05 Bijlage 3: Regels
Tekst van het document
PLANREGELS
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
INLEIDENDE REGELS.......................................................................................................................................2 Artikel 1
Begrippen .............................................................................................................................................................................................. 2
Artikel 2
Wijze van meten ................................................................................................................................................................................ 3
Artikel 3
Van toepassing verklaring............................................................................................................................................................... 4
BESTEMMINGSREGELS ...................................................................................................................................5 Artikel 4
Waarde – Archeologie – 1 ........................................................................................................................................................... 5
Artikel 5
Waarde – Archeologie – 2 ........................................................................................................................................................... 7
Artikel 6
Waarde – Archeologie – 3 ........................................................................................................................................................... 9
Artikel 7
Waarde – Archeologie – 4 ........................................................................................................................................................ 11
Artikel 8
Waarde – Archeologie – 5 ........................................................................................................................................................ 13
Artikel 9
Waarde – Archeologie – 6 ........................................................................................................................................................ 15
ALGEMENE REGELS ...................................................................................................................................... 16 Artikel 10 Anti-dubbeltelregel ........................................................................................................................................................................ 16
4.
OVERGANGS- EN SLOTREGELS ............................................................................................................... 17 Artikel 11 Overgangsrecht ............................................................................................................................................................................... 17 Artikel 12 Slotregel .............................................................................................................................................................................................. 18
BIJLAGE Bijlage 1: Kwaliteitskader Bijlage 2: Overzicht vigerende bestemmingsplannen
Vastgesteld
1
1.
INLEIDENDE REGELS
Artikel 1
Begrippen
1.1 plan het facetbestemmingsplan “Actualisatie archeologisch beleid en kwaliteitskader” met identificatienummer NL.IMRO.1669.BPALL2022FACETBPAK.VG01 van de gemeente Roerdalen. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 archeologische waarde de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis. 1.4 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.5 bevoegd gezag het bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 1.1, lid 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dat artikellid, burgemeester en wethouders. 1.6 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of het veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.7 kwaliteitskader Het kwaliteitskader zoals opgenomen in de Omgevingsvisie ‘Roerdalen 2050’ zoals vastgesteld op 8 juli 2021. 1.8 Peil a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang aan de wegzijde grenst: maximaal 30 cm boven de hoogte van de kruin van de openbare weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: maximaal 30 cm boven de gemiddelde hoogte van het rondom afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.
Vastgesteld
2
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Vastgesteld
3
Artikel 3
Van toepassing verklaring
3.1 Herziening en verankering bestemmingsplannen De in dit bestemmingsplan opgenomen regels herzien en/of wijzigt de regels in de thans vigerende bestemmingsplannen, op de wijze zoals aangegeven in artikel 3.2 en 3.3. 3.2 Herziening regels archeologie De regels inzake archeologie van de vigerende bestemmingsplannen worden verwijderd en vervangen door de regels zoals opgenomen in hoofdstuk 2 Bestemmingsregels. De in dit plan opgenomen regels gelden ter vervanging van regels en/of in aanvulling op de regels inzake archeologie van de vigerende bestemmingsplannen en laten de overige regels in de betreffende bestemmingsplannen ongewijzigd. 3.3 Verankering Kwaliteitskader Het kwaliteitsmenu van de vigerende bestemmingsplannen worden verwijderd en vervangen door het Kwaliteitskader zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels. Daar waar in het vigerende bestemmingsplan wordt verwezen c.q. voldaan moet worden aan het kwaliteitsmenu dat is opgenomen in de bijlage bij de vigerende bestemmingsplannen wordt dit kwaliteitsmenu verwijderd en vervangen door het Kwaliteitskader zoals opgenomen in bijlage I bij deze regels. Een overzicht van de vigerende bestemmingplannen is opgenomen als bijlage 2 bij deze regels.
Vastgesteld
4
2.
BESTEMMINGSREGELS
Artikel 4
Waarde – Archeologie – 1
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde – Archeologie – 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde - Archeologie – 1’ mede bestemde gronden. 4.2.2 Uitzonderingen Het in lid 4.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 4.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken.
4.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Vastgesteld
5
Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie – 1’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen. 4.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het in lid 4.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of b. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of c. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of d. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen.
4.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in 4.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 4.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 4.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
4.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie – 1’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Vastgesteld
6
Artikel 5
Waarde – Archeologie – 2
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde - Archeologie – 1’ mede bestemde gronden. 5.2.2 Uitzonderingen Het in lid 5.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. op bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en) indien voldaan wordt aan een van de twee onderstaande voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 250 m² bedraagt; 2. de ondergrondse bouwdiepte max. 40 cm bedraagt; b. op de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 5.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken. 5.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Vastgesteld
7
Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie – 2’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 5.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het in lid 5.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. de werken of werkzaamheden een oppervlakte hebben van niet meer dan 250 m² en het werken of werkzaamheden betreft waarbij de bodem tot ten hoogste 40 cm onder het bestaande maaiveld wordt geroerd; of b.
de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of c. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of d. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of e. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen. 5.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in 5.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 5.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: c. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; d. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
5.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie – 2’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Vastgesteld
8
Artikel 6
Waarde – Archeologie – 3
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde - Archeologie – 3’ mede bestemde gronden. 6.2.2 Uitzonderingen Het in lid 6.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. op bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en) indien voldaan wordt aan een van de twee onderstaande voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 1.000 m² bedraagt; 2. de ondergrondse bouwdiepte max. 40 cm bedraagt; b. op de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 6.3 Afwijken van de bouwregels 6.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 6.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken. 6.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 6.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Vastgesteld
9
Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie – 3’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 6.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het in lid 6.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. de werken of werkzaamheden een oppervlakte hebben van niet meer dan 1.000 m² en het werken of werkzaamheden betreft waarbij de bodem tot ten hoogste 40 cm onder het bestaande maaiveld wordt geroerd; of b.
de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of c. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of d. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of e. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen. 6.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in 6.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 6.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
6.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 6.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie – 3’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Vastgesteld
10
Artikel 7
Waarde – Archeologie – 4
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde - Archeologie – 4’ mede bestemde gronden. 7.2.2 Uitzonderingen Het in lid 7.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. op bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en) indien voldaan wordt aan een van de twee onderstaande voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 2.500 m² bedraagt; 2. de ondergrondse bouwdiepte max. 40 cm bedraagt; b. op de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 7.3 Afwijken van de bouwregels 7.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 7.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken. 7.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 7.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden. 7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Vastgesteld
11
Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie – 4’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 7.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het in lid 7.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. de werken of werkzaamheden een oppervlakte hebben van niet meer dan 2.500 m² en het werken of werkzaamheden betreft waarbij de bodem tot ten hoogste 40 cm onder het bestaande maaiveld wordt geroerd; of b.
de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of c. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of; d. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of e. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen. 7.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in 7.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 7.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
7.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 7.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie – 4’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Vastgesteld
12
Artikel 8
Waarde – Archeologie – 5
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Verbod Het is verboden om zonder of in afwijking van een besluit om van de bouwregels af te wijken, te bouwen of te laten bouwen op de voor ‘Waarde - Archeologie – 5’ mede bestemde gronden. 8.2.2 Uitzonderingen Het in lid 8.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. op bebouwing die kan worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en) indien voldaan wordt aan een van de twee onderstaande voorwaarden: 1. de oppervlakte van de bebouwing maximaal 10.000 m² bedraagt; 2. de ondergrondse bouwdiepte max. 40 cm bedraagt; b. op de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid. 8.3 Afwijken van de bouwregels 8.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 8.2.1 voor het bouwen volgens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden verstoord; of b.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door middel van het verbinden van voorschriften aan het besluit om af te wijken. 8.3.2 Beperkingen Het bevoegd gezag kan het besluit om af te wijken onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan het besluit verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 8.3.3 Advies Alvorens het bevoegd gezag besluiten om af te wijken kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een besluit om af te wijken archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan het besluit moeten worden verbonden. 8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Vastgesteld
13
Het is verboden om op de voor ‘Waarde - Archeologie – 5’ aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden': a. de bodem met meer dan 1 m op te hogen boven het bestaande maaiveld; b. het verwijderen van funderingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; c. het graven, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, vijvers, sloten, greppels en andere wateren; d. de aanleg van drainage op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; e. de aanleg van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld; f. het planten en/of het vellen/rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting; g. andere grondbewerkingen op een diepte van meer dan 40 cm onder het bestaande maaiveld. 8.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het in lid 8.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. de werken of werkzaamheden een oppervlakte hebben van niet meer dan 10.000 m² en het werken of werkzaamheden betreft waarbij de bodem tot ten hoogste 40 cm onder het bestaande maaiveld wordt geroerd; of b.
de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud betreffen; of c. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; of d. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; of e. de werken en werkzaamheden het archeologisch onderzoek betreffen. 8.4.3 Toetsingscriteria De vergunning wordt verleend, indien de in 8.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden, of indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 8.4.4 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan de vergunning onder beperkingen verlenen en de volgende voorschriften aan de vergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de activiteit, die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
8.4.5 Advies Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning kan zij schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige, omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. 8.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming ‘Waarde - Archeologie – 5’ geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van een nader archeologisch onderzoek is gebleken dat de archeologische waarden van de gronden niet behoudenswaardig zijn of niet langer aanwezig zijn.
Vastgesteld
14
Artikel 9
Waarde – Archeologie – 6
9.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie – 6’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. 9.2 Bouwregels 9.2.1 Algemeen Voor het bouwen of laten bouwen op de voor ‘Waarde – Archeologie – 6’ mede bestemde gronden gelden geen restricties.
Vastgesteld
15
3.
ALGEMENE REGELS
Artikel 10
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Vastgesteld
16
4.
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 11
Overgangsrecht
11.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; 3. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met ten hoogste 10%; b. het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Vastgesteld
17
Artikel 12
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het facetbestemmingsplan ‘Actualisatie archeologisch beleid en kwaliteitskader’.
Vastgesteld
18