CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Regels

Raadsadviescommissie 9 mei 2023, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Herziening Golfbaan de Herkenbosche'6.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bestemmingsplan ‘Herziening Golfbaan de Herkenbosche’

Bestemmingsplan ‘Herziening Golfbaan de Herkenbosche’ Regels

Gemeente Roerdalen VASTGESTELD Versiedatum 29 maart 2023 NL.IMRO.1669.BPHKB2021GOLFHKB-VG01

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1.

Inleidende bepalingen................................................................................4

Artikel 1.

Begrippen .......................................................................................................... 4

Artikel 2.

Wijze van meten................................................................................................ 9

Hoofdstuk 2.

Bestemmingsregels .................................................................................. 11

Artikel 3.

Recreatie - Dagrecreatie.................................................................................. 11

Artikel 4.

Wonen - Buitengebied .................................................................................... 15

Artikel 5.

Waarde - Archeologie - 5................................................................................. 16

Artikel 6.

Waarde - Archeologie - 6................................................................................. 19

Hoofdstuk 3.

Algemene regels ...................................................................................... 22

Artikel 7.

Anti-dubbeltelregel ......................................................................................... 22

Artikel 8.

Algemene bouwregels ..................................................................................... 22

Artikel 9.

Algemene gebruiksregels ................................................................................ 23

Artikel 10.

Algemene aanduidingsregels .......................................................................... 23

Artikel 11.

Algemene afwijkingsregels .............................................................................. 24

Artikel 12.

Algemene wijzigingsregels .............................................................................. 25

Artikel 13.

Overige regels.................................................................................................. 25

Hoofdstuk 4.

Overgangs- en slotregels .......................................................................... 27

Artikel 14.

Overgangsrecht ............................................................................................... 27

Artikel 15.

Slotregel .......................................................................................................... 27

Bijlagen bij de regels .......................................................................................................... 28 Bijlage 1.

Staat van Horeca-activiteiten .......................................................................... 29

Bijlage 2.

Landschapsplan ............................................................................................... 30

3

Hoofdstuk 1. Artikel 1.

Inleidende bepalingen

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan ‘Herziening Golfbaan de Herkenbosche’ met identificatienummer NL.IMRO.1669.BPHKB2021GOLFHKB-VG01 van de gemeente Roerdalen. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 afhankelijke woonruimte bijbehorende bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.5 archeologische waarde de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis. 1.6 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen. 1.8 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de bestemming van het gebouw of het terrein.

1.9 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.11 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

4

1.12 bevoegd gezag bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.13 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of het veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.16 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.17 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.18 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.19 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.20 bouwwerk, geen gebouw zijnde elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond dat een niet voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.21 clubhuis een gebouw dat dienst doet als verenigings-, kleed- en vergaderruimte, café/restaurant met bijbehorend terras (zijnde categorie I 'lichte horeca'), golfshop en ten behoeve van aan de golfsport gerelateerde evenementen e.d. 1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Een en ander met inbegrip van: a. afhaal- en bezorgcentra met dien verstande dat er geen dranken en/of spijzen ter plaatse genuttigd worden;

5

b.

internetwinkels waar goederen via internet te koop aangeboden worden waarbij de koopovereenkomst overwegend via elektronische weg tot stand komt en er goederen ter plaatse opgeslagen, uitgestald en/of geleverd worden.

1.23 evenement een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak met bijbehorende voorzieningen waaronder in ieder geval parkeren. 1.24 extensief recreatief medegebruik vormen van recreatief medegebruik van gronden door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandelen, fietsen, paardrijden en picknicken. 1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26 geluidsgevoelige functies woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.27 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk in gebruik is en/of als zodanig valt aan te merken. 1.28 horeca(bedrijf) een bedrijf, in hoofdzaak gericht op: a. het verstrekken van te nuttigen spijzen en/of dranken in gebouwen of op terrassen; b. het verstrekken van nachtverblijf; c. het verhuren en ter plaatse beschikbaar stellen van zaalruimten; waarbij de categorie-indeling, zoals opgenomen in de Staat van Horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1, in acht dient te worden genomen.

1.29 huishouden eén of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid. 1.30 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm dan wel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°. 1.31 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

6

1.32 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.33 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.34 peil a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang aan de wegzijde grenst: maximaal 30 cm boven de hoogte van de kruin van de openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: maximaal 30 cm boven de gemiddelde hoogte van het rondom afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw. 1.35 perceel een stuk grond dat eenzelfde gebruik heeft en is omgeven door een duidelijk herkenbare grens in de vorm van bijvoorbeeld heggen, afrasteringen, sloten of greppels. 1.36 permanente bewoning bewoning van een ruimte als hoofdverblijf. 1.37 recreatiewoning een (deel van een) gebouw die blijkens de bestemming is bedoeld voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

1.38 terras een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het (horeca)bedrijf waar staof zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. 1.39 verticale bouwdiepte de diepte van een gebouw onder de grond of deels onder de grond (half verdiept). 1.40 voorgevel de gevel(s) van een gebouw die is/zijn gelegen in de voorgevelrooilijn. 1.41 voorgevelrooilijn denkbeeldige lijn waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw word(t)(en)/is/zijn gesitueerd en die is/zijn gelegen aan de zijde van de aan de weg gelegen perceelsgrens. 1.42 wonen huisvesting waarbij de bewoner(s) van een woning gezamenlijk één afzonderlijk huishouden vormen.

7

1.43 woning een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend voor de woning is de aanwezigheid van eigen voorzieningen, waaronder bijvoorbeeld een eigen toegang, toiletruimte, badruimte en een keuken met kooktoestel. 1.44 zelfstandige woning een woning met een eigen toegang waarbij keuken, douche en toilet niet gedeeld hoeven te worden met de andere bewoners van het pand.

8

Artikel 2.

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 de verticale bouwdiepte van een bouwwerk vanaf de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer tot aan de bovenkant van de onderste afgewerkte vloer. 2.7 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.

2.8 ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, ondergeschikte dakkapellen en gevelopbouwen, gevelen kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, onder voorwaarde dat de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,5 m bedraagt, en de totale oppervlakte van de overschrijding niet meer dan 6 m². 2.9 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn; ondergeschikte bouwdelen worden hierbij niet meegenomen.

9

2.10 bouwhoogte van een antenne-installatie a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenneinstallatie. 2.11 breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren. 2.12 bruto vloeroppervlak de som van de buitenwerks gemeten vloeroppervlakte van alle bouwlagen, dus inclusief bijvoorbeeld ingesloten buitenruimte, trappen, liftkokers, installatieruimten, enz. 2.13 aanvullende meetregels bij het meten gelden de volgende aanvullende regels: a. het peil voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang aan de wegzijde grenst: dient te zijn gesitueerd op maximaal 30 cm boven de hoogte van de kruin van de openbare weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. het peil in andere gevallen: dient te zijn gesitueerd op maximaal 30 cm boven de gemiddelde hoogte van het rondom afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.

10

Hoofdstuk 2. Artikel 3.

Bestemmingsregels

Recreatie - Dagrecreatie

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Recreatie - Dagrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse van de aanduiding ‘golfbaan’: een golfterrein met bijbehorende voorzieningen, alsmede de instandhouding en/of herstel van bos, houtopstanden, natuurterreinen en natuurwaarden, b. ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’: bijbehorende ondergeschikte horeca waaronder een clubhuis en een hotel met maximaal 40 kamers, c. extensief recreatief medegebruik; d. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’: tevens voor één bedrijfswoning, behorende bij de onder sub a. en c. genoemde functies; e. ter plaatse van de aanduiding ‘recreatiewoning’: tevens voor één recreatiewoning; met de daarbij behorende: f. voorzieningen, zoals erven, tuinen, speelvoorzieningen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, recreatieve paden en toegangswegen.

3.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen en schuilgelegenheden, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. ter plaatse van aanduiding ‘golfbaan’ het bepaalde in tabel 3.1;

tabel 3.1 max. oppervlakte 2.500 m²

overige bedrijfsgebouwen schuilgelegenheden 25 m² erfof terreinafscheidingen binnen bouwvlak erfof terreinafscheidingen buiten bouwvlak

max. aantal -

max. goothoogte 12 m

max. bouwhoogte 12 m

6 -

-

4,5 m 2m

-

-

1,2 m

11

lichtmasten, uitsluitend ter plaatse van ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ vlaggenmasten lantaarnpalen, uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

-

-

-

30 m

-

Als bestaand -

-

10 m 5m

-

-

-

3m

- = niet van toepassing

aanvullend: c. ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ het volgende geldt: 1. de maximale bouwhoogte bedraagt: 12 m; 2. de maximale bebouwde oppervlakte bedraagt: 3.500 m²; d. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ en ‘recreatiewoning’ geldt het bepaalde in tabel 3.2: tabel 3.2 max. oppervlakte bedrijfswoning bijbehorende bouwwerken bij 100 m² bedrijfswoning recreatiewoning Als bestaand bijbehorende bouwwerken bij recreatiewoning erf- of terreinafscheidingen binnen bouwvlak: - voor de voorgevelrooilijn - overige plaatsen erf- of terreinafscheidingen buiten bouwvlak overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde beroep-aan-huis

Als bestaand -

max. inhoud 1.000 m³ -

max. goothoogte 7,5 m 3,5 m

max. bouwhoogte 10 m 6,5 m

Als bestaand Als bestaand -

Als bestaand Als bestaand -

Als bestaand Als bestaand

-

-

-

1m 2m 2m

-

-

-

3m

1/3 van de woning en bijbehorende bouwwerken

-

-

- = niet van toepassing

12

3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Algemeen Met betrekking tot het gebruiken en laten gebruiken van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. ten minste 30 ha als bos of houtopstand dient in stand gehouden te worden; b. de gezamenlijke oppervlakte van de holes of fairways bedraagt ten hoogste 30 ha waarvan ten minste 20% als natuurterrein in stand gehouden dient te worden. 3.3.2 Voorwaardelijke verplichting waterberging Het gebruik van nieuwe gebouwen overeenkomstig de bestemmingen als bedoeld in artikel 3.1 onder c en d is toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. dakwater afkomstig van nieuwe gebouwen dient op eigen terrein te worden geborgen, waarbij minimaal wordt voldaan aan een neerslaggebeurtenis met een herhalingstermijn van T=10 jaar van 44 mm; b. de voorziening als bedoeld onder a dient duurzaam in stand te worden gehouden. 3.3.3 Voorwaardelijke verplichting bedrijfswoning Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ geldt dat het gebouw slechts mag worden gebouwd nadat het hotel als bedoeld in artikel 3.1 onder c is gebouwd en in gebruik is genomen. 3.3.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a.

Het gebruik als bedoeld in artikel 3.1 onder c en d is toegestaan indien het Landschapsplan inclusief de parkeergelegenheid, zoals opgenomen in Bijlage 2 van deze regels, wordt uitgevoerd binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan; b. Het Landschapsplan inclusief de parkeergelegenheid, zoals opgenomen in Bijlage 2 van deze regels, wordt duurzaam in stand gehouden.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden om op de voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. het verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen buiten het bouwvlak, groter dan 200 m²; b. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage buiten het bouwvlak; c. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verwijderen van houtgewas, het verwijderen van houtwallen en bosjes en het verwijderen van landschapselementen zoals poelen, moerasjes en boomgroepen,

13

buiten het bouwvlak en op gronden die niet benodigd zijn voor de aanleg en instandhouding van holes. 3.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van artikel 3.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b. werken of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. gelegen zijn ter plaatse van de aanduidingen ‘bedrijfswoning’, ‘recreatiewoning’ en ‘horeca’. 3.4.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

14

Artikel 4.

Wonen - Buitengebied

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen;

met de daarbij behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, speelvoorzieningen, groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen, recreatieve paden en toegangswegen.

4.2 Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat erf- of terreinafscheidingen ook buiten het bouwvlak gerealiseerd mogen worden; c. het aantal woningen per bouwvlak bedraagt ten hoogste 1 tenzij door middel van een maatvoeringaanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' anders is aangegeven; d. tevens geldt het bepaalde in tabel 4.1: Tabel 4.1

max. max. oppervlak inhoud

max. max. goothoogte bouwhoogte

woning

-

1.000 m³ -

9m

bijbehorende bouwwerken

100 m²

-

3,5 m

6,5 m

erf- of terreinafscheidingen binnen het bouwvlak: - voor de voorgevelrooilijn - overige plaatsen

-

-

-

erf- en bouwvlak

terreinafscheidingen

1m 2m

buiten -

-

-

1,2 m

overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

-

-

3m

- = niet van toepassing

15

Artikel 5.

Waarde - Archeologie - 5

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie - 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde.

5.2 Bouwregels 5.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde - Archeologie - 5’ mede bestemde gronden. 5.2.2 Uitzonderingen Het in artikel 5.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing: a. op bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en) indien voldaan wordt aan de volgende twee voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 1.000 m² bedraagt; 2. de ondergrondse bouwdiepte max. 40 cm bedraagt; b. op de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid.

5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 5.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken. 5.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

16

b.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

5.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie - 5’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 5.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het in artikel 5.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a.

de werken of werkzaamheden een oppervlakte hebben van niet meer dan 1.000 m²; en het werken of werkzaamheden betreft waarbij de bodem tot ten hoogste 40 cm onder het bestaande maaiveld wordt geroerd; of b. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of c. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of d. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of e. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen.

17

5.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in artikel 5.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 5.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie - 5’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

18

Artikel 6.

Waarde - Archeologie - 6

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie - 6’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde.

6.2 Bouwregels 6.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor Waarde - Archeologie - 6 mede bestemde gronden. 6.2.2 Uitzonderingen Het in artikel 6.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing: a. op bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en) indien voldaan wordt aan de volgende twee voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 2.500 m² bedraagt; 2. de ondergrondse bouwdiepte max. 40 cm bedraagt; b. op de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid.

6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 6.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken. 6.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

19

b.

de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

6.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie - 6’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 6.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het in artikel 6.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. de werken of werkzaamheden een oppervlakte hebben van niet meer dan 2.500 m²; of b.

het werken of werkzaamheden betreft waarbij de bodem tot ten hoogste 40 cm onder het bestaande maaiveld wordt geroerd; of c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of f. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen.

20

6.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in artikel 6.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 6.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 6.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.

6.5 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie - 6’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.

21

Hoofdstuk 3. Artikel 7.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8.

Algemene bouwregels

8.1 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten a. Voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. b. Ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

8.2 Afstand van bebouwing tot verharde wegen a. Binnen het bouwvlak moet de bebouwing op een afstand van ten minste 10 m van de as van een verharde weg met een breedte van 10 m of minder worden gebouwd of op een afstand van ten minste 15 m van de as van een verharde weg breder dan 10 m. b. Met dien verstande dat voor bebouwing, dat bij of krachtens de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan gevolgde de bestemming is toegelaten, maar waarvan de afstand tot de as van de weg kleiner is dan onder a genoemd, geldt dat de bestaande afstand als ten hoogste toelaatbaar wordt aangehouden.

22

8.3 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen 8.3.1 Parkeernormen In, op of onder gebouwen dan wel het daarbij behorende terrein dienen voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig te zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan als de parkeernormen van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels (die zijn neergelegd in CROW publicatie 317, dan wel de opvolger dan die regel) worden nageleefd. 8.3.2 Afmetingen parkeerruimte De in artikel 8.3.1 bedoelde parkeerplaatsen moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen minimaal 1,80 m bij 5,00 m bedragen. 8.3.3 Laad- en losruimte Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 8.3.4 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in subleden 8.3.1 en 8.3.3 indien aangetoond is door aanvrager dat in de directe omgeving (een straal van circa 100 meter) voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en de openbare ruimte niet onevenredig wordt belast.

8.3.5 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan ten behoeve van een goede parkeerbalans, de verkeerssituatie en/of het stedenbouwkundig beeld.

Artikel 9.

Algemene gebruiksregels

a. Het gebruik of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige of afhankelijke woonruimte is niet toegestaan. b. Het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning is niet toegestaan.

Artikel 10.

Algemene aanduidingsregels

10.1 geluidzone - industrie a. b.

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen geen nieuwe geluidsgevoelige functies worden opgericht. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 10.1 onderdeel a voor het bouwen van nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen overeenkomstig de

23

andere daar voorkomende bestemmingen, mits de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van deze woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

10.2 milieuzone - roerdalslenk III 10.2.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - roerdalslenk III’ gelden voor die gronden in afwijking van hetgeen in de overige regels is bepaald de navolgende aanvullende regels. 10.2.2 Bouwregels Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - roerdalslenk III’ is het niet toegestaan om: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld; b. de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten. 10.2.3 Uitzonderingen a. De in onder artikel 10.2.2 gestelde verboden gelden niet voor: 1. het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Wet bodembescherming en de Waterwet; 2. het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven. b. Indien er bij de werkzaamheden als bedoeld in dit artikel sprake is van een boorput, dienen de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0 tot 3 meter beneden het maaiveld, te worden afgedicht met klei of bentoniet.

10.2.4 Afwijken Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van de verboden in dit artikel.

Artikel 11.

Algemene afwijkingsregels

11.1 Maten en bouwgrenzen a.

b.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, met ten hoogste 3 m, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

24

11.2 Evenementen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning evenementen toestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er vindt geen horeca ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement; b. er vindt geen detailhandel ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement, met uitzondering van vlooien- en/of rommelmarkten; c. er treden geen onomkeerbare gevolgen voor het landschap op; d. de belangen van de betreffende bestemming worden niet onevenredig aangetast; e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f. belangen van derden worden niet onevenredig geschaad; g. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische of natuurwaarden; h. de belangen van in de nabijheid gelegen functies verzetten zich niet tegen het gebruik van de betreffende bestemming voor het evenement.

11.3 Hogere erf- en terreinafscheidingen a.

b.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2 teneinde hogere erf- en terreinafscheidingen toe te staan, met inachtneming van het volgende: 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m; 2. hogere erf- en terreinafscheidingen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueellandschappelijke waarden. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 12.

Algemene wijzigingsregels

12.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Het bevoegd gezag kan de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

Artikel 13.

Overige regels

25

13.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

26

Hoofdstuk 4. Artikel 14.

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; 3. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met ten hoogste 10%; b. het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.

het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15.

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Herziening Golfbaan de Herkenbosche’.

27

Bijlagen bij de regels

28

Bijlage 1.

Staat van Horeca-activiteiten

Categorie I 'lichte horeca' Bedrijven die in beginsel alleen overdag en 's avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden: 1a. Aan de detailhandelsfunctie verwante horeca 1b. Overige lichte horeca 1c. Bedrijven met een relatief grote verkeersaantrekkende werking • •

bedrijven genoemd onder 1a en 1b met een bedrijfsoppervlak van meer dan 250 m²; restaurant met bezorg- en/of afhaalservice.

Categorie 2 'middelzware horeca' Bedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken. Categorie 3 'zware horeca' Bedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen: • • • •

dancing; discotheek; nachtclub; partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek/dansevenementen).

29

Bijlage 2.

Landschapsplan

30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=75efad1e-f1b0-4491-b047-a7bfa529a919