoring bij verblijfplaatsen. Bij het aanlichten van de uitvliegopening van een verblijfplaats van kleine dwergvleermuizen bleek rood licht het minst negatief tot niet negatief op het uitvlieggedrag (Downs et al. 2003). Dit sluit aan bij het onderzoek van Spoelstra et al. (2017). Ook ten aanzien van verstoring van verblijfplaatsen door licht is de aanname dat effecten bij een lichtsterkte van 0,3 lux (vergelijkbaar met de lichtsterkte van volle maan) zijn uitgesloten. Effecten zijn dus alleen te verwachten op verblijfplaatsen binnen een afstand van 45 m van de toren (zie kader). Geen van de bekende vleermuisverblijfplaatsen bevindt zich op zo’n korte afstand van de toekomstige tentoonstellingstoren.
Verblijfplaatsen bevinden zich op meer dan 70 m van de planlocatie. Effecten van licht op verblijfplaatsen van zijn derhalve uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen van de Wnb overtreden.
5.3
Beschermingsregime andere soorten De planlocatie heeft geen betekenis voor soorten van het beschermingsregime Andere soorten. Effecten op deze soorten zijn derhalve uitgesloten. Er worden geen verbodsbepalingen overtreden.
22
6 Beoordeling Wet natuurbescherming 6.1
Conclusie resultaten onderzoek Functie van de planlocatie De planlocatie en de directe omgeving daarvan vervult een functie als nestplaats van algemene broedvogels (beschermingsregime ‘soorten van de Vogelrichtlijn’) en voor jagende en passerende gewone dwergvleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers (beschermingsregime ‘soorten van de Habitatrichtlijn’). Voor soorten het beschermingsregime ‘Andere soorten’ vervult de planlocatie en directe omgeving geen functie. Volledigheid onderzoeksgegevens De onderzoeken van de afgelopen jaren geven, samen met de waarnemingen aanwezig in de Nationale Databank Flora en Fauna voldoende inzicht in het mogelijke voorkomen en gebruik van beschermde soorten op de planlocatie en de directe omgeving daarvan. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Reikwijdte van de ingreep De bouw van een tentoonstellingstoren op de planlocatie binnen het MERU-terrein heeft geen negatieve gevolgen voor de beschermde soorten die hier voorkomen.
6.2
Overtreding verbodsbepalingen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn worden geen verbodsbepalingen overtreden, omdat potentiële nestplaatsen afwezig zijn. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Ten aanzien van vleermuizen worden geen verbodsbepalingen overtreden. Voor andere soorten van dit beschermingsregime vervult de planlocatie en directe omgeving geen functie. Beschermingsregime andere soorten Voor soorten van dit beschermingsregime die mogelijk op de planlocatie of directe omgeving voorkomen geldt in de Provincie Limburg een vrijstelling bij ingrepen in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.
6.3
Ontheffingsaanvraag Een ontheffingsaanvraag inzake de Wet natuurbescherming is niet nodig.
23
7 Aanbeveling In het voorgestelde verlichtingsregime van de toren is rekening gehouden met mogelijke effecten op natuur. Om negatieve effecten te minimaliseren wordt de lichtsterkte van de lampen beperkt en wordt de toren alleen van zonsondergang tot 22:00 uur verlicht. Tijdens evenementen kan de bedrijfsduur afwijken. Zie voor evenementen artikel 3.3.2 en artikel 8 lid b van het bestemmingsplan “Vedische Universiteit”, maar de lichtsterkte blijft ook dan beperkt tot maximaal 0,3 lux op de nabijgelegen bosrand. Naast het vermijden van licht op de bosrand kunnen mogelijk nog wat extra maatregelen worden genomen, zoals: • Zorg dat het licht alleen dat verlicht dat moet worden verlicht. Voorkom verstrooiing naar de omgeving die niet verlicht hoeft te worden. Gebruik hiervoor armaturen die verstrooiing naar de omgeving voorkomen. Plaats de lampen bovendien zo dat ze zo dicht mogelijk bij het te verlichten object staan; • Gebruik licht met zo min mogelijk of liever helemaal geen korte golflengtes (blauw, violet); hoe roder, hoe beter, maar amberkleurig (590nm, 2700-3000 K) is ook al heel goed; • Gebruik een geringe lichtsterkte (lux); • Doe het licht uit als het niet nodig is; • Gebruik bewegingssensoren, zodat lampen alleen aan gaan als iemand of een voertuig nadert/passeert. Dit is misschien iets voor de parkeerplaats bij de toren.
24
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Bruijn, F.W. de, 2013. Flora en fauna quick scan MERU. Een inventarisatie van beschermde soorten. 3F Natuurlijk, Venlo. Downs NC, Beaton V, Guest J, Polanski J, Robinson SL, Racey PA. 2003 The effects of illuminating the roost entrance on the emergence behaviour of Pipistrellus pygmaeus. Biol. Conserv. 111, 247–252. [doi:10.1016/S00063207(02)00298-7] Greif, S., S. Zsebok, D. Schmieder & B.M. Siemers, 2017. Acoustic mirrors as sensory traps for bats. Science. Vol. 357, 6355: 1045-1047. Korsten, E. & D.E.H. Wansink, 2015. Monitoring vleermuisvoorzieningen MERU 2015. Tussentijds verslag van meerjarige monitoring. Rapportnr. 15-237. Bureau Waardenburg, Culemborg. Korsten, E. & D.E.H. Wansink, 2017. Monitoring vleermuisvoorzieningen MERU 2016. Tussentijds verslag van meerjarige monitoring. Rapportnr. 16-252. Bureau Waardenburg, Culemborg. Korsten, E. & D.E.H. Wansink, 2018. Monitoring vleermuisvoorzieningen MERU 2017. Verslag van meerjarige monitoring. Rapportnr. 17-224. Bureau Waardenburg, Culemborg. Krijgsveld KL, B Klaassen & J van der Winden (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist. Lacoeuilhe, A., N. Machon, J.F.
Julien, A. Le Bocq & C. Kerbiriou, 2014. The influence of low intensities of light pollution on bat communities in a semi-natural context. PlosOne 9(10): e103042. Provincie Limburg, 2015. Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Meinweg (149). Provincie Limburg, Maastricht. Rydell, J., J. Eklöf, & S. Sánchez-Navarro. 2017. Age of enlightement: long-term effect of outdoor aesthetic lights on bats in churches. Royal Society Open Science. 4: 161077. Spoelstra K., R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal & M.E. Visser. 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat presence is affected by white and green, but red light. Proc. R. Soc. B. 284: 20170075 Stone, E.L., S. Harris, S. & G. Jones, 2015. Impacts of artificial lighting on bats: a review of challenges and solutions. Mammal. Biol. 80: 213-219. doi: 10.1016/j.mambio. 2015.02.004. Twisk, P., 2014. Vleermuisonderzoek voormalig St. Ludwig college, Vlodrop in het kader van de Flora- en faunawet. Rapport RA13115-02. Regelink Ecologie & Landschap, Mheer.
25
Valk, M. van der, R.R. Smits, R.G. Verbeek, 2014. Natuurtoets MERU terrein, Vlodrop. Toetsing in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Rapport 13185. Bureau Waardenburg, Culemborg.
26
Bijlage 1 1.1
Wettelijke kader
Inleiding Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met de inwerkingtreding van de Wnb zijn de provincies het bevoegde gezag voor de ontheffing- en vergunningverlening voor plannen en projecten en voor het vaststellen van vrijstellingsregelingen. Bij provincie overschrijdende projecten is dit de minister van EZ. Deze bijlage vat het wettelijk kader samen voor toetsing van ruimtelijke ingrepen en andere handelingen. In paragraaf 1.2 komen algemene bepalingen van de wet aan de orde. Gebiedsbescherming is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 2 Natura 2000gebieden’ en is hier samengevat in paragraaf 1.3. De bescherming van soorten is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 3 Soorten’ en in deze bijlage samengevat in paragraaf 1.4. De bescherming van bomen en bos is in de wet beschreven in ‘Hoofdstuk 4 Houtopstanden, hout en houtproducten’ en is hier samengevat in paragraaf 1.5. Andere onderdelen van de Wnb zoals jacht, schadebestrijding, overlastbestrijding, faunabeheer en omgang met exoten maken geen deel uit van deze bijlage.
1.2
Algemene bepalingen Art 1.10 De Wet natuurbescherming is gericht op:
•
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Art 1.11 Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht houdt in elk geval in dat handelingen waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat ze nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten achterwege blijven, dan wel dat noodzakelijke maatregelen worden getroffen om negatieve gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen ze beperkt of ongedaan worden gemaakt. Art 1.12 Gedeputeerde staten van de provincies dragen zorg voor: • het nemen van de nodige maatregelen voor de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle van
27
•
•
nature in het wild levende vogelsoorten en planten en dieren en hun habitats van bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn en habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn; het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in het wild voorkomende dier- en plantensoorten; de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland.
Gedeputeerde staten kunnen gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en ‘bijzondere provinciale landschappen’.
1.3
Natura 2000-gebieden De Wnb heeft tot doel het beschermen en in stand houden van Natura 2000-gebieden. Relevante wettelijke bepalingen De beoordeling van projecten en andere handelingen wordt geregeld in artikel 2.7 tot en met artikel 2.9. Aanwijzingsbesluiten geven de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden voor vogels van de Vogelrichtlijn, de natuurlijke habitats en de habitats van soorten van de Habitatrichtlijn. De instandhoudingsmaatregelen zijn voor elk gebied beschreven in het beheerplan. Tevens beschrijft het beheerplan welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Voor het uitvoeren van plannen of projecten kan GS de verplichting opleggen tot preventieve of herstelmaatregelen. Dit is niet van toepassing indien voor het plan of project een (omgevings)vergunning is verleend. Beoordeling van plannen en projecten Art. 2.7 Voor een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie (in cumulatie) met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is een passende beoordeling noodzakelijk.
Er is een vergunning nodig van GS voor projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De bevoegdheid ten aanzien van de vergunningverlening ligt bij GS van de provincie waarin het project wordt uitgevoerd. Er geldt een uitzondering op de vergunningprocedure op grond van de Wet natuurbescherming: als via een andere wettelijke bepaling een passende beoordeling
28
verplicht is (bijvoorbeeld op grond van de Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding) voor de besluitvorming. Art. 2.9 Géén vergunning is nodig:
•
•
•
Als het project of de handeling is opgenomen in een Natura 2000-beheerplan of in een vastgesteld programma voor Natura 2000-gebieden (zoals de PAS). Voorwaarde is dat 1) ten aanzien van het plan of het programma een passende beoordeling van projecten is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, en 2) dat het bestuursorgaan dat het plan of programma heeft vastgesteld, tevens bevoegd gezag is voor vergunningverlening of dat dit bestuursorgaan heeft ingestemd heeft met het plan of programma. Als het project of de handeling al bestond of bekend was op de referentiedatum 31 maart 2010 of later als het gebied later is aangewezen (ook wel bekend als bestaand gebruik). Als het project of de handeling behoort tot door PS bij verordening aangewezen categorieën van gevallen.
Toelichting op begrippen Habitattoets De habitattoets is de verzamelnaam van toetsingen van effecten van plannen en projecten op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied. In beginsel worden de effecten van plannen en projecten op Natura 2000gebieden ‘passend beoordeeld’. Als er kans is op significant negatieve effecten en mitigerende maatregelen bij de beoordeling zijn betrokken wordt gesproken over een ‘passende beoordeling’. Om procedurele redenen kan er voor worden gekozen om een oriëntatiefase – soms ook wel ‘voortoets’ genoemd – te doorlopen. De inhoudelijke studie is in de oriëntatiefase in grote lijnen identiek aan een passen de beoordeling, echter mitigerende maatregelen zijn bij de oriëntatiefase niet bij de beoordeling betrokken. Als de conclusie is dat significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en maatregelen nodig zijn om significant negatieve effecten met zekerheid te voorkomen, zal alsnog een passende beoordeling nodig zijn.
Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen zijn maatregelen ter voorkoming of beperking van het (mogelijke) effect van het project of andere handeling en deze maatregelen zijn onlosmakelijk verbonden zijn met een project / andere handelingen Cumulatieve effecten Voor de habitattoets geldt uitdrukkelijk dat voor elke activiteit onderzocht moet worden of er mogelijke significante effecten zijn als gevolg van de activiteit afzonderlijk en in combinatie met andere plannen en projecten. In het laatste geval moeten de gezamenlijke ofwel cumulatieve effecten beoordeeld worden in het licht van de
29
instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het gaat daarbij om alle plannen en projecten die op bestuurlijk niveau zijn goedgekeurd en die nog niet (volledig) zijn gerealiseerd. Significantie Van significante effecten kan sprake zijn als ten gevolge van het plan of project realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt. In de Leidraad bepaling Significantie is het begrip ‘significante gevolgen’ toegelicht.7 Externe werking Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn als die activiteiten negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied (kunnen) veroorzaken. Dit wordt de ‘externe werking’ van de bescherming genoemd. Programma Aanpak Stikstof Op 1 juli 2015 is de Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Dit programma geeft met een gericht pakket van herstelmaatregelen enerzijds waarborgen voor behoud en herstel van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten en biedt anderzijds ruimte voor nieuwe economische activiteiten. Voor projecten die vermeld zijn op een lijst met prioritaire projecten is op voorhand ruimte gereserveerd.
Voor nieuwe projecten (niet-prioritair) geldt bij een toename van stikstofdepositie op een stikstof gevoelig habitat met thans al een overschrijding het volgende: • Activiteiten met een stikstofdepositie vanaf 1 mol/ha/jaar zijn vergunningplichtig. • Activiteiten met een stikstofdepositie onder 0,05 mol/ha/jaar zijn niet vergunningplichtig. • Voor activiteiten met een stikstofdepositie tussen 0,05 mol/ha/jaar – 1 mol/ha/jaar moet voor het Natura 2000-gebied worden nagegaan wat de actuele geldende grenswaarde is. Bij 95% uitgegeven depositieruimte wordt de grenswaarde verlaagd naar 0,05 mol/ha/jaar; dan is dus een vergunning nodig bij een stikstofdepositie hoger dan 0,05 mol/ha/jaar (anders bij 1 mol/ha/jaar) De omvang van de stikstofdepositie als gevolg van een project moet worden vastgesteld aan de hand van het rekenmodel AERIUS Calculator.
1.4
Soorten Verbodsbepalingen De Wnb onderscheid bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: Art. 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels (VR artikel 1) te doden of te vangen.
2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder 1 te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
7
Leidraad bepaling significantie. Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. Publicatie Steunpunt Natura 2000, versie 27 mei 2010.
30
3.
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld onder 1 te rapen en deze onder zich te hebben.
4.
Het is verboden vogels als bedoeld onder 1 opzettelijk te storen.
5.
Het verbod, opzettelijk storen, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het ministerie heeft een lijst gemaakt van soorten vogels die hun nest doorgaans het hele jaar door of telkens opnieuw gebruiken. Deze nesten zijn jaarrond beschermd8. Voor andere soorten geldt dat de nesten alleen beschermd zijn wanneer zij (in het broedseizoen) in gebruik zijn. Art. 3.5 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1.
Het is verboden in het wild levende dieren (HR bijlage IV, VvBern Bijlage II, VvBonn Bijlage I) opzettelijk te doden of te vangen.
2.
Het is verboden dieren als bedoeld onder 1 opzettelijk te verstoren.
3.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld onder 1 in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.