5. Nota van zienswijzen bp Hippisch Centrum Montfort
Tekst van het document
Nota van Zienswijzen Bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’
2 december 2020
Nota van Zienswijzen
Inleiding Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’ heeft gedurende zes weken van 11 september 2020 tot en met 22 oktober 2020 - voor eenieder in ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is schriftelijk ingediend op 19 oktober 2020. Indiener heeft in deze zienswijze verzocht om nog in de gelegenheid gesteld te worden om de zienswijze aan te vullen. Hiertoe is indiener in de gelegenheid gesteld. Op 10 november 2020 zijn deze aanvullingen ingediend. De zienswijze is hiermee binnen de zienswijzenperiode ingediend en derhalve ontvankelijk. In deze Nota van Zienswijzen wordt de ingediende zienswijze samengevat. Vervolgens wordt het gemeentelijk standpunt weergegeven. De samenvatting van de zienswijzen heeft overigens alleen tot doel de leesbaarheid van deze Nota te vergroten. Bij de beoordeling van de zienswijzen is de volledige brief inclusief de aanvulling, zoals deze bij de gemeente is ingediend en kenbaar gemaakt, meegenomen.
2
Nota van Zienswijzen
Zienswijze De zienswijze De ingediende zienswijze d.d.19 oktober 2020 bevat de volgende punten: 1. In de vormvrije MER-beoordeling - waarin mijn inziens niet alle effecten integraal én cumulatief zijn getoetst zoals dat wel zou moeten - is getoetst aan categorie D14 van het Besluit MER. Geconcludeerd is dat de drempelwaarde van 100 paarden met dit plan niet wordt overschreden. Als ik echter kijk naar de verbeelding en de planregels - dat vormt straks immers het juridisch kader ten aanzien van de mogelijkheden - zie ik daar geen beperking staan ten aanzien van het aantal te houden paarden. Ik ben derhalve van mening dat op basis van het plan zoals dat er nu ligt een planMER uitgevoerd had moeten worden. Dan had er mede ook een zorgvuldigere (cumulatieve) afweging kunnen plaatsvinden van alle emissies en alternatieven, waaronder de verkeersafwikkeling. 2. Een planMER is per definitie ook (nog) verplicht als voor de activiteiten binnen een bestemmingsplan een passende beoordeling nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming (art. 7.2a, lid 1 Wm). Bij de natuurvergunning in 2018 (inmiddels op voortgeborduurd met een natuurvergunning uit 2020) is reeds een passende beoordeling uitgevoerd, doch dit was de generieke passende beoordeling van het PAS. Om die reden mag in het kader van een bestemmingsplan niet op deze 'ongeldige' passende beoordeling worden teruggevallen.
Nu geen passende beoordeling is uitgevoerd ligt het opstellen van een planMER voor de hand. (201709763/1/R2 d.d. 9 oktober 2019). 3. Onderdeel van het bestemmingsplan is een beschouwing gemaakt van de te verwachten verkeersbewegingen (memo 29 april 2020). Volgens de memo gaat het om 356, 8, 60 en 60 bewegingen, respectievelijk voor personenauto's, bestelbussen, lichte vrachtwagens en zware vrachtwagens. Het aantal bewegingen ten aanzien van personenauto's ligt op basis van de uitgangspunten echter hoger. Bij de lichte horeca is opgenomen dat er (samengevat) 64 parkeerplaatsen zijn met in totaal 128 bewegingen. In de berekening is men echter vergeten dat men uitgaat van gemiddeld 2 parkeerwisselingen per dag. Als er twee keer van auto op een parkeerplaats wordt gewisseld betekent dit dat er 3 auto's op een dag van een parkeerplaats gebruik maken. Dat zijn dus 384 bewegingen. Dat betekent voor personenauto's dus in totaal 612 bewegingen in plaats van de vermelde 356. Daarmee heeft er onzorgvuldige beschouwing van de effecten plaatsgevonden ten aanzien van de verkeersgeneratie van en naar het plangebied.
3
Nota van Zienswijzen
4. In het bestemmingsplan wordt op enkele punten verwezen naar de bestaande milieuvergunning van 2004 en een daaropvolgende melding in 2006. Ook als het gaat om het aantal verkeersbewegingen. Ik vraag me af in hoeverre je voor de onderbouwing van een bestemmingsplan kunt terugverwijzen naar een (behoorlijk oude) milieuvergunning. De toetsing bij vergunningverlening is immers voor een deel substantieel anders dan bij de toetsing van een bestemmingsplan. Bij een bestemmingsplan gaat het immers ook om de cumulatieve aspecten, zowel binnen als buiten een plangebied. Daarmee heeft er geen zorgvuldige beschouwing van de effecten plaatsgevonden, mede ten aanzien van de verkeersgeneratie van en naar het plangebied. 5. In het akoestisch onderzoek bij dit plan gaat men uit van het feit dat het verkeer bij het verlaten van het plangebied worstcase allemaal linksaf slaat. Deze route wordt overigens ook gebruikt in de natuurvergunning als het gaat om de ontsluiting. Daarmee wordt op voorhand al voorbij gegaan aan het feit dat een belangrijk deel van het verkeer via de Heistersweg en de Processieweg zijn weg richting A73/Roermond zal vinden. Een beschouwing hiervan in relatie tot de daar aanwezige woningen ontbreekt. De invloed van een toename van het verkeer stopt uiteraard niet na 50 meter zoals in het akoestisch onderzoek is beschreven.
Het gaat hier om de vaststelling van een bestemmingsplan, niet het verlenen van een milieuvergunning. Er heeft hier dus geen zorgvuldige beschouwing plaatsgevonden. 6. In relatie tot de hierboven genoemde route naar A73/Roermond hebben na 2007 diverse wegreconstructies plaatsgevonden waardoor deze route voor meer en zwaarder verkeer beschikbaar en aantrekkelijk is gemaakt. Hierdoor, maar ook door andere planontwikkelingen in het achterliggende gebied, heeft er stap voor stap een toename van het verkeer op deze route na 2007 plaatsgevonden en dat zal, gezien de mogelijkheden in het achterliggende gebied, in de toekomst alleen maar toenemen. Een beschouwing ten aanzien van het wegverkeerslawaai (cumulatief uiteraard) op de woningen langs de route in relatie tot een goed woon- en leefklimaat heeft echter nooit plaatsgevonden. Dat ontbreekt nu ook weer in dit bestemmingsplan. Er heeft hier dus geen zorgvuldige beschouwing plaatsgevonden. Op 10 november 2020 is de zienswijze aangevuld met de volgende punten: In mijn eerdere brief plaatste ik in het kader van een zorgvuldige afweging reeds een kanttekening bij het terugvallen op een oude 'milieuvergunning' (2004). Inzage bevestigt dat de oude vergunning in de basis alleen ziet op manegeactiviteiten (lesgeven). Wedstrijden en concoursen worden als een uitzondering gezien.
De vergunning omvat daarnaast voor een groot deel niet het buitenterrein waar nu een inrijbak en wedstrijdbak wordt bestemd. Kortom, er vindt een intensivering plaats ten opzichte van de oude vergunning én het huidige bestemmingsplan. Dit blijkt ook uit de verschillende bestemmingsplandefinities (thans 'manege', nu 'sport'). Gezien het voorgaande ligt nu een nieuwe integrale beoordeling in het kader van de ruimtelijke ordening voor de hand. In de tussentijd hebben immers de nodige wijzigingen plaatsgevonden, ook ten aanzien van de verkeersafwikkeling.
4
Nota van Zienswijzen
De oude vergunning ziet daarnaast op de activiteit bouwen voor het stallen van paarden. Aangezien hiervoor geen bouwvergunning is verleend is dat deel van de vergunning reeds in 2007 vervallen, en is toen de rest van de vergunning (pas) in werking getreden. Ten aanzien van het stallen van paarden kan dus (ook) niet, zoals onder meer in de Merbeoordeling nu is gedaan, worden teruggevallen op vergunde rechten in de milieuvergunning. Kortom, ten aanzien van de activiteiten en de verkeersgeneratie moet een goede ruimtelijke beschouwing plaatsvinden, de bestaande milieuvergunning kan daarin niet zomaar als basis gelden. Antwoord gemeente Ad 1 Bij de beoordeling van de ruimtelijke effecten van de gevraagde activiteiten op de omgeving wordt uitgegaan van de gevraagde ontwikkeling. Deze ontwikkeling is uitvoerig beschreven in de toelichting die bij het Bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’ hoort. Daarnaast moet altijd voldaan worden aan de milieuregelgeving (Activiteitenbesluit en omgevingsvergunning beperkte milieutoets). In de melding van het Activiteitenbesluit en de omgevingsvergunning beperkte milieutoets /besluit m.e.r. en de bijbehorende situatietekening is aangegeven hoeveel paarden er in de stallen kunnen worden gehouden. Er is dus een wisselwerking tussen gebruik in het kader van het bestemmingsplan en het gebruik volgens het Activiteitenbesluit.
Het gebruik wordt dus op 2 manieren beperkt: Het bestemmingsplan ‘Hippisch Centrum Montfort’ (waar het Besluit m.e.r. een onderdeel van is) en de melding in het kader van het Activiteitenbesluit. Zowel in het bestemmingsplan als in de melding Activiteitenbesluit en de bijbehorende Omgevingsvergunning beperkte milieutoets is uitgegaan van 70 paarden en 8 paarden in opfok. In de Wnb-vergunning van 8 oktober 2018 wordt ook uitgegaan van 70 paarden en 8 paarden in opfok. Deze Wnb-vergunning is geborgd in de planregels. Omdat vanaf 2020 ook met NOx emissie gerekend moet worden voor de gebruiksfase, is het aantal paarden in de definitieve versie 72 stuks, om gelijkblijvende depositie te houden, namelijk 0.61 mol. Er is een nieuwe aanvraag Wet natuurbescherming ingediend voor het houden van 72 stuks paarden/pony’s waarop een ontwerpbeschikking door de provincie is afgegeven op 29 juni 2020. Ook deze ontwerp Wnb-vergunning is geborgd in het bestemmingsplan.
5
Nota van Zienswijzen
Ook is er een nieuwe aanmeldnotitie opgesteld waarin het aantal paarden is teruggebracht naar 72 stuks. Bij de beoordeling of een m.e.r. of een vormvrije m.e.r. opgesteld moet worden, moet uitgegaan worden van de maximale capaciteit van het Hippisch Centrum Montfort. Deze maximale capaciteit wordt bepaald door het aantal stallen. In de melding Activiteitenbesluit zijn 78 paardenstallen aangegeven. In de nieuwe aanmeldnotitie van 18 mei 2020 is vanwege de NOx emissie het aantal paarden verminderd naar 72 volwassen paarden, 5 paarden in opfok en 5 volwassen pony’s. Het maximaal aantal te houden paarden/pony’s is daardoor 72 stuks. Bij het beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets of melding in het kader van het Activiteitenbesluit wordt altijd uitgegaan van hetgeen aangevraagd wordt. Om te beoordelen of een plan m.e.r. opgesteld moet worden moet dus uitgegaan worden van de maximaal aantal te houden paarden dat mogelijk is, 72 stuks paarden/pony’s. De voorgenomen activiteit staat genoemd in kolom 1 onder categorie 14 van onderdeel D van het Besluit m.e.r.. Voor deze categorie is in kolom 2 een drempelwaarde opgenomen van 100 stuks paarden. Aangezien de in kolom 2 opgenomen drempelwaarde wordt onderschreden is de voorgenomen activiteit, op grond artikel 2, vijfde lid onder b van het Besluit milieueffectrapportage, m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Op 21 maart 2019 onder kenmerk Z/17/1298825 heeft het college van Burgemeester & Wethouders van Roerdalen een besluit m.e.r. genomen (het houden van 78 paarden) en geconcludeerd dat voor deze voorgenomen activiteit in dit specifieke geval geen m.e.r. opgesteld hoeft te worden met betrekking tot de nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. De onderzochte milieuaspecten zijn ammoniak, geur, fijnstof/luchtkwaliteit en overige milieuaspecten zoals bodem, afvalwater en energie. Daarnaast is gekeken naar de risico’s voor de menselijke gezondheid. Aangezien het aantal paarden in het huidige plan afneemt (van 78 naar 72 stuks) zijn de milieueffecten ook minder. Er is geen reden om een PlanMER te laten opstellen. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen noodzaak bestaat om een m.e.r. op te laten stellen. Als er meer paarden gehouden zouden worden in de toekomst, dan is dit een afwijking van het huidige plan. Er moet dan weer een afweging gemaakt worden, zowel ruimtelijk als milieutechnisch. Er is dus wel degelijk een beperking van het aantal te houden paarden.
6
Nota van Zienswijzen
Ad 2 In de zienswijze wordt (samengevat) aangegeven dat een planMER per definitie ook (nog) verplicht is als voor de activiteiten binnen een bestemmingsplan een passende beoordeling nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming (art. 7.2a, lid 1 Wm). De passende beoordeling die is uitgevoerd, is een generieke passende beoordeling op basis van het PAS, waardoor hier in het kader van een bestemmingsplan niet op mag worden teruggevallen.” In artikel 7.2a lid 1 Wm staat dat “Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.” Op 2 juni 2020 is door Gedeputeerde Staten van Limburg een aanvraag ontvangen van Hippisch Centrum Montfort om een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor het exploiteren, wijzigen en uitbreiden van een paardenhouderij. Het ontwerpbesluit heeft van 3 juli 2020 t/m 13 augustus 2020 ter inzage gelegen waarbij een ieder zienswijzen over dit naar voren kon brengen. Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.
Op 25 augustus 2020 is het besluit gepubliceerd (https://repository.officieleoverheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2020-44650/1/bijlage/exb-2020-44650.pdf). . In paragraaf 4.6.1. van dit besluit wordt vermeld dat de vereiste vergunning uitsluitend wordt verleend, indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. In paragraaf 4.6.2. van het besluit wordt vermeld dat als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 het PAS onbruikbaar is geworden als basis om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb te verlenen. In dat kader zijn op 13 december 2019 de “Beleidsregels intern en extern salderen in Limburg december 2019” in werking getreden. De rechten uit de vergunning die op 4 oktober 2018 is verleend, blijven behouden. De aanvrager heeft met behulp van Aerius Calculator een verschilberekening gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat de aanvraag ten opzichte van de vigerende Wnb vergunning niet zorgt voor een toename van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitattype in een Natura 2000 gebied, waarmee voldaan wordt aan de Beleidsregel en de vergunning verleend is. Het besluit Wet natuurbescherming is op grond van artikel 2.7 lid 2 Wnb genomen.
In artikel 2.8 lid 3 Wnb staat dat Gedeputeerde Staten uitsluitend een vergunning verlenen indien is voldaan aan artikel 2.8 (Wnb).
7
Nota van Zienswijzen
Artikel 2.8 lid 1 Wnb vermeldt dat: “Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.” Waarna in artikel 2.8 lid 2 Wnb staat dat “In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.” In 201706777/3/R2 (https://www.raadvanstate.nl/@119625/201706777-3-r2/) staat onder 6.1. dat “Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben.
Onder referentiesituatie wordt de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als de raad uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.” In dit geval is er voorafgaande aan het vaststellen van het bestemmingsplan door middel van een Aeriusberekening (en een door Gedeputeerde Staten verleende vergunning op grond van de Wet natuurbecherming) aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie t.o.v. de eerder vergunde situatie en hiermee ten opzichte van de referentiesituatie. Het maken van een (nieuwe) passende beoordeling zorgt redelijkerwijs niet voor nieuwe gegevens en inzichten en is daarmee op grond van artikel 2.8 lid 2 van de Wnb niet noodzakelijk. Daarnaast zijn in artikel 3.4.
van het bestemmingsplan voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Onder d. is een koppeling gelegd met de ontwerpvergunning (Wet natuurbescherming) d.d. 25 juni 2020. In het definitieve bestemmingsplan zal een koppeling worden gelegd met de (ondertussen) verleende definitieve Wet natuurbescherming vergunning. Hiermee zijn tevens de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan vastgelegd.
8
Nota van Zienswijzen
Ad 3 De indiener geeft aan dat er geen rekening is gehouden met 2 parkeerwisselingen per dag. Dit is niet correct. Deze is zeker meegenomen in de berekening (zie pag. 2 memo Wematech). De parkeerwisseling wordt verkeerd geïnterpreteerd. Een parkeerwisseling is het komen en gaan van een motorvoertuig. Ad 4 Ten behoeve van de verkeersgeneratie en het parkeren is een onderzoek uitgevoerd door Wematech Milieu Adviseurs B.V als gevolg van de ontwikkelingen op de locatie Waarderweg 20 in Montfort. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. In de notitie wordt weliswaar een vergunning op grond van de Wet milieubeheer uit 2004 aangehaald maar worden als uitgangspunten voor de beschouwing van de verkeersgeneratie de beoogde functies van het onderhavige bestemmingsplan gebruikt. Er is dus wel degelijk rekening gehouden met de beoogde ontwikkeling. Ad 5 Dit betreft indirecte hinder ofwel verkeersaantrekkende werking van een bedrijfsactiviteit. Hemelsbreed is de afstand van de woning van de indiener tot het bestemmingsvlak circa 600 meter; de kortste rijroute bedraagt circa 1.000 meter. De grondslag voor de beoordeling van indirecte hinder/verkeersaantrekkende werking is helder opgenomen in het akoestisch onderzoek: a. De reikwijdte b. De bepalingswijze
De reikwijdte (a) In het akoestisch onderzoek (Wematech, 29 april 2020) is voor de reikwijdte van de indirecte hinder/verkeersaantrekkende werking aangesloten op een van de manieren die zijn aangereikt in de “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening”, namelijk: “ de afstand waarbinnen sprake is van indirecte hinder veroorzaakt door een bedrijf blijft beperkt tot die afstand, waarbinnen de herkomst van de veroorzakende geluidsbronnen in redelijkheid kan worden teruggevoerd op de aanwezigheid van het bedrijf in kwestie. Toepassing van dit criterium houdt voor transport verkeer van en naar inrichtingen in dat de reikwijdte van de milieuvergunning beperkt blijft tot die afstand waarbinnen voertuigen (met in acht name van de maximum snelheid ) de ter plaatse optredende snelheid hebben bereikt.” Bepalingswijze (b) Voor de beoordeling van geluidhinder door de verkeersaantrekkende werking is de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” gehanteerd.
9
Nota van Zienswijzen
De verkeersgeneratie is bepaald in een verkeersonderzoek (Wematech, 29 april 2020); in de beoogde situatie gelden voor een maximale dag (representatieve bedrijfssituatie) de navolgende verkeersbewegingen:
Materieel Personenauto’s Bestelbussen Lichte vrachtwagens Zware vrachtwagens
Plan 356 8 60 60
Vergund, 6 juli 2004 160 10 100
De verkeersbewegingen van zware vrachtwagens zijn gemodelleerd in 3 rijlijnen, IN01.1 t/m IN01.3, met een rijsnelheid van 15 km/u, respectievelijk 35 en 50 km/uur. Met 50 verkeersbewegingen in de dag, respectievelijk 8 en 2 in de avond en nacht en een bronvermogen van 103 dB(A). De verkeersbewegingen van de lichte vrachtwagens zijn overeenkomstig gemodelleerd in 3 rijlijnen, IN02.1 t/m IN02.3 en een bronvermogen van 101 dB(A). De verkeersbewegingen van de personenauto’s en bestelbussen zijn, uiteraard met andere uitgangspunten, ook in het rekenmodel opgenomen. Een vrachtwagen bereikt na 180 meter rijden de maximumsnelheid van 50 km/uur en een personenauto na 50 meter. Als “worst case” benadering is aangehouden dat alle voertuigen bij het verlaten van het perceel links afslaan.
Berekeningsresultaten
De hoogst berekende waarden treden op aan de gevels van de woningen Waarderweg 61a en 63 en bedraagt 46 dB(A) in de avond; dit is 51 dB(A) etmaalwaarde. Dit is weliswaar een overschrijding van 1 dB(A), maar terecht wordt in het rapport dat aangenomen mag worden dat aan de binnenwaarde van 30 dB(A) in de avond (35 dB(A) etmaalwaarde) kan worden voldaan.
10
Nota van Zienswijzen
Ten aanzien van het verkeer richting de Processieweg / Linnerweg wordt opgemerkt dat gelet op de lengte van de rijafstand van de inrichting tot aan deze kruising het bestemmingsverkeer van het Hippisch Centrum onderdeel zal uitmaken van het heersende verkeersbeeld. Daarbij komt dat in eerdere besluitvorming het aantal van 100 verkeersbewegingen van vrachtwagens al is toegelaten. Ad 6 De opmerking dat de Heistersweg en Processieweg verbetert zijn voor meer en zwaarder verkeer en dus aantrekkelijker gemaakt is niet helemaal correct. Deze twee wegen zijn in het kader van onderhoud aangepakt. De Processieweg had een wegbreedte van 3.30 meter. Hier is na onderhoud aan beide zijden 50 cm bijgekomen omdat de landbouwvoertuigen de asfaltranden kapot reden. De Heistersweg had in het verleden een wegbreedte van 3.20 meter. Om dezelfde reden is deze ook verbreed naar 4.85 meter. In het verkeersmodel gaat men uit van 550 mvt/etm. Afgelopen juni heeft de gemeente onderzocht wat er nu werkelijk aan verkeer over de Processieweg rijdt. Dit waren toen 200 mvt/etm. Al met al geen hele schokkende aantallen. Voorts wordt ten aanzien van dit punt nog opgemerkt dat de verkeersafwikkeling primair beoogd is via de Waarderweg – Stationsweg en de Waarderweg – Grote Bergerweg. Middels (toeristische) bewegwijzering zal dit ook worden aangegeven.
Reactie aanvullende zienswijze In 1997 is het perceel Waarderweg 20 in Montfort aangekocht door de vorige eigenaar. Voorheen was hier een agrarisch bedrijf gevestigd (rundvee). Op het perceel bevond zich de (voormalige) boerderij met stallen. Voor het plan, de bouw van de manege, is op 3 mei 2000 bouwvergunning verleend. De paardenstallen zijn toen nog niet ingetekend. Ten tijde van de bouw van de manege konden zich geen nieuwe veehouderijen vestigen. Daarom is in eerste instantie de bouw van een manege aangevraagd. Zodra de milieuwetgeving nieuwe veehouderijen toestond zich te vestigen is ook de milieuvergunning verleend voor het stallen van paarden. In de milieuvergunning van 2004 is het volgende opgenomen: “De activiteiten bestaan uit het stallen van paarden, het uitoefenen van manegeactiviteiten, het exploiteren van een kantine, het opslaan van diervoeders, het opslaan van vaste mest en het houden van oefenwedstrijden. Het aantal te houden paarden is gelijk gebleven.” Vergunde rechten: Het klopt dat de milieuvergunning alleen op het milieudeel ziet. Dit betekent niet dat er geen bouwvergunning is afgegeven want deze is apart verleend. Er kan dus gewoon teruggevallen worden op de milieuvergunning van 2004.
11
Nota van Zienswijzen
In de milieuvergunning worden alleen het erf en de gebouwen (stallen van de paarden en de rijhal/kantine) op de situatietekening weergegeven. Het klopt wel dat het buitenterrein gewijzigd is ten aanzien van de milieuvergunning van 2004. De milieuvergunning ziet uitsluitend op het houden van paarden. De buitenactiviteiten zijn daarin niet meegenomen. Deze zijn ten behoeve van de wijziging van het bestemmingsplan apart beschouwd. Geluid is daarbij maatgevend ten aanzien van de verkeersgeneratie. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen wordt het plan niet aangepast.
12