CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsadviescommissie 18 november 2025, gemeente Roerdalen34.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bundel - Raadsadviescommissie van 18 november 2025 1 2 3 4 5

6

7

8

Vaststellen agenda Agenda 18 november 2025 RAC Mededelingen (zonder stukken) Rondvraag (zonder stukken) Verordening onroerende-zaakbelasting Roerdalen 2026 Raadsvoorstel - Verordening Onroerende-zaakbelasting 2026 Bijlage 1: Raadsbesluit Verordening onroerende zaakbelasting Roerdalen 2026 Wijziging Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord Raadsvoorstel: Wijziging Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord Bijlage 1: Gewijzigde gemeenschappelijke regeling MGR Bijlage 2: Gewijzigde gemeenschappelijke regeling MGR (met zichtbare wijzigingen) Bijlage 3: Brief met terugkoppeling zienswijzen Bijlage 4: Raadsbesluit Vierde wijziging verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 Raadsvoorstel - Vierde wijziging verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen 2020 Bijlage 1: Raadsbesluit - Vierde wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Bijlage 2: Overzicht van wijzigingen verordening (was- wordt- lijst) versie 8-9-2025 Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026 Raadsvoorstel nieuwe verordening leerlingenvervoer Bijlage 1 Raadsbesluit - Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2021 Bijlage 2 Ledenbrief nieuwe modelverordening leerlingenvervoer Vierde wijziging Gemeenschappelijke Regeling Westrom toestemming tot wijziging

Raadsvoorstel - Vierde wijziging Gemeenschappelijke Regeling Westrom toestemming tot wijziging ( Bijlage 1: Ontwerpbesluit vierde wijziging GR Westrom - schoon Bijlage 2: Ontwerpbesluit vierde wijziging GR Westrom - met wijzigingen (oud-nieuw) Bijlage 4: Raadsbesluit - Vierde wijziging Gemeenschappelijke Regeling Westrom toestemming tot wijziging

gemeente roerdalen

Agenda raadsadviescommissie d.d. dinsdag 18 november 2025

Aanvangstijdstip: 19.30 uur

Nr.

Onderwerp

Indiener Agendapunt

Aard Behandeling

-

Opening

01

Vaststellen agenda

n.v.t.

Ter bespreking/besluitvorming

02

Mededelingen (zonder stukken)

n.v.t.

Ter bespreking

03

Rondvraag (zonder stukken)

n.v.t.

Ter bespreking

04

Verordening onroerendezaakbelastingen Roerdalen 2026

College van Ben W (portefeuillehouder J. Smits)

Ter bespreking/advisering

05

Wijziging MGR Sociaal Domein Limburg-Noord

College van Ben W (portefeuillehouder L. Vestjens )

Ter bespreking/advisering

06

Vierde wijziging verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Roerdalen

College van Ben W (portefeuillehouder L. Vestjens)

Ter bespreking/advisering

07

Verordening leerlingenvervoer gemeente Roerdalen 2026

College van Ben W (portefeuillehouder L. Vestjens)

Ter bespreking/advisering

08

Vierde wijziging Gemeenschappelijke Regeling Westrom toestemming tot wijziging

College van Ben W (portefeuillehouder L. Vestjens)

Ter bespreking/advisering

-

Sluiting

Sint Odiliënberg, woensdag 29 oktober 2025

gemeente roerdalen

Raadsvoorstel Zaaknummer Onderwerp: Datum: Indiener agendapunt: Portefeuillehouder: Gevraagd besluit: Bijlage(n):

225-057651 Verordening Onroerende-zaakbelasting 2026 28 oktober 2025 College van Burgemeester en wethouders Roerdalen A.C.A.G. Smits De Verordening onroerende-zaakbelasting 2026 vast te stellen. 1. Raadsbesluit Verordening onroerende-zaakbelasting 2026

Toelichting bij het raadsvoorstel

1.

Onderwerp

Verordening onroerende-zaakbelasting 2026

2.

Inleiding

In de programmabegroting 2026, paragraaf Lokale heffingen, zijn de uitgangspunten voor de onroerende-zaakbelasting 2026 vastgelegd. In het raadsvoorstel en de bijlage volgt de verdere uitwerking en formalisering van deze verordening. Zoals aangegeven in het raadsvoorstel "Belastingverordeningen 2026" van 16 september jl. wordt de verordening onroerende-zaakbelasting 2026 later aangeboden omdat de benodigde gegevens toen nog niet voorhanden waren. Inmiddels heeft BsGW de benodigde gegevens aangeleverd.

3.

Beslispunten

De navolgende verordening vast te stellen: Verordening onroerende-zaakbelasting 2026

4.

Argumenten

1.

Jaarlijkse vaststelling belastingverordeningen. Op basis van artikel 16 van de Financiële verordening ex art. 212 Gemeentewet van de gemeente Roerdalen doet het college de raad jaarlijks een voorstel ter vaststelling van de hoogte van gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten.

2.

In de nieuwe verordening onroerende-zaakbelasting 2026 hebben een aantal redactionele wijzigingen plaatsgevonden.

Pagina 1 van 4

l lllll llllll lllll l lll l lll lllll l lll lllll 11111111111111111111111

gemeente roerdalen

De belastingverordeningen worden jaarlijks aan BsGW aangeboden ter toetsing. Het feit dat er zoveel mogelijk is gekozen voor gelijkluidende tekst in de verordeningen, is soms gekozen voor een iets andere formulering zonder dat de inhoud van de bepaling echt verandert. Voor dit jaar heeft dat geleid tot redactionele aanpassingen. 3.

De tarieven die voor 2026 worden voorgesteld verschillen ten opzichte van de tarieven die voor 2025 zijn vastgesteld. Naar aanleiding van gemaakte afspraken en marktontwikkelingen wijzigen de tarieven voor de onroerende-zaakbelasting.

5.

Toelichting

Van belang bij de tariefbepaling voor de onroerende-zaakbelasting 2026 is het feit dat jaarlijks opnieuw wordt gewaardeerd in het kader van de Wet WOZ en er dus uitgegaan moet worden van nieuwe waarden (naar waardepeildatum 1 januari 2025) voor woningen en niet-woningen. De OZB-aanslagoplegging is namelijk gebaseerd op de WOZ-waarde. De belastingtarieven voor het jaar 2026 zijn gebaseerd op de laatst beschikbare prognoses van BsGW van 15 oktober 2025. De gemiddelde waarde mutatie in de gemeente Roerdalen bedraagt voor woningen 15,02% en voor niet-woningen 6,58%. De opbrengsten uit de OZB stijgen in 2026 met 6% ten opzichte van de begroting 2025, dit is 2,1% op basis van de prijsontwikkeling en 3,9% op basis van afspraken die zijn gemaakt bij Roerdalen in Balans 1.0.

Tarieven onroerendzaakbelasting 2025 0,11041% (2025: 0,11981%)

- woningen eigenaar - niet-woningen eigenaar

0,24298% (2025: 0,24431%)

- niet woningen gebruiker

0,18549% (2025: 0,18650%)

Aangezien de bezwarenafhandeling van belastingjaar 2025 nog niet is afgerond kan dit gevolgen hebben voor de afgegeven prognose, mede doordat een herziene waardebepaling gevolgen kan hebben voor de waardering van gelijksoortige objecten. Daarnaast is het taxatieproces nog lopende waardoor de afgegeven WOZ-waarden nog kunnen gaan afwijken. Vanwege deze aspecten zal BsGW eind november nog een herziene voorlopige prognose verstrekken waarin de meest actuele WOZ-waarden zijn opgenomen en waarbij rekening is gehouden met de bezwaren afhandeling op dat moment. Aan de hand van de, eind november, ontvangen WOZ-waarden worden de tarieven opnieuw berekend. Dit zal dus nog leiden tot een nota van wijzigingen op dit raadsvoorstel.

Pagina 2 van 4

gemeente roerdalen

6.

Kanttekeningen

1.

In de begroting is gerekend gehouden met een geraamde OZB-opbrengst. Er is een financieel risico wanneer de tariefvoorstellen niet vastgesteld worden conform voorstel. Wanneer tarieven lager worden vastgesteld, ontstaat een tekort in de begroting omdat er rekening is gehouden met de OZB-opbrengsten als gevolg van de hier voorgestelde tarieven 2026.

2.

Bezwarenafhandeling 2025 en taxaties zijn nog niet afgerond. Aangezien de bezwarenafhandeling voor 2025 nog niet is afgerond kan dit gevolgen hebben voor de afgegeven prognose, mede doordat een herziene waardebepaling gevolgen kan hebben voor de waardering van gelijksoortige objecten. Daarnaast is het taxatieproces nog lopende waardoor de afgegeven WOZ-waarden nog kunnen gaan afwijken. Vanwege deze aspecten zal BsGW eind november 2024 nog een herziene voorlopige prognose verstrekken waarin de meest actuele WOZ-waarden zijn opgenomen en waarbij rekening is gehouden met de afhandeling van de bezwaren op dat moment.

7.

Financiën

De geraamde belastingopbrengsten OZB in de Programmabegroting 2026-2029 kunnen de financiële consequenties van het voorstel naar verwachting worden gerealiseerd met deze tarieven.

8.

Eerdere besluitvorming

De verordening onroerende-zaakbelasting is een nadere uitwerking van de kaders aangegeven in de kadernota 2026 en van de uitgangspunten zoals vastgelegd in de begroting 2026.

9.

Communicatie

De verordening onroerende-zaakbelasting wordt gepubliceerd via de gebruikelijke kanalen. 10. Planning en uitvoering Na de raadsvergadering van 11 december wordt de verordening bekendgemaakt, waarna de verordening onroerende-zaakbelasting 2026 met ingang van 1 januari 2026 in werking treedt. Tevens ontvangt BsGW de vastgestelde verordening onroerende-zaakbelasting voor de aanslagoplegging 2026. 11. Privacy Niet van toepassing

Pagina 3 van 4

·, gemeente roerdalen

12. (Wettelijk en/of beleidsmatig) kader De belastingbepalingen in de Gemeentewet vormen het wettelijk kader voor de vaststelling van de belastingverordeningen. 13. Bijlagen 1. Raadsbesluit Verordening onroerende-zaakbelasting 2026

Sint Odiliënberg, 28 oktober 2025

Burgemeester en wethouders van Roerdalen, De secretaris,

De burgemeester,

ing. L.H.C. Bijl

ing. J.M.A. van Agtmaal

Pagina 4 van 4

Raadsbesluit

Jaar …./../..

Zaaknummer: Z25-057651 Onderwerp: Verordening onroerende-zaakbelastingen Roerdalen 2026 De raad van de gemeente Roerdalen heeft; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2025, gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; het volgende besluit genomen:

Besluit:

Vast te stellen: de "Verordening onroerende-zaakbelastingen Roerdalen 2026". Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.

Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de Basisregistratie Kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.

Pagina 1 van 4

2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 3. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3. Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4. Vrijstellingen 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.

voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g.

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

Pagina 2 van 4

j.

onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst voor in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2. De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 5. Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt: a. bij de gebruikersbelasting 0,18549 %; b. bij de eigenarenbelasting 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,11041 %; 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,24298 %. Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden in de vorm van een aanslag geheven. Artikel 7. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later. 2.

In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt. 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW). 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde

Pagina 3 van 4

termijnen. Artikel 8. Kwijtschelding van belasting Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen, als bedoeld in artikel 1, wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9. Minimum aanslag 1. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De "Verordening onroerendezaakbelastingen Roerdalen 2025" van 12 december 2024, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als de "Verordening onroerendezaakbelastingen Roerdalen 2026". Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 11 december 2025. De gemeenteraad van Roerdalen, De griffier,

De voorzitter,

mr. M. Heijnens-Coenjaerts

ing. J.M.A. van Agtmaal

Pagina 4 van 4

gemeente roerdalen

Raadsvoorstel Zaaknummer Onderwerp: Datum: Indiener agendapunt: Portefeuillehouder: Gevraagd besluit:

Bijlage(n):

Z25-059610 Wijziging gemeenschappelijke regeling MGR Sociaal domein Limburg-Noord 30 september 2025 College van Burgemeester en wethouders Roerdalen L. Vestjens 1. Het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen toestemming te verlenen tot het besluiten tot wijziging van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord overeenkomstig het aan de raad gezonden ontwerpbesluit; 2. deelname aan samenwerkingsmodule 1 van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord.

Bijlage 1 Gewijzigde gemeenschappelijke regeling MGR Bijlage 2 Gewijzigde gemeenschappelijke regeling MGR (mét zichtbare wijzigingen) Bijlage 3 Brief met terugkoppeling zienswijzen

Toelichting bij het raadsvoorstel

1.

Onderwerp

Wijziging gemeenschappelijke regeling MGR Sociaal domein Limburg-Noord 2.

Inleiding

In de vergadering van het Algemeen bestuur MGR op 5 september 2024 hebben de MiddenLimburgse gemeenten ( Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) de wens uitgesproken om aan te sluiten bij module 1 van de MGR ten aanzien van de uitvoeringstaken Jeugdwet en Wmo. Dit naar aanleiding van een door de Midden-Limburgse gemeenten ingesteld onderzoek naar de verdere samenwerking in het sociaal domein op het terrein van bedrijfsvoerlngs- en ondersteunende functies en de best passende schaal van samenwerken.

Pagina 1 van 4

111111111111111 Il lllll lllll lll lll Il Il 111 Il lll Il lll 111111111111111

Jl.. gemeente roerdalen Door het Algemeen bestuur van de MGR is de intentie uitgesproken dit per 1 januari 2026 te realiseren. Naast de samenvoeging van de uitvoeringstaken binnen module 1 heeft de gemeenschappelijke regeling ook een inhoudelijke actualisatie nodig, zodat de tekst van de gemeenschappelijke regeling in lijn is met de uitvoeringspraktijk. Alle 14 gemeenten van Noord- en Midden-Limburg zijn op dit moment al gelijkwaardig en volwaardig deelnemer aan de MGR. Voor de deelneming van de Midden-Limburgse gemeenten aan module 1 van de MGR en de inhoudelijke actualisatie van de regeling is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk. In het 2e kwartaal 2025 is de conceptversie van de gewijzigde regeling ter zienswijze voorgelegd aan de deelnemende gemeenten. Uw raad heeft besloten geen zienswijze in te dienen. Enkele andere gemeenten hebben dat wel gedaan maar die zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen aan de nieuwe versie van de gemeenschappelijke regeling. De zienswijzen en de inhoudelijke reactie van de MGR zijn opgenomen als bijlage 3. De tekst van de nieuwe gemeenschappelijke regeling is als bijlage 1 en 2 opgenomen. De volgende stap in de procedure is dat gemeenteraden om goedkeuring wordt gevraagd om de colleges te laten instemmen met de gewijzigde regeling als die goedkeuring is verleend. 3.

Beslispunten

De raad besluit: Het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 1, vierde en vijfde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen toestemming te verlenen tot het besluiten tot wijziging van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord overeenkomstig het aan de raad gezonden ontwerpbesluit; deelname aan samenwerkingsmodule 1 van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord.

4. 1.1

Argumenten

Volgens de wet moet de gemeenteraad toestemming verlenen

Bij wet is geregeld dat voor het college een besluit mag nemen over aanpassingen in een gemeenschappelijke regeling (in dit geval de MGR) de gemeenteraad hiervoor toestemming moet verlenen. De toestemming van de raad kan alleen worden geweigerd wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Dat is een zware maatstaf. Ten aanzien van deze weigeringsgronden merken wij op dat de wijzigingsvoorstellen zijn opgesteld in samenwerking met de regionale juristen, waardoor strijd met het recht niet aan de orde is. De weigeringsgrond "strijd met het

Pagina 2 van 4

lW. gemeente roerdalen Î

algemeen belang" kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als de regeling onvoldoende rechtszeker is of als de mogelijke financiële gevolgen van het voorstel voor de gemeente onvoldoende ondervangen zijn. Ook het - in het geheel - niet en niet gemotiveerd opvolgen van de zienswijzen kan een reden zijn om de gevraagde toestemming te onthouden. 1.2

De voorgestelde wijzigingen zijn inhoudelijk goed onderbouwd en juridisch akkoord

Het is noodzakelijk de regeling aan te passen bij de toetreding van de Midden-Limburgse gemeenten tot module 1. Dat is een ontwikkeling die past bij de samenwerking die in de regio in de praktijk al bestaat. Daarom is het van belang die ook formeel vast te leggen en te bekrachtigen. Het overgrote deel van de voorgestelde wijzigingen hangt samen met de uitbreiding met MiddenLimburg. De overige aanpassingen hebben in de praktijk nauwelijks gevolgen maar zijn nodig om de regeling weer actueel te maken en houden.

5.

Kanttekeningen N.v.t.

6.

Financiën

Aan dit voorstel zijn geen financiële gevolgen verbonden. Voorstel betreft formele afhandeling van gelopen proces.

7.

Eerdere besluitvorming

Op 28 mei 2025 heeft de gemeenteraad besloten om geen zienswijze in te dienen tegen de ontwerp modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord.

Zie link: Vergaderingen - Gemeenteraad - 28 mei 2025 - iBabs

8.

Communicatie

De communicatie over dit traject loopt centraal via de MGR en er zijn diverse informatiebijeenkomsten geweest. Over de actuele stand van zaken m.b.t. het proces rondom de toetreding van de Midden-Limburgse gemeenten is een raadsinformatiebrief opgesteld.

9.

Planning en uitvoering

Pagina 3 van 4

-~· gemeente roerdalen

Het formele wijzigingsproces kent nog enkele stappen waarbij aan colleges en gemeenteraden voorstellen worden voorgelegd: 1) Toestemming: gemeenteraden dienen aan hun colleges toestemming te verlenen om met deze wijziging in te stemmen; (raadsvergadering 11-12-2025} 2)

Collegebesluit: tot slot dient elke college voor 1 januari 2026 een besluit te nemen met betrekking tot deze wijziging.

10. Privacy N.v.t.

11. (Wettelijk en/of beleidsmatig) kader Dit voorstel voldoet aan de Wet gemeenschappelijke regelingen.

12. Bijlagen Bijlage 1 Gewijzigde gemeenschappelijke regeling MGR Bijlage 2 Gewijzigde gemeenschappelijke regeling MGR (mét zichtbare wijzigingen) Bijlage 3 Brief met terugkoppeling zienswijzen

Sint Odiliënberg, 30 september 2025

Burgemeester en wethouders van Roerdalen, De secretaris,

ing. L.H.C. Bijl

Pagina 4 van 4

De colleges van de gemeenten Beesel, Bergen, Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert, overwegende: • dat in het sociaal domein op uitvoerend niveau samenwerking tussen de gemeenten in de regio is geboden; •

dat de colleges hebben besloten om de uitvoering van diverse taken binnen het sociaal domein regionaal te laten uitvoeren door de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord (MGR);

•

dat de colleges van de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert tot de MGR zijn toegetreden tot samenwerkingsmodule 1;

•

dat daarnaast de gemeenschappelijke regeling thans wordt aangepast gelet op de wens om enkele actualisaties te doen in de regeling als het gaat om formulering van de taken van samenwerkingsmodules en tekstuele verduidelijking.

en gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet BESLUITEN: ieder voor zover het hun eigen bevoegdheden betreft de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord te wijzigen met ingang van 1 januari 2026, waardoor deze als volgt komt te luiden: MODULAIRE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL DOMEIN LIMBURG-NOORD HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. samenwerkingsverband: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling; b. regeling: de onderhavige gemeenschappelijke regeling; c. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; d. samenwerkingsmodule: een belang dat het samenwerkingsverband behartigt, waarvoor de deelnemers één of meer samenhangende taken en bevoegdheden opdragen; e. college: een college van burgemeester en wethouders; f. deelnemer: een college dat deelneemt aan deze gemeenschappelijke regeling; g. raad: de gemeenteraad van een deelnemende gemeente; h. Gedeputeerde Staten: de Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg; i. uitvoeringskosten: de uitgaven die het samenwerkingsverband doet ter uitvoering van een samenwerkingsmodule, zoals personeel, huisvesting, ICT en dergelijke. Artikel 2 Openbaar lichaam 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd “Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord”. 2.

Het openbaar lichaam bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in Venray. Artikel 3 Bestuursorganen Het samenwerkingsverband kent de volgende bestuursorganen: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter. HOOFDSTUK 2 BELANGEN EN TAKEN Artikel 4 Modulaire karakter van het samenwerkingsverband 1. De regeling biedt een algemeen kader voor samenwerking op het gebied van het sociaal domein binnen de regio en voorziet in de specifieke samenwerkingsmodules zoals in de bijlagen bij deze regeling opgenomen.

1

2. 3.

De deelnemers besluiten per samenwerkingsmodule of zij hieraan deelnemen. Om deel te kunnen nemen aan het samenwerkingsverband, dient deel te worden genomen aan minimaal een samenwerkingsmodule. De toevoeging of wijziging van een samenwerkingsmodule is een wijziging van de regeling, als bedoeld in artikel 35 lid 2.

Artikel 5 Belangen en taken 1. Het samenwerkingsverband behartigt de belangen van de deelnemers ten aanzien van uitvoerende taken binnen het sociaal domein. 2. Een samenwerkingsmodule geeft aan welk specifiek belang op het gebied van het sociaal domein die samenwerkingsmodule behartigt, en welke taken het samenwerkingsverband hiertoe uitvoert. 3. Het samenwerkingsverband kan tevens activiteiten verrichten ten behoeve van individuele deelnemers en ten behoeve van colleges die niet deelnemen aan het samenwerkingsverband, tot een maximum genoemd in artikel 2.24b, eerste lid onder b van de Aanbestedingswet 2012. 4. Over het uitvoeren van taken als bedoeld in het vorige lid sluit het samenwerkingsverband een afzonderlijke dienstverleningsovereenkomst af met de deelnemer dan wel het college. HOOFDSTUK 3 HET ALGEMEEN BESTUUR Artikel 6 Taken en bevoegdheden 1. Aan het algemeen bestuur behoren taken en bevoegdheden toe die in de wet aan het algemeen bestuur zijn opgedragen, alsmede alle bevoegdheden die voorts in deze regeling aan dit orgaan worden opgedragen en niet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen. 2. Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen met uitzondering van de bevoegdheid tot: a. het vaststellen en wijzigen van de begroting; b. het vaststellen en wijzigen van de deelbegrotingen (per samenwerkingsmodule); c.

het vaststellen van de rekening; d. het vaststellen van verordeningen; e. het vaststellen van het uitvoeringsplan en uitvoeringsprogramma; f. het instellen van bestuurscommissies; g. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, vennootschappen, en coöperatieve en andere verenigingen passend binnen de te behartigen belangen, de taken en de bevoegdheden van het samenwerkingsverband dan wel het ontbinden van die rechtspersonen of het beëindigen van de deelneming; Artikel 7 Samenstelling en zittingsduur 1. Iedere deelnemer wijst uit eigen midden één lid aan als lid van het algemeen bestuur. Gelijktijdig wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. 2. De leden van het algemeen bestuur van deze regeling hebben zitting gedurende dezelfde periode als de zittingsduur van de colleges. Indien zij in de nieuwe zittingsperiode opnieuw deel uitmaken van het college kunnen zij terstond opnieuw worden aangewezen. 3. Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt burgemeester of wethouder van de desbetreffende gemeente te zijn. 4. De leden van het algemeen bestuur, die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur hiervan op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra onherroepelijk in hun opvolging is voorzien. Artikel 8 Werkwijze en vergaderorde 1. Besluiten van het algemeen bestuur worden genomen indien: a. de meerderheid van de deelnemers instemt met het besluit, en b.

die meerderheid meer dan 50 procent van de stemmen vertegenwoordigt. 2. Het aantal stemmen per lid van het algemeen bestuur wordt jaarlijks op 1 januari bepaald. 3. Een lid van het algemeen bestuur ontvangt een aantal stemmen dat gelijk staat aan het aantal inwoners van zijn gemeente op 1 januari van het voorgaande jaar, gedeeld door 15.000. Het aantal stemmen wordt rekenkundig afgerond (< 0,5: afronding naar beneden, ≥ 0,5: afronding naar boven), met een minimum van 1 stem. 4. Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt of ten minste twee leden van het algemeen bestuur daarom verzoeken.

2

5. 6. 7.

De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Tot het sluiten van de deuren wordt overgegaan wanneer de voorzitter het nodig oordeelt of twee aanwezige leden daarom verzoeken. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of in beslotenheid vergaderd wordt. Het algemeen bestuur beraadslaagt en besluit in openbaarheid over: a. het uitvoeringsplan en het uitvoeringsprogramma; b. de begroting, de wijzigingen daarvan en de rekening; c. het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of de begrotingswijziging, waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd; d. het oprichten van of deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve verenigingen passend binnen de te behartigen belangen, de taken en bevoegdheden van het samenwerkingsverband dan wel het ontbinden van die rechtspersonen of beëindigen van de deelneming; e. het liquidatieplan.

HOOFDSTUK 4 HET DAGELIJKS BESTUUR Artikel 9 Taken en bevoegdheden Tot de taken en de bevoegdheden van het dagelijks bestuur van de regeling behoren naast de bevoegdheden als genoemd in artikel 33b van de wet: a. het voorstaan van de belangen van het samenwerkingsverband bij andere overheden; instellingen en diensten waarmee, of personen met wie contact met het samenwerkingsverband van belang is; b. het beheer van activa en passiva van het samenwerkingsverband; c. de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijke beheer en de boekhouding; d. het uitvoeren van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming alsmede het bewaken van de juiste toepassing van deze wet. Artikel 10 Samenstelling en zittingsduur 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter, de vicevoorzitter en minimaal een ander lid, door het algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen. Gelijktijdig wijst het algemeen bestuur voor ieder lid een plaatsvervangend lid aan. 2. In geval van een even aantal leden, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem indien de stemmen staken. 3. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij aftreden uit het algemeen bestuur van de regeling. Zij kunnen, indien zij opnieuw zijn aangewezen tot lid van het algemeen bestuur, terstond opnieuw worden benoemd. 4.

Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen geniet van het algemeen bestuur 5. Tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt direct het verlies van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur met zich mee. 6. Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan het algemeen bestuur en aan het college die het aangaat. Het ontslag gaat in zodra onherroepelijk in de opvolging is voorzien. Artikel 11 Werkwijze en vergaderorde 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste twee leden van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoeken, in welk laatste geval de vergadering binnen twee weken plaatsvindt. 2. De artikelen 54, 56, 58 en 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Over personen wordt schriftelijk, over zaken mondeling gestemd. 4. Ieder aanwezig lid brengt één stem uit. 5. Het dagelijks bestuur kan een of meer van zijn leden machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.

3

HOOFDSTUK 5 DE VOORZITTER Artikel 12 1. De voorzitter en de vicevoorzitter worden door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen voor dezelfde periode als bedoeld in artikel 10 lid 3 van deze regeling. 2. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. 3. De voorzitter tekent de stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan. Deze stukken worden medeondertekend door de secretaris-directeur. 4. Het dagelijks bestuur kan besluiten de ondertekening van de stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan op de te dragen aan een ander lid van dit bestuur, aan de secretaris-directeur, genoemd in artikel 20 van deze regeling, of aan een andere ambtenaar van het samenwerkingsverband. 5. De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde. HOOFDSTUK 6 DE COMMISSIES Artikel 13 Commissies van advies 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, zulks met inachtneming van artikel 24 van de wet. 2. Het algemeen bestuur stelt de ten aanzien van de in lid 1 bedoelde commissies bevoegdheden, faciliteiten en samenstelling bij reglement vast. Artikel 14 Bestuurscommissies 1.

Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen en uitvoering geven aan taken en bevoegdheden, voor zover deze niet zijn voorbehouden aan het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden van elk van de deelnemende gemeenten. 3. Het algemeen bestuur regelt met inachtneming van artikel 25 van de wet, hun bevoegdheden en samenstelling. HOOFDSTUK 7 INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG Artikel 15 Het dagelijks bestuur en de voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven – tezamen dan wel afzonderlijk – aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen 4. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van het lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. 5. Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur. Artikel 16 Het dagelijks bestuur en algemeen bestuur ten opzichte van raden 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de deelnemers gevraagd en ongevraagd schriftelijk alle informatie die voor een juiste beoordeling van de door het bestuur uitgevoerde activiteiten nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven ten minste twee maal per kalenderjaar informatie aan de raden over de uitgevoerde activiteiten van het samenwerkingsverband.

4

3.

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden van de deelnemers alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd.

Artikel 17 Leden algemeen bestuur ten opzichte van het college van burgemeester en wethouders 1. Een lid van het algemeen bestuur verschaft de deelnemer die dit lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 en artikel 18 van de wet alle inlichtingen, die door de deelnemer worden verlangd en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de deelnemer aangegeven wijze. 2. Een lid van het algemeen bestuur is de deelnemer die dit lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 en artikel 18 van de wet verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur verrichte handelingen en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die deelnemer aangegeven wijze. 3. Een lid van het algemeen bestuur kan, onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze regeling, door de deelnemer die hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van de deelnemer niet meer bezit. 4. Met inachtneming van artikel 19 lid 1 van de wet, is het bepaalde in het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraden. HOOFDSTUK 7A ZIENSWIJZEN EN INSPRAAK Artikel 17a Zienswijzen 1. Besluiten van het bestuur worden alleen aan zienswijzen onderworpen indien de wet of deze regeling dat expliciet voorschrijft. 2.

Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden van de deelnemende gemeenten om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de raden het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 3. Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Artikel 17b Inspraak 1. Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de raden het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4.

Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven. HOOFDSTUK 8 REGLEMENT VAN ORDE Artikel 18 Reglement van orde algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur stelt met inachtneming van de artikelen 22 en 23 van de wet voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. 2. In het reglement van orde worden onder meer regels gegeven omtrent a. het horen van belanghebbenden ten aanzien van door het algemeen bestuur te nemen besluiten; b. de wijze van het verstrekken van inlichtingen en het afleggen van verantwoording als bedoeld in de artikelen 16 en 17 van deze regeling.

5

Artikel 19 Reglement van orde dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vaststellen, dat aan het algemeen bestuur wordt overgelegd. HOOFDSTUK 9 DE SECRETARIS Artikel 20 Secretaris-directeur 1. Tot het personeel van het samenwerkingsverband behoort de secretaris. Het dagelijks bestuur stelt zijn taken en bevoegdheden vast. De secretaris wordt bij verhindering of ontstentenis vervangen op een door het dagelijks bestuur te bepalen wijze. 2. De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter in alles, dat de hun opgedragen taak aangaat, behulpzaam. 3. Door de secretaris worden alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan medeondertekend. 4. Het dagelijks bestuur kan in spoedeisende gevallen overgaan tot schorsing van de secretaris en doet hiervan terstond mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt wanneer het algemeen bestuur deze niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt. 5. De secretaris is tevens als directeur belast met de dagelijkse leiding van het samenwerkingsverband. In voorkomende gevallen kan het algemeen bestuur besluiten de functies van elkaar te scheiden.

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN Artikel 21 Klachtenregeling De voorzitter, het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur kunnen, ieder voor zover het de eigen bevoegdheden op grond van hoofdstuk 9 van de Awb betreft, een klachtenregeling vaststellen. HOOFDSTUK 11 VERGOEDINGEN Artikel 22 Regeling inzake vergoeding van werkzaamheden 1. Het algemeen bestuur kan met inachtneming van de artikelen 21 en 25 van de wet voor de leden van een commissie als bedoeld in artikel 14 van deze regeling, die niet de functie van burgemeester, wethouder of secretaris vervullen, een regeling inzake de vergoeding van hun werkzaamheden respectievelijk voor het bijwonen van vergaderingen een tegemoetkoming in de kosten vaststellen. 2. Het algemeen bestuur kan met inachtneming van artikel 24 van de wet bepalen dat de leden van een commissie als bedoeld in artikel 13 van deze regeling, die niet de functie van burgemeester, wethouder, raadslid of secretaris vervullen een vergoeding voor het bijwonen van een vergadering ontvangen. 3. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op ambtenaren werkzaam bij één of meer van de deelnemende gemeenten, die als zodanig tot lid van een commissie zijn benoemd. Deze ambtenaren hebben geen recht op vergoeding. 4. De in het eerste lid bedoelde regeling wordt aan Gedeputeerde Staten gezonden.

HOOFDSTUK 12 HET UITVOERINGSPLAN EN HET UITVOERINGSPROGRAMMA Artikel 23 Uitvoeringsplan 1. Het algemeen bestuur stelt een uitvoeringsplan vast waarin hetgeen dat het bestuur van het samenwerkingsverband voornemens is uit te voeren, in grote lijnen wordt aangegeven. Het algemeen bestuur kan een of meer onderdelen van het uitvoeringsplan afzonderlijk vaststellen. 2. Het uitvoeringsplan beslaat een periode van drie jaar. Jaarlijks kan het algemeen bestuur besluiten over bijstelling van het uitvoeringsplan. 3. Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van het uitvoeringsplan dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het dagelijks bestuur te brengen.

6

Artikel 24 Uitvoeringsprogramma Het algemeen bestuur stelt voor ieder jaar een uitvoeringsprogramma vast, waarin de activiteiten van het samenwerkingsverband worden aangegeven. Het uitvoeringsprogramma bevat voorts in ieder geval een overzicht van de activiteiten en de benodigde financiële en personele middelen. HOOFDSTUK 13 FINANCIËLE BEPALINGEN Artikel 25 Begrotingsprocedure 1. De begrotingsprocedure wordt ingericht conform de procedure zoals beschreven in de wet, waarbij de ontwerpbegroting uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de ontwerpbegroting geldt wordt toegezonden aan de raden. 2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, zesde lid, van de wet, is het eerste lid niet van toepassing op wijzigingen van de begroting die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers. Artikel 26 Bijdragen van de gemeenten 1. In de begroting wordt aangegeven welke bijdragen de deelnemers, afzonderlijk of tezamen, verschuldigd zijn voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft. 2. In iedere samenwerkingsmodule wordt geregeld: a. de berekeningsgrondslag voor de bijdrage met betrekking tot die samenwerkingsmodule; b. de wijze waarop de betaling van de bijdrage met betrekking tot die samenwerkingsmodule plaatsvindt. 3.

De deelnemers dragen er zorg voor dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen te kunnen voldoen. Artikel 27 Jaarrekening 1. In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemers, afzonderlijk of tezamen, over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 2. Het algemeen bestuur kan een jaarrekeningoverschot bestemmen. De in totaal op deze wijze gevormde reserve mag niet meer bedragen dan 15% van de uitvoeringskosten in het betreffende boekjaar. De bestemming van het jaarrekeningoverschot vindt plaats direct na de vaststelling van de jaarrekening. 3. De jaarrekeningprocedure wordt ingericht conform de procedure zoals beschreven in de wet. HOOFDSTUK 14 HET ARCHIEF Artikel 28 Archivering 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband. 2. De secretaris-directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 3. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 4.

Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente van de plaats van vestiging. 5. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente van de plaats van vestiging. 6. De archivaris van de gemeente van de plaats van vestiging brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 7. Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband.

7

HOOFDSTUK 15 TOETREDING, UITTREDING EN OPHEFFING Artikel 29 Toetreding tot de regeling 1. Een college kan tot de regeling toetreden na verkregen toestemming van de raad. 2. Toetreding tot de regeling kan slechts plaatsvinden wanneer alle deelnemers daar mee instemmen bij eensluidend besluit. 3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding van een nieuw college. 4. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding. Artikel 30 Deelname aan een (bestaande) samenwerkingsmodule 1. Een college kan aan een reeds bestaande samenwerkingsmodule deelnemen krachtens een daartoe strekkend besluit van het college en na verkregen toestemming van de raad. 2. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van deelname aan een samenwerkingsmodule door een nieuw college. 3. Het algemeen bestuur kan voorwaarden verbinden aan de deelname aan een samenwerkingsmodule. Artikel 31 Uittreding uit de regeling dan wel een samenwerkingsmodule 1. Een deelnemer kan uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van de betreffende deelnemer, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2. Uittreding kan plaats vinden niet eerder dan 5 jaren na toetreding tot de regeling, met in acht name van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. Deze opzegtermijn vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin tot uittreden besloten is. 3.

Een deelnemer zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een uittredingsplan zoals bedoeld in artikel 32. 5. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend. 6. Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen. 7. De bepalingen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op uittreding uit een samenwerkingsmodule. Artikel 32 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het in artikel 31 bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer. 2.

Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 3. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval de vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 5.

Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende

8

deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 33 Te vergoeden kosten [Vervallen per 01-07-2024] Artikel 34 Verplichtingen uittreder [Vervallen per 01-07-2024] Artikel 35 Wijziging en opheffing 1. De regeling kan worden gewijzigd of opgeheven krachtens een daartoe strekkend besluit van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet. 2. Een samenwerkingsmodule kan worden toegevoegd, gewijzigd of opgeheven krachtens een daartoe strekkend besluit van twee derde van de deelnemers en na verkregen toestemming van hun raden. 3. Elke deelnemer en het algemeen bestuur is bevoegd een wijziging in de regeling aan de besturen van de deelnemende gemeenten in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het dagelijks bestuur zendt het voorstel van het algemeen bestuur toe aan de besturen van de deelnemende gemeenten. Artikel 36 Liquidatie 1. Deze regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers minus één. 2.

In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en regelt het de financiële en andere gevolgen van de opheffing in een liquidatieplan. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 3. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de gemeenten gehoord, vastgesteld. 4. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel als bedoeld in hoofdstuk 9 van deze regeling. 5. Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorgdragen voor de nakoming van de verplichtingen van het samenwerkingsverband, uitgaande van de verdeling van financiële lasten en risico’s tussen deelnemende gemeenten per samenwerkingsmodule. 6. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 7. Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid. HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN Artikel 37 Geschillen Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van deelnemende gemeenten of tussen besturen van een of meer gemeenten en het bestuur van het samenwerkingsverband worden overeenkomstig artikel 28 van de wet, door Gedeputeerde Staten beslist.

Artikel 38 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 39 Evaluatie en bekendmaking 1. De werking van de regeling zal geëvalueerd worden indien twee deelnemers hierom verzoeken. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen. 2. Het college van de gemeente Venray maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door de gemeente Venray uitgegeven Gemeenteblad. 3. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.

9

Artikel 40 Inwerkingtreding De regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2016, nadat deze op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 41 Citeertitel De regeling wordt aangehaald als: MGR sociaal domein Limburg-Noord.

10

SAMENWERKINGSMODULE 1: WMO, JEUGD EN PARTICIPATIE Deze samenwerkingsmodule maakt onlosmakelijk deel uit van de Modulaire gemeenschappelijke regeling sociaal domein Limburg-Noord. Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze samenwerkingsmodule wordt verstaan onder: a) deelnemers: de colleges in het samenwerkingsverband die deelnemen aan de samenwerkingsmodule Wmo, Jeugd en Participatie; b) Wmo, Jeugd en Participatie: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (met uitzondering van beschermd wonen, maatschappelijke opvang, bemoeizorg en preventie), de Jeugdwet en de Participatiewet; c) uitvoeringskosten: de bedrijfsvoeringskosten die het samenwerkingsverband maakt ter uitvoering van de taken als genoemd in deze samenwerkingsmodule (personeel, huisvesting, ICT en dergelijke). Artikel 2 Deelnemers Aan deze samenwerkingsmodule nemen de colleges van de gemeenten Beesel, Bergen, EchtSusteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert deel. Artikel 3 Belang Deze samenwerkingsmodule dient ter verhoging van de effectiviteit en de efficiëntie van de uitvoering van de regionale uitvoerende taken Wmo, Jeugd en Participatie als bedoeld in artikel 4 van deze regeling. Artikel 4 Taken 1. Het samenwerkingsverband heeft de taak om uitvoering te geven aan de regionale uitvoerende taken met betrekking tot: a. de Jeugdwet; b.

de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met uitzondering van beschermd wonen, maatschappelijke opvang en bemoeizorg en preventie; c. de Participatiewet. 2. Het samenwerkingsverband voert ten behoeve van de gezamenlijke deelnemers in ieder geval de volgende taken uit: a. inkoop: het zorgdragen voor de verwerving van het zorg- en ondersteuningsaanbod dat de deelnemers nodig vinden voor een adequate uitvoering van Wmo, Jeugd en Participatie; b. contractmanagement: het uitvoeren van het contractmanagement met betrekking tot de in het kader van lid 2 sub a van dit artikel gesloten contracten; c. contractbeheer: het beheren van de in het kader van lid 2 sub a gesloten contracten en het eenduidig vastleggen daarvan; d. datamanagement; het systematisch verzamelen van gegevens over de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingen binnen het domein van deze samenwerkingsmodule en het aan de deelnemers rapporteren over de gerealiseerde resultaten en verwachtingen binnen het domein van deze samenwerkingsmodule; e. kwaliteit en rechtmatigheid; het uitvoeren van de wettelijke taken ten behoeve kwaliteits- en rechtmatigheidstoezicht Wmo en Jeugdwet van de aangesloten gemeenten op de zorg in natura en het persoonsgebonden budget. f.

financieel beheer ten behoeve van Wmo, Jeugd en Participatie: het uitvoeren van hetgeen is bepaald in artikel 6 van deze samenwerkingsmodule, en indien nodig het verwerven van de gemeentelijke gelden ten behoeve van Wmo, Jeugd en Participatie bij de deelnemers en het verrichten van betalingen aan gecontracteerde aanbieders en andere contractpartijen. 3. Het samenwerkingsverband voert ten behoeve van de deelnemers Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert de volgende specifieke taken uit: a. business control: het sturen op en beheersen van processen en resultaten binnen de keten sociaal domein, inhoudende strategische en tactische advisering op het gebied van sturing, beheersing en risicomanagement door zowel financiële, cijfermatige als beleidsmatige aspecten met elkaar in samenhang te bezien; b. declaratie en facturatie: het uitvoeren van het toewijzings-, intrekkings- en facturatieproces met gecontracteerde aanbieders Jeugd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=4cd8c797-1a72-4017-9fb9-c17f5f56f0ed