CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3.5 - Mer-aanmeldnotitie

Gemeenteraad 15 december 2021, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Recreatie aan de Meinweg'.2.753 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Betreft: Ruimtelijke plan: Datum:

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bestemmingsplan ‘Recreatie aan de Meinweg’ (2021) 1-10-2021

Inleiding In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.beoordelingsbeslissing te nemen. Dit besluit hoeft niet gepubliceerd te worden. Het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit als bijlage bij het 'Bestemmingsplan of ander ruimtelijk besluit' gevoegd. Het plan De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de D-lijst) liggen. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in onderdeel D (categorie D.10) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit ziet op “de aanleg, wijziging, of uitbreiding van skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen, jachthavens, vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, permanente kampeer- en caravanterreinen of themaparken”. De drempelwaarden voor deze activiteit bestaan uit: 1.

250.000 bezoekers of meer per jaar; 2. een oppervlakte van 25 hectare of meer; 3. 100 ligplaatsen of meer of 4. een oppervlakte van 10 hectare of meer in gevoelig gebied. Het aantal bezoekers wordt in voorliggende situatie niet gehaald, het ontwikkelen van ligplaatsen is niet aan de orde en de locatie is ook niet gesitueerd in een gevoelig gebied. Blijft over een beoordeling van de oppervlakte ten opzichte van de drempelwaarde van 25 hectare. Het plan is beoordeeld. Als eerste wordt in aanmerking genomen dat de locatie zelf bestaand recreatiegebied is en niet in oppervlakte toeneemt. De recreatiebestemming zelf wordt immers niet vergroot ten opzichte van de bestaande situatie. Hetzelfde geldt voor de feitelijke situatie ter plaatse. Daarbij wordt met de beoogde revitalisering het aantal recreatieve verblijfplaatsen in absolute getallen teruggebracht (van 858 verplaatsen naar 527 verplaatsen).

1

De revitalisering ziet op twee onderdelen: 1. De ontwikkeling van Huttopia camping de Meinweg. Huttopia is voornemens om op het bestaande verblijfsrecreatie deel (27 hectare) een camping te ontwikkelen. Het overgrote deel van het recreatiepark behoudt echter zijn reeds bestaande natuurlijke uitstraling hetgeen wordt versterkt door de aanvullende beoogde landschappelijke inpassing van het plan. Concreet betekent dit dat de ontwikkeling (de beoogde nieuwe bebouwing en de wijziging van het gebruik) ziet op slechts 3 hectare van het totale gebied. 2. De ontwikkeling van Vakantiepark Boschbeek. De Oostappen Groep is voornemens om Vakantiepark Boschbeek te herontwikkelen. Het totale park kent een oppervlakte van 10 hectare waarbij ook hier geldt dat het overgrote deel de natuurlijke uitstraling behoudt. 60% van het park wordt natuurlijk/groen ingericht. Concreet betekent dit dat de ontwikkeling (beoogde nieuwe bebouwing en wijziging gebruik) ziet op slechts 4 hectare van het totale gebied. Samengevat betekent dit dat het overige deel van het reeds bestaande gebied dat is bestemd voor verblijfs- en dagrecreatie groen blijft of wordt. Slechts 7 hectare van het totale gebied wordt opnieuw ontwikkeld. Voor het overige wordt het bestaande (volwassen) groen gehandhaafd en zelfs versterkt. In dat kader blijft de voorgenomen ontwikkeling ruim onder de referentiewaarde van 25 hectare.

Aanvullend wordt nog opgemerkt dat met de voorgenomen ontwikkeling juist beoogd wordt om het reeds bestaande recreatiepark beter aan te laten sluiten op de omgeving. Hoewel het recreatiepark zelf is gelegen buiten het Natura2000 gebied en op zichzelf geen gevoelig gebied is, wordt wel een recreatiegebied beoogd dat qua sfeer en beleving aansluit bij het bestaande Nationaal Park. Daar waar in de bestaande situatie (vigerende bestemmingsplan) slechts zeer beperkt eisen zijn gesteld aan de aansluiting op het natuurgebied is dit in het beoogde bestemmingsplan wel geregeld in de vorm van landschappelijke inpassingsplannen met aanleg, beheer- en instandhoudingsverplichtingen en beeldkwaliteitsplannen. Gelet op het bovenstaande in relatie tot het plangebied en de planologische wijzigingen, kan de beoogde ontwikkeling worden gezien als de wijziging van kampeerterrein in de zin van het Besluit m.e.r. waarvoor een (vormvrije) m.e.r. beoordeling aan de orde is.

2

Toetsingskader In de voorliggende overwegingen / aanmeldnotitie komen de volgende aspecten, zoals opgenomen in bijlage III bij de mer-richtlijn (richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26)) terug, welke afzonderlijk van elkaar worden behandeld. 1. kenmerken van de activiteit; 2. locatie van de activiteit; 3. potentiele milieugevolgen van de activiteit. Ad. 1. Kenmerken van de activiteit Met voorliggende te beoordelen activiteit wordt een recreatieterrein gerevitaliseerd. De activiteit voorziet in een opsplitsing van een bestaand terrein naar twee aparte recreatiebedrijven. Daarbij treedt in absolute zin een behoorlijke verdunning op van het aantal recreatiemogelijkheden (aantal plaatsen neemt af). Het type recreatie zal ook wijzigingen en meer aansluiten op de behoefte. Meer gericht op de rust- en inzichtzoekers en met aansluiting op de natuurlijke en groene omgeving. Dit type recreant zal zich meer bewust zijn van zijn omgeving en daar op die wijze ook mee omgaan. In de realisatiefase van de herontwikkeling zal gedeeltelijk gebruik gemaakt worden van niet-vernieuwbare hulpbronnen, zoals fossiele brandstoffen, grondstoffen en gecertificeerde materialen. In de gebruiksfase speelt duurzaamheid een belangrijke rol.

De nieuwe recreatieterreinen worden niet aangesloten op het gas en er zal gebruik gemaakt worden van energie opwekkende hulpbronnen. Hierbij kan gedacht worden aan PV-panelen en warmtepompen. Gesteld kan worden dat er voornamelijk tijdens de realisatiefase gebruik wordt gemaakt van niet-vernieuwbare hulpbronnen. De milieugevolgen vanwege de realisatiefase zullen slechts tijdelijk en in aard en omgeving relatief beperkt zijn. De te gebruiken grondstoffen en (bouw)materialen tijdens de realisatiefase zijn in dit stadium nog niet bekend. De milieugevolgen hiervan geven geen aanleiding geven tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Als gevolg van het project zal er een kleine toename van de productie aan afvalstoffen ontstaan. Zowel in de realisatie- als de gebruiksfase worden afvalstoffen geproduceerd. De afvalstoffen ten gevolge van de realisatiefase zullen afgevoerd worden en naar een daarvoor geschikte bestemming gebracht worden. Er zal zoveel mogelijk circulair gebouwd worden. De afvalstoffen die voortkomen uit de gebruiksfase zal voornamelijk bestaan uit regulier afval. Dit zal gelet op de afname van het aantal en type verblijfplaatsen afnemen. Daarnaast zal in lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval ook in onderhavig geval het afval zoveel mogelijk gescheiden worden.

Het afval zal afgevoerd moet worden via de in de gemeente geëigende weg. De afvoerfrequentie neemt niet toe. De milieugevolgen zullen derhalve slechts beperkt zijn, waardoor ook dit geen aanleiding geeft om een milieueffectrapportage op te stellen.

3

Ad. 2. Locatie van de activiteit De locatie van de activiteit bestaat uit een bestaand recreatieterrein gelegen aan de verharde Meinweg in Herkenbosch. De totale locatie bestrijkt een oppervlakte van circa 37 hectare. Ad. 3 Potentiele milieugevolgen van de activiteit Om de potentiele milieugevolgen van de activiteit in beeld te brengen worden in dit hoofdstuk de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld. Hiermee kan een gewogen besluit genomen worden op de potentiële milieugevolgen van de voorgenomen activiteit. Navolgend worden de belangrijkste resultaten van de relevante milieuaspecten uiteengezet. 3.1. Bodem Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van een juridischplanologische regeling voor een tweetal recreatiebedrijven. Op de verbeelding en in de regels behorende bij het voorliggende bestemmingsplan zijn binnen het plangebied mogelijkheden vastgelegd. De functie zelf wijzigt niet (was recreatiefverblijf en wordt recreatief verblijf). Uit dien hoofde is het uitvoeren van bodemonderzoek niet noodzakelijk. Echter de bodem moet wel geschikt zijn voor de functie.

Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Voor het plangebied is een verkennend onderzoek uitgevoerd door Milon (rapport in de bijlage met nummer 20211911, d.d. 19 juli 2021). Het onderzoek heeft geleid tot voldoende inzicht in de bodemopbouw en een goed beeld van de kwaliteit van de grond ter plaatse. Er zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes PCB aangetoond. Deze passen bij de locatie en de omgeving. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. 3.2. Geluidshinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie of uitbreiding van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh).

In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.

4

Met voorliggende plan wordt planologisch gezien geen nieuw geluidsgevoelig object gecreëerd. De verblijfsaccommodaties (logiesfunctie) zijn geen gevoelige objecten in de zin van de Wgh. Bovendien vindt een afname van het aantal accommodaties plaats hetgeen tot gevolg heeft dat richting de omgeving de belasting afneemt. Dit blijkt ook uit een uitgevoerd verkeersonderzoek (zie hierna). Als gevolg van de nieuwe inrichting vindt een verandering plaats van de verkeersstromen. Dit heeft als belangrijk gevolg dat de geluidsbelasting op de omgeving (woningen in de nabijheid van het plangebied) afneemt. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat geen sprake is van een invloed op een goed woon- en leefklimaat. 3.3. Trillingen In de nabijheid van het plan zijn geen bronnen aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken op de beoogde ontwikkeling. Dit is dan ook niet nader beschouwd. 3.4. Luchtkwaliteit Met een beschouwing van de luchtkwaliteit is het effect op de luchtkwaliteit (NO2 en PM10) vanwege de ontwikkeling onderzocht. De beoogde ontwikkelingen vallen ruimschoots binnen de kaders van het Besluit Niet in betekenende mate bijdragen (er is geen toename). Daarnaast liggen de jaargemiddelde concentraties in de huidige situatie zeer ruim onder de grenswaarden. Vanuit het oogpunt luchtkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen. 3.4.

Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid is geïnventariseerd en hieruit is gebleken dat er in de nabij omgeving van het plangebied geen van belang zijnde risicobronnen aanwezig zijn. In het onderhavige plan is sprake van het juridisch-planologisch vastleggen van recreatie- en verblijfsmogelijkheden. Echter, de aantallen nemen significant af. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen een groepsrisicocontour van een risicobronnen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt. 3.5. Geurhinder Er worden met het project geen activiteiten mogelijk gemaakt waardoor geuroverlast veroorzaakt wordt. Daarnaast vinden er in de directe omgeving van het plangebied geen activiteiten plaats die geuroverlast veroorzaken. Op het gebied van geur is er dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat. Belangrijke milieugevolgen zijn uitgesloten.

5

3.6. Water In de huidige situatie is er binnen het plangebied zeer weinig verharding aanwezig in de vorm van bebouwing of bestrating. Met de revitalisering zal de oppervlakte aan verharding verder afnemen. De hoeveelheid en de wijze van watercompensatie wordt nader bepaald. Beoogd wordt alle hemelwater af te koppelen en vast te houden in het gebied. Bij de afvoer zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. De toekomstige activiteiten leiden niet tot een verhoogd risico op verontreiniging van het grondwater. Voor het aspect water zullen geen belangrijke milieugevolgen optreden. 3.7. Ecologie De gebiedsontwikkeling van de planlocatie heeft mogelijk effecten op beschermde soorten en gebieden van de Wet Natuurbescherming (Wnb). Met een onderzoek naar de beschermde natuurwaarden zijn de mogelijke effecten in beeld gebracht (Quickscan van Bureau Meervelt, d.d. 30-9-2021). Samenvattend wordt geconcludeerd dat in het kader van Natura 2000: 1. Nader onderzoek nodig is als aan de poel werkzaamheden uitgevoerd worden die ervoor zorgen dat deze ongeschikt wordt als voortplantingswater voor amfibieën. Als blijkt dat Kamsalamander de poel gebruikt als belangrijk voortplantingswater, dient een voortoets uitgevoerd te worden. Afhankelijk van de resultaten kan het nodig zijn een vergunning Wet natuurbescherming aan te vragen. 2.

Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is nodig als in de gebruiksfase gebruik gemaakt wordt van fossiele brandstoffen. Afhankelijk van de resultaten kan het nodig zijn een Wet natuurbeschermingsvergunning Stikstof aan te vragen. Dit kan voorkomen worden door geen gebruik te maken van fossiele brandstoffen. 3. Ten aanzien van de overige aspecten is in relatie tot Natura 2000 geen nader onderzoek nodig en zijn geen vervolgstappen nodig. Significante gevolgen als gevolg van de overige voorgenomen ontwikkelingen kunnen op voorhand uitgesloten worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/Goudgroene natuurzone wordt geconcludeerd dat vrijwel het gehele plangebied buiten de Goudgroene natuurzone ligt. In het meest zuidelijke deel is wel overlap tussen het plangebied en de Goudgroene natuurzone. Hier worden echter geen werkzaamheden of activiteiten uitgevoerd. In dit gebied liggen al heel lang vier tennisbanen, die nu als Goudgroene natuurzone zijn begrensd. Dit berust waarschijnlijk op een vergissing en kan bij provincie Limburg worden aangegeven zodat de tennisbanen worden geëxclaveerd. Het Nationaal Natuurnetwerk/de Goudgroene natuurzone kent in Limburg geen externe werking. Alle voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten deze zones. Er gaan geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren. Vervolgstappen zijn derhalve niet nodig.

6

Verder wordt ten aanzien van de beschermde soorten geconcludeerd dat het plangebied en de omgeving naar verwachting deel uitmaakt van het leefgebied van algemene en bijzondere beschermde soorten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen gelden voor de algemeen voorkomende soorten vaak een vrijstelling voor het beschadigen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen en het vangen van deze soorten. Wel geldt de zorgplicht. Voor veel minder algemene soorten en de habitatrichtlijnsoorten geldt deze vrijstelling niet. In een tabel is per voorgenomen ontwikkeling aangegeven voor welke soorten nader onderzoek of andere vervolgstappen nodig kunnen zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geen belemmering vormt en dat ander soortgericht onderzoek niet noodzakelijk is. 3.8. Stikstofdepositie Met het ingaan van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering per 1 juli 2021 valt de bouwfase onder de partiële vrijstelling natuurvergunningplicht. Deze vrijstelling geldt voor: • De tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (bouwfase); • De bouwfase voor de bouw én sloop van woningen, utiliteitsgebouwen en andere Bouwwerken; • Hierover vallen tevens vervoersbewegingen samenhangend met de werkzaamheden voor het bouwwerk.

Voor de gebruiksfase is door middel van een AERIUS-berekening de toename van de stikstofdepositie in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Uit de berekeningen volgt dat de stikstofemissies in de gebruiksfase niet leiden tot een significante toename van de stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van belangrijke milieugevolgen voor Natura 2000gebieden. 3.9. Bedrijven en milieuzonering In het kader van de diverse aspecten vanuit de milieuwet- en regelgeving en in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de situatie beschouwd. Op basis van deze beschouwing kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen geeft voor de omgeving en andersom ook voldoet aan de uitgangspunten van een goed woon- en leefklimaat. Dit is in hoofdzaak gelegen in de omstandigheid dat sprake is van de revitalisering van een bestaand terrein en de mogelijkheden voor recreatie afnemen en het gebied vergroent.

7

3.10. Archeologie Voor de vaststelling van het bestemmingsplan is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Aannemelijk is te achten dat referentie maten voor de bescherming van archeologische waarden niet worden overschreden. Ter zekerheidsstelling is een dubbelbestemming in de verbeelding en de planregels opgenomen. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de realisering van het onderhavige bouwplan. Conclusie aanmeldnotitie Op basis van deze aanmeldnotitie bestaat er geen noodzaak voor het starten van een m.e.r.procedure in het kader van het bestemmingsplan. De (her)ontwikkeling van het voormalige recreatieterrein leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit blijkt uit het volgende: • het plan voldoet aan de op dit moment geldende wet- en regelgeving ten aanzien van alle relevante milieukundige uitvoeringsaspecten; • de voorgenomen ontwikkeling levert geen significante negatieve gevolgen op voor de in de nabijheid van het plangebied gelegen beschermde of kwetsbare gebieden. Belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu, de leefomgeving en natuur kunnen worden uitgesloten. Voor zover er milieueffecten optreden worden deze gemitigeerd dan wel gecompenseerd. Het uitvoeren van een plan m.e.r. is derhalve niet aan de orde.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=69e61688-8258-4c9f-8330-bfb47d7d25b7