CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Was-wordt-tabel aanpassing Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen Rijswijk 2016 .pdf

Raadsvergadering 15 juni 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk (21-039)24.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De regelingen als bedoeld in artikelen 2, 3, 6 en 21 worden door het college vastgesteld in ‘beleidsregels’. De regelingen of aanwijzingen zoals benoemd in artikel 11, 14, 17 en 18 worden door het college vastgesteld in ‘uitvoerings/aanwijzingsbesluiten'.

De regelingen als bedoeld in artikelen 2, 3, 6 en 20 worden door het college vastgesteld in ‘beleidsregels’. De regelingen of aanwijzingen zoals benoemd in artikel 10, 13, 16 en 17 worden door het college vastgesteld in ‘uitvoerings/aanwijzingsbesluiten'.

Vanaf 1 januari 2017 wordt de verlening en registratie van de parkeervergunningen en andere parkeerrechten gedigitaliseerd. Daardoor hoeft een parkeervergunning of parkeerkaartje niet fysiek in het voertuig aanwezig te zijn. In plaats

Vanaf 1 januari 2017 wordt de verlening en registratie van de parkeervergunningen en andere parkeerrechten gedigitaliseerd. Daardoor hoeft een parkeervergunning of parkeerkaartje niet fysiek in het voertuig aanwezig te zijn. In plaats 27

daarvan wordt gecontroleerd of parkeerbelasting is voldaan door het kenteken van een geparkeerd voertuig te vergelijken met kentekens die zijn geregistreerd in een digitaal parkeerbelastingbestand. Daarin is vermeld voor welke kentekens voor welke plaatsen en periode de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan.

daarvan wordt gecontroleerd of parkeerbelasting is voldaan door het kenteken van een geparkeerd voertuig te vergelijken met kentekens die zijn geregistreerd in een digitaal parkeerbelastingbestand. Daarin is vermeld voor welke kentekens voor welke plaatsen en periode de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan.

FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd. Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de naheffingsaanslag doorberekend.

FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij deze apparatuur wordt een parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd. Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de parkeerbelasting wordt het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de naheffingsaanslag doorberekend.

Bij belanghebbenden parkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden geparkeerd. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar belanghebbenden parkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in artikel 9 van de Parkeerverordening en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking.

Bij belanghebbenden parkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden geparkeerd. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar belanghebbenden parkeren wordt ingevoerd. Wanneer iemand zijn auto zonder vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het zonder vergunning parkeren is strafbaar gesteld in artikel 7 van de Parkeerverordening en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking.

Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden toch te

Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden toch te

28

fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook parkeerapparatuur neer te zetten nadat dit gebied door het college ook als betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbenden parkeren. Wanneer iemand in zo’n gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting, kan alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de parkeerplaatsen, die voor belanghebbenden parkeren bestemd waren, ook andere parkeerders geduld moeten worden. Om te voorkomen dat het belanghebbendengebied geheel door de losse parkeerders wordt bezet, kan een hoog (dag)tarief worden gehanteerd waardoor het parkeren door anderen dan vergunninghouders wordt ontmoedigd.

fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook parkeerapparatuur neer te zetten nadat dit gebied door het college ook als betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbenden parkeren. Wanneer iemand in zo’n gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting, kan alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de parkeerplaatsen, die voor belanghebbenden parkeren bestemd waren, ook andere parkeerders geduld moeten worden. Om te voorkomen dat het belanghebbendengebied geheel door de losse parkeerders wordt bezet, kan een hoog (dag)tarief worden gehanteerd waardoor het parkeren door anderen dan vergunninghouders wordt ontmoedigd.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

c. motorvoertuigen Onder motorvoertuigen wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. Het begrip motorvoertuigen omvat ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers

c. motorvoertuigen Onder motorvoertuigen wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. Het begrip motorvoertuigen omvat ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers 29

van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op brommobielen.

van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op brommobielen.

Het begrip motorvoertuig is enger dan het begrip voertuig. Zo vallen bijvoorbeeld caravans, aanhangwagens en opleggers niet onder het begrip motorvoertuig. Deze zijn dus niet zelfstandig te belasten en voor deze voertuigen hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) mogen deze voertuigen niet langer dan drie aaneengesloten dagen op de weg staan.

Het begrip motorvoertuig is enger dan het begrip voertuig. Zo vallen bijvoorbeeld caravans, aanhangwagens en opleggers niet onder het begrip motorvoertuig. Deze zijn dus niet zelfstandig te belasten en voor deze voertuigen hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) mogen deze voertuigen niet langer dan drie aaneengesloten dagen op de weg staan.

Voor het parkeren van andere voorwerpen dan motorvoertuigen is de heffing van parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan mogelijk precariobelasting geheven worden, mits er in de gemeente een precarioverordening geldt die daarin voorziet.

Voor het parkeren van andere voorwerpen dan motorvoertuigen is de heffing van parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan mogelijk precariobelasting geheven worden, mits er in de gemeente een precarioverordening geldt die daarin voorziet.

De praktijk is dat er geen parkeervergunningen worden verstrekt aan motorfietsen. De verordening is op deze praktijk aangepast. Dit heeft te maken met een aantal factoren. Allereerst was voorgeschreven dat de parkeervergunning zichtbaar achter de voor- of achterruit van het motorvoertuig is bevestigd. Dit is voor motorfietsen praktisch onmogelijk. Met handhaven op kenteken komt deze reden te vervallen. Echter belangrijker is dat een motorfiets relatief weinig ruimte in beslag neemt en over het algemeen op eigen terrein of op de stoep (rekeninghoudend met andere gebruikers van de stoep) geparkeerd wordt. Het is niet wenselijk dat motoren gebruik maken van de regulier (schaarse) parkeerplaatsen, daar waar een redelijk alternatief aanwezig is. In geval van incidentele situaties dat er geen redelijk alternatief aanwezig is, zal een

De praktijk is dat er geen parkeervergunningen worden verstrekt aan motorfietsen. De verordening is op deze praktijk aangepast. Dit heeft te maken met een aantal factoren. Allereerst was voorgeschreven dat de parkeervergunning zichtbaar achter de voor- of achterruit van het motorvoertuig is bevestigd. Dit is voor motorfietsen praktisch onmogelijk. Met handhaven op kenteken komt deze reden te vervallen. Echter belangrijker is dat een motorfiets relatief weinig ruimte in beslag neemt en over het algemeen op eigen terrein of op de stoep (rekeninghoudend met andere gebruikers van de stoep) geparkeerd wordt. Het is niet wenselijk dat motoren gebruik maken van de regulier (schaarse) parkeerplaatsen, daar waar een redelijk alternatief aanwezig is. In geval van incidentele situaties dat er geen redelijk alternatief aanwezig is, zal een 30

praktische oplossing worden gezocht samen met de motorfietshouder.

praktische oplossing worden gezocht samen met de motorfietshouder.

e. houder: Voor de houder van motorvoertuigen wordt gekeken naar degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, als houder van het motorvoertuig moet worden beschouwd. Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven.

e. houder: Voor de houder van motorvoertuigen wordt gekeken naar degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, als houder van het motorvoertuig moet worden beschouwd. Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven.

Als houder van een motorvoertuig wordt mede beschouwd degene die een leaseauto of een bedrijfsauto heeft. Als het kentekenbewijs niet op naam van de aanvrager staat, omdat het een bedrijfs- of een leaseauto betreft, dan wordt gevraagd extra documenten te overleggen. Voor een bedrijfsauto is een verklaring van de werkgever nodig (op officieel briefpapier en maximaal een maand oud) waarin staat dat de aanvrager de werknemer is van het bedrijf en in de auto mag rijden. Voor een leaseauto is dat (een kopie van) de leaseovereenkomst waarin staat dat de aanvrager de gebruiker is van de auto. Staat de leaseovereenkomst op naam van de werkgever dan is aanvullend een verklaring van de werkgever nodig (zoals boven beschreven).

Als houder van een motorvoertuig wordt mede beschouwd degene die een leaseauto of een bedrijfsauto heeft. Als het kentekenbewijs niet op naam van de aanvrager staat, omdat het een bedrijfs- of een leaseauto betreft, dan wordt gevraagd extra documenten te overleggen. Voor een bedrijfsauto is een verklaring van de werkgever nodig (op officieel briefpapier en maximaal een maand oud) waarin staat dat de aanvrager de werknemer is van het bedrijf en in de auto mag rijden. Voor een leaseauto is dat (een kopie van) de leaseovereenkomst waarin staat dat de aanvrager de gebruiker is van de auto. Staat de leaseovereenkomst op naam van de werkgever dan is aanvullend een verklaring van de werkgever nodig (zoals boven beschreven).

Voor buitenlandse kentekens en “GN”, “BN” of “CD” kentekens (waarvan geen gegevens bij RDW kunnen worden opgevraagd) wordt een kopie kentekenbewijs of koopcontract gevraagd als bewijs van ‘houderschap’.

Voor buitenlandse kentekens en “GN”, “BN” of “CD” kentekens (waarvan geen gegevens bij RDW kunnen worden opgevraagd) wordt een kopie kentekenbewijs of koopcontract gevraagd als bewijs van ‘houderschap’.

o t/m s, dag, dagdeel, week, maand, jaar Deze begrippen zijn opgenomen om bij verlening van vergunningen (voor bepaalde tijd) en eventuele restitutie geen discussie te krijgen over wat een dag/dagdeel/week/maand/jaar is.

o t/m s, dag, dagdeel, week, maand, jaar Deze begrippen zijn opgenomen om bij verlening van vergunningen (voor bepaalde tijd) en eventuele restitutie geen discussie te krijgen over wat een dag/dagdeel/week/maand/jaar is.

Artikel 2 Plaatsen en tijdstippen

Artikel 2. Plaatsen en tijdstippen

31

Vergunningen voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen worden uitgegeven op basis van deze verordening. Het aanwijzen van de plaatsen waar met een dergelijke vergunning geparkeerd kan worden dient daarom bij of krachtens deze verordening te gebeuren. Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders neergelegd. Los daarvan staat het heffen van rechten voor het uitgeven van de vergunning. Dit gebeurt op basis van afdeling V van deze verordening. De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is.

Vergunningen voor het parkeren op parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen worden uitgegeven op basis van deze verordening. Het aanwijzen van de plaatsen waar met een dergelijke vergunning geparkeerd kan worden dient daarom bij of krachtens deze verordening te gebeuren. Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders neergelegd. Los daarvan staat het heffen van rechten voor het uitgeven van de vergunning. Dit gebeurt op basis van afdeling V van deze verordening. De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is.

Artikel 3 Vergunningverlening In dit artikel wordt aangegeven welke bevoegdheden het college heeft ten aanzien van de parkeervergunningverlening. Deze kaders worden door het college vertaald in beleidsregels voor vergunningverlening waarin voor de 4 type vergunningen die zijn benoemd in lid drie nadere regels worden opgenomen. De uitwerking van voorwaarden en nadere regels is uit praktische overwegingen bij het college neergelegd. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen op welke wijze een aanvraag dient te geschieden. In de, bij openbaar besluit, bekend te maken beleidsregels wordt opgenomen welke gegevens dienen te worden ingevuld, aan welke voorwaarden dient te worden voldaan en welke aanvullende gegevens of extra bewijzen/documenten minimaal dienen te worden ingediend.

Artikel 3. Vergunningverlening In dit artikel wordt aangegeven welke bevoegdheden het college heeft ten aanzien van de parkeervergunningverlening. Deze kaders worden door het college vertaald in beleidsregels voor vergunningverlening waarin voor de 4 type vergunningen die zijn benoemd in lid drie nadere regels worden opgenomen. De uitwerking van voorwaarden en nadere regels is uit praktische overwegingen bij het college neergelegd. Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen op welke wijze een aanvraag dient te geschieden. In de, bij openbaar besluit, bekend te maken beleidsregels wordt opgenomen welke gegevens dienen te worden ingevuld, aan welke voorwaarden dient te worden voldaan en welke aanvullende gegevens of extra bewijzen/documenten minimaal dienen te worden ingediend.

Het college besteedt in de beleidsregels aandacht aan de wijze waarop verschillende doelgroepen in Rijswijk bediend worden. Bij bewoners wordt ook aandacht besteed aan (nog) niet in de BRP ingeschreven inwoners, gehandicapten in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart en veelvoorkomende ‘uitzonderingen’. Bij

Het college besteedt in de beleidsregels aandacht aan de wijze waarop verschillende doelgroepen in Rijswijk bediend worden. Bij bewoners wordt ook aandacht besteed aan (nog) niet in de BRP ingeschreven inwoners, gehandicapten in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart en veelvoorkomende ‘uitzonderingen’. Bij 32

functionele vergunningen worden nadere regels gesteld die ook tot uitdrukking komen in bijvoorbeeld verschillende tarieven op basis van deze regels. De beleidsregels worden zo opgebouwd dat het toepassen van lid vijf waar mogelijk op voorhand wordt voorkomen.

functionele vergunningen worden nadere regels gesteld die ook tot uitdrukking komen in bijvoorbeeld verschillende tarieven op basis van deze regels. De beleidsregels worden zo opgebouwd dat het toepassen van lid vijf waar mogelijk op voorhand wordt voorkomen.

Afspraak met de raad is dat het college de toepassing van lid zes niet zal uitoefenen zonder voorafgaande goedkeuring van de raad van de gemeente Rijswijk.

Afspraak met de raad is dat het college de toepassing van lid zes niet zal uitoefenen zonder voorafgaande goedkeuring van de raad van de gemeente Rijswijk.

Lid zeven en acht worden zoveel mogelijk verwerkt in de beleidsregels. Daarin wordt in ieder geval opgenomen dat voor adressen bij bepaalde gebouwen/complexen, die vanwege de bouwvergunning beschikken over parkeren op eigen terrein, niet zonder meer een vergunning voor parkeren in de openbare ruimte verleend zal worden.

Lid zeven en acht worden zoveel mogelijk verwerkt in de beleidsregels. Daarin wordt in ieder geval opgenomen dat voor adressen bij bepaalde gebouwen/complexen, die vanwege de bouwvergunning beschikken over parkeren op eigen terrein, niet zonder meer een vergunning voor parkeren in de openbare ruimte verleend zal worden.

Artikel 4 Beslistermijn De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om op dit punt voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de uiterste termijnen in de verordening opgenomen. In de beleidsregels wordt hieraan ook een nadere uitwerking gegeven. Een aanvraag op reguliere gronden zal digitaal per ommegaande worden verstrekt. Een definitief besluit zal onder normale omstandigheden binnen vier weken worden genomen. Het college streeft er naar om alleen in uitzonderlijke (niet voorziene) gevallen termijnen als bedoeld in dit artikel toe te passen.

Artikel 4. Beslistermijn De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om op dit punt voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de uiterste termijnen in de verordening opgenomen. In de beleidsregels wordt hieraan ook een nadere uitwerking gegeven. Een aanvraag op reguliere gronden zal digitaal per ommegaande worden verstrekt. Een definitief besluit zal onder normale omstandigheden binnen vier weken worden genomen. Het college streeft er naar om alleen in uitzonderlijke (niet voorziene) gevallen termijnen als bedoeld in dit artikel toe te passen.

Artikel 5 Voorwaarden aan de vergunning Door de 'stilzwijgende' verlenging hoeft een vergunninghouder niet ieder jaar opnieuw een vergunning aan te vragen. Dit is een keuze om administratieve lasten voor burgers beperken. Dit wil niet zeggen dat vergunninghouders niet

Artikel 5. Voorwaarden aan de vergunning Lid twee van het artikel bevat de minimaal op te nemen gegevens voor een vergunning. Aangezien

33

actief geïnformeerd worden over het verlengen van de vergunning en het actie moeten ondernemen om in betaling van de vergunning te voorzien. Hier kan gekozen worden voor een variant met automatische incasso waardoor geen acties noodzakelijk zijn tenzij men de vergunning wil beëindigen.

geen sprake meer is van een fysieke vergunning maar van registratie op kenteken wordt hiervoor geen in het voertuig te leggen bewijs meer afgegeven.

Artikel 6. Intrekken en weigeren vergunning In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven Lid twee van het artikel bevat de minimaal op te dat het college een parkeervergunning 'kan’ nemen gegevens voor een vergunning. intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven Aangezien geen sprake meer is van een fysieke vergunning dat het ter beoordeling van het college van maar van registratie op kenteken wordt burgemeester en wethouders staat of een hiervoor vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of geen in het voertuig te leggen bewijs meer gewijzigd, wanneer een van de opgesomde afgegeven. omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan Artikel 6 Intrekken en weigeren vergunning In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven de vergunning dan ook niet worden ingetrokken dat het college een parkeervergunning 'kan’ of gewijzigd. Het college kan aangeven onder intrekken welke voorwaarden een vergunning dient te worden of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven ingetrokken/ingeleverd. dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of een vergunning daadwerkelijk moet worden Doordat een vergunning gekoppeld is aan een ingetrokken of kenteken en digitaal geregistreerd staat (niet gewijzigd, wanneer een van de opgesomde meer een document of pasje) kan bij intrekking omstandigheden zich voordoet.

De opsomming ook geen misbruik meer gemaakt worden van is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan een onterecht verkregen vergunning. In de de vergunning dan ook niet worden ingetrokken beleidsregels zal aandacht besteed worden aan of gewijzigd. Het college kan aangeven onder de procedures bij intrekken en ongeldig welke voorwaarden een vergunning dient te verklaren. worden ingetrokken/ingeleverd. Lid twee is bovenop de bevoegdheid van burgemeester en wethouders zoals opgenomen in lid één Doordat een vergunning gekoppeld is aan een als door de raad vast te stellen strafbepaling kenteken en digitaal geregistreerd staat (niet meer een document of pasje) kan bij intrekking opgenomen. ook geen misbruik meer gemaakt worden van een onterecht verkregen vergunning. In de Artikel 7. Gebruik vergunninghoudersplaatsen beleidsregels zal aandacht besteed worden aan Deze bepaling is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied waarbinnen de procedures bij intrekken en ongeldig géén verklaren. betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen Lid twee is bovenop de bevoegdheid van alléén met een parkeervergunning mag worden burgemeester en wethouders zoals opgenomen geparkeerd. Zoals in de algemene toelichting is in lid één aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag als door de raad vast te stellen strafbepaling worden opgelegd bij het zonder vergunning opgenomen.

parkeren in een belanghebbendengebied ‘sec’. De fiscale Artikel 7 Gebruik vergunninghoudersplaatsen 34

Deze bepaling is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied waarbinnen géén betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen alléén met een parkeervergunning mag worden geparkeerd. Zoals in de algemene toelichting is aangegeven kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt. Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de parkeerapparatuur. Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het fiscale regime gehanteerd worden. Artikel 8 In werking stelling parkeerapparatuur Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.

Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een

aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt. Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de parkeerapparatuur. Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het fiscale regime gehanteerd worden. Artikel 8. In werking stelling parkeerapparatuur Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden. Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het fiscale regime. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een naheffingsaanslag opgelegd.

Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is daarom onder een fiscaal regime niet mogelijk. Artikel 9. Strafbepaling 35

naheffingsaanslag opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is daarom onder een fiscaal regime niet mogelijk. Artikel 9 Gebruik parkeerplaatsen Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen, op parkeerapparatuur en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden opgenomen. Artikel 10 Strafbepaling Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld. Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie.

Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten. Artikel 11 Belastbaar feit

Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld. Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf waarvan bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten. Artikel 10. Belastbaar feit In artikel 10 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bepaalde aangewezen plaats en om een belasting ter zake van het vergunningparkeren. Een ontheffing om bij een parkeerapparatuurplaats te mogen staan zonder dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, wordt als een vergunning aangemerkt. Artikel 11. Belastingplicht In artikel 11 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die zijn genoemd in artikel 10, onderdelen a en b.

Hoofdregel is dat de belasting die wordt genoemd in artikel 10, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, wordt echter geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. 36

In artikel 11 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bepaalde aangewezen plaats en om een belasting ter zake van het vergunningparkeren. Een ontheffing om bij een parkeerapparatuurplaats te mogen staan zonder dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, wordt als een vergunning aangemerkt. Artikel 12 Belastingplicht In artikel 12 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die zijn genoemd in artikel 11 onderdelen a en b. Hoofdregel is dat de belasting die wordt genoemd in artikel 11, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 11, onderdeel b, wordt echter geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. In het derde lid van artikel 12 wordt aangegeven wie als degenen die het motorvoertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene die de belasting daadwerkelijk voldoet, dan wel degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven de belasting te willen voldoen.

Zolang die belasting echter niet is voldaan is de houder van het motorvoertuig tevens aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het kenteken staat ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het aanmerken van de houder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd is te vinden in het tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan blijken, en dat is een zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren de huurder van het motorvoertuig was dan wordt niet de houder maar de huurder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd

In het derde lid van artikel 11 wordt aangegeven wie als degenen die het motorvoertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene die de belasting daadwerkelijk voldoet, dan wel degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven de belasting te willen voldoen. Zolang die belasting echter niet is voldaan is de houder van het motorvoertuig tevens aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het kenteken staat ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het aanmerken van de houder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd is te vinden in het tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan blijken, en dat is een zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren de huurder van het motorvoertuig was dan wordt niet de houder maar de huurder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Zo is er ook nog een tweede uitzondering. Indien namelijk blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die ander als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringsbewijs overlegt.

In het vierde lid van artikel 11 staat van wie de belasting niet wordt geheven. Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden aangemerkt indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Het is de bedoeling dat de houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden of als het voertuig op het moment van constateren als gestolen geregistreerd staat.

37

aangemerkt. Zo is er ook nog een tweede uitzondering. Indien namelijk blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die ander als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringsbewijs overlegt. In het vierde lid van artikel 12 staat van wie de belasting niet wordt geheven. Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden aangemerkt indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Het is de bedoeling dat de houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden of als het voertuig op het moment van constateren als gestolen geregistreerd staat. Het vijfde lid bevat de algemene vrijstelling van het betalen van belasting op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Op andere gehandicaptenparkeerplaatsen en overige plaatsen dient belasting te worden voldaan danwel een vergunning te zijn verleend.

Voor inwoners van de gemeente Rijswijk in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart wordt de mogelijkheid geboden een vergunning aan te vragen die binnen reguleringsgebied in Rijswijk gebruikt kan worden.

Het vijfde lid bevat de algemene vrijstelling van het betalen van belasting op algemene gehandicaptenparkeerplaatsen voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Op andere gehandicaptenparkeerplaatsen en overige plaatsen dient belasting te worden voldaan danwel een vergunning te zijn verleend. Voor inwoners van de gemeente Rijswijk in bezit van een gehandicaptenparkeerkaart wordt de mogelijkheid geboden een vergunning aan te vragen die binnen reguleringsgebied in Rijswijk gebruikt kan worden. Artikel 12. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak In artikel 12 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing verwezen naar een bij de Parkeerverordening behorende tarieventabel. Ten aanzien van de mogelijke heffingsmaatstaven voor de parkeerbelastingen is in artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet een limitatieve opsomming weergegeven. Het tarief van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.

Artikel 13. Wijze van heffing In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a dat is de belasting voor het parkeren op Artikel 13 Maatstaf van heffing, belastingtarief parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven door voldoening op en belastingtijdvak In artikel 13 wordt voor het tarief, het tijdvak en aangifte. de maatstaf van heffing verwezen naar een bij de Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het Parkeerverordening behorende tarieventabel. eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking stellen van de Ten aanzien van de mogelijke parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. heffingsmaatstaven voor Deze de parkeerbelastingen is in artikel 225, achtste lid, van de Gemeentewet een limitatieve bepaling komt overeen met de in artikel 234, opsomming tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Ook het inloggen bij de centrale 38

weergegeven. Het tarief van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten. Artikel 14 Wijze van heffing In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 11, onderdeel a dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven door voldoening op aangifte. Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking stellen van de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Ook het inloggen bij de centrale computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten (zie artikel 1, onderdelen f en g) wordt als het in werking stellen van parkeerapparatuur aangemerkt. In feite wordt de voldoening op aangifte gestart op het moment dat wordt ingelogd en voltooid op het moment dat wordt uitgelogd. Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt ook geheven door voldoening op aangifte.

Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur). Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is geen bezwaar mogelijk tegen voldoening van parkeerbelasting op aangifte. Artikel 15 Ontstaan van de belastingschuld In artikel 15 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor de belasting genoemd in

computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten (zie artikel 1, onderdelen f en g) wordt als het in werking stellen van parkeerapparatuur aangemerkt. In feite wordt de voldoening op aangifte gestart op het moment dat wordt ingelogd en voltooid op het moment dat wordt uitgelogd. Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt ook geheven door voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur). Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is geen bezwaar mogelijk tegen voldoening van parkeerbelasting op aangifte. Artikel 14. Ontstaan van de belastingschuld In artikel 14 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel a, is geregeld dat deze is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de vergunning wordt verleend (tweede lid). Voor het betaald parkeren met gebruik van een (mobiele) telefoon zal het college van burgemeester en wethouders nadere regels moeten stellen op grond van artikel 13 van de verordening.

Op het moment dat de parkeerder zijn voertuig parkeert, logt hij met behulp van zijn telefoon in op de centrale computer en geeft hij de code door van het gebied waar het voertuig staat. Op het moment dat hij wegrijdt, meldt hij zich telefonisch af. Omdat bij het betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon wordt afgerekend over de werkelijk geparkeerde tijd, kan niet worden gesteld dat de belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het parkeren. De belastingschuld groeit gedurende het parkeren voortdurend aan. De belasting wordt derhalve 'in een tijdvak verschuldigd' in de zin van artikel 19, eerste lid, AWR. 39

artikel 11, onderdeel a, is geregeld dat deze is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting genoemd in artikel 11, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de vergunning wordt verleend (tweede lid).

Naar wij menen kan voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een parkeervergunning een afzonderlijk bedrag aan leges worden gevraagd. Het gevorderde legesbedrag heeft betrekking op de kosten van afgifte van de vergunning. De belasting als Voor het betaald parkeren met gebruik van een bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet (mobiele) telefoon zal het college van heeft betrekking op de parkeerbelasting die voor een verleende vergunning mag worden burgemeester en wethouders nadere regels moeten stellen op gevorderd. Dit kan afwijken van de omschrijving van het grond van artikel 14 van de verordening. Op het moment dat de parkeerder zijn voertuig belastbaar feit zoals die voorkomt in de parkeert, logt hij met behulp van zijn telefoon in modelverordening leges. In de legesverordening is omschreven dat de belastingschuld ontstaat op de centrale computer en geeft hij de code door van het gebied waar het voertuig staat. Op bij het indienen van de aanvraag. Het belastbare feit is daar ook omschreven als het het moment dat hij wegrijdt, meldt hij zich in behandeling nemen van een aanvraag om telefonisch af. Omdat bij het betaald parkeren een vergunning. met gebruik van een mobiele telefoon wordt afgerekend over de werkelijk geparkeerde tijd, kan niet worden gesteld dat de belastingschuld Artikel 15. Termijn van betaling ontstaat bij de aanvang van het parkeren.

De Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling belastingschuld groeit gedurende het parkeren voor de belasting bedoeld in artikel 10, voortdurend aan. De belasting wordt derhalve onderdeel a, dat is de belasting voor het 'in een tijdvak verschuldigd' in de zin van artikel parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. Zowel 19, eerste lid, AWR. bij de heffing door voldoening op aangifte als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de Naar wij menen kan voor het in behandeling betaling door het inwerpen van geld in de nemen van een aanvraag om een parkeerapparatuur. Bij de fiscale afhandeling parkeervergunning een afzonderlijk bedrag aan vallen aangifte en betaling dus samen. leges worden gevraagd. Het gevorderde Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet overeenkomstig de aangifte legesbedrag heeft betrekking op de kosten van afgifte van de vergunning. De belasting als worden betaald. Voor het tijdstip van betaling is bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte) heeft betrekking op de parkeerbelasting die voor een verleende vergunning mag worden van de Gemeentewet een van artikel 19 van de gevorderd.

AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van Dit kan afwijken van de omschrijving van het de Invorderingswet 1990 afwijkende belastbaar feit zoals die voorkomt in de betalingsregeling getroffen. modelverordening leges. In de legesverordening Aangezien de belastingschuld ‘in het tijdvak van is omschreven dat de belastingschuld ontstaat parkeren verschuldigd wordt’, kan deze pas na bij het indienen van de aanvraag. Het belastbare feit is daar ook omschreven als het het einde van het parkeren worden betaald. De in behandeling nemen van een aanvraag om belasting moet binnen een maand na het einde een vergunning. van het Artikel 16 Termijn van betaling parkeren worden betaald. Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling Als geen betaling heeft plaatsgevonden - of als voor de belasting bedoeld in artikel 11, niet via de telefoon is ingelogd op de centrale onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen. Zowel 40

bij de heffing door voldoening op aangifte als bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door het inwerpen van geld in de parkeerapparatuur. Bij de fiscale afhandeling vallen aangifte en betaling dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet overeenkomstig de aangifte worden betaald. Voor het tijdstip van betaling is met toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening op aangifte) van de Gemeentewet een van artikel 19 van de AWR, onderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 afwijkende betalingsregeling getroffen. Aangezien de belastingschuld ‘in het tijdvak van parkeren verschuldigd wordt’, kan deze pas na het einde van het parkeren worden betaald. De belasting moet binnen een maand na het einde van het parkeren worden betaald. Als geen betaling heeft plaatsgevonden - of als niet via de telefoon is ingelogd op de centrale computer en ook geen betaling in de fysiek aanwezige parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden – kan bij fiscale afhandeling een naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 16 onmiddellijk worden betaald.

Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een bepaalde termijn betaald moet worden.

computer en ook geen betaling in de fysiek aanwezige parkeerapparatuur heeft plaatsgevonden – kan bij fiscale afhandeling een naheffingsaanslag worden opgelegd en eventueel een wielklem worden aangebracht. In die situatie vindt het traject zoals dat is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 15 onmiddellijk worden betaald. Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een bepaalde termijn betaald moet worden. Voor de belasting genoemd in artikel 10, onderdeel b, is in het derde lid bepaald dat deze overeenkomstig de aangifte moet worden betaald op het moment dat de vergunning wordt verleend (vergelijk artikel 13, tweede lid). Dit tijdstip zal meestal zijn gelegen vóór aanvang van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt. Voor vervolgaangiften wordt doorgaans gebruik gemaakt van een optisch leesbare acceptgiro. Door ondertekening van de betalingsopdracht doet men aangifte voor het volgende tijdvak. Voor dat tijdvak wordt ook een nieuwe vergunning verleend. Dit laat onverlet dat bijvoorbeeld kan worden bepaald dat de vergunning (het strookje) alleen geldig is in combinatie met een 'stamkaart'.

Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een vergunning mag, is een overtreding. In dat geval zal er geen naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde Voor de belasting genoemd in artikel11, gebied ook een parkeerbelasting als bedoeld in onderdeel b, is in het derde lid bepaald dat deze artikel 10, onderdeel a, wordt geheven. Is dat overeenkomstig de aangifte moet worden niet het geval, dan moet het parkeren zonder betaald op het moment dat de vergunning vergunning op een vergunningplaats gezien wordt verleend worden als een (vergelijk artikel 14, tweede lid). Dit tijdstip zal overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk meestal zijn gelegen vóór aanvang van het worden vervolgd (artikel 7 en artikel 9 van de tijdvak 41

waarvoor de vergunning geldt. Voor vervolgaangiften wordt doorgaans gebruik gemaakt van een optisch leesbare acceptgiro. Door ondertekening van de betalingsopdracht doet men aangifte voor het volgende tijdvak. Voor dat tijdvak wordt ook een nieuwe vergunning verleend. Dit laat onverlet dat bijvoorbeeld kan worden bepaald dat de vergunning (het strookje) alleen geldig is in combinatie met een 'stamkaart'.

verordening). Het spreekt voor zich dat als de parkeerbelasting voor de vergunning zelf niet wordt betaald, deze belasting wel kan worden nageheven. Ook voor deze naheffingsaanslag geldt dat deze onmiddellijk moet worden betaald. Dit is op grond van artikel 250, eerste lid, van de Gemeentewet in afwijking van de termijn genoemd in artikel 9, tweede lid, van de Invorderingswet 1990.

Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een vergunning mag, is een overtreding. In dat geval zal er geen naheffingsaanslag kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook een parkeerbelasting als bedoeld in artikel 11, onderdeel a, wordt geheven. Is dat niet het geval, dan moet het parkeren zonder vergunning op een vergunningplaats gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 7 en artikel 10 van de verordening). Het spreekt voor zich dat als de parkeerbelasting voor de vergunning zelf niet wordt betaald, deze belasting wel kan worden nageheven. Ook voor deze naheffingsaanslag geldt dat deze onmiddellijk moet worden betaald. Dit is op grond van artikel 250, eerste lid, van de Gemeentewet in afwijking van de termijn genoemd in artikel 9, tweede lid, van de Invorderingswet 1990.

Artikel 16. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen In artikel 16 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om aan te wijzen de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd. Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen het college die aanwijzing kan doen.

Artikel 17 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen In artikel 17 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om aan te wijzen de plaats waar en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden geparkeerd. Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen het college die aanwijzing kan doen.

Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere malen geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat na intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe verordening geen nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat men er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de bedoeling is geweest dat het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van de nieuwe verordening zou blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad evenwel vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit geacht zou worden voortaan te berusten op de nieuwe verordening. Daar een besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen 42

Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere malen geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat na intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe verordening geen nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat men er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de bedoeling is geweest dat het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van de nieuwe verordening zou blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad evenwel vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit geacht zou worden voortaan te berusten op de nieuwe verordening. Daar een besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede aanleiding bestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige volzin.".

Voor de praktijk betekent dit dat de parkeerder aannemelijk zal moeten maken dat de gemeenteraad bij het intrekken van een oude verordening niet heeft beoogd om het aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het aanwijzingsbesluit verbindende kracht kunnen worden ontzegd..

completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede aanleiding bestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige volzin.". Voor de praktijk betekent dit dat de parkeerder aannemelijk zal moeten maken dat de gemeenteraad bij het intrekken van een oude verordening niet heeft beoogd om het aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het aanwijzingsbesluit verbindende kracht kunnen worden ontzegd. Het college kan niet volstaan met het aanwijzen van de betaald-parkeren plaatsen, maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd dat het betaald-parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld van 9.0018.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden én de extra koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven.

De aanwijzingsbevoegdheid gaat naar onze mening niet zover dat het college de begrenzing van de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan vaststellen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college kan wel binnen deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom voor Het college kan niet volstaan met het aanwijzen gekozen de begrenzing te regelen via de bij de van de betaald-parkeren plaatsen, maar moet verordening behorende tarieventabel of via een in het bij de verordening behorende kaart. De openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd bevoegdheid de gebieden aan te wijzen waar dat het betaald-parkeren voor de verschillende tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld van 9.00worden uitgelegd dat het college gehouden zou 18.00 uur, de data en tijden van de vaste zijn elke individuele parkeerplaats aan te koopavonden wijzen. Voldoende is de parkeerplaatsen in én de extra koopavonden etc.) en de wijze ruime zin aan te wijzen. Hieronder kan worden waarop tegen betaling geparkeerd mag worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te 43

(bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.). Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven. De aanwijzingsbevoegdheid gaat naar onze mening niet zover dat het college de begrenzing van de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan vaststellen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college kan wel binnen deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom voor gekozen de begrenzing te regelen via de bij de verordening behorende tarieventabel of via een bij de verordening behorende kaart. De bevoegdheid de gebieden aan te wijzen waar tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo worden uitgelegd dat het college gehouden zou zijn elke individuele parkeerplaats aan te wijzen. Voldoende is de parkeerplaatsen in ruime zin aan te wijzen. Hieronder kan worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te wijzen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999, nr. 34615, Belastingblad 1999, blz. 734, LJN: AA2821. Sinds 4 juli 2001 kan het college bepalen dat het in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden.

Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden chipkaart en nietrekeninggebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie). Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen

wijzen waar parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 1999, nr. 34615, Belastingblad 1999, blz. 734, LJN: AA2821. Sinds 4 juli 2001 kan het college bepalen dat het in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden chipkaart en nietrekeninggebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende oplaad- en verkooppunten in lokale situatie). Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting In gerechtelijke procedures is geregeld in geschil of de verschuldigdheid van parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan. Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het rijdende publiek duidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.' Artikel 17.

Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling In artikel 17 is opgenomen de regeling voor de naheffingsaanslag en de wielklem die tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag aan het motorvoertuig kan worden aangebracht. Het aanbrengen van een wielklem met het oogmerk om herhaling van het niet op aangifte voldoen van parkeerbelasting te bestraffen, is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur.

44

misverstand omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting' bestaan. Van een gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het rijdende publiek duidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende bestuursorgaan blijven.' Artikel 18 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling In artikel 18 is opgenomen de regeling voor de naheffingsaanslag en de wielklem die tot zekerheid voor de betaling van de naheffingsaanslag aan het motorvoertuig kan worden aangebracht. Het aanbrengen van een wielklem met het oogmerk om herhaling van het niet op aangifte voldoen van parkeerbelasting te bestraffen, is in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. In het tweede lid is opgenomen dat het college bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten kan aanwijzen waar de wielklem wordt toegepast. Zijn deze terreinen of weggedeelten niet aangewezen dan kan de wielklem daar ook niet worden toegepast. In het derde lid is opgenomen dat het motorvoertuig naar een door de heffingsambtenaar aan te wijzen plaats kan worden overgebracht als na het aanbrengen van de wielklem tenminste 24 uur zijn verstreken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=58682421-de2b-4167-8801-f52ef342e736