02 Raadsbesluit - Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2023
Tekst van het document
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3:4 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant of de beheerder: a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant of de beheerder niet: a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
Pagina 22 van 54
bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.
De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel 3:5 Sluitingstijden 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 uur en 12.00 uur. 2. Het bevoegd orgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens deze Afdeling gesloten dient te zijn. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3:6 Tijdelijke afwijking sluitingstijden en(tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de openbare orde en de weigeringsgronden voor de vergunning, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens deze Afdeling geldende sluitingsuren vaststellen; b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bekend op de wijze als bedoeld in artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3:7 Intrekking vergunning Met het oog op de in artikel 3:13 tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan de op basis van artikel 3:3 verleende vergunning voor een seksinrichting intrekken.
Pagina 23 van 54
Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2. De exploitant en de beheerder dient er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3:8a Leeftijd en verblijfstitel prostitué(e)s; verbod werken voor onvergunde seksinrichting 1. Prostitutie vindt uitsluitend plaats door een prostitué(e) die de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. 2. Het is een exploitant verboden een prostitué(e) voor of bij zich te laten werken die: a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. 3. Het is een prostitué(e) verboden: a. te handelen in strijd met het eerste lid; b.
werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksinrichting is verleend. 4. De verbodsbepaling bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf. Artikel 3:8b Verbodsbepaling klanten 1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostitué(e) van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij/zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een seksinrichting is verleend. 2. Het is verboden op of aan de weg of op of aan een andere openbare plaats gebruik te maken van diensten van een prostitué(e). Artikel 3:9 Straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3.
Met het oog op de openbare orde en de belangen als neergelegd in de weigeringsgronden van de vergunning, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4. De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen als neergelegd in de weigeringsgronden van de vergunning, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.
Pagina 24 van 54
5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel 3:10 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling 3. Beslissingstermijn en weigeringsgronden Artikel 3:12 Beslissingstermijn 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, binnen twaalf weken. Deze beslistermijn begint de dag na de ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3:13 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:4 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.
Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:7, de vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. het woon- en leefklimaat; d. de veiligheid van personen of goederen; e. de verkeersveiligheid of verkeersvrijheid; f. de gezondheid of zedelijkheid;
Pagina 25 van 54
g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee; h. bij strijdigheid met het regionale prostitutiebeleid. 3. Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, kan voorts worden geweigerd als bij vestiging of exploitatie het door de burgemeester vastgestelde lokale of regionale maximum van het aantal toegelaten seksinrichtingen wordt overschreden. 4. Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 5. Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:3 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:15 Wijziging beheer 1. Als de beheerder het beheer in de .seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.
Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a en b, is van overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdeling 5. Overgangsbepaling Artikel 3:16 Overgangsbepaling 1. Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of escortbedrijf is het gestelde in artikel 3:3, eerste lid, niet van toepassing: a. gedurende 8 weken na het in werking treden daarvan; b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen. 2. Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen.
Pagina 26 van 54
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; c. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. d. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. e. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; f. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; g. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen: a. carnaval vanaf carnavalszaterdag 16:00 uur tot carnavals dinsdag 24:00 uur; b. Koningsnacht en Koningsdag vanaf 26 april 20.00 uur tot 27 april 02.00 uur en van 09.00 uur tot 24.00 uur; c. oudejaarsavond vanaf 31 december 20.00 uur tot 1 januari 02.00 uur; d. kermis vanaf kermiszaterdag 16:00 uur tot kermisdinsdag 02:00 uur voor elke kern afzonderlijk; e. jaarmarkt vanaf 10:00 tot 02:00 uur voor elke kern afzonderlijk. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit onmiddellijk als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4.
Op de dagen bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 uiterlijk om 01:30 uur beëindigd. Deze verplichting is niet van toepassing op inrichtingen waarvoor tijdens de collectieve festiviteit een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen moet het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen, om 02:00 uur worden beëindigd. 5. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Pagina 27 van 54
6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk heeft gemeld bij het college. 2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk heeft gemeld bij het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A)toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 9.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 10. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 uiterlijk om 01.30 uur beëindigd. Deze verplichting is niet van toepassing op inrichtingen waarvoor tijdens de incidentele festiviteit een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen moet het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen, om 02:00 uur worden beëindigd. 11. Het college kan nadere regels en voorschriften vaststellen voor een incidentele festiviteit. Artikel 4:4 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen; b.
de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
Pagina 28 van 54
c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, als het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit Geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel 7.00-10.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
10.00-23.00 uur n.v.t. n.v.t n.v.t. n.v.t.
23.00-7.00 uur
40 dB(A) 25 dB(A) 60 dB(A) 45 dB(A)
3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 of artikel 4:3. Artikel 4:5 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of na te laten zodat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:6 Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg 1. Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: a.
indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; b. indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de weg onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag; te reinigen of te doen reinigen.
Pagina 29 van 54
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg van toepassing is. Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen Het is voor personen verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn of haar natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:8 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:9 Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. houtopstand: hakhout, een houtwal, of één of meer bomen; b. hakhout; één of meer bomen, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; c. bomenlijst: een door het bevoegd gezag vastgestelde lijst met houtopstanden, die zonder omgevingsvergunning niet mogen worden geveld. 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 4:10 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand, die staat vermeld op een door het bevoegd gezag vastgestelde bomenlijst te vellen of te doen vellen. 2. De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de natuur- en ecologische waarde van de houtopstand; b. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; c. de landschappelijke waarde van de houtopstand; d. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; e. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: a. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving op last van het college; b. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; c. houtopstand ten aanzien waarvan bij het omgevingsplan is bepaald, dat het verboden is deze te vellen zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op grond van artikel 5.1, lid 1 onder a van de Omgevingswet. Artikel 4:11 Vervaltermijn omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op het vellen of doen vellen van een houtopstand als bedoeld in deze afdeling vervalt, indien daarvan niet binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt.
In het geval het een omgevingsvergunning voor meer dan één boom betreft is de omgevingsvergunning voor alle bomen, geveld of niet slechts voor één jaar geldig.
Pagina 30 van 54
Artikel 4:12 Bijzondere omgevingsvergunningvoorschriften 1. Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna, met name het niet uitvoeren van kapwerkzaamheden in het broedseizoen. 2. Een omgevingsvergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde van feitelijk nietgebruik tot het moment dat: a. de bezwaartermijn voor derden is verstreken zonder dat bezwaar is ingediend, dan wel op bezwaar is beslist; b. beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening gedurende de bezwaartermijn. Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.
op een door het college aangewezen plaats: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:16 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur dan wel anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen, en oude metalen. b. landbouwplastic op te slaan, te plaatsen dan wel aanwezig te hebben op alle percelen met een agrarische bestemming, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. 2. Het college kan bij de aanwijzing zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a nadere regels stellen. 3. Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid, onderdeel b niet van toepassing is (zie bijlage, ‘Nadere regels landbouwplastic’). 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 4:14 Verbod reclame en nadere regels 1. Het is verboden reclame te maken. 2.
Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is (zie bijlage, ‘Nadere regels reclame’). 3. Het verbod is eveneens niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Afdeling 5. Bescherming van paddenstoelen
Pagina 31 van 54
Artikel 4:15 Bescherming paddenstoelen 1. Ter bescherming van het natuur-, landschap- of dorpsschoon, is het verboden paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben in het Nationaal Park de Meinweg. 2. Het verbod geldt niet: a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige paddenstoelen; b. als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden. Afdeling 6. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:16 Definities In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:17 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zo in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen recreatief gebruik voor maximaal 2 aaneengesloten weken op het achtererf van een woonlocatie door de rechthebbende van de locatie.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding de gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 5:1 Definities Vervallen.
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Pagina 32 van 54
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:4 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Parkeren van reclamevoertuigen Vervallen Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom. b. gedurende een periode langer dan 3 aaneengesloten dagen te parkeren op een plaats, zichtbaar vanaf de openbare weg. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5:7 Grote voertuigen 1. Vanwege de schadelijke afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de gemeente is het verboden een voertuig dat, inclusief van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op alle wegen of weggedeelten, gelegen binnen de bebouwde kom. 2. Het verbod is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:8 Uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.
Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Pagina 33 van 54
Artikel 5:9 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5:10 Overlast van fietsen of bromfietsen Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:11 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateur werving 1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.
Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod niet van toepassing is (zie bijlage, ‘Nadere regels collecteren en leden- of donateur wervingsacties’). Afdeling 3. Venten Artikel 5:12 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. 2. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 1:1, lid 16; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:14. Artikel 5:13 Ventverbod 1. Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op: a. zondagen en; b. maandag t/m zaterdag tussen 21.00 uur en 09.00 uur. Afdeling 4. Standplaatsen
Pagina 34 van 54
Artikel 5:14 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals bijvoorbeeld een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een: a. jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; b. evenement als bedoeld in artikel 2:10. Artikel 5:15 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Voor de uitoefening van haar bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan het college nadere regels vaststellen (zie bijlage, “Nadere regels standplaatsen”). 5.
Het is verboden om te handelen in strijd met door het college vastgestelde nadere regels als bedoeld in het vierde lid. 6. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:16 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college een standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5:17 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:15, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:15, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5:18 Begripsbepaling Vervallen. Artikel 5:19 Organiseren van een snuffelmarkt Vervallen. Afdeling 6 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:20 Definities Vervallen.
Pagina 35 van 54
Artikel 5:21 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: c. het voorkomen of beperken van overlast; d. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; e. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het is verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 5:22 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
Het kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. voorkomen van overlast; b. bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden en terreinen; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het opgenomen verbod.
Afdeling 7. Vuurverbod
Pagina 36 van 54
Artikel 5:23 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden; d. Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de “Nadere regels evenementen” (zie bijlage) en de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:3 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:3, vijfde lid juncto eerste lid, 2:4, tweede lid en 4:10, eerste lid. 3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 6:2 Toezichthouders 1.
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de politieambtenaren werkzaam binnen het grondgebied van de gemeente Roerdalen; buitengewoon opsporingsambtenaren, faunabeheerders en wildbeheerseenheden, die werkzaam zijn binnen de politie eenheid Limburg en/of deel uitmaken van het BOA netwerk van de politie eenheid Limburg ; opsporingsambtenaren en handhavers in dienst van het Servicecentrum MER, afdeling Omgevingsdienst, team Toezicht, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd; ingehuurde opsporingsambtenaren die in opdracht van de gemeente Roerdalen controles voeren; ambtenaren van de provincie Limburg belast met het toezicht op handhaving van de openbare ruimte en/of milieuwetgeving in opdracht van de gemeente Roerdalen; medewerkers van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord die in opdracht van de gemeente Roerdalen controles uitvoeren; ambtenaren van de waterschappen die in opdracht van de gemeente Roerdalen controles uitvoeren;
Pagina 37 van 54
2.
de Groene Brigade van de provincie Limburg voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Intrekking oude verordening De Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2019 wordt ingetrokken. Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. Artikel 6:6 Inwerkingtreding 1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2024. 2. In afwijking van het eerste lid treedt Afdeling 1 van Hoofdstuk 4 (Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting) in werking op de dag direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 6:7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2023. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 2 november 2023. De gemeenteraad van Roerdalen, De griffier,
De voorzitter,
R.J.J. Notermans
mr. M.D. de Boer-Beerta
Pagina 38 van 54
Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2023 Roerdalen Deze toelichting is een aanvulling op de model Algemene plaatselijke verordening (hierna Apv) van de VNG en heeft betrekking op de afwijkingen van die modelverordening en op gemaakte keuzen waar in de model Apv alternatieve regelingen worden gegeven. Opmerking verdient dat de artikelen in de model Apv VNG een andere nummering hebben dan de artikelen in de Algemene plaatselijke verordening Roerdalen 2023. Verder wordt in de toelichting gesproken over de Apv met vervolgens de vermelding van een jaartal. (bijvoorbeeld Apv 2010). Het bijgevoegde jaartal verwijst naar het jaar waarop de betreffende Apv is vastgesteld. Deze verschillende termen worden gebruikt om een onderscheid te kunnen maken tussen de oude Apv ’s en de nieuwe Apv 2023. Er zijn een aantal algemene zaken aangepast om de Apv actueel te houden. Het betreft onder andere het volgende:
de verwijzingen die verband hebben met de komst van de Omgevingswet zijn in de Apv 2023 aangepast; in verband met de komst van de Alcoholwet zijn de termen die betrekking hebben op de ‘Drank- en Horecawet’ vervangen door de ‘Alcoholwet’; er zijn kleine tekstuele wijzigingen opgenomen die door de VNG werden voorgesteld.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In de Apv 2019 zijn in overeenstemming met de Aanwijzingen voor de regelgeving het opschrift “Begripsbepalingen” vervangen door “Definities”. Verder is in dit artikel een duidelijke definitie opgenomen van het begrip “reclame”. Onder reclame valt ook indirecte reclame. Het gaat hierbij om reclame die niet de directe doelstelling heeft om reclame te maken, maar die wel dat effect heeft. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het maken van reclame middels graffiti op een muur zichtbaar vanaf de openbare weg. Omdat reclame niet alleen betrekking heeft op handelsreclame, is ook een definitie van het begrip “ideële reclame” opgenomen. Een aantal andere definities zijn overgeheveld naar artikel 1:1. Het betreft onder andere de definities bromfiets, motorvoertuig, parkeren, voertuig. Deze waren eerst opgenomen in artikel 5:1 en 5:20. Verder zijn een aantal begrippen met betrekking tot de aanpak van de Outlaw Motor Gang (OMG) toegevoegd. In de Apv 2023 zijn in verband met de komst van de Omgevingswet in artikel 1:1 diverse definities gewijzigd, daarnaast is in 1:1 lid 2 de definitie van beperkingengebiedactiviteit toegevoegd. Het artikel en de begripsbepalingen die betrekking hebben op een Outlaw motor gang zijn vervallen in de Apv 2023. (zie ook de toelichting bij Hoofdstuk 2, Afdeling 1, Artikel 2:1)
Pagina 39 van 54
Artikel 1:2 Beslistermijn In de Apv 2019 is aan het artikel de zinsnede toegevoegd “Deze beslistermijn begint de dag na de datum van ontvangst van de aanvraag”. Door deze toevoeging is duidelijk dat de eerste dag na de datum van ontvangst de termijn begint te lopen. In de Apv 2023 is lid 3 aangepast in verband met de komst van de Omgevingswet. Oude artikel 1:3 APV 2010, Indiening aanvraag, vervallen De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) al een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat de gemeente een nieuwe reden introduceert waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. In plaats van buitenbehandeling laten zal een aanvraag die onredelijk laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is moeten worden afgewezen. Het bevoegd gezag moet dan motiveren waarom een goede toets van bijvoorbeeld de veiligheid of de openbare orde niet mogelijk is omdat de periode tussen het tijdstip van de indiening van de aanvraag en de activiteit waarop die aanvraag ziet daarvoor te kort is.
Een aanvraag die dusdanig laat wordt ingediend dat een volledige, goede en tijdige beoordeling niet mogelijk is zal moeten worden afgewezen in plaats van buiten behandeling worden gelaten. Zie in dit verband de toelichting bij de wijziging van artikel 1:7. Artikel 1:3 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen In de Apv 2019 is aan het artikel nog de definitie voorwaarden toegevoegd. Voorwaarden zijn namelijk niet hetzelfde als voorschriften en beperkingen. Zo kan een voorwaarde zijn dat alleen van de toestemming gebruik mag worden gemaakt als zich een bepaalde omstandigheid voordoet. Door de toevoeging worden de mogelijkheden van het bevoegd bestuursorgaan vergroot. In de Apv 2023 is lid 3 aangepast in verband met de komst van de Omgevingswet.
Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing In de Apv 2019 is aan het artikel de zinsnede toegevoegd “tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet”. De aard van de vergunning of ontheffing kan zich namelijk verzetten tegen een persoonlijk karakter. In de Apv 2023 is lid 2 aangepast in verband met de komst van de Omgevingswet.
Artikel 1:5 Intrekken schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing In de Apv 2019 is aan onderdeel c de definitie voorwaarden toegevoegd. Voorwaarden zijn namelijk niet hetzelfde als voorschriften en beperkingen. In de Apv 2023 is aan dit artikel de mogelijkheid tot schorsing toegevoegd. In navolging van artikel 32 van de Alcoholwet kan de bevoegdheid tot schorsing van een vergunning of ontheffing worden opgenomen in de Apv. De schorsing is een minder drastisch middel dan de intrekking en geeft het bevoegd gezag daardoor meer flexibiliteit bij de inzet van handhavingsbevoegdheden. Verder is lid 2 toegevoegd in verband met de komst van de Omgevingswet. Artikel 1:7 Weigeringsgronden Zoals in de toelichting hierboven uiteen is gezet kunnen gemeenten bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten,
Pagina 40 van 54
zoals voorheen was gedaan in artikel 1:3 Apv 2010 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Oude artikel 1:9 , Lex Silencio Positivo (hierna LSP), vervallen In de Apv 2019 is het oude artikel 1:9 Lex Silencio Positivo vervallen.
Per 1 januari 2012 zijn gemeenten verplicht om in hun verordeningen op te nemen, op welke bepalingen de LSP al dan niet van toepassing is. De gemeente kan de LSP slechts niet van toepassing verklaren, als er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Wat onder dwingende redenen van algemeen belang verstaan moet worden is bepaald in de Dienstenrichtlijn en wordt verder ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Dwingende redenen van algemeen belang zijn bijvoorbeeld: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, doelstellingen van sociaal beleid, bescherming van het milieu en stedelijk milieu met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening, etc. Omwille van de duidelijkheid wordt niet langer in dit artikel geregeld voor welke onder de Europese Dienstenrichtlijn vallende vergunningen of ontheffingen wel of geen LSP van toepassing is, maar bij ieder afzonderlijk artikel zelf. Het oude artikel 1:9 Apv 2010 is daarom vervallen. Verder zijn de artikelleden waarmee de lex silencio positivo (paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb), positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, verwijderd. Daar waar toepasselijkheid van de lex silencio positivo reeds uit de wet voortvloeit, wordt dit in de Apv niet meer herhaald.
Ook in gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de Apv 2019, is over de toepasselijkheid hiervan niets bepaald. De lex silencio positivo wordt in de Apv 2019 alleen nog van toepassing verklaard in gevallen waarin dit niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen.
Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Aan dit artikel is in de Apv 2019 een bepaling toegevoegd m.b.t. de aanpak van outlaw motorcycle gangs (hierna OMG’s) In de Apv 2023 is het artikel en de begripsbepalingen die betrekking hebben op de OMG’s niet meer opgenomen. Bij arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad het in de APV 2019 opgenomen ‘colorverbod’ onverbindend verklaard, omdat dit in strijd is met het in artikel 7, derde
Pagina 41 van 54
lid, van de Grondwet neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting (ECLI:NL:HR:2021:1946). ( Artikel 2:1a Gebiedsontzeggingen In de Apv 2010 had het college de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen waar een gebiedsontzegging kon worden opgelegd. Daarnaast had de burgemeester de bevoegdheid om de gebiedsopzegging op te leggen aan een persoon voor een bepaalde periode. Vanwege de openbare orde en veiligheid zijn beide bevoegdheden in de Apv 2019 bij de burgemeester neergelegd. Daarnaast is deze werkwijze ook veel praktischer en efficiënter, omdat bij het opleggen van een gebiedsontzegging geen apart besluit meer door het college en de burgemeester hoeft te worden genomen. In de Apv 2019 is in het artikel geen limitatieve lijst meer opgenomen van strafbare feiten waarvoor een gebiedsontzegging kan worden opgelegd. Daarnaast is opgenomen dat een gebiedsontzegging kan worden opgelegd vanwege het verrichten van strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen. Door deze ruimere formulering heeft de burgemeester meer mogelijkheden om een gebiedsontzegging op te leggen. In het eerste lid is ook toegevoegd dat de burgemeester naast de gebiedsontzegging kan bevelen zich zodanig buiten dat gebied te gedragen dat het effect daarvan ook in dit gebied direct merkbaar zijn.
Door deze toevoeging wordt voorkomen dat iemand buiten het gebied dingen doet die merkbaar zijn binnen dit gebied. Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen In de Apv 2019 is bepaling in de vorm van een verbodsbepaling gegoten. Op deze manier kan de burgemeester optreden als de kennisgeving niet wordt gedaan. En de burgemeester kan de betoging eventueel verbieden. Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:3 Voorwerpen op of aan de weg Op grond van artikel 2:10A tot en met 2:10 D Apv 2010 was het verboden zonder voorafgaande vergunning de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Om de burger, ondernemer en de ambtelijke organisatie te ontlasten is deze vergunningplicht vervangen door nadere regels. De artikelen 2:10 A tot en met 2:10 D zijn daarom vervallen. In de Apv 2019 is een verbodsbepaling opgenomen waarin onder andere is geregeld dat het verboden is de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. In de “Nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen Roerdalen 2019” is vervolgens geregeld in welke gevallen dit verbod niet geldt. Door gebruik te maken van deze nadere regels vervalt de vergunningplicht.
Voor gevallen waarbij het risico voor de openbare veiligheid groot is blijft wel nog een ontheffingsplicht bestaan. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van een hijskraan op de weg.
Artikel 2:6 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Dit artikel is opgenomen in de Apv 2019. Deze bepaling is misschien niet strikt noodzakelijk, omdat ook privaatrechtelijk en, wanneer sprake is van voorwerpen of beplanting op of aan de weg, op grond van artikel 2:3 van de Apv 2019 en Apv 2023 kan worden opgetreden. Maar dit artikel kan wel praktisch zijn en is sneller in te zetten dan het privaatrecht. Bovendien is het denkbaar dat sprake is van beplanting of voorwerpen, al dan niet op geruime afstand van de weg, die het uitzicht belemmeren en hinderlijk zijn voor het verkeer.