Toelichting - Bijlage 17 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Project Status Projectnummer Kenmerk Datum Auteur
Te Werve Oost Rijswijk 1.0 23061 23061.AN/MER 13 november 2023 mr. A. (Anouk) van Dam
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch op geluidsband of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Mees Ruimte & Milieu.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding Aanleiding Geraadpleegde onderzoeken Leeswijzer
4 4 5 5
2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Algemeen Beoordeling Kenmerken van het project Plaats van het project Kenmerken van het potentiële effect
6 6 7 7 9 10
3
Conclusie en verzoek
19
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 3
1
INLEIDING AANLEIDING De gemeente Rijswijk heeft – samen met Rijswijk Wonen en Synchroon – de ambitie om in de wijk Te Werve Oost te komen tot een verbetering van de leefbaarheid in de wijk door het realiseren van een vitale wijk waar mensen graag wonen, elkaar ontmoeten en genieten van het groen. Te Werve is een naoorlogse woonwijk die volop in verandering is. Op verschillende plekken heeft reeds sloop-nieuwbouw plaatsgevonden. Delen van de wijk zijn gerenoveerd en de openbare ruimte is opnieuw ingericht. Te Werve Oost is een van de laatste delen die aan de beurt is, maar tegelijkertijd de meest omvangrijke van alle locaties. De slechte kwaliteit van de bestaande woningen in Te Werve Oost en het gebrek aan mogelijkheden om in de wijk door te stromen naar bijvoorbeeld een middeldure huurwoning of koopwoning, maakt dat mensen verhuizen. Wat de wijk aantrekkelijker zou maken is: een meer gemixte woningvoorraad met kwalitatief goede levensloopbestendige woningen en meer ruimte om te ontmoeten. De transformatieopgave biedt een uitgelezen kans om daar wat aan te doen. De voorgenomen herontwikkeling voorziet derhalve in een herstructurerings- en vernieuwingsopgave voor de bebouwing en tegelijkertijd in een leefbaarheidsopgave.
In totaal worden in de nieuwe situatie maximaal 600 woningen gerealiseerd, maximaal 30 zorgwoningen en maximaal 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies). De beoogde ontwikkeling past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Te Werve”. Dit geldt voor zowel een aantal van de beoogde functies als voor de beoogde bouwmogelijkheden. Om de beoogde herontwikkeling van Te Werve Oost mogelijk te maken wordt derhalve een bestemmingsplan in procedure gebracht. Figuur 1. Uitsnede geldende bestemmingsplankaart (bron: QGIS, eigen bewerking).
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 4
Bij elk besluit of plan dat betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de C- of D-lijst van het Besluit MER dient aandacht besteed te worden aan de m.e.r.-beoordeling. Onderhavig initiatief valt onder de drempelwaarde van een van de activiteiten op de D-lijst, waardoor in beginsel volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het bevoegd gezag dient te beoordelen in hoeverre volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Een dergelijk besluit wordt genomen aan de hand van de aanmeldnotitie en vormt een bijlage bij het ruimtelijk besluit. In onderhavig geval wordt, om het initiatief mogelijk te maken, een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Deze aanmeldnotitie wordt voorafgaand aan de terinzagelegging van het bestemmingsplan aangeboden bij het bevoegd gezag. In deze aanmeldnotitie wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling doorlopen.
GERAADPLEEGDE ONDERZOEKEN Voor het opstellen van deze aanmeldnotitie zijn de volgende onderzoeken geraadpleegd:
Archeologisch onderzoek door Vestigia, d.d. 10 mei 2023, rapportnummer V2277. Verkennend bodemonderzoek en asbest in bodem (incl. PFAS) door Econsultancy, d.d. 22 februari 2022, rapportnummer 7525.011 Nader bodemonderzoek en nader asbestonderzoek door Econsultancy, d.d. 26 september 2023, rapportnummer 7525.012 Ecologische quickscan door Ecoresult, d.d, 25 november 2011, rapportkenmerk ER20211111v01. Nader onderzoek huismus, gierzwaluw en vleermuizen door Ecoresult, d.d. 22 september 2023, rapportkenmerk ER20230908v02. Notitie externe veiligheid door AVIV, d.d. 26 september 2023, project 235366 Akoestisch onderzoek bouwplan Te Werve in Rijswijk door M+P, d.d. 25 oktober 2023, rapportnummer M+P.SYNCH.21.01A.1 Akoestisch onderzoek kinderdagverblijf True Colors nabij bouwplan Te Werve in Rijswijk door M+P, d.d. 30 oktober 2023, rapportnummer M+P.SYNCH.21.01A.2 Effectberekeningen grondwater Te Werve Oost door Royal Haskoning DHV, d.d. 6 november 2023, kenmerk BJ2606-RHDHV-ME-0001 Oriënterend Onderzoek Niet Gesprongen Explosieven Gebiedsontwikkeling Te Werve Oost door REASeuro, d.d. 3 november 2023, kenmerk 75169 / RO-230210 versie 1.0 Onderzoek stikstofdepositie Te Werve Oost te Rijswijk door MBH Consult B.V., d.d. 6 november 2023 Verkeerseffecten woningbouw Te Werve Oost door Royal Haskoning DHV, d.d. 13 november 2023, referentie BJ2606-102-100 Watersleutel d.d. 2 november 2023
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het wettelijk kader en vindt de vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. De vormvrije m.e.r.-beoordeling in hoofdstuk 2 volgt de indeling van bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens afgesloten met een conclusie en een verzoek.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 5
2
VORMVRIJE M.E.R.BEOORDELING ALGEMEEN De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt alsnog een m.e.r.-plicht. In bijlage D worden in kolom 2 drempelwaarden gegeven. Indien een ontwikkeling boven de drempelwaarden uitkomt, geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op het moment dat een ontwikkeling genoemd staat in bijlage D, maar onder de drempelwaarden valt, dient te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling vindt plaats middels de zogeheten ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
Indien hieruit blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, geldt alsnog een m.e.r.-beoordelingsplicht. De vorm van een vormvrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.-beoordeling aan dient te voldoen is wel bepaald (Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU). In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud te zijn vermeld: 1. Kenmerken van de projecten. 2. Plaats van de projecten. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Relatie tot ontwikkeling Ter plaatse van het plangebied Te Werve Oost worden maximaal 600 woningen gerealiseerd, maximaal 30 zorgwoningen en maximaal 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen wijziging, kan de ontwikkeling getypeerd worden als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals vermeld in bijlage D, onderdeel 11.2 van het Besluit m.e.r. (zie ook tabel 1). De ontwikkeling valt echter ruim onder de drempelwaarden, waardoor geen directe m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, maar volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 6
Tabel 1. Relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is
D 11.2
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
In de volgende paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect van het project.
BEOORDELING Kenmerken van het project 2.2.1.1 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Sir Winston Churchilllaan, Van Vollenhovenlaan, Generaal Berenschotlaan en Idenburglaan te Rijswijk. Het plangebied is weergegeven op figuur 2. Figuur 2. Luchtfoto plangebied (bron: QGIS, eigen bewerking)
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 7
2.2.1.2 Bestaande situatie In de huidige situatie 355 sociale woningen aanwezig, waarvan 51 grondgebonden woningen en 304 appartementen (zonder lift). 2.2.1.3 Beoogde ontwikkeling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn de Nota van Uitgangspunten “Te Werve | Rijswijk” en het Ontwikkelkader Te Werve Oost opgesteld. Deze beleidsdocumenten vormen de basis voor het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost”. Concreet maakt het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost” de realisatie van maximaal 600 woningen, maximaal 30 zorgwoningen en maximaal 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies) mogelijk. Van het maximum aantal nieuwbouwwoningen waar het bestemmingsplan ruimte aan biedt wordt minimaal 50% gerealiseerd als sociale huur. Naast sociale huurwoningen worden ook woningen in het middeldure en dure segment gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de ambitie uit de NvU om in het plangebied naast woningen in het sociale segment, ook woningen in het middeldure en dure (koop- en huur)segment te realiseren. Voor de woningen geldt daarnaast dat dit bestemmingsplan ruimte biedt aan zowel grondgebonden woningen als appartementen.
Voor de zorgwoningen geldt dat deze vooralsnog beoogd zijn voor mensen met een intensieve (24-uurs)zorgvraag. Voor de maatschappelijke en dienstverlenende functies is het uitgangspunt dat deze functies een buurtfunctie vervullen en daarmee gericht zijn op de toekomstige (en bestaande) bewoners van de wijk Te Werve (Oost). Gedacht kan worden aan een buurthuis, een nagelstudio, fysiotherapeut en/of adviesbureaus (eenpitters). Conform de Nota van Uitgangspunten loopt de bouwhoogte van de voorgenomen bebouwing af van de Churchilllaan richting de Idenburglaan, om zo goed mogelijk aan te sluiten op de bestaande wijk. De bebouwing aan de Karel Doormanlaan en de Idenburglaan variëren in bouwhoogte, maar is maximaal 15 meter hoog. De bebouwing aan de Churchilllaan varieert eveneens in bouwhoogte maar bedraagt maximaal 37,5 meter (ter plaatse van de hoogteaccenten). De hogere volumes binnen het plan zijn gepositioneerd aan de Churchilllaan en liggen in het verlengde van de straten. De volumes reageren op de context in hoogte en vorm. Openingen in de bebouwing aan de Churchilllaan lopen door vanuit de straten om wandvorming te voorkomen en lucht te geven aan de Karel Doormanlaan. Het parkeren is binnen de bouwvelden opgelost door middel van (half)verdiept parkeren. De parkeeringangen zijn ter hoogte van de Idenburglaan om het verkeer binnen de wijk te zoveel mogelijk te mijden.
Op het dek van de (half)verdiepte parkeergarages worden (collectieve) tuinen aangelegd. De collectieve ruimtes nodigen uit tot spelen en ontdekken, deels door speelaanleidingen zoals verstopplekken, spannende paadjes, klim en klauterelementen en deels door speeltoestellen. Inzet is op zoveel mogelijk vergroenen waarbij biodiversiteit, ecologie, wateropvang en hittestress belangrijke thema's vormen. 2.2.1.4 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor de realisatie van het plan worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen. 2.2.1.5
Productie en verwerking van afvalstoffen
Bij de realisatie van het project komen de gebruikelijke bouw en sloopafvalstoffen vrij. In het plangebied worden woningen en niet-woonfuncties toegevoegd, waarbij sprake is van huishoudelijk- en bedrijfsgerelateerd afval. De beoogde woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Conform de Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 wordt voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Overig afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
hemelwater vasthouden voor benutting,
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 8
(in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar de afwalwaterzuiveringsinstallatie.
2.2.1.6 Cumulatie met andere projecten Het plangebied ligt in de directe omgeving van stadscentrum de Bogaard en bedrijventerrein Plaspoelpolder. Binnen het stadcentrum de Bogaard vindt transformatie plaats van een homogeen winkelcentrum naar een gemengd stedelijk centrum. Binnen de Plaspoelpolder worden het Kessler Park en het Havenkwartier herontwikkeld waarbij naast bedrijvigheid ook ruimte is voor woningbouw. Voor de hierboven genoemde plannen zijn m.e.r. beoordelingen uitgevoerd. Uit de m.e.r. beoordelingen voor deze ontwikkelingen volgt dat sprake is van beperkte, met name lokale, effecten. Van cumulatieve effecten met onderhavige ontwikkeling (herontwikkeling Te Werve Oost) zal daarom geen sprake zijn.
Plaats van het project In deze paragraaf wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het projectgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden. 2.2.2.1 Bestaand grondgebruik Het bestaand grondgebruik is reeds beschreven in paragraaf 2.2.1.2 van deze aanmeldnotitie. 2.2.2.2 Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In onderstaande tabellen is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Tabel 2. (deel 1) Toetsing gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn
Type gebied Wetlands
Juridisch kader Conventie van Ramsar
Kustgebieden Berggebieden en bosgebieden
(o.a.) Wet natuurbescherming
Reservaten en natuurparken: Nationale Landschappen Nationale parken
Nationale Landschappen zijn benoemd in de Nota Ruimte. De Nationale Parken zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) Wet natuurbescherming
Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van: Historisch belang Cultureel belang
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Europese milieurichtlijnen (o.a. kaderrichtlijn Luchtkwaliteit en kaderrichtlijn Water)
Verdrag van Valletta Erfgoedwet
Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied. Het plangebied is niet gelegen in een berg- of bosgebied. Het plangebied is niet in een Nationaal Landschap of Nationaal Park gelegen.
Op circa 6 kilometer van het plangebied is het Natura 2000-gebied ‘Westduinpark & Wapendal’ gelegen. Onder deze tabel wordt hierop nader ingegaan. Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar o.b.v. communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden. De gemeente Rijswijk kent een hoge bevolkingsdichtheid (conform cijfers CBS). Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan. Het plangebied is geen onderdeel van een landschap van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Pagina | 9
Beschermd stads- en dorpsgezicht Archeologisch belang o
Natura 2000-gebied Zoals in de tabel reeds is benoemd, is het plangebied in de nabijheid van een Natura 2000-gebied gelegen. Op circa 6 kilometer van het plangebied is namelijk het Natura 2000-gebied ‘Westduinpark & Wapendal” gelegen. De Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de in de nabijheid gelegen Natura 2000gebieden. Om die reden wordt in paragraaf 2.2.3.5 nader op het aspect ecologie (gebiedsbescherming) ingegaan. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Over het algemeen geldt dat hoe meer personen zich in een gebied bevinden, hoe meer personen hinder kunnen ondervinden van eventuele nadelige milieugevolgen. Om die reden wordt in paragraaf 2.2.3 nader ingegaan op de eventueel nadelige milieugevolgen die de voorgenomen ontwikkeling met zich mee kan brengen.
2.2.2.3 Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebieden die specifiek zijn genoemd in Bijlage III van de EU-Richtlijn, wordt eveneens getoetst of het plangebied gelegen is in gevoelige gebieden op grond van overige nationale of provinciale wet- en regelgeving. Tabel 3. Toetsing overige gevoelige gebieden
Type gebied Natuurnetwerk Nederland
Juridisch kader Provinciale verordening
Weidevogelleefgebied
Provinciale verordening
Stiltegebied Bodembeschermingsgebied
Provinciale verordening Wet milieubeheer Provinciale verordening
Grondwaterbeschermingsgebied
Provinciale verordening
Beschermingszone waterkering
Legger en Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Wet natuurbescherming
Gebied geschikt voor beschermde soorten
Relevantie voor voorgenomen ontwikkeling Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied is niet gelegen in een weidevogelleefgebied. Het plangebied is niet gelegen in een stiltegebied. Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is niet in of in een beschermingszone van een waterkering gelegen. Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten. Onder deze tabel wordt hier nader op ingegaan.
Beschermde soorten Ter plaatse van het plangebied kunnen zich mogelijk beschermde dier- of plantensoorten bevinden. Om die reden wordt in paragraaf 2.2.3.5 nader op het aspect ecologie (soortenbescherming) ingegaan.
Kenmerken van het potentiële effect In deze paragraaf wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 10
2.2.3.1 Verkeersgeneratie en ontsluiting Door Royal Haskoning DHV is een verkeersonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is onder meer de verkeersgeneratie van de voorgenomen ontwikkeling berekend. Deze berekening is uitgevoerd op basis van de kencijfers uit de CROW-publicatie 381. Het CROW maakt bij de kencijfers verkeersgeneratie onderscheid in de stedelijkheidsgraad en zone. De gemeente Rijswijk valt in de categorie zeer sterk stedelijk en het plangebied is gelegen in de zone schil centrum. Verkeersgeneratie In de huidige situatie zijn er 355 woningen in Te Werve – Oost aanwezig. Dit zijn kleine portiekwoningen en grondgebonden woningen welke in de categorie “huur, goedkoop” vallen. Voor de toekomstige situatie is Royal Haskoning DHV uitgegaan van de realisatie van 630 woningen en 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies). Voor de beoogde woningen in het plangebied zijn de gehanteerde verkeersgeneratiekencijfers in onderstaand figuur weergegeven. Figuur 3. Verkeersgeneratiekencijfers woningen (bron: Royal Haskoning DHV)
Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 1.686 tot 2.190 verkeersbewegingen per etmaal (voor een weekdag). De verkeersgeneratie kan worden omgerekend naar een werkdag door de kencijfers te vermenigvuldigen met 1,11. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 1.871 tot 2.430 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. In het plan verdwijnen in het maximale scenario alle 355 woningen. Deze zijn op basis van de CROW-richtlijnen getypeerd als “Huur, appartement, midden/goedkoop (inclusief sociale huur)” en hebben een verkeersgeneratie van minimaal 1,8 ritten tot maximaal 2,6 per woning per etmaal. Dit verkeer verdwijnt. Het betreffen tenminste 709 voertuigbewegingen per etmaal op een werkdag. Naast de woningen worden in plangebied enkele voorzieningen gerealiseerd. In de CROW-publicatie zijn geen kencijfers aanwezig voor de beoogde voorzieningen. Het buurthuis zal naar verwachting veelal bezoekers uit en rondom de buurt trekken. Een aantrekkende werking van buiten de buurt wordt niet verwacht. Daarom is ervoor gekozen voor het buurthuis de functie bibliotheek aan te houden. Voor de overige maatschappelijke voorzieningen is het lastig in te schatten welke functie het best aansluitend is. Immers is deze categorie voorzieningen zeer gevarieerd. Wel is de verwachting dat de voorziening veelal bezoekers uit en rondom de buurt zal trekken.
Daarom is ervoor gekozen dezelfde functie te hanteren als voor het buurthuis: de bibliotheek. Het verkeersgeneratiekencijfer voor deze functie betreft 3,4 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 20 tot 49 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De verkeersgeneratie kan worden omgerekend naar een werkdag door de kencijfers te vermenigvuldigen met 1,11. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 23 tot 55 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 11
Uitgaande van de maximale verkeersbewegingen ontstaat derhalve voor het totale programma dat het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost” mogelijk maakt een toename van 1.721 extra verkeersbewegingen per werkdagetmaal. Verkeersafwikkeling en ontsluiting In 2022 heeft Royal Haskoning DHV de verkeerseffecten voor de voorgenomen ontwikkeling in beeld gebracht. Hierin is onder andere getoetst of de bestaande aansluitingen op het hoofdwegennet het verkeer voldoende kunnen verwerken na de ontwikkeling van Te Werve Oost. Conclusie is dat de aanwezige aansluitingen op het omliggend wegennet voldoende restcapaciteit hebben om het extra verkeer te verwerken voor prognosejaar 2030, 2040 en met 25% extra verkeersgeneratie dan op basis van het huidige woningbouwprogramma is bepaald. De nieuwe aansluiting op de Sir Winston Churchilllaan heeft tot doel om de hoeveelheid verkeer binnen Te Werve-oost niet te laten toenemen. De Nota van Uitgangspunten stelt dat het extra verkeer ten behoeve van het woningbouwprogramma afgevangen moet worden aan de rand van de wijk. Een extra inprikker op de Sir Winston Churchilllaan is hiervoor een oplossing, waarbij extra verkeer direct een nieuwe parkeergarage inrijdt. Waar de inprikker kan komen, is nog niet volledig uitgekristalliseerd. In de toekomstige situatie worden maximaal 630 woningen gerealiseerd. In de bestaande situatie zijn 355 woningen aanwezig.
Op de wegen in de wijk mag het niet drukker worden met autoverkeer dan het nu is. Mede door het realiseren van een nieuwe aansluiting op de Sir Winston Churchilllaan leidt het verkeer van de extra 275 woningen niet tot extra verkeersbewegingen in de wijk. Gelet op voorgaande zijn geen negatieve effecten op de verkeersafwikkeling ter plaatse als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Dit onderdeel rechtvaardigt geen MER. 2.2.3.2 Luchtkwaliteit Uit onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit volgt dat de beoogde ontwikkeling ruim onder de grenswaarde valt van 1.500 woningen en 100.000 m² kantoren voor ‘niet in betekenende mate bijdragen’. Dit is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van een betekenisvol negatief milieueffect. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de NIBM-tool is ingevuld. Daarbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling leidt tot een extra verkeersaantrekkende werking van 1.550 verkeersbewegingen per weekdag (= 1.721 per werkdag), zoals in het rapport van Royal Haskoning DHV inzichtelijk is gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet voor het overgrote deel van het vloeroppervlak in een woonlocatie en voor woonlocaties is de verdeling in verkeerssoorten: 98% personenauto en 2% vrachtauto. Het aandeel vrachtverkeer is derhalve op 2% gesteld. Figuur 4. NIBM Tool (geraadpleegd op 13 november 2023)
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 12
Door middel van de NIBM-tool is een worst-case berekening gemaakt voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit. In de worst-case berekening blijft de bijdrage aan NO2 onder de grens voor “niet in betekenende mate” van 1,2 µg/m3. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van het CIML (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) kan worden beoordeeld wat de huidige totale concentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaand figuur toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het plangebied (geraadpleegd via CIML op 18 juli 2023). Figuur 5. Totale concentraties luchtkwaliteit (bron: CIML, geraadpleegd op 18 juli 2023)
Wanneer de maximale bijdrage van het verkeer zoals aangegeven in figuur 4 (voor NO2: 1,10 µg/m3 en voor PM10 0,25 µg/m3) wordt opgeteld bij de achtergrondconcentraties zoals weergegeven in bovenstaande tabel, kan geconcludeerd worden dat de grenswaarden voor de achtergrondconcentraties niet worden bereikt dan wel worden overschreden. Hierdoor kan er zonder meer worden aangenomen dat ook na realisatie van het plan de achtergrondconcentraties nog steeds laag zijn en in ieder geval nog steeds ver onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gelet op voorgaande is van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – geen sprake. 2.2.3.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen hoge geluidsbelastingen. In deze wet zijn onder meer normen voor geluid van wegverkeer- en spoorweglawaai vastgelegd. Door M+P is een akoestisch onderzoek verricht naar de optredende geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai, ter plaatse van het plangebied. Uit het onderzoek volgt – kort samengevat – dat het aanvragen de geluidsbelasting vanwege zowel de Sir Winston Churchilllaan als de Burgemeester Elsenlaan voor een aantal woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidsbelasting vanwege de Generaal Spoorlaan voldoet overal aan de voorkeursgrenswaarde.
De geluidsbelasting vanwege de 30 km/uur wegen bedraagt maximaal 53 dB na aftrek. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden met maximaal 5 dB. Het is echter niet nodig om hiervoor hogere waarden aan te vragen, omdat het geen gezoneerde wegen betreft. Uit de berekeningsresultaten volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer met name wordt overschreden op de gevels die langs de Sir Winston Churchilllaan liggen. Bij de indeling van de woningen in deze gebouwen dient met het volgende rekening te worden gehouden: o o
Deze woningen dienen een geluidsluwe zijde te hebben. Voor wegverkeer betekent geluidsluw dat de geluidsbelasting ten hoogste 58 dB (zonder aftrek) is. De woningen dienen ten minste één slaapkamer te hebben die aan de geluidsluwe zijde is gelegen.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 13
o
Als de woning een buitenruimte heeft, dan bevindt deze zich aan de geluidsluwe zijde of is deze voldoende afgeschermd, zodat er sprake is van een geluidsluwe buitenruime.
Ook is er op de verdiepingen van een aantal zijgevels sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting op de zijgevels bedraagt maximaal 50 dB (=55 dB zonder aftrek). Hiermee worden deze gevels conform het gemeentelijk beleid gezien als geluidsluwe gevel. Aan de achterzijde van deze gebouwen wordt in alle gevallen voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Voor overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dienen hogere waarden te worden aangevraagd. Ten tijde van het opstellen van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt de mogelijkheid om stil wegdek aan te leggen onderzocht. In de regels van het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost” is in ieder geval een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van geluid opgenomen. Middels deze voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ofwel aangetoond moet worden dat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan ofwel aangetoond moet worden dat aan het hogere grenswaarden besluit en de daarin opgenomen maatregelen wordt voldaan. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is ook relevant om te beoordelen of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk tot een negatief effect leidt op de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling voorziet onder meer in de realisatie van woningen.
Dit betreft daarmee geen (geluid)hindergevende functie voor de omgeving. Binnen het plangebied wordt eveneens functiemenging toegestaan, door op pandniveau zowel de woonfunctie als maatschappelijke en dienstverlenende functies toe te staan. Dit betreffen met name functies in de categorie A van de VNG-publicatie voor functiemenging, maar ten hoogste categorie B. Deze functies zijn aanpandig aan woningen toelaatbaar (categorie A) en toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen of andere gevoelige functies (categorie B). Bij de nadere planuitwerking zal er derhalve voor gezorgd worden dat een niet-woonfunctie in categorie B, bouwkundig wordt afgescheiden van de woningen. Voor de woningen in de omgeving wordt gelet op voorgaande eveneens geen hinder verwacht. Gelet op voorgaande is van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – geen sprake. 2.2.3.4
Ecologie
Gebiedsbescherming Zoals in paragraaf 2.2.2.2 en 2.2.2.3 van deze aanmeldnotitie reeds is beschreven, is het plangebied niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied “Westduinpark & Wapendal” bevindt zich op circa 6 kilometer afstand van het plangebied. Om aan te tonen in hoeverre het beoogd initiatief significante effecten op beschermde natuurgebieden heeft, is door MBH Consult een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase. De resultaten van het onderzoek worden hieronder weergegeven. Uit het onderzoek naar de bouwfase volgt dat de stikstofdepositie in de relevante Natura 2000-gebieden niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Uit de berekeningen voor de gebruiksfase volgt dat de stikstofdepositie in de relevante Natura 2000-gebieden in de beoogde situatie ten gevolge van de herontwikkeling van het plangebied niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Geconcludeerd wordt dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden waardoor significante effecten kunnen worden uitgesloten. Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht onder de Wet natuurbescherming. De uitkomsten van de stikstofdepositieberekeningen naar de bouw- en gebruiksfase rechtvaardigen geen MER.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 14
Soortenbescherming In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Ecoresult een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit de quickscan is gebleken dat de beoogde ontwikkelingen schadelijke effecten kunnen hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Er is een nader ecologisch onderzoek noodzakelijk naar de huismus, gierzwaluw en naar vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis en laatvlieger). Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. In navolging op de ecologische quickscan is een nader ecologisch onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuis uitgevoerd. Op grond van het nader onderzoek kan geconcludeerd worden dat het plan dat middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt, enkel effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen er in totaal zes zomer- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis worden weggenomen.
Hiervoor is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd evenals het treffen van maatregelen. Binnen en grenzend aan het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gefoerageerd en er vliegen dieren over het plangebied. De bomenrij gelegen aan de Karel Doormanlaan is onderdeel van het essentieel foerageergebied van gewone dwergvleermuis. De groenstructuren blijven zoveel mogelijk behouden. Ook wanneer groenstructuren rondom het plangebied blijven behouden, dienen maatregelen getroffen te worden om tijdelijke en permanente verstoring op deze structuren te voorkomen. Maatregelen bestaan onder andere uit: 1. De groenstructuren dienen gedurende de werkzaamheden, maar ook in de gebruiksfase, in de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst, vrij te zijn van kunstlicht. 2. Het lichtplan van de nieuwe situatie dient getoetst te worden door een ecoloog. De ontheffing Wet natuurbescherming kan uitsluitend worden verleend als voldaan is aan drie cumulatieve voorwaarden: 1. Afwezigheid van reële alternatieven (planning, werkwijze, locatie). 2. Wettelijk belang van de werkzaamheden (verschilt per beschermingscategorie). 3. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. Dit is onder andere afhankelijk van de ruimtelijke spreiding van de soort in de directe omgeving.
Dit kan worden voorkomen door het treffen van voldoende mitigerende/compenserende maatregelen. De verwachting is dat de benodigde ontheffing voor de aangetroffen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis kan worden verkregen. Indien ontheffing wordt verkregen voor de aangetroffen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen worden toegepast, is van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – geen sprake. 2.2.3.5 Externe veiligheid Een deel van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A4 en de A13 die onderdeel uitmaken van het Basisnet. Op ca. 850 m ten zuidoosten van de planlocatie bevindt zich de rijksweg A4 (basisnetwegvak Z9) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De planlocatie ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van 880 m vanwege het transport van toxische vloeistoffen (stofcategorie LT2). Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ditzelfde geldt voor de rijksweg A13, welke op ca. 1 km afstand van het plangebied is gelegen.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 15
Bestrijdbaarheid Bij het vrijkomen van een toxische gaswolk kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De planvorming betreft in hoofdzaak woningbouw. Uitgangspunt is dat de personen in de gebouwen zelfredzaam zullen zijn. Voor de bewoners van de zorgwoningen geldt dat sprake is van 24-uurszorg. De zorgverleners zullen derhalve verantwoordelijk zijn voor de onttrekking van de bewoners aan het dreigende gevaar. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten.
Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Indien desalniettemin bij een toxische wolk door de hulpdiensten wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. De huidige infrastructuur biedt hiervoor voldoende mogelijkheden. Gerichte risicocommunicatie met gebruikers van het gebouw (bijvoorbeeld via NLAlert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten).
In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan er vanuit worden gegaan dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige externe veiligheidseffecten met zich meebrengt voor de toekomstige bewoners en gebruikers van het plangebied. Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling zelf geen risicovolle activiteit en daarmee vormt de voorgenomen ontwikkeling geen risico voor de omgeving in het plangebied. Gelet op voorgaande is van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – geen sprake. 2.2.3.6 Gezondheid Gezondheid wordt bepaald door verschillende factoren. Te denken valt aan geluid, luchtkwaliteit, groen, bewegen en sociale aspecten. Zoals hiervoor reeds is beschreven, zijn negatieve effecten als gevolg van geluid en luchtkwaliteit niet te verwachten. Als gevolg van het plan waar het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost” ruimte aan biedt wordt de verouderde naoorlogse woonwijk gefaseerd herontwikkeld. Verouderde en nog op het gas aangesloten woningen worden vervangen door nieuwbouwwoningen die voldoen aan de laatste duurzaamheidseisen en voorschriften. Te Werve is een groene wijk. Deze kwaliteit wordt gekoesterd en versterkt, naar een groen beeld dat toekomstgericht, hoogwaardig en divers is. Het Rijswijkse uitgangspunt bij ontwikkelingen is: bomen
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 16
handhaven. Om in het gebied een kwaliteitsslag te kunnen maken, met een gedifferentieerd woningbouwprogramma en een verkeersluw karakter (garages) zal dat in deze ontwikkeling niet mogelijk zijn. Het meeste bestaande groen wordt vervangen door nieuw groen. Op een aantal plekken worden bomen ingepast. Ook kunnen op een aantal plekken bomen worden verplant; om plaats te maken voor wonen of om plaats te maken voor een ander type boom. De beplantingskeus dient aan te sluiten op de gewenste stedenbouwkundige uitstraling en de bestaande delen van te Werve (bestaand assortiment, heesterstroken). Daarnaast worden nieuwe typologieën toegevoegd (bijvoorbeeld begroeide laagtes en bloemrijke bermen) ten behoeve van een grotere biodiversiteit. De bomenstructuur en meer algemeen de groenstructuur, dient altijd ondersteunend te zijn aan de stedenbouwkundige opzet; met onderscheid tussen de hoofdstructuur en verblijfsplekken. Verblijfsplekken kunnen qua inrichting meer gethematiseerd zijn ingericht. Groenvakken (bermen, stroken) zijn robuust van maat en versnippering wordt tegengegaan. Naast groen in het openbaar gebied wordt de groene uitstraling van de wijk versterkt door groen op privé terrein: (gevel)tuinen, groene gevels, groene daken en daktuinen. Naast het groene beeld speelt leefbaarheid en klimaatadaptie een grote rol.
Concreet wordt bij de nadere uitwerking van het ontwerp invulling gegeven aan het tegengaan van hittestress en voorzien in voldoende wateropvang. Door het planten van voldoende bomen die ook de kans krijgen volwassen te worden: in zowel openbaar gebied (straten en verblijfsplekken) als op daktuinen wordt hittestress zo veel als mogelijk beperkt. Door het minimaliseren van verharding en het toevoegen van groen wordt eveneens bijgedragen aan het tegengaan van hittestress. Tot slot worden in het plangebied voldoende waterbergende voorzieningen getroffen. Gelet op voorgaande is van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – geen sprake. 2.2.3.7 Overige milieuaspecten Van de overige (milieu)aspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Volledigheidshalve worden deze aspecten hieronder kort aangehaald Archeologie In het geldende bestemmingsplan “Te Werve” zijn voor het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. Beide dubbelbestemmingen zijn in het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost” overgenomen. Door het opnemen van het beschermingsregime voor archeologie in de regels van het nieuwe bestemmingsplan zijn de eventueel aanwezige archeologische waarden geborgd.
Daar komt bij dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling reeds een archeologisch vooronderzoek heeft plaatsgevonden, uitgevoerd door Vestigia. Vestigia voert momenteel ook een archeologisch vervolgonderzoek uit. Dit onderdeel rechtvaardigt geen MER voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied. Bodem De voorgenomen ontwikkeling bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. Van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – is dan ook geen sprake Water De nieuwe functies ter plaatse van het plangebied zijn niet van dien aard, dat deze mogelijk negatieve gevolgen hebben op de waterhuishouding. Ook is geen negatieve invloed op de veiligheid van waterkeringen in de omgeving te verwachten, daar de projectlocatie niet in of in een beschermingszone van een in de nabijheid gelegen waterkering is gelegen. In het zuiden/zuidoosten van het plangebied is de primaire watergang 'Noordvliet' gelegen. Binnen de beschermingszone van deze watergang staat het nieuwe bestemmingsplan “Te Werve Oost” geen bebouwing toe. Ten aanzien van beschermde gebied zijn er geen belemmeringen.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 17
Om wateroverlast te voorkomen en om rekening te houden met klimaatverandering, wordt in het plangebied voorzien in voldoende waterberging conform de daarvoor geldende eisen vanuit het Hoogheemraadschap Delfland en gemeente Rijswijk. Omdat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van (half)verdiepte parkeergarages, zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het grondwater onderzocht door Royal Haskoning DHV. In het onderzoek is in Visual Modflow met behulp van Modflow2005 een stationair grondwatermodel opgezet om de effecten van de toekomstige bebouwing met (half)verdiepte parkeergarages te bepalen. Daarbij zijn waar mogelijk worst-case uitgangspunten en lokale databronnen gebruikt. Uit het onderzoek volgt dat er geen significant risico aanwezig is op grondwateroverlast in en rondom het plangebied. De beoogde drooglegging in het plangebied is voldoende. Bij de bestaande bebouwing en toekomstige bebouwing resteert een marge op de drooglegging van respectievelijk 25 centimeter en 10 centimeter. De natuurlijke toevoer van het grondwater naar de watergangen ten zuiden van de toekomstige (half) verdiepte kelders wordt beïnvloed. Het grondwater bereikt de watergang echter nog wel (al dan niet via een “omweg”), waardoor geen significant effect op het oppervlaktewatersysteem wordt verwacht.
Gelet op voorgaande is van een belangrijk nadelig milieueffect – die een MER rechtvaardigt – geen sprake.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 18
3
CONCLUSIE EN VERZOEK Uit hoofdstuk 2 volgt dat er geen nadelige milieu effecten naar aanleiding van de ontwikkeling verwacht hoeven te worden. Door het uitblijven van belangrijke nadelige gevolgen kan worden geconcludeerd dat er geen volledige milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen en dat er geen milieueffectrapport (MER) nodig is. Middels voorliggende aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag verzocht het besluit te nemen dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig is.
Mees Ruimte & Milieu | 23061.AN/MER
Pagina | 19