CConstaterende datRoerdalen
Koppel je AI →
Document · PDF

11 Bijlage 3.3: Quickscan ecologie

Gemeenteraad 30 maart 2023, gemeente RoerdalenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Vekoma Angsterweg , Vlodrop'8.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

VEKOMA RIDES VASTGOED B.V.

QUICKSCAN ECOLOGIE ANGSTERWEG VLODROP IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING

7 SEPTEMBER 2021

WSP NEDERLAND B.V. GAETANO MARTINOLAAN 50 6229 GS MAASTRICHT +31 (0)88 910 20 00 wsp.com

PROJECTNUMMER SLM017757 DOCUMENTNUMMER SLM017757.QS, versie 1

COLOFON RAPPORTHISTORIE 1

7 september

Oplevering concept

CONTACTGEGEVENS Veerle Tuijnman + 31 6 53 36 43 52 veerle.tuijnman@wsp.com

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

SLM017757

SLM017757.QS

1

Concept

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Veerle Tuijnman

Junior Adviseur Ecologie

3 september 2021

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Tom Zeegers

Adviseur Ecologie

3 september 2021

GOEDGEKEURD DOOR

FUNCTIE

DATUM

Ann-Sofie Corthouts

Adviseur

7 september 2021

PARAAF

PARAAF

PARAAF

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

4

2

WETTELIJK KADER

5

2.1

Soortbescherming

5

2.2

Gebiedsbescherming

6

3

PLANGEBIED

7

3.1

Huidige situatie

7

3.2

Planontwikkeling

8

4

ONDERZOEKSOPZET

10

4.1

Beschikbare gegevens en veldbezoek

10

4.2

Effectenbeoordeling

10

5

BESCHERMDE SOORTEN

11

5.1

Planten

11

5.2

Grondgebonden zoogdieren

11

5.3

Vleermuizen

12

5.4

Amfibieen

13

5.5

Reptielen

14

5.6

Vissen

14

5.7

Ongewervelden

14

5.8

Vogels

15

6

BESCHERMDE GEBIEDEN

17

6.1

Natura2000

17

6.2

Nationaal natuurnetwerk

17

7

EFFECTBEOORDELING

19

7.1

Vogelrichtlijnsoorten

19

7.2

Habitatrichtlijnsoorten

19

7.3

Nationaal beschermde soorten

20

7.4

Beschermde gebieden

22

8

SAMENVATTING BEVINDINGEN

23

LITERATUURLIJST BIJLAGE 1: WETGEVING EN BELEID BLADWIJZER NIET GEDEFINIEERD.

24 FOUT!

1

INLEIDING

In opdracht van Vekoma Rides Vastgoed B.V. heeft WSP Nederland een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Angsterweg in Vlodrop, als onderdeel van het opstellen van een bestemmingsplan. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb; bijlage 1) met betrekking tot soortbescherming en gebiedsbescherming (inclusief Natuurnetwerk Nederland, hierna NNN en Natura 2000). De voorliggende quickscan leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande planontwikkeling.

Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect heeft op (potentieel) aanwezige beschermde planten- en diersoorten of functies voor deze soorten; en daarmee mogelijk strijdig is (zijn) met de soortenbescherming conform de Wnb; Algemene soorten in het plangebied te verwachten zijn waar op basis van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) rekening mee gehouden moet worden; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de in potentie voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het NNN /Weidevogelkerngebied en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing (Voortoets) en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing.

Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van alle (algemene én strikt beschermde) soorten geldt in alle gevallen de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). WSP Nederland is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland, ingezet voor ecologische onderzoeken, zijn allen VCA gecertificeerd. WSP Nederland is actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit betekent dat medewerkers van WSP Nederland zich conformeren aan gedragscodes uitgevaardigd door het NGB. Rapporten voldoen aan de richtlijnen en standaarden die zijn opgesteld door het NGB. WSP Nederland is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van deze quickscan.

2 WETTELIJK KADER De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden en planten- en diersoorten (bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In geval van overtreding van verboden zoals het opzettelijk doden van beschermde individuen, vernielen jaarrond beschermde nesten, eieren of andere beschermde leefgebieden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu). Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.

2.1

SOORTBESCHERMING

In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (tabel 2.1). Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren, bijvoorbeeld het opnemen van vrijstellingen van specifieke soorten. Tabel 2.1: Op hoofdlijn verboden per beschermingsregime Soorten

Artikel Wnb

Vogelrichtlijn

3.1

Habitatrichtlijn soorten uit bijlage I en II van de Bern conventie en bijlage I van de Bonn conventie

3.5

Andere beschermde soorten

3.10

Verboden Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 & 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding) Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel B)

2.2 GEBIEDSBESCHERMING Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Provincies hebben de bevoegdheid om eigen beleid te voeren met betrekking tot de NNN-gebieden binnen de provinciegrens.

3 PLANGEBIED 3.1

HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied is gelegen aan Angsterweg 65 te Vlodrop en betreft een met gras- en kruid achtige soorten begroeid perceel dat aan alle zijden is omsloten door rijen met bomen en struweel en een hekwerk. Het plangebied is aan de noordzijde begrenst door de Angsterweg, aan de aan de oostzijde door de begraafplaats, aan de zuidzijde door de Koebroekweg en aan de westzijde door de Weg achter Het Koebroek (zie figuur 3.1 voor topografische ligging plangebied). Ten noorden van het plangebied ligt Vlodrop en aan de zuid zijde van het plangebied bevindt zich een smalle watergang met daarachter akker- en weilanden.

Figuur 3.1: Topografische ligging plangebied (rood omkaderd).

Het plangebied is circa 130 meter bij 260 meter en bestaat grotendeels uit een grasland met algemene soorten als gewoon struisgras, glanshaver, canadese fijnstraal, vertakte leeuwentand en speerdistel (zie bijlage 2, figuur 1). Op het moment van het veldbezoek werd het grasland begraasd door schapen. In het midden van het plangebied bevindt zich een onverharde weg vanaf de toegang aan de Angsterweg (noord) tot aan de Koebroek (zuid). Deze onverharde weg is iets hoger gelegen dan de rest van het plangebied. De weg is overgroeid met gras en wordt aan beiden kanten omsloten door een betonnen rand en struweel. Het struweel bestaat voornamelijk uit struiken van de soorten braam, aalbes, esdoorn. Ook groeit er brandnetel en staan er jonge bomen tussen het struweel van de soorten iep, berk en wilde kers (zie bijlage 2, figuur 2). Het plangebied is omsloten met rijen met bomen en een hek dat aan elke zijde andere karakteristieken heeft.

De rij bomen gelegen aan de Angsterweg aan de noordwestzijde bestaan uit de soorten iep, zomereik en esdoorn met ondergroei van hulst en wilde kers. Deze bomen staan aan de binnenzijde van het hek. Vanaf de onverharde weg tot aan de oostzijde staan de bomen met dichte ondergroei aan de buitenzijde van het hek. Hier staan in de binnenzijde van het hek in het grasveld vijf solitaire bomen: drie zomereiken, een esdoorn en een beuk (zie bijlage 2, figuur 3). Aan de oostzijde van het plangebied, grenzend aan de begraafplaats staan enkele zomereiken, met hier en daar een braamstruik als ondergroei (zie bijlage 2, figuur 4) Aan de zuidzijde van het plangebied ligt, parallel aan de Koebroekweg, een houtwal dat aan de zuidzijde, grenzend aan het hek, een stuk lager gelegen is dan het grasland (zie bijlage 2, figuur 5). De houtwal bestaat voornamelijk uit esdoorn en eiken met weinig ondergroei en veel dood organisch materiaal, zoals takken en bladeren. Tussen de vele levende bomen in de houtwal staat een enkele dode boom met spleten en holen in de houtwal. Net aan de westkant van de onverharde weg is de houtwal een stuk breder en hier staan voornamelijk veel jonge esdoorns. Ook staan hier aan de zuidkant van het grasland aantal solitaire eiken en een lager gelegen stuk grasland met veel brandnetels en akkerdistels.

De zuidelijke houtwal is aan de oostkant van het plangebied vrij dicht begroeit met een ondergroei van bramen en veel organisch materiaal. De westzijde van het plangebied wordt begrenst door een dunne rij bomen met onder andere soorten als iep, zomereik, esdoorn en meelbes.

3.2 PLANONTWIKKELING De aanleiding van deze Quickscan is het voornemen van Vekoma B.V. om uit te bereiden. Vekoma B.V. is momenteel gelegen aan de Schaapweg in Vlodrop. De geplande uitbereiding aan de Angsterweg betreft de bouw van een complex dat bestaat uit twee delen: kantoor en fabriek. Het ontwerp van het complex is reeds in ontwikkeling, figuur 2 geeft een impressie van het preliminaire ontwerp.

Figuur 3.1 Preliminair ontwerp van de planontwikkeling Vekoma aan de Angsterweg (bron: Phidius Community Innovation).

Een uitgangspunt van deze quickscan is dat de bomen rijen inclusief ondergroei rondom het plangebied blijven staan. Het struweel langs de onverharde weg van de noord naar zuid kant zal worden wel verwijderd evenals de vijf solitaire bomen aan de zuidzijde van het plangebied (zie figuur 3.2). Zodra de planvorming aanleiding geeft tot het kappen en/of uitdunnen van bomen en struweel anders dan hieronder is aangegeven, zal de toetsing moeten worden aangepast en is de betreffende quickscan geen geldende toetsing van de wnb. De wijze van toetsing, het aanpassen van de betreffende quickscan of het uitvoeren van nader onderzoek is afhankelijk van de omvang van de gewijzigde plannen.

Figuur 3.2 Ligging van de 5 solitaire eiken die volgens het ontwikkelingsplan gekapt zullen worden.

4 ONDERZOEKSOPZET 4.1

BESCHIKBARE GEGEVENS EN VELDBEZOEK

De quickscan bestaat uit een eenmalig veldbezoek in combinatie met een bureaustudie. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2021, opgevraagd op 26 augustus 2021). Van de afgelopen tien jaar zijn de beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal 1,5 kilometer van het plangebied) voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd. Tevens is een inschatting gemaakt op basis van bestudering van kaartmateriaal. Het plangebied is op 26 augustus 2021 bezocht door Veerle Tuijnman, ecoloog bij WSP Nederland. Ten tijde van de inspectie was het 16 graden Celsius, afwisselend droog en regenachtig met een wind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gezocht naar beschermde natuurwaarden en is een inschatting gemaakt van de potenties van het plangebied voor beschermde soorten op basis van een habitatbeoordeling.

4.2 EFFECTENBEOORDELING De omvang van de ontwikkeling en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. Op basis van de effectenbeoordeling is beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en permanente effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en volledigheid van de uit te voeren werkzaamheden en planning daarvan. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.

5 BESCHERMDE SOORTEN In dit hoofdstuk zijn per soortgroep de bevindingen beschreven van zowel de bureaustudie alsook het uitgevoerde veldbezoek. Gezien het plangebied uitsluitend bestaat uit met gras, struweel en boom begroeide percelen worden gebouw bewonende soorten niet verwacht.

5.1

PLANTEN

Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt enkel het voorkomen van twee beschermde planten soorten in de omgeving van het plangebied: ruw parelzaad en naaldenkervel. Deze planten zijn waargenomen in de berm langs de Bergeweg, 800 meter ten noorden van het plangebied. Beiden soorten prefereren droge, zonnige standplaatsen. De soorten zijn vaak samen waargenomen op locatie en worden doorgaans vergezeld door soorten als akkerboterbloem, getande veldsla en kleine wolfsmelk. Ruw parelzaad bloeit van april-juni en Naaldenkervel bloeit van mei-juni. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek (buiten het bloeiseizoen) zijn geen groeiplaatsen van beschermde plantsoorten aangetroffen. Het plangebied is tijdens het veldbezoek systematisch afgezocht op beschermde soorten en met een extra focus op de soorten ruw parelzaad en naaldenkervel, eveneens op de soorten die vaak in combinatie met de voorgenoemde soorten worden waargenomen. Geen van de soorten zijn waargenomen in het plangebied en deze worden ook niet verwacht gezien geschikt habitat, matigvoedselrijke, warme en omgewerkte grond, ontbreekt.

5.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van de verschillende soorten in de omgeving. Twee waarnemingen in de directe omgeving betreffen de steenmarter, ten noorden van Vlodrop op 700 meter afstand van het plangebied. Verder zijn verscheidene waarnemingen gedaan van reeën ten zuiden van het plangebied, waarvan drie op enkele tientallen meters vanaf het plangebied. De eekhoorn is twee keer waargenomen in de nabije omgeving van het plangebied, beiden waarnemingen op 800 meter afstand en er zijn waarnemingen gedaan van de bunzing, op 1.2 km ten zuiden van het plangebied. Andere waarnemingen van grondgebonden zoogdieren die zijn gedaan binnen 1,5 km van het plan gebied zijn: bunzing, grote bosmuis, haas, egel. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn geen grondgebonden zoogdieren waargenomen. Kleine martersachtigen gebruiken voornamelijk takkenrillen, houtstapels of holen in de grond als schuil- en/of verblijfplaats. Het plangebied biedt weinig tot redelijke beschutting om voor kleine marters als geschikt leefgebied te dienen. De locatie ligt echter vrij geïsoleerd van andere geschikte leefgebieden in de omgeving er zijn tijdens het veldbezoek ook geen sporen aangetroffen zoals prooiresten of uitwerpselen. Het voorkomen van kleine marterachtigen is niet waarschijnlijk maar kan niet geheel worden uitgesloten.

Het plangebied is ongeschikt voor de das door het ontbreken van voldoende beschutting. Ook zijn er in de nabije omgeving van het plangebied geen waarnemingen gedaan volgens verspreidingsgevens van deze soort. Tijdens de veldinspectie zijn tevens geen verblijfplaatsen, vraatsporen, uitwerpselen en/of loopsporen waargenomen. Het voorkomen van de das binnen en in de directe omgeving van het plangebied wordt uitgesloten.

De egel leeft voornamelijk in tuinen, bosranden, stadparken met voldoende groen dat dient als schuilplaats. Ze gebruiken onder meer composthopen, takken- of puinhopen als overwinteringsplek. De groenstrook aan de zuidzijde van het plangebied biedt geschikt foerageergebied en enkele schuilmogelijkheden voor de egel. Door de vrij geïsoleerde ligging ten opzichte van andere groene stroken in de omgeving is het plangebied minimaal geschikt voor de egel. Op basis hiervan is de egel niet geheel uit te sluiten. Voor alle bovengenoemde grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling voor gebodsbepalingen in het kader van de wnb. De eekhoorn, steenmarter, grote bosmuis en wild zwijn zijn soorten die in Limburg periodiek of niet zijn vrijgesteld. Voor de eekhoorn bieden de houtwallen en bomenrijen rondom het plangebied geschikt potentiële verblijfplaatsen en foerageergebied. Eekhoorn maken gebruikt van meerdere verblijfplaatsen en hebben één hoofdnest. Vaak worden oude nesten van de ekster of zwarte kraai gebruikt, soms worden ook boomholtes gebruikt als verblijfplaats. Er zijn echter geen verblijfplaatsen van de eekhoorn waargenomen binnen het plangebied en eveneens zijn geen grote nesten waargenomen van soorten die potentieel bieden voor de eekhoorn. Door de aanwezigheid van geschikt habitat voor de eekhoorn is deze soort niet geheel uit te sluiten van het plangebied.

Het plangebied biedt weinig geschikt leefgebied voor de steenmarter door het ontbreken van voldoende beschutting en schuilmogelijkheden. Bij intensief gebruik van een locatie door de steenmarter zijn sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste verblijfplaats of foerageergebied door deze soort. De steenmarter kan het plangebied incidenteel passeren maar het plangebied vervult geen cruciale rol als verblijfplaats. In de houtwal aan de zuidkant van het plangebied zijn twee kleine holen aangetroffen, waarvan één vermoedelijk buiten gebruik is. Deze holen kunnen als verblijfplaats dienen voor kleine grondgebonden zoogdieren zoals de bosmuis, grote bosmuis of bruine rat. De grote bosmuis is in Limburg niet vrijgesteld van de wnb. De grote bosmuis prefereert bebost gebied met een dichte struiklaag en losse stenen die dienen als schuilplaats. Aangezien dit habitat ontbreekt in het plangebied kan het voorkomen van de grote bosmuis in het plangebied worden uitgesloten. Op basis van het beschikbare habitat en het hekwerk rondom het plangebied is het voorkomen van andere grondgebonden zoogdieren zoals ree, das en niet vrijgestelde wild zwijn uit te sluiten.

5.3 VLEERMUIZEN Bureaustudie Er zijn verscheidene waarnemingen bekend van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied (NDFF, 2021). Aan de zuid zijde van Vlodrop zijn de meeste waarnemingen gedaan van de gewone dwergvleermuis, vanaf 10 meter afstand van het plangebied. Gewone dwergvleermuizen zijn uitsluitend gebouw bewonende soorten maar maken wel gebruik van beboste gebieden als foerageergebied. Verder zijn een paar waarnemingen gedaan van de laatvlieger, langs de grote wegen aan de zuidkant van Vlodrop. Andere soorten waar een enkele waarneming van is gedaan in de nabije omgeving van het plangebied zijn rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en grijze grootoorvleermuis. Veldbezoek De bomenrijen rondom het plangebied en met name de houtwal aan de zuidkant van het plangebied zouden potentieel geschikte habitat kunnen zijn boom bewonende soorten. Vleermuizen verblijven in bomen in holten, spleten en achter loszittend schors. Hierbij wordt met name vaak gebruik gemaakt van de boomsoorten: beuk, eik en acacia. Aangezien vleermuizen vaak rouleren van verblijfplaatsen moet er een groot netwerk aan geschikte verblijfplaatsen aanwezig binnen een geringe afstand. Alhoewel in het plangebied enkele (dode) bomen aanwezig zijn met holten,

speleten en stukjes loszittend schors (zie figuur 5.2), ontbreken grote hoeveelheden geschikte verblijfplaatsen en kan het voorkomen van verblijven van boombewonende soorten worden uitgesloten. Het voorkomen van geschikte verblijfplaatsen voor uitsluitend gebouw bewonende soorten als de gewone dwergvleermuis en de grijze grootoorvleermuis zijn uitgesloten binnen het plangebied door het ontbreken van gebouwen. Verder vormen de bomenrijen rondom het plangebied lijnvormige elementen die kunnen worden gebruikt als vliegroute door verschillende soorten vleermuizen, zowel boom- als gebouwbewonende soorten. Ook biedt het plangebied mogelijk foerageermogelijkheid voor vleermuizen.

Figuur 5.1 Dode boom aan zuidoost zijde van het plangebied met geschikte holten en spleten voor potentiële verblijfplaats vleermuizen.

5.4

AMFIBIEEN

Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van een twee soorten amfibieën in de omgeving van het plangebied, de bruine kikker en gewone pad. De bruine kikker en gewone pad zijn beiden op circa 1000 meter ten noordoosten van het plangebied waargenomen, aan de rand van Vlodrop en de rivier de Roer. Veldbezoek Er zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen van) amfibieën aangetroffen. Binnen het plangebied ontbreekt enige vorm van oppervlaktewater, waardoor de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater van amfibieën zoals de rugstreeppad is uitgesloten. Net ten zuiden van het plangebied bevindt zich een kleine sloot die potentieel geschikt habitat biedt voor amfibieën. Amfibieën verblijven graag in een habitat met vochtig microklimaat en voldoende plek om te schuilen. Het plangebied kan worden gebruikt door passerende amfibieën maar verleent zelf geen cruciale functie door het ontbreken van

landschapselementen met gevarieerde structuur. Het voorkomen van algemene soorten amfibieën in het plangebied is uitgesloten. Andere kritische soorten zoals de alpen watersalamander leven is een bebost habitat nabij wateren. Deze kenmerken ontbreken in het plangebied en het voorkomen van de alpen watersalamander kan worden uitgesloten.

5.5 REPTIELEN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van reptielen erg schaars. Er is één waarneming gedaan van de levendbarende hagedis op 1500 meter ten noord westen van het plangebied, vlak langs de Roer. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen. Alhoewel het plangebied wel natuurlijke elementen bevat, ontbreekt aaneengesloten geschikt habitat (natuurlijke gebieden in de duinen, bossen en heidevelden) in het plangebied en in de omgeving. Ook ontbreekt een gevarieerde structuur in het habitat en elementen waaronder reptielen zoals de levendbarende hagedis kunnen schuilen. Het voorkomen van de niet vrijgestelde kritische soort hazelworm kan worden uitgesloten door de afwezigheid van geschikt habitat (vochtige en dichte vegetatielaag).

5.6 VISSEN Vanwege het ontbreken van enige vorm van oppervlaktewater binnen het plangebied, is het voorkomen van vissen uitgesloten.

5.7 ONGEWERVELDEN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van twee soorten in de omgeving van het plangebied. De gaffellibel en bosbeekjuffel zijn waargenomen langs de oever van de Roer, ten oosten van het plangebied. Ook is in dit gebied een enkele waarneming gedaan van de beekrombout. Op 1500 meter ten zuid westen van het plangebied is een enkele waarneming gedaan van het donker pimpernelbauwtje. Veldbezoek De gaffellibel, bosbeekjuffer en beekrombout zijn allen soorten die verblijven nabij rivieren en grote beken. Geschikt habitat ontbreekt binnen het plangebied en het voorkomen van deze soorten kan worden uitgesloten. Het donker pimpernelblauwetje is een zeer zeldzame vlinder en heeft onder andere de plant grote pimpernel nodig om te overleven. Deze soort ontbreekt binnen het plangebied en het voorkomen van deze soort binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Voor andere libellen en dagvlinders zoals de iepenpage en grote vos kan het voorkomen worden uitgesloten gezien het geboden habitat (o.a. ontbreken van waardplaten en/of waterrijke habitats).

5.8 VOGELS ALGEMENE BROEDVOGELS Bureaustudie Verspeidingsgegevens van NDFF (2021) tonen de aanwezigheid van verscheidene algemene soorten in de omgeving van het plangebied. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn individuen waargenomen van de grote bonte specht, vink en houtduif. Tijdens het veldbezoek zijn drie nesten van houtduiven waargenomen, één in de jonge iep op de onverharde weg die het plangebied in twee deelt (zie bijlage 2, figuur 6) één in een solitaire eik aan de zuidkant van het perceel (zie bijlage 2, figuur 7) en één in een eik aan bomenrijen aan de oostzijde van het plangebied (zie bijlage 2, figuur 4). Het plangebied is zeer geschikt als nestlocatie voor meerdere algemene soorten door de aanwezigheid van bomen, houtwallen en dicht struweel. Het plangebied is matig geschikt voor nestlocaties van weidevogels, door de insluiting van de hoge bomenrijen en het hoge gras. Broedgevallen van weidevogels kunnen echter niet uitgesloten worden. In de directe omgeving ten zuiden van het plangebied is ook voldoende geschikt habitat voor weide vogels aanwezig.

VOGELS MET EEN JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATS OF WAARVOOR VOLDOENDE FUNCTIONEEL LEEFGEBIED AANWEZIG MOET BLIJVEN Bureaustudie Vanuit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten. In Limburg geldt een aangepaste lijst met vogels met een jaarrond beschermde nestplaats ten opzichte van andere provincies. Op de agrarische velden ten zuiden van het plangebied zijn meerdere waarnemingen van de ooievaar gedaan. Ook is de buizerd frequent waargenomen in de directe omgeving van het plangebied, met name veel in het riviergebied. In de omgeving van de Roer zijn ook meerdere waarnemingen gedaan van de soorten boomvalk en grote gele kwikstaart. In Vlodrop zijn meerder waarnemingen van de huismus gedaan. Andere soorten die zijn waargenomen in de nabije omgeving van het plangebied zijn: kerkuil, wespendief en sperwer.

Veldbezoek Gedurende het veldbezoek is een zwarte kraai in de top van een eik waargenomen. Er zijn geen andere vogels met jaarrond beschermde nestplaats waargenomen. Er zijn eveneens geen nesten waargenomen in het struweel en de bomenrijen rondom het plangebied. Door de afwezigheid van gebouwen vervult het plangebied geen functie als nestlocatie voor de gierzwaluw en de huismus. Leefgebied voor de huismus en gierzwaluw wordt gevorm door de nabij gelegen woonwijk. Deze soorten kunnen het plangebied wel gebruiken als (niet essentieel) foerageergebied. Ook biedt het plangebied geen functie voor de ringmus die vergelijkbaar habitat gebruikt als de huismus. Het plangebied kan een functie vervullen van verblijfplaats voor uilen, met name voor bosuilen is het plangebied geschikt. Kerkuilen nestelen voornamelijk in boerenschuren of kerktorens maar kunnen ook in boomholtes nestelen. Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen nesten of geschikte boomholtes waargenomen. Het plangebied kan ook een functie bieden als foerageer en rustplek voor uilen. Ransuilen maken doorgaans vaak gebruikt van oude ekster en zwarte kraaien nesten.

Ook voor andere soorten met een jaarrond beschermd nest, o.a. boomvalk, roek en buizerd kunnen de houtwallen in het plangebied een functie bieden als verblijfplaats. Er zijn tijdens het bezoek echter geen nesten waargenomen van deze soorten. Voor beschermde soorten zoals de rode wouw en zwarte specht kan het plangebied een functie als verblijfplaats vervullen er zijn echter geen individuen en of nesten van deze soorten waargenomen tijdens het veldbezoek. Het struweel langs de onverharde weg biedt potentieel geschikte nestlocatie voor beschermde soorten als grauwe klauwier. Op basis van voorkeurs habitat, structuurrijke vegetaties in diverse halfopen landschappen en verspreidingsgegevens van NDFF is het voorkomen van de grauwe klauwier in het en rondom plangebied uit te sluiten. De fysieke nest voorwaarden voor de grote gele kwikstaart zijn erg specifiek en door de afwezigheid van stromend water en nissen in de muur of onder boomwortels wordt het voorkomen van deze soort binnen het plangebied uitgesloten.

6 BESCHERMDE GEBIEDEN De bescherming van gebieden is in dit hoofdstuk uitgesplitst in Natura2000 en in Nationaal Natuurnetwerk. Beide zijn hieronder nader toegelicht.

6.1

NATURA2000

Het plangebied zelf vormt geen onderdeel van een Natura2000-gebied (zie figuur 6.1). Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied, het Roerdal, bevindt zich ten noordoosten van het plangebied op ongeveer 800 meter afstand (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1: Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura2000-gebieden (groene vlakken).

6.2 NATIONAAL NATUURNETWERK Het plangebied overlapt niet met gebieden die zijn aangesloten bij goudgroene zones, de Limburgse invulling van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie figuur 6.2). Het dichtstbijzijnde stuk goudgroene zone ligt op 200 meter ten zuiden van het plangebied. Aangrenzend aan de zuidkant van het plangebied ligt een bronsgroene zone.

Figuur 6.2: Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Nationaal Natuurnetwerk Nederland (groen/blauw gekleurde vlakken).

7 EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk zijn de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de planontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn per beschermingsregime de verbodsartikelen genoemd die mogelijk overtreden kunnen worden. Voor een uitgebreidere omschrijving wordt verwezen naar tabel 2.1 in hoofdstuk 2 (wettelijk kader). Voor deze effectbeoordeling is rekening gehouden met de voorgenomen kap van het struweel langs de onverharde weg en de 5 solitaire eiken aangegeven op figuur (. Het uitgangspunt is dat alle andere bomen inclusief ondergroei onaangetast blijven en dat de reeds bestaande toegangsweg wordt gebuikt als toegangsweg voor het nieuwe complex. Bij het wijzigen van deze plannen dient deze toetsing herziend te worden.

7.1

VOGELRICHTLIJNSOORTEN

Bij de effectenbeoordeling op broedvogels is onderscheid gemaakt in nesten die eenmalig in gebruik zijn en nesten die vast in gebruik zijn en daarmee ook permanent zijn beschermd. ALGEMENE BROEDVOGELS Nesten van de meeste soorten vogels zijn beschermd tijdens het gebruik ervan, overtreding van artikel 3.1, lid 2 (beschadigen/ vernielen van nesten) is buiten het broedseizoen niet aan de orde. Voor deze vogelsoorten volstaat om rekening te houden met het broedseizoen (globaal de periode 15 maart tot en met 15 juli). In het geval het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, moet in overleg met een ecoloog bepaald worden hoe overtreding van het eerder genoemde verbodsartikel voorkomen kan worden. Struwelen dienen bij uitstek buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Verder werkzaamheden kunnen eventueel wel starten in het broedseizoen mits er een broedvogelcheck wordt uitgevoerd (per deellocatie) maximaal 3 dagen alvorens de werkzaamheden starten. VOGELS MET EEN JAAR ROND BESCHERMDE NESTPLAATS Naast algemene broedvogels zijn er ook vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Deze vogelsoorten keren jaarlijks terug naar hetzelfde nest, of nestplek. Dit betekent dat het verwijderen of aantasten van deze nesten leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2, ook al worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd.

Tevens is de functionele leefomgeving rondom de nestlocatie van deze broedvogels beschermd. Het plangebied vervult geen functie voor vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen.

7.2 HABITATRICHTLIJNSOORTEN Ten aanzien van Habitatrichtlijn soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.5, lid 4 (aantasten en vernietigen van rustplaatsen) en 3.5, lid 2 (opzettelijk verstoren). Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder grondgebonden zoogdieren en alle soorten vleermuizen. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er geen raakvlakken met het voorkomen soorten die beschermd zijn onder de habitatrichtlijn. Het voorkomen van grondgebonden zoogdieren beschermd onder de habitatrichtlijn zoals de bever zijn uitgesloten. Vleermuizen komen mogelijk voor in de directe omgeving van het plangebied maar de voorgenomen ontwikkelingen zullen niet leiden tot het overtreden van verbodsartikelen. Vleermuizen kunnen potentieel gebruik maken van de bomenrijen als vliegroute en daarom dient er tijdens de ontwikkelingen rekening te worden gehouden met deze soortgroep.

Vleermuizen zijn erg gevoelig voor licht en om verstoring van gedrag (eveneens tijdens gebruik vliegroute of foerageergebied) van vleermuizen niet te verstoren dient gebruik gemaakt te worden van vleermuis vriendelijke verlichting. Bij het ontwerpen van het verlichtingsplan van het nieuw te bouwen complex en het tijdelijk op te zetten werk/bouw terrein dienen ecologische adviezen opgevolgd te worden. Hierbij dient rekening te worden gehouden dat de te behouden bomenrijen voldoende donker blijven. In het geval dit niet gewaarborgd kan worden, kan het alsnog nodig zijn om onderzoek uit te voeren naar de functies vliegroute en foerageergebied. Het plangebied biedt, met het behouden van de bomenrijen, verder voldoende plekken waar vleermuizen kunnen foerageren. Het is goed mogelijk dat de groenstrook/grasveld en de omgeving worden gebruikt als niet essentieel foerageergebied en/of als vliegroute. De planontwikkeling zorgen voor een (minimaal) verlies aan foerageergebied, echter zijn er in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden.

7.3 NATIONAAL BESCHERMDE SOORTEN Ten aanzien van Nationaal beschermde soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.10, lid 1b (aantasten en vernietigen van rustplaatsen). Verstoring is ten aanzien van deze soorten niet benoemd als verbodsartikel. Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder diverse grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Vrijstelling en zorgplicht Ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van onder andere ruimtelijke ontwikkelingen. De soorten die zijn vrijgesteld verschillen per bevoegd gezag. In deze situatie geldt de vrijstelling ten aanzien van de meeste voorkomen algemene grondgebonden zoogdieren (egel, rosse woelmuis, veldmuis etc.) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, etc.) De zorgplicht blijft echter van kracht, ook al zijn soorten vrijgesteld of niet opgenomen in de lijsten van de verschillende beschermingsregimes. De zorgplicht houdt in dat met de voorkomende soorten rekening wordt gehouden in zoverre dit redelijkerwijs mogelijk is. Om te voldoen aan de zorgplicht is het niet nodig om te werken conform een goedgekeurde gedragscode of een verleende ontheffing. Voldoen aan de zorgplicht kan als volgt: ▪ ▪ ▪

Biedt de voorkomende soorten de gelegenheid te kunnen vluchten bij het aantreffen ervan. Minder mobiele soorten als egel of gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van het werk. Bovenstaande maatregelen zijn in het bijzonder relevant tijdens het verwijderen van het aanwezige groen (braam struweel en grasvegetatie).

Niet vrijgestelde soorten of soorten die periodiek in het jaar zijn vrijgesteld Het voorkomen van niet vrijgestelde soorten wild zwijn, grote bosmuis en hazelworm zijn uitgesloten binnen het plangebied. Voor een aantal soorten geldt een periodieke vrijstelling. Binnen de vrijstellingsperiode geldt alleen de zorgplicht. Soorten met een periodieke vrijstelling zijn steenmarter (vrijgesteld van 15 aug t/m feb), levendbarende hagedis (vrijgesteld van 15 aug t/m 15 okt) en de eekhoorn (vrijgesteld van maart-april en juli t/m november). De steenmarter en levendbarende hagedis worden aan de hand van het aanwezig habitat niet verwacht in het plangebied. De eekhoorn kan niet geheel worden uitgesloten en schade en verstoring te voorkomen dienen de vijf solitaire eiken gekapt te worden in de periode waarin de vrijstelling voor deze soort geldt. Aangezien deze periode overlapt met het broedseizoen van vogels is de aangewezen periode om de bomen te kappen van half juli t/m november. Alvorens de bomen gekapt worden dient er een broed- en eekhoorn check te worden uitgevoerd.

Binnen de vrijgestelde periode geldt alleen de zorgplicht waarbij tijdens de uitvoering men bijvoorbeeld alert dient te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een de ecoloog.

7.4 BESCHERMDE GEBIEDEN Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied en bevindt zich niet in een regio met Natura 2000-gebieden tot op minimaal een kilometer afstand hemelsbreed. Veel externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten rijken doorgaans tot enkele honderden meters en zijn hierdoor uit te sluiten. In tegenstelling tot de eerder genoemde externe effecten, kan het effect van neerslag van stikstof wel tot verder rijken dan enkele honderden meters. Een beoordeling over de noodzaak tot vervolgstappen ten behoeve van stikstofemissie wordt separaat uitgevoerd. Het plangebied maakt geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is daarom niet noodzakelijk. Het plangebied grenst in het zuiden aan een bronsgroene zone. Het beleid binnen de bronsgroene landschap zone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. De geplande ontwikkelingen in het plangebied vormen verder geen knelpunt met dit beleid.

8 SAMENVATTING BEVINDINGEN De bevindingen van natuurtoets zijn in de onderstaande tabel samengevat. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende kleurcodering:

Geen vervolgonderzoek/ acties noodzakelijk voor de geplande werkzaamheden De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits het gegeven advies wordt opgevolgd. Vervolgonderzoek: er is onvoldoende inzicht verkregen om de effecten van de werkzaamheden te bepalen Ontheffing is noodzakelijk. De werkzaamheden zullen leiden tot een negatief effect.

BESCHERMINGSREGIME (relevante soortgroepen)

(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN VOORGENOMEN ONTWIKKELING

ADVIES

VERVOLGSTAPPEN NOODZAKELIJK?

Geen

Rekening houden met broedseizoen, zie verder onder paragraaf 7.1.

Nee

Geen

Inzetten ecoloog voor waarborgen functie als vliegroute, zie verder onder paragraaf 7.2.

Nee

Geen

Voldoen aan zorgplicht, zie verder onder paragraaf 7.3.

Nee

Geen

Rekening houden met gevoelige periode eekhoorn, zie verder onder paragraaf 7.3.

Nee

Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming) Vogelrichtlijn (vogels met een jaarrond beschermde nestplaats)

Habitatrichtlijn (vleermuizen)

Vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (algemene soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën) Niet of deels vrijgestelde Nationaal beschermde soorten

Gebiedsbescherming (Wet Natuurbescherming en NNN) Natura 2000-gebieden

Geen (stikstofemissie wordt separaat beoordeeld)

Geen

Nee

NNN-gebieden

Geen

Geen

Nee

LITERATUURLIJST NDFF, 2021. Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied – levering uit de NDFF, NDFF – ndffecogrid.nl Netwerk Groene Bureaus (NGB), werkgroep Standaarden en protocollen (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017, www.netwerkgroenebureaus.nl Websites: https://www.natura2000.nl/gebieden/limburg https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten www.NDFF.nl www.Habitus.nl/vrijgesteldesoorten https://data.overheid.nl/dataset/14481-goudgroene-natuurzone--zilvergroene-natuurzone--bronsgroenelandschapszone

OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1

— Wet natuurbescherming Bijlage 2

— Impressie plangebied

BIJLAGE

1

WET NATUURBESCHERMING

WET NATUURBESCHERMING De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt sinds 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: ▪ het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, ▪ het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en ▪ het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies. De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet.

In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000-gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. ZORGPLICHT Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: ▪ dergelijke handelingen achterwege laat dan wel ▪ indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ▪ voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie).

GEBIEDSBESCHERMING In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Wnb een vergunningensysteem opgenomen. Hier aan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving. Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd.

De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. SOORTENBESCHERMING De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal. Het is er op gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. Verbodsbepalingen De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes.

Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: lid 1: Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoelt in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1). Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen: lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. lid 2: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. lid 3: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. lid 4: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om: lid 1a: lid 1b: lid 1c: lid 1d:

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen.

NESTEN De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als u maatregelen treft die voorkomen dat deze soorten zich op de bouwplaats vestigen tijdens het broedseizoen. U mag dus buiten het broedseizoen nesten verplaatsen of verwijderen, maar daar zijn uitzonderingen op. NESTEN DIE HET HELE JAAR DOOR ZIJN BESCHERMD Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb het gehele seizoen: 1.

nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).

2.

nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Deze categorieën zijn terug te vinden in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. NESTEN DIE NIET HET HELE JAAR DOOR ZIJN BESCHERMD In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5.

nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

AANGEPASTE LIJST JAARROND BESCHERMDE VOGELNESTEN De aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend. Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De soorten uit bovenstaande categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voormalige ecologische hoofdstructuur, EHS) is een netwerk van beschermde natuurgebieden, dat in de basis gevormd wordt door de al bestaande natuur, zoals duinen, heiden, bossen, meren en landgoederen. Aanvullend hierop worden nieuwe natuurgebieden ontwikkeld, bijvoorbeeld op gronden die eerst voor landbouw gebruikt werden. Ecologische natuurverbindingen verbinden deze gebieden met elkaar. In het NNN liggen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten panEuropees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling (spelregels EHS) van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in deze gebieden het ‘nee, tenzij’-regime. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee, tenzij’-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien de voorgenomen planontwikkeling met bijbehorende ingreep/ingrepen niet voldoet aan de voorwaarden uit het ‘nee, tenzij’-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden, tenzij het onderstaande van toepassing is. SALDOBENADERING In die gevallen waarbij het instrument saldobenadering van toepassing is hoeft het ’nee, tenzij’-afwegingskader niet doorlopen te worden en is ook geen sprake van compensatie, zoals bij ingrepen onder het ’nee, tenzij’-regime.

Harde eis hierbij is wel dat aan alle voorwaarden voor het toepassen van de saldobenadering wordt voldaan. Alleen dan is immers per saldo winst voor het NNN gegarandeerd. Is dit niet het geval dan geldt onverkort het ‘nee, tenzij’regime. BEOORDELING VAN EFFECTEN VAN EEN INGREEP OP HET NNN Voor de beoordeling van de effecten van een ingreep en bij het nader invullen van de begrippen: ‘geen netto verlies’, ‘behoud van ambitie’, ’versterking van het NNN’ en ’kwaliteitsslag’ zijn de volgende aandachtspunten ten aanzien van natuurkwaliteit belangrijk: ▪ ▪

zowel de actuele natuurwaarden als het vastgelegde natuurdoel zijn relevant; natuurwaarden worden primair afgemeten aan doelsoorten en natuurlijkheid (de kwaliteitscriteria van natuurdoeltypen); ▪ behoud en ontwikkeling van natuurwaarden zijn afhankelijk van het voldoen aan een reeks van randvoorwaarden (met name bodemgesteldheid, waterkwaliteit, processen in de omgeving, minimumoppervlakte en beheer). ▪ significant negatieve effecten betreffen zowel natuur- als hun randvoorwaarden. lokale ingrepen kunnen (negatieve) effecten hebben op drie schaalniveaus: lokaal, regionaal (kerngebied van het NNN) en landelijk (hele NNN). De vervangbaarheid van natuur hangt af van meerdere ecologische aspecten alsmede relevante nationale beleidsambities.

BIJLAGE

2

IMPRESSIE PLANGEBIED

FOTO 2.1 GRASPERCEEL MET SPEERDISTEL

FOTO 2.2: BRAAMSTRUWEEL LANGS ONVERHARDE WEG

FOTO 2.3 TE VERWIJDEREN SOLITAIRE BOMEN (EIKEN) AAN ZUIDKANT VAN PLANGEBIED.

FOTO 2.4: OOSTELIJK DEEL PLANGEBIED VANAF HET ZUIDEN MET DUIVENNEST IN EERSTE EIK.

FOTO 2.5 ZUIDELIJKE HOUTWAL MET LAGER GELEGEN DEEL.

FIGUUR 2.7 SOLITAIRE EIK MET VERLATEN NEST

FOTO 2.6 SOLITAIRE IEP IN STRUWEEL LANGS ONVERHARDE WEG MET VERLATEN NEST.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Roerdalen&id=c232dcf2-0188-4dc8-9436-439403134dd9