Agendabundel
Tekst van het document
Verder worden ook camera’s opgenomen ter beveiliging van het zonnepark. Weliswaar wordt in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat, om de privacy van omwonenden te waarborgen, waar nodig, over de beelden van de camera’s zwarte vlakken worden ingesteld waardoor niet in deze gevoelige gebieden kan worden geobserveerd, maar gebeurt dit ook voor de percelen van reclamanten en hoe valt dit te controleren voor reclamanten. Antwoord gemeente Aantasting privacy en woongenot aanleg park. Het is inherent aan een bouwproject dat in de aanlegfase sprake is van meer verkeersbewegingen en geluidshinder dan in de gebruiksfase. Dit is een tijdelijke situatie. Initiatiefnemer is bereid om met reclamanten afspraken te maken om de overlast voor hen zoveel mogelijk te beperken. Geluid in operationele fase. Zonnepanelen maken geen geluid, dus er kan geen geluidsoverlast ontstaan vanwege de panelen. Zonnepanelen leveren stroom die via een omvormer en transformator wordt afgegeven aan het elektriciteitsnet. Voor transformatorstations gelden richtafstanden. Deze richtafstanden zijn afhankelijk van het transformatorvermogen. Voor een transformatorvermogen tot 10 MVA (dat maximaal voor het plan benodigd is) bedraagt de richtafstand tot gevoelige bestemmingen 30 meter voor geluid. Vanwege de geluidsproductie van de batterijen geldt een richtafstand van 200 meter tot gevoelige bestemmingen.
Zoals blijkt uit de technische tekening (bijlage 1 van de ruimtelijke onderbouwing) wordt ruimschoots voldaan aan de twee richtafstanden voor geluid ten opzichte van de woningen rondom het besluitgebied. De installaties liggen op een minimale afstand van circa 400 m van de woning van reclamanten. Er is
47
Nota van Zienswijzen
daarom geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat voor het aspect geluid. Een geluidsonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Privacy i.r.t. camera’s. Dit aspect is ruimtelijk niet relevant. Hier wordt dus verder niet op ingegaan. Reclamanten h. Borging Ook de borging (zie strenge voorwaarde 5) is naar de mening van reclamanten onvoldoende nu dit plaatsvindt in een privaatrechtelijke overeenkomst. Deze privaatrechtelijke overeenkomst is voor reclamanten en andere belanghebbenden niet af te dwingen, aangezien zij geen partij zijn bij deze overeenkomst. In bestuursrechtelijke borging, via harde voorschriften in de omgevingsvergunning, is onvoldoende voorzien. Reclamanten verwijzen verder naar wat zij hier eerder over gesteld hebben. Antwoord gemeente ‘Strenge voorwaarde 5’. ‘Strenge voorwaarde 5’ volgt uit het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’. De voorwaarde is als volgt omschreven: ‘privaatrechtelijk borgen in anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente Roerdalen of in privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en landeigenaar: - onderhoud en werking van de technische installatie; - onderhoud en landschappelijke inpassing; - toevoeging van maatschappelijke meerwaarde; - ontmanteling na beëindiging; - coöperatieve realisatie; - participatie bij de concrete planontwikkeling.’
Ten eerste is deze voorwaarde dus een beleidsvoorwaarde waar aan voldaan moet worden. Met het sluiten van de anterieure overeenkomst met initiatiefnemer is aan deze beleidsvoorwaarde voldaan. Daarnaast zijn de onderdelen ‘onderhoud en landschappelijke inpassing’ en ‘ontmanteling na beëindiging’ ook bestuursrechtelijk geregeld. Beide zijn als voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning. Ten slotte is nergens bepaald dat de zaken die op basis van het beleidskader privaatrechtelijk geregeld moeten worden ook bestuursrechtelijk geregeld moeten worden. Er bestaat dus helemaal geen noodzaak om alle onderdelen bestuursrechtelijk te regelen. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in het ontwerpbesluit en wordt ongegrond verklaard.
48
Nota van Zienswijzen
Zienswijze 3
Reclamanten 1. Reclamanten zijn het niet eens met de keuze voor de ontwikkeling van een zonnepark op de locatie Kleine Bergerweg. De aanvraag omgevingsvergunning voor het Zonnepark Kleine Bergerweg is op 2 oktober 2023 ingediend. De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend met toepassing van artikel 2.12 eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo (de uitgebreide procedure voor afwijking van het bestemmingsplan). Daarom is op grond van artikel 6.5 eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) van uw raad nodig. Die VVGB mag de raad alleen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Het college is gebonden aan het raadsbesluit omtrent afgifte van de VVGB. Dit besluit moet de raad motiveren op basis van een afweging of het zonnepark voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening. Voor die afweging is niet relevant welke afspraken uw gemeente en/of het college reeds met de ontwikkelaar heeft gemaakt. En om die reden is het ook niet aannemelijk dat initiatiefnemer met succes een schadevergoeding van de gemeente zou kunnen vorderen indien de raad zou besluiten de VVGB niet af te geven. Als dat doorslaggevend zou kunnen zijn, zou de raad, aan de in de wet aan de raad toegekende beslissingsbevoegdheid, geen betekenis meer toekomen.
Ook initiatiefnemer weet of behoort te weten dat het project pas doorgang kan vinden als de daarvoor benodigde vergunningprocedure is gevolgd en die procedure ook heeft kunnen leiden tot een onherroepelijk vergunning. Evenmin is raad bij de besluitvorming gebonden aan duurzaamheidsdoelstellingen voor het jaar 2030. In het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie van de gemeente Roerdalen 2021-2030’ heeft uw gemeente zichzelf als doel gesteld om in 2030 70% van het elektriciteitsverbruik duurzaam op te wekken. Dat is echter geen verplichting, maar een doelstelling. Ook in zoverre blijft de raad dus bevoegd en wettelijk gezien ook verplicht om een eigen afweging te maken en te beoordelen of het plan voor het Zonnepark Kleine Bergerweg in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. Antwoord gemeente Het gestelde is correct en wordt verder voor kennisgeving aangenomen. Reclamanten 2. De door de raad te maken ruimtelijke afweging omvat bovendien niet alleen de vraag of het aangevraagde Zonnepark Kleine Bergerweg ruimtelijk is in te passen op de locatie aan de Kleine Bergerweg, maar ook de vraag of die locatie als zodanig ruimtelijke geschikt en aanvaardbaar is. Reclamanten menen dat dat laatste onvoldoende is onderzocht en onderbouwd. Daarover het volgende.
49
Nota van Zienswijzen
De keuze voor de locatie Kleine Bergerweg is gemaakt op basis van een door het college in 2022 gevoerde selectieprocedure. In die procedure zijn 14 ingediende plannen voor een zonnepark door een deskundigenpanel beoordeeld aan de hand van de zogenaamde beoordelingsmatrix. Dat heeft geresulteerd in een keuze van het college voor twee plannen met de hoogste score, waaronder het plan voor het Zonnepark Kleine Bergerweg. De beoordelingsmatrix is voor de volledigheid als bijlage 1 aan de zienswijze toegevoegd. In de matrix zijn (slechts) vijf voorwaarden opgenomen, waaraan de ingediende plannen zijn getoetst. Wat opvalt aan die voorwaarden is dat die geen betrekking hebben op de vraag welke locatie het meest geschikt is voor een zonnepark, doch uitsluitend op de vraag welk plan op de gegeven locatie het hoogste scoort als het gaat om de inpassing in het ter plaatse aanwezige landschap.
Voor een afgewogen locatiekeuze zijn echter criteria van belang zoals bijvoorbeeld: - welke locatie voldoet het beste als gekeken wordt naar de reeds (in de directe omgeving) aanwezige functies en activiteiten; - welke locatie voldoet het beste als het gaat om het (potentieel)bestaande agrarische gebruik, waaraan die locatie voor vele jaren zal worden onttrokken; - welke locatie voldoet het beste aan provinciaal en gemeentelijke beleid; - welke locatie voldoet het beste als het gaat om effecten op milieu (geluid, lichtreflectie, bodemkwaliteit e.d.) en natuur (gebieds- en soortenbescherming); - welke locatie voldoet het beste als het gaat om effecten op cultuurhistorische en archeologische waarden en waterhuishouding. Al deze voor een goede ruimtelijke ordening zeer relevante aspecten zijn niet betrokken in de beoordelingsmatrix en dus ook niet bij de locatiekeuze. Reclamanten zijn daarom van mening dat de keuze voor de locatie van het plan Zonnepark Kleine Bergerweg onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en daarom ook niet in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. Reeds om die reden verzoeken reclamanten u de VVGB te weigeren. Antwoord gemeente Beoordelingsmatrix.
Ten eerste kan door reclamanten uitsluitend een zienswijze worden ingediend op de ontwerp omgevingsvergunning/ontwerp verklaring van geen bedenkingen behorende bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning Zonnepark Kleine Bergerweg. Het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ en de bijbehorende beoordelingsmatrix maken geen onderdeel uit van deze aanvraag. Op sec het Beleidskader en de bijbehorende beoordelingsmatrix kan binnen deze procedure dus geen zienswijze worden ingediend. Verder is de wijze waarop het Beleidskader en de beoordelingsmatrix tot stand zijn gekomen, en hoe de beoordeling van de ingediende initiatieven heeft plaatsgevonden, binnen het kader van deze vergunningsprocedure ruimtelijk niet relevant. Voor zover de zienswijze van reclamanten betrekking heeft op het voornoemde, wordt deze voor kennisgeving aangenomen. Ten tweede heeft de raad op 15 juli 2021 het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ vastgesteld. Na vaststelling van de beoordelingsmatrix door de raad op 3
50
Nota van Zienswijzen
februari 2022 is een uitvraag aan de markt gedaan om zonnepark initiatieven in te dienen. Alle initiatieven zijn aan de hand van de door de raad vastgestelde beoordelingsmatrix beoordeeld door een daartoe deskundig adviespanel. In december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders principemedewerking verleend aan de twee best scorende initiatieven, te weten het Zonnepark Hobertsveldweg en het Zonnepark Kleine Bergerweg. Voorts is voor beide parken een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De omgevingsvergunning voor het Zonnepark Hobertsveldweg is inmiddels onherroepelijk. In het kader van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (fairplay beginsel) behoren beide aanvragen aan het beleid getoetst te worden, zoals vastgesteld op 15 juli 2021. Dit volgt verder ook uit het zogenaamde Drimmelen-arrest4. Uit deze uitspraak blijkt dat een gemeente niet zonder meer haar beleid mag wijzigen tijdens een vergunningenprocedure, althans voor zover hierdoor verschillende beoordelingsmaatstaven ontstaan. Een gemeente moet alle aanvragen objectief en op een gelijke wijze beoordelen en mag daarbij geen partij bevoordelen.
Kortom, door in dit stadium van de vergunningenprocedure het beleidskader qua beoordelingsmaatstaven nog aan te passen, wordt de initiatiefnemer van het Zonnepark Kleine Bergerweg mogelijk benadeeld ten opzichte van de initiatiefnemer van het Zonnepark Hobertsveldweg. Dit is in strijd met het fairplay beginsel. Onderbouwing locatie in ruimtelijke onderbouwing. Initiatiefnemer heeft voor de daadwerkelijke realisatie van het zonnepark Kleine Bergerweg een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De raad dient een besluit te nemen op deze aanvraag in de vorm van het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. Alternatieve locaties worden in deze beoordeling niet meegenomen. Immers, uit de jurisprudentie blijkt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Door reclamanten worden dergelijke alternatieve locaties niet aangereikt. Daarmee kan dus ook niet beoordeeld worden of op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
Daarnaast moet nu op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning beoordeeld worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Wat betreft de locatiekeuze volgt uit de ruimtelijke onderbouwing (pagina 38 en 39) het volgende. Ten eerste heeft de raad in het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 20212030’ een Uitsluitingsgebied Zon aangewezen. De planlocatie ligt niet binnen dit Uitsluitingsgebied. Op basis van het gemeentelijke beleidskader ligt de locatie dus in potentiegebied. Ten tweede past het initiatief binnen het landschapstype en de bijbehorende kernkwaliteiten van de locatie. Het ‘Landschapskader Noord- en Midden Limburg’ en de ‘Handreiking Landschap Grootschalige Energie opwek zon-op-land RES Noord- en Midden Limburg’ bieden hierbij
4
Zie de uitspraken van de ABRVS van 16 februari van 2020, ECLI:NL:RVS:2022:437 en ECLI:NL:RVS:2022:442
51
Nota van Zienswijzen
handvatten voor het onderbouwen van de locatiekeuze. De landschappelijke analyse heeft daarom aan de hand van deze stukken plaatsgevonden. Op pagina 39 van de ruimtelijke onderbouwing volgt uit het gestelde onder het kopje ‘Handreiking Landschap RES’ het volgende: ‘Op de geschiktheidskaart behorende bij de Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg is er sprake van ontwikkeling binnen een Zeer geschikte locatie (Droge heideontginning) en Nauwelijks geschikt (Velden). Volgens de Handreiking Landschap RES geldt voor de als ‘nauwelijks geschikt’ aangemerkte landschapstypen dat de geschiktheid beperkt is, omdat de schaal van het initiatief in veel gevallen aanpassingen van landschappelijke structuren vergt. Een belangrijke randvoorwaarde om in die landschapstypen toch een zonnepark te realiseren, is het herkenbaar houden van de karakteristiek van het landschap. Derhalve dient de aanpassing van landschappelijke structuren te worden vergezeld van een onderbouwing waarin is weergegeven op welke wijze de kwaliteiten van het landschap minimaal behouden blijven. Om aan die voorwaarde te voldoen is een onderbouwing opgesteld op welke wijze de kwaliteiten van het landschap wordt behouden en zelfs versterkt. Voor deze locatie is een landschappelijk inpassingplan (zie separate bijlage) opgesteld, welke onder andere ingaat op de inpassing vanuit de RES-Handreiking.’
Zie verder hier beneden het gestelde onder ‘Kernkwaliteiten’. Ten derde biedt de voorliggende locatie kansen om aan te sluiten bij aanwezige groenstructuren, waaronder de Goudgroene natuurzone. De invulling van gronden met een zonnepark geeft de gemeente en provincie de kans om in combinatie met de realisatie van het zonnepark ongeveer 12 ha. natuur te ontwikkelen in de vorm van graslanden, patrijzen- en dassenakkers, struweelhagen en een wadi. Na de beëindiging van de exploitatie van het zonnepark (30 jaar) blijft een gedeelte van deze natuur gehandhaafd. In de eerste volgende planologische mogelijkheid zullen deze gronden een natuurfunctie krijgen. Er is kortom niet sprake van het tijdelijk realiseren van natuur bij het zonnepark maar juist van permanente natuur. Kernkwaliteiten. De onderbouwing van de locatiekeuze kan niet los worden gezien van de kernkwaliteiten van het landschap. Op pagina 40 van de ruimtelijke onderbouwing wordt over deze kernkwaliteiten het volgende gesteld: ‘Ad sub b. De kernkwaliteiten van het landschap worden omschreven in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Op basis van dit kader ligt het projectgebied grotendeels binnen het gebiedstype ‘Velden’ en deels binnen ‘Droge heide-ontginningen’.
In de Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg wordt het gebiedstype ‘Velden’ aangemerkt als nauwelijks geschikt, daarentegen wordt het gebiedstype ‘Droge heide-ontginningen’ aangemerkt als zeer geschikt. In het landschapsplan is een onderbouwing gegeven over de landschapskenmerken die aanwezig zijn en waarmee zoveel mogelijk aangesloten wordt op de ontwerpprincipes uit de Handreiking.’
In het Landschapsplan (bijlage 2 bij de ruimtelijke onderbouwing) zijn de 11 landschapskenmerken/kernkwaliteiten behorende bij een ontginningslandschap omschreven. Zie
52
Nota van Zienswijzen
pagina 9 van het Landschapsplan. In het ontwerp van het inpassingsplan is rekening gehouden met deze 11 aanwezige kernkwaliteiten (zie pagina 9 Landschapsplan), waaronder: 1. De panelen en hagenstructuur worden met max. 1,77 meter zo laag mogelijk gehouden, zodat er overheen gekeken kan worden en vergezichten behouden blijven. 2. Prominente zichtlijnen worden opgenomen in het zonnepark. 3. Het zonnepark wordt ingepast in de bestaande kavelstructuur en volgt de leidende kaveloriëntatie. 4. Het panelenveld kent een blokvormige inpassing, heeft geen rafelranden en volgt de leidende kaveloriëntatie. De landschapsdeskundigen van de provincie Limburg hebben het inpassingsplan tijdens het wettelijk vooroverleg beoordeeld of het passend is binnen de aanwezige landschapskenmerken/ kernkwaliteiten. Zie e-mails bijlagen 1 en 2. Aan de hand van deze beoordeling is het definitieve landschapsplan aangepast en aangevuld. De provincie heeft ons vervolgens tijdens de zienswijzenperiode van de ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen medegedeeld dat het initiatief en de onderbouwing van de instructieregels in voldoende mate passend is binnen de vereisten vanuit de Omgevingsverordening 2014. Zie de email in bijlage 3.
Dit betekent dus dat volgens de provincie de locatiekeuze in voldoende mate is onderbouwd en dat door het initiatief de kernkwaliteiten niet worden aangetast. Ten slotte is het landschappelijk inpassingsplan voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige commissie (de LKM-commissie). Deze commissie heeft het definitieve inpassingsplan op 9 januari 2025 goedgekeurd. Verwezen wordt verder naar bijlage 4 voor de advisering tijdens de planvorming. Ook uit het advies van de LKM-commissie blijkt verder niet dat het initiatief niet passend is in het gebied, dat de landschapsanalyse onvoldoende is geweest of dat kernkwaliteiten worden aangetast. Reclamanten 3. In paragraaf 2.2.2 van de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag staat dat Zonnepark Kleine Bergerweg is geprojecteerd in een omgeving waar veel ontwikkelingen zijn met betrekking tot industriële activiteiten. Dat is onjuist. De autosnelweg en de spoorlijn zijn geen industriële activiteiten. Op de voormalige regionale stortplaats was wel een bedrijf gevestigd voor de recycling van plastic, maar dat bedrijf is recent failliet gegaan. En dew raad heeft nu juist op 3 februari een motie aangenomen om te voorkomen dat er industriële activiteiten worden ontwikkeld in het Linnerveld.
De motie luidt: ‘De Raad van de gemeente Roerdalen is van oordeel dat het gehele Linnerveld gevrijwaard moet blijven van industriële, logistieke en/of bedrijfsmatige activiteiten vanwege de aantasting van de landschappelijke kwaliteiten en de negatieve effecten op de leefomgeving.’ Antwoord gemeente Motie 3 februari 2022. De motie van 3 februari 2022 had betrekking op een initiatief voor de realisatie van een bedrijventerrein langs de A73 in het Linnerveld. De voorliggende aanvraag heeft
53
Nota van Zienswijzen
betrekking op een zonneveld en is dus niet vergelijkbaar met een bedrijventerrein. Daarnaast is een motie een korte en gemotiveerde verklaring of uitspraak van één of meerdere raadsleden over een onderwerp, waarmee een oordeel, wens, verzoek of opdracht wordt uitgesproken. De betreffende motie leidt er dus niet toe dat er tevens een geldend beleidskader wordt aangepast. De raad heeft in het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ bepaald waar in de gemeente Roerdalen zonnevelden wenselijk zijn. De raad heeft daartoe een Uitsluitingsgebied Zon aangewezen. De planlocatie ligt niet binnen dit Uitsluitingsgebied Zon. Overeenkomstig het beleid van de raad ligt het aangevraagde zonnepark dus in een potentiegebied. Reclamanten 4. Daar komt bij dat het plan Zonnepark Kleine Bergerweg om diverse redenen niet of niet goed past in het beleid voor zonneparken van Rijk, provincie en gemeenten. Op Rijksniveau heeft in 2023 een aanscherping van de voorkeursvolgorde voor zon plaatsgevonden. Die aanscherping is uiteengezet in de brief van de minister van BZK aan de Tweede Kamer van 26 oktober 2023.
Uitgangspunt van het aangescherpte beleid is het streven naar meervoudig ruimtegebruik (opwek van zonne-energie op locaties waar dat samen kan gaan met bestaande of nieuwe functies) en het zo veel mogelijk vrijhouden van landbouw- en natuurgronden voor andere ruimtelijke opgaven. Het gebruik van landbouw- en natuurgronden voor zonneparken (trede 4 van de voorkeursvolgorde) is volgens het aangescherpte beleid in beginsel ongewenst en alleen bij wijze van uitzondering mogelijk. Het plan voor het Zonnepark Kleine Bergerweg voldoet niet aan het uitgangspunt van meervoudig ruimtegebruik. In de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag wordt geprobeerd daar een draai aan te geven door te stellen dat het zonnepark gepaard zal gaan met natuurontwikkeling en biodiversiteitsversterking, dat het opengesteld zal worden voor bezoekers en dat tussen de panelen schapen kunnen grazen. Maar daarmee is nog geen sprake van meervoudig ruimtegebruik, zoals in paragraaf 3.3.3 van de ruimtelijke onderbouwing ook wel wordt erkend. Natuurontwikkeling, openstelling voor bezoekers en begrazing van de onderhoudspaden door schapen zijn gebruiksfuncties die onderdeel zijn van het zonnepark zelf en dus niet functies waarmee het zonnepark samengaat. Zonder zonnepark zou er namelijk ook geen natuurontwikkeling, openstelling voor bezoekers en begrazing van onderhoudspaden zijn.
En dat de natuurontwikkeling deels een permanent karakter heeft, maakt dat niet anders, nog daargelaten dat dat permanente karakter juridisch niet of althans niet afdoende is geborgd. Antwoord gemeente Aangescherpte voorkeursvolgorde zonneladder. De aangescherpte voorkeursvolgorde voor zon is niet op het voorliggende initiatief van toepassing. De aangescherpte regelgeving waar reclamanten op doelen is opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg, zoals deze geldt vanaf 3 februari 2025. In artikel 13.3 lid 3 van de Omgevingsverordening is bepaald dat de aangescherpte zonneladder niet van toepassing is op de projecten zoals opgenomen in bijlage XIII. Het Zonnepark Kleine Bergerweg is opgenomen in deze lijst. Daarnaast is er sprake van een
54
Nota van Zienswijzen
aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning. Dit betekent dat het recht, zoals het gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is. Voor zover dit de Limburgse zonneladder betreft, was dit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hier was de bedoelde aangescherpte Limburgse zonneladder nog niet in opgenomen. In de ruimtelijke onderbouwing is wel ingegaan op de aangescherpte voorkeursvolgorde voor zon, omdat bij de motivatie van een project ook een doorkijk gemaakt moet worden in hoeverre de ontwikkeling past binnen nieuwe wet- en regelgeving. Reclamanten 5. Het provinciaal beleid en de provinciale regels zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg. Onderdeel van de Omgevingsvisie is de Limburgse zonneladder. Volgens die zonneladder behoort de aanleg van grootschalige zonneparken op landbouwgrond ook tot trede 4 en geldt daarvoor het ‘nee-tenzij principe’. Dat ‘nee-tenzij principe’ is ook juridisch bindend vastgelegd in de instructieregel in artikel 2.17.2 van de Omgevingsverordening Limburg. Tot het ‘nee-tenzij principe’ voor gebruik van landbouwgrond behoort onder meer de voorwaarde dat een zorgvuldige ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de locatie. Reclamanten zijn van mening dat zo’n zorgvuldige ruimtelijke locatieafweging niet heeft plaatsgevonden.
Allereerst verwijzen reclamanten weer naar hetgeen zij hiervoor hebben gesteld ten aanzien van de locatiekeuze en de onzorgvuldige wijze waarop die heeft plaatsgevonden op basis van de gebrekkige beoordelingsmatrix. Reeds om die reden wordt niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 2.17.2 van een zorgvuldige ruimtelijke locatieafweging. Daarnaast is de gekozen locatie aan de Kleine Bergerweg om meerdere redenen geen geschikte locatie. Een belangrijke reden is dat die locatie grotendeels bestaat uit gronden die in het Landschapskader Noord- en Limburg behoren tot een gebiedstype ‘Velden’ dat gekenmerkt wordt door een open cultuurlandschap. In de Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg is dat gebiedstype om die reden aangemerkt als nauwelijks geschikt voor de aanleg van zonnevelden. In de ruimtelijke onderbouwing wordt dat ten onrechte weggeredeneerd door te stellen dat het gebied lang niet meer zo open is als vroeger omdat het kleinschaliger is geworden door een grote fruitkwekerij en aanplant van bos. En vervolgens wordt dat argument aangegrepen om in het landschappelijke inpassingsplan een natuurontwikkeling op te nemen die aansluit op de opgaande groenstructuren en dus, tezamen met de zonnevelden, het open cultuurlandschap definitief om zeep helpt. Antwoord gemeente Omgevingsverordening Limburg 2014.
Artikel 2.17.2 lid 5 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gaat bij zonneparken op landbouwgrond uit van het zogenaamde ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat een ruimtelijk plan een zonnepark op landbouwgrond uitsluitend onder een aantal voorwaarden toelaat. Eén van de voorwaarden is dat het ruimtelijk plan is voorzien van een zorgvuldige afweging ten aanzien van de locatie. Een andere voorwaarde is dat moet worden voorzien in een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing en beheer passend bij de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap. In tegenstelling tot wat reclamanten stellen is er
55
Nota van Zienswijzen
wat betreft de landschappelijke analyse en de geschiktheid van de locatie wel degelijk sprake van een zorgvuldige ruimtelijke locatieafweging. Verwezen wordt verder naar het antwoord bij het bovenstaande kopje ‘Onderbouwing locatie in ruimtelijke onderbouwing’. Reclamanten 6. Reclamanten zijn verder van mening dat het plan voor Zonnepark Kleine Bergerweg ook niet voldoet aan de strenge voorwaarden van het gemeentelijk beleid. Strenge voorwaarde 1 luidt dat het te ontwikkelen zonnepark moet passen in de schaal, de sfeer en de maatvoering van het landschap waar het zonnepark deel van gaat uitmaken. Hiervoor is al gesteld dat geen sprake is van een omgeving waar veel ontwikkelingen zijn met betrekking tot industriële activiteiten en dat het zonnepark niet past in het open cultuurlandschap, ook al is dat cultuurlandschap ter plaatse van het Linnerveld wellicht kleinschaliger geworden. Bovendien tast juist ook een zonnepark met een oppervlakte van 12,6 hectare binnen het hekwerk, waarvan meer dan de helft is bedekt met zonnepanelen, de kleinschalige openheid van het Linnerveld aan. Antwoord gemeente ‘Strenge voorwaarde 1’. Reclamanten stellen dat niet voldaan is aan ‘strenge voorwaarde 1’, omdat gekozen is voor een locatie gelegen binnen een volgens de ‘Handreiking Landschap RES’ voor een zonnepark nauwelijks geschikt veldenlandschap.
Om onderstaande redenen bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat niet is voldaan aan ‘strenge voorwaarde 1’. Op basis van de ‘Handreiking Landschap RES Noord- en Midden Limburg’ ligt het zonnepark deels in het gebiedstype ‘Velden’ en deels in het gebiedstype ‘Droge heide-ontginningen’. In de Handreiking wordt het gebiedstype ‘Velden’ aangemerkt als nauwelijks geschikt voor een zonnepark. Op pagina 39 van de Handreiking wordt over het ‘nauwelijks geschikt zijn’ het volgende gesteld: ‘Deze landschappen staan een grootschalig initiatief voor zon-op-land nauwelijks toe. De vraag is of de schaalgrootte van het initiatief aan kan sluiten bij de landschappelijke kenmerken (de geschiktheid en het lokale laadvermogen). Het vergt aanpassingen van landschappelijke structuren. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat de kernkwaliteiten en karakteristiek van het landschap herkenbaar blijft en versterkt wordt. De benaderingswijze van het landschap verdient hierbij extra aandacht, zoals aangegeven in onderstaand handvat. …….’
Het voorgaande betekent dus dat aan de hand van de kernkwaliteiten/karakteristiek van het landschap onderbouwd moet worden waarom het Zonnepark Kleine Bergerweg passend is binnen het nauwelijks geschikte gebiedstype ‘Velden’. Deze onderbouwing is vanaf pagina 16 e.v. opgenomen in het Landschapsplan (bijlage 2 van de ruimtelijke onderbouwing). Uit de onderbouwing blijkt dat het besluitgebied geschikt is in plaats en schaal voor de inpassing van het zonnepark.
56
Nota van Zienswijzen
Aanvullend wordt hierbij nog het volgende opgemerkt. De provincie Limburg heeft tijdens het wettelijk vooroverleg aangegeven dat de locatiekeuze nader onderbouwd moet worden aan de hand van de voornoemde Handreiking. Zie de e-mails in bijlagen 1 en 2. Naar aanleiding hiervan is, zoals hiervoor reeds voormeld, een uitvoerige onderbouwing opgenomen in het Landschapsplan (bijlage 2 van de ruimtelijke onderbouwing). De provincie heeft ons uiteindelijk tijdens de zienswijzenperiode van de ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerp verklaring van geen bedenkingen medegedeeld dat het initiatief en de onderbouwing van de instructieregels, waaronder dus ook de onderbouwing van de locatiekeuze, in voldoende mate passend is binnen de vereisten vanuit de Omgevingsverordening 2014. Zie de e-mail in bijlage 3.
7.
Reclamanten Evenmin wordt voldaan aan strenge voorwaarde 3 die een meervoudig ruimtegebruik eist. In de ruimtelijke onderbouwing wordt ook voor wat betreft deze strenge voorwaarde weer gewezen op de openstelling voor publiek en de begrazing door schapen. Maar zoals hiervoor al is toegelicht kan dat niet worden aangemerkt als meervoudig ruimtegebruik en wordt dat in paragraaf 3.3.3 van de ruimtelijke onderbouwing ook erkend. Antwoord gemeente ‘Strenge voorwaarde 3’. Op pagina 51 van de ruimtelijke onderbouwing is de ‘strenge voorwaarde 3: meervoudig ruimtegebruik’ zoals bedoeld in het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ omschreven: ‘Strenge voorwaarde 3: meervoudig ruimtegebruik. Deze eis komt gedeeltelijk overeen met de tweede trede van de Limburgse Zonneladder. In de gemeente Roerdalen geldt dat bij omzetting van (bijvoorbeeld) agrarische gronden naar een zonnepark, de nieuwe invulling een functie aan het landschap zelf of aan de beleving van het landschap moet toevoegen. Deze functie kan onder andere vanuit culturele, educatieve of toeristische doeleinden worden gemotiveerd…….’
Vervolgens wordt strenge voorwaarde 3 op pagina 52 als volgt ingevuld: Er zijn meerdere vormen van gebruik die mogelijk worden gemaakt met voorgenomen ontwikkeling. Centraal op het zonnepark Kleine Bergerweg en langs de recreatieve route wordt een informatie- en rustpunt gemaakt. Hiermee draagt het zonnepark bij aan educatieve doeleinden waarbij informatieborden worden geplaatst een aangelegd. De agrarische functie blijft behouden doordat de schapen middels beweiding tussen de panelen grazen. De schapen dragen middels drukbegrazing bij aan het agrarische karakter van het besluitgebied in combinatie met een ecologisch beheer. Door de huidige opstelling van de pv-panelen met voldoende rijafstand (ca. 2 meter) kunnen schapen goed onder de panelen komen. Tot slot is er een flinke ecologische meerwaarde die de biodiversiteit ten goede komt door de takkenrillen, wadi, hagen, bijenhotels en kruidenrijk gras. Zie hiervoor het landschappelijk inrichtingsplan in de bijlage behorende bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing.’
Op basis van deze omschrijving wordt niet ingezien waarom onder andere de landschappelijke inpassing, de stimulering van de biodiversiteit en het informatie- en rustpunt niet aangemerkt kunnen worden als meervoudig gebruik zoals bedoeld bij ‘strenge voorwaarde 3’. Het betreft
57
Nota van Zienswijzen
immers functies die voorheen niet aanwezig waren. Ze worden nu gelijktijdig toegevoegd met de realisatie van het zonnepark. Voor wat betreft het gestelde over paragraaf 3.3.3 van de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar het antwoord onder het kopje ‘Aangescherpte voorkeursvolgorde zonneladder’. Reclamanten 8. Reclamanten zijn het overigens niet eens met het feit dat strenge voorwaarde 5 eist dat diverse ruimtelijk relevante maatregelen privaatrechtelijk worden geborgd. Dat geldt in elk geval voor het onderhoud en landschappelijke inpassing, de toevoeging van maatschappelijke meerwaarde en de ontmanteling na beëindiging. Die maatregelen kunnen en moeten wel degelijk ook bestuursrechtelijk worden geborgd door middel van voorschriften bij de omgevingsvergunning. Aan een privaatrechtelijke overeenkomst kunnen derden, zoals reclamanten, namelijk geen rechten ontlenen. Evenmin kunnen derden nakoming vorderen. En tot slot kan een privaatrechtelijke overeenkomst zonder inspraak of bezwaarmogelijkheid van derden worden gewijzigd. Antwoord gemeente ‘Strenge voorwaarde 5’. ‘Strenge voorwaarde 5’ volgt uit het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’.
De voorwaarde is als volgt omschreven: ‘privaatrechtelijk borgen in anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente Roerdalen of in privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en landeigenaar: - onderhoud en werking van de technische installatie; - onderhoud en landschappelijke inpassing; - toevoeging van maatschappelijke meerwaarde; - ontmanteling na beëindiging; - coöperatieve realisatie; - participatie bij de concrete planontwikkeling.’
Ten eerste is deze voorwaarde dus een beleidsvoorwaarde waar aan voldaan moet worden. Met het sluiten van de anterieure overeenkomst met initiatiefnemer is aan deze beleidsvoorwaarde voldaan. Daarnaast zijn de onderdelen ‘onderhoud en landschappelijke inpassing’ en ‘ontmanteling na beëindiging’ ook bestuursrechtelijk geregeld. Beide zijn als voorschrift opgenomen in de omgevingsvergunning. Ten slotte is nergens bepaald dat de zaken die op basis van het beleidskader privaatrechtelijk geregeld moeten worden ook bestuursrechtelijk geregeld moeten worden. Er bestaat dus helemaal geen noodzaak om alle onderdelen bestuursrechtelijk te regelen. Reclamanten 9. Reclamanten zijn voorts van mening dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de mogelijke gezondheidsrisico’s van een grootschalig zonnepark voor mens en dier.
58
Nota van Zienswijzen
Antwoord gemeente Gezondheidsrisico’s. De gezondheidsrisico’s van elektromagnetische straling zijn omschreven in paragraaf 5.6 van de ruimtelijke onderbouwing. Reclamanten 10.Ook de gevolgen voor de (verblijfsrecreatieve) en toeristische aantrekkelijkheid van het gebied zijn ten onrechte niet onderzocht, evenmin als de beperkingen die het zonnepark mogelijk kan opleggen aan het gebruik van omliggende agrarische gronden, bijvoorbeeld als het gaat om beregening en/of het gebruik van bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen. Reclamanten exploiteren zelf een land- en tuinbouwbedrijf. Hun zoon wil het bedrijf in de toekomst overnemen. Door het onttrekken van bruikbare landbouwgrond aan de agrarische bestemming worden de grondprijzen in de regio verder opgedreven. Daardoor wordt het welhaast onmogelijk om nog een agrarisch bedrijf over te nemen. Ten onrechte wordt daaraan op geen enkele manier aandacht besteed in de ontwerp-omgevingsvergunning en de daarbij behorende stukken. Antwoord gemeente Verblijfsrecreatieve en toeristische aantrekkelijkheid. Op basis van het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ ligt de planlocatie binnen potentiegebied. Er is door de raad dus een beleidsmatige keuze gemaakt dat op onderhavige locatie een zonnepark wenselijk is.
In het beleidskader is verder als ‘strenge voorwaarde 3’ opgenomen dat de nieuwe invulling van agrarische grond een functie aan het landschap zelf of aan de beleving van het landschap moet toevoegen. Deze functie kan onder andere vanuit culturele, educatieve of toeristisch doeleinden worden gemotiveerd (= meervoudig gebruik). Vanuit het beleidskader is dus aangegeven hoe gekeken moet worden naar de verblijfsrecreatieve en toeristische aantrekkelijkheid van het gebied. Voor wat betreft de invulling van dit meervoudig gebruik, waaronder de toeristische doeleinden, wordt verwezen naar het antwoord onder 7. Beperkingen gebruik omliggende agrarische gronden (beregening/bestrijdingsmiddelen). Een agrariër mag zijn perceel beregenen en ook bestrijdingsmiddelen/ gewasbeschermingsmiddelen gebruiken. Hij mag daarbij geen schade of hinder veroorzaken op het perceel van een ander. Dit is geregeld in het burenrecht in het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 5:37 BW stelt: ‘De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.’
Er is geen sprake van een limitatieve opsomming, dus het verspreiden van water door beregening en het gebruik van bestrijdingsmiddelen/gewasbeschermingsmiddelen kan hier ook onder geschaard worden. Dit betekent dat:
59
Nota van Zienswijzen
-
-
Als door de beregening/ gebruik van bestrijdingsmiddelen/gewasbeschermingsmiddelen structureel de gronden van het zonnepark worden geraakt en het zonnepark ondervindt daar nadelige gevolgen van (bijvoorbeeld roestvorming op de zonnepanelen) dan kan dit als onrechtmatige hinder worden aangemerkt. Er kan sprake zijn van een onrechtmatige daad als aangetoond kan worden dat de hinder buitensporig is en niet redelijkerwijs te verwachten was.
Kortom, bij normaal gebruik van de sproei-installatie/ bestrijdingsmiddelen/ gewasbeschermingsmiddelen worden er geen nadelige gevolgen toegebracht aan het zonnepark. Dit houdt in dat de sproei-installatie op de algemeen gangbare tijden (ochtenden en avonden) gebruikt wordt, de waterstraal zoveel mogelijk binnen het eigen perceel blijft en niet direct op de zonnepanelen gericht is. Initiatiefnemer heeft aangegeven graag met reclamant in gesprek te gaan om de risico’s van de beregening te minimaliseren. Tevens is initiatiefnemer bereid om te investeren in het beregeningssysteem van reclamant om dit te ondersteunen, mocht hier aanleiding toe bestaan. Voor wat betreft het gebruik van bestrijdingsmiddelen/ gewasbeschermingsmiddelen wordt onder normaal gebruik verstaan het gebruik van de middelen overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ten slotte wordt wat betreft de beregening van agrarische gronden het volgende opgemerkt. Na overleg met verschillende experts (waaronder Wildkamp en Smits B.V.) is gebleken dat er met haspels voldoende flexibiliteit is om deze zo te plaatsen dat de waterstraal niet direct op de zonnepanelen terechtkomt. Dit wordt extra ondersteund door de bufferzone van 5 meter die zich bevindt tussen de perceelsgrens en de zonnepanelen en zoals weergegeven op de technische tekening (bijlage 1 van de ruimtelijke onderbouwing).
Daarnaast zijn er aanvullende maatregelen mogelijk om het resterende risico te beperken. Om ervoor te zorgen dat het gehele perceel gelijkmatig en efficiënt van water wordt voorzien, kan de haspel bijvoorbeeld uitgerust worden met sectorcontrol (zoals de Raindancer van Smits B.V.). Sectorcontrol maakt het mogelijk om het kanon elektronisch af te stellen, zodat ook onregelmatige percelen die geen rechte vormen hebben, beregend kunnen worden zonder dat water buiten de perceelsgrenzen terechtkomt. Deze technologie maakt het ook mogelijk om objecten, zoals woningen, in het perceel te omzeilen zodat deze niet nat worden. Opdrijven landbouwgrondprijzen. Dit is ruimtelijk geen relevant argument en wordt dus voor kennisgeving aangenomen. Reclamanten 11.Reclamanten zijn van mening dat de keuze van het Linnerveld voor de ontwikkeling van een grootschalig zonnepark zoals het aangevraagde project onzorgvuldig is gemaakt, onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het Linnerveld is niet geschikt voor deze ontwikkeling. En dat wordt met alleen een landschappelijke inpassing niet opgelost. Reclamanten staan in dat standpunt ook niet alleen.
Er zijn inmiddels al meer dan 650 zienswijzen bij uw raad en ook bij het college ingediend met bezwaren tegen de komst van het zonnepark en met het verzoek daarvoor geen VVGB af te geven en geen omgevingsvergunning te verlenen.
60
Nota van Zienswijzen
Reclamanten zijn van menig dat de raad een zo groot aantal bezwaren niet terzijde kan schuiven. Als gemeenteraad dient u de burgers en de bedrijven in uw gemeente te vertegenwoordigen. Antwoord gemeente Inmiddels 650 zienswijzen ingediend. Verwezen wordt naar het gestelde onder 1. waar reclamanten de raad erop wijzen dat op grond van artikel 6.5 eerste lid van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) van de raad nodig is om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. Die VVGB mag de raad alleen weigeren in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Het feit dat er meer dan 650 zienswijzen zijn ingediend, leidt er niet automatisch toe dat het initiatief niet voldoet aan het principe van een goede ruimtelijke ordening. Het aantal zienswijzen is immers geen ruimtelijk argument om de VVGB te weigeren. Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in het ontwerpbesluit en wordt ongegrond verklaard.
Zienswijze 4 Verwezen wordt naar de inhoud en beantwoording van zienswijze 3. Dit met uitzondering van nr. 10. Deze wordt vervangen door de onderstaande tekst. Reclamanten Ook de gevolgen voor de (verblijfsrecreatieve) en toeristische aantrekkelijkheid van het gebied zijn ten onrechte niet onderzocht, evenmin als de beperkingen die het zonnepark mogelijk kan opleggen aan het gebruik van omliggende agrarische gronden, bijvoorbeeld als het gaat om beregening en/of het gebruik van bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen. Antwoord gemeente Verblijfsrecreatieve en toeristische aantrekkelijkheid. Op basis van het ‘Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ ligt de planlocatie binnen potentiegebied. Er is door de raad dus een beleidsmatige keuze gemaakt dat op onderhavige locatie een zonnepark wenselijk is. In het beleidskader is verder als ‘strenge voorwaarde 3’ opgenomen dat de nieuwe invulling van agrarische grond een functie aan het landschap zelf of aan de beleving van het landschap moet toevoegen. Deze functie kan onder andere vanuit culturele, educatieve of toeristisch doeleinden worden gemotiveerd (= meervoudig gebruik). Vanuit het beleidskader is dus aangegeven hoe gekeken moet worden naar de verblijfsrecreatieve en toeristische aantrekkelijkheid van het gebied.
Voor wat betreft de invulling van dit meervoudig gebruik, waaronder de toeristische doeleinden, wordt verwezen naar het antwoord bij zienswijze 3 onder 7. Beperkingen gebruik omliggende agrarische gronden (beregening/bestrijdingsmiddelen). Een agrariër mag zijn perceel beregenen en ook bestrijdingsmiddelen/ gewasbeschermingsmiddelen
61
Nota van Zienswijzen
gebruiken. Hij mag daarbij geen schade of hinder veroorzaken op het perceel van een ander. Dit is geregeld in het burenrecht in het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 5:37 BW stelt: ‘De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.’
Er is geen sprake van een limitatieve opsomming, dus het verspreiden van water door beregening en het gebruik van bestrijdingsmiddelen/gewasbeschermingsmiddelen kan hier ook onder geschaard worden. Dit betekent dat: -
-
Als door de beregening/ gebruik van bestrijdingsmiddelen/gewasbeschermingsmiddelen structureel de gronden van het zonnepark worden geraakt en het zonnepark ondervindt daar nadelige gevolgen van (bijvoorbeeld roestvorming op de zonnepanelen) dan kan dit als onrechtmatige hinder worden aangemerkt. Er kan sprake zijn van een onrechtmatige daad als aangetoond kan worden dat de hinder buitensporig is en niet redelijkerwijs te verwachten was.
Kortom, bij normaal gebruik van de sproei-installatie/ bestrijdingsmiddelen/ gewasbeschermingsmiddelen worden er geen nadelige gevolgen toegebracht aan het zonnepark. Dit houdt in dat de sproei-installatie op de algemeen gangbare tijden (ochtenden en avonden) gebruikt wordt, de waterstraal zoveel mogelijk binnen het eigen perceel blijft en niet direct op de zonnepanelen gericht is. Initiatiefnemer heeft aangegeven graag met reclamant in gesprek te gaan om de risico’s van de beregening te minimaliseren. Tevens is initiatiefnemer bereid om te investeren in het beregeningssysteem van reclamant om dit te ondersteunen, mocht hier aanleiding toe bestaan. Voor wat betreft het gebruik van bestrijdingsmiddelen/ gewasbeschermingsmiddelen wordt onder normaal gebruik verstaan het gebruik van de middelen overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ten slotte wordt wat betreft de beregening van agrarische gronden het volgende opgemerkt. Na overleg met verschillende experts (waaronder Wildkamp en Smits B.V.) is gebleken dat er met haspels voldoende flexibiliteit is om deze zo te plaatsen dat de waterstraal niet direct op de zonnepanelen terechtkomt. Dit wordt extra ondersteund door de bufferzone van 5 meter die zich bevindt tussen de perceelsgrens en de zonnepanelen en zoals weergegeven op de technische tekening (bijlage 1 van de ruimtelijke onderbouwing).
Daarnaast zijn er aanvullende maatregelen mogelijk om het resterende risico te beperken. Om ervoor te zorgen dat het gehele perceel gelijkmatig en efficiënt van water wordt voorzien, kan de haspel bijvoorbeeld uitgerust worden met sectorcontrol (zoals de Raindancer van Smits B.V.). Sectorcontrol maakt het mogelijk om het kanon elektronisch af te stellen, zodat ook onregelmatige percelen die geen rechte vormen hebben, beregend kunnen worden zonder dat water buiten de perceelsgrenzen terechtkomt. Deze technologie maakt het ook mogelijk om objecten, zoals woningen, in het perceel te omzeilen zodat deze niet nat worden.
62
Nota van Zienswijzen
Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in het ontwerpbesluit en wordt ongegrond verklaard.
Zienswijze 5 Reclamant Reclamant heeft een loonbedrijf, dat volgens reclamant, gevestigd is in de directe nabijheid van het plangebied van de ontwerp verklaring van geen bedenkingen behorende bij het zonnepark Kleine Bergerweg. Hij verzoekt de verklaring van geen bedenkingen niet te verlenen. Reclamant is van mening: - dat het Linnerveld door de aanleg van een groot zonnepark ernstig wordt aangetast en daarmee voor wandelaars, fietsers, natuurliefhebbers en andere recreanten veel minder aantrekkelijk wordt met alle nadelige gevolgen van die voor een groene toeristische gemeente als Roerdalen; - dat de gevolgde procedure hoe de gemeenteraad is gekomen tot een selectie van potentiegebieden en uitsluitingsgebieden voor het opwekken van zonne-energie niet transparant is verlopen. Daarnaast heeft de raad verzuimd binnen de potentiegebieden voorkeurslocaties aan te wijzen waar de overlast voor omwonenden het geringst zou zijn. Inspraak op deze besluitvorming was niet mogelijk; - dat de wijze waarop vervolgens een keuze is gemaakt uit de 14 ingediende plannen voor de aanleg van zonneparken binnen de gemeente Roerdalen met behulp van een score matrix wederom niet transparant is verlopen.
De selectie van ingediende plannen: de score matrix was niet afgestemd op de beste locatie maar op de plannenmaker met de meeste beloften omtrent de uitvoering van zijn plan; - reclamant is van mening dat niet moet worden gekozen voor de locatie Kleine Bergerweg maar voor alternatieve locaties zoals de voormalige regionale stort. Daar wordt inmiddels al gebouwd aan een groot zonnepark. Op de oude stort en ook op de gronden tussen het oude stort; de Stationsweg, de autoweg en de Montforterweg is voldoende plek voor zonneparken. Ook de taluds en reststroken langs de autoweg A73 zijn geschikt voor zonnepanelen zonder de omwonenden en betrokkenen schade te bezorgen en zonder het open landschap van de omgeving aan te tasten. Antwoord gemeente Aantasting Linnerveld. Verwezen wordt naar het antwoord bij zienswijze 2 onder B.4 op pagina 36. Selectie locatie/initiatief. Door reclamant kan uitsluitend een zienswijze ingediend worden op de ontwerp omgevingsvergunning/ontwerp verklaring van geen bedenkingen behorende bij de
63
Nota van Zienswijzen
aanvraag voor een omgevingsvergunning Zonnepark Kleine Bergerweg. Het ‘Beleidskader Zonneen Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ en de bijbehorende beoordelingsmatrix maken geen onderdeel uit van deze aanvraag. Op sec het Beleidskader en de bijbehorende beoordelingsmatrix kan binnen deze procedure dus geen zienswijze worden ingediend. Verder is de wijze waarop de raad is gekomen tot de selectie van de potentiegebieden, uitsluitingsgebieden, de beoordelingsmatrix en de wijze waarop een keuze is gemaakt uit de 14 ingediende plannen, binnen het kader van deze vergunningsprocedure, ruimtelijk niet relevant. Voor zover de zienswijze van reclamant hierop betrekking heeft, wordt deze voor kennisgeving aangenomen. Alternatieve locaties. Initiatiefnemer heeft voor de daadwerkelijke realisatie van het zonnepark Kleine Bergerweg een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De raad dient een besluit te nemen op deze aanvraag in de vorm van het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. Alternatieve locaties worden in deze beoordeling niet meegenomen.
Immers, uit de jurisprudentie blijkt dat indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Door reclamant wordt een aantal alternatieve locaties aangereikt. De concrete kadastrale percelen worden niet benoemd. Ook is niet duidelijk of initiatiefnemer over de gronden kan beschikken. Hierdoor kan niet op voorhand beoordeeld worden of er daadwerkelijk een gelijkwaardig resultaat bereikt kan worden met aanmerkelijk minder bezwaren. Bovendien heeft initiatiefnemer geen principeakkoord van het college van burgemeester en wethouders ontvangen voor een eventuele alternatieve locatie. Een eventuele aanvraag van initiatiefnemer voor de alternatieve locatie zal daarom geweigerd moeten worden. Immers, alleen de aanvragen die naar aanleiding van de tender een principemedewerking hebben ontvangen, worden in behandeling genomen. Uit hoofdstuk 5 ‘Voorwaarden voor de ontwikkeling van zonnevelden’ in het Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030 volgt namelijk dat uitsluitend initiatieven die de hoogste scoren behalen, mogen worden uitgewerkt.
Conclusie Deze zienswijze geeft geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in het ontwerpbesluit en wordt ongegrond verklaard.
Zienswijze 6 Reclamant Reclamant verzoekt om de verklaring van geen bedenkingen niet te verlenen en is van mening: 1. dat de gemeente Linne en nadien de gemeente Maasbracht en Maasgouw steeds een grote landschappelijke waarde hebben gehecht aan het grondgebied ten oosten van de spoorlijn
64
Nota van Zienswijzen
Sittard-Roermond en op grond daarvan de aan het gebied gegeven agrarische en structurele groenvoorzieningen nadrukkelijk als zodanig hebben bestemd in hun bestemmingsplan(nen) voor het buitengebied van de Dorpskern Linne; 2. dat ook na de samenvoeging van de gemeenten Montfort en Sint Odiliënberg en een grenscorrectie tussen Maasgouw en Roerdalen de bestemmingen nadrukkelijk zijn gehandhaafd; 3. dat ook in feitelijke zin de groenvoorzieningen binnen dit gebied al zeker 40 jaar bestaan en die bestaande groenvoorzieningen een uitvloeisel waren van een ruilverkaveling in dat gebied; 4. dat het Linnerveld door de aanleg van een groot zonnepanelenveld ernstig wordt aangetast en daarmee voor wandelaars, fietsers, natuurliefhebbers en andere recreanten veel minder aantrekkelijk wordt met alle nadelige gevolgen van dien voor een groene toeristische gemeente als Roerdalen; 5. dat de ontwikkelaar van het zonnepanelenproject allerlei argumenten aanvoert die de landschappelijke waarde voor dit gebied zou verstevigen. Deze visie deelt reclamant niet. Er is slechts sprake van het tijdelijk inpakken/aan het zicht onttrekken van een lelijk zonnepark. Er wordt geen structurele groenvoorziening middels een aangepast bestemmingsplan gegarandeerd. Ergo, na het verloop van 30 jaar dient alles naar de oude staat te worden teruggebracht; 6.
dat het op het moment van de start van het project in de rede zou hebben gelegen dat in eerste instantie alle belanghebbende alsmede het gemeentebestuur van Maasgouw als voormalige beheerder van dit plangebied in de gelegenheid zouden zijn gesteld op voorhand een aantal uitgangspunten in goede samenspraak met elkaar te formuleren en op grond daarvan de voorkeur voor de situering van het beoogde zonnepanelenpark uit te spreken; 7. dat de exploitant van het zonnepanelenproject mogelijk op gerichte wijze wat betreft haar voorkeur van de situering van het zonnepark in overleg is getreden met de eigenaren van de in het beoogde zonnepark gelegen gronden; 8. dat de wijze waarop de gemeenteraad is gekomen tot een selectie van potentiegebieden en uitsluitingsgebieden voor het opwekken van zonne-energie wat dit betreft niet transparant is verlopen; 9. dat de wijze waarop de keuze is gemaakt uit de 14 ingediende plannen voor de aanleg van zonnevelden binnen de gemeente Roerdalen met behulp van een score matrix niet transparant is verlopen. De selectie van ingediende plannen(de scorematrix) was niet afgestemd op de beste locatie maar op de plannenmaker met meeste beloften omtrent de uitvoering van zijn plan. Antwoord gemeente Passende bestemmingen in Linnerveld.
Het feit dat in het verleden aan het Linnerveld, op basis van de landschappelijke waarden, passende agrarische en groenbestemmingen zijn gegeven, betekent niet dat deze bestemmingen nooit mogen worden aangepast/gewijzigd. Dit is nergens in de wet geregeld.
65