Te Werve Oost_Toelichting
Tekst van het document
Autoverkeer maakt gebruik van een van de directe verbindingen op de Burgemeester Elsenlaan, de Sir Winston Churchilllaan of de Generaal Spoorlaan. 4.6.3
Conclusie
Op basis van de huidige plannen zal met het opvangen van het extra verkeer aan de randen van de wijk, mede door de aanleg van een directe aansluiting op Sir Winston Churchilllaan, de hoeveelheid verkeer binnen de wijk niet of nauwelijks toenemen. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Wettelijk kader
Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, wordt gebruik gemaakt van de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
Toelichting (vastgesteld)
59
bestemmingsplan Te Werve Oost
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Bij het hanteren van de richtafstanden uit voorgaande tabel wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding. Binnen gebieden met functiemenging, waar milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zijn de richtafstanden uit de tabel niet toepasbaar. Er wordt in gebieden met functiemenging gewerkt met drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient wel op een zorgvuldige wijze haar keuze af te wegen en te verantwoorden. De beoordelingsmethodiek uit de VNG publicatie bestaat uit de volgende stappen: Stap 1: Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Stap 2: Indien niet wordt voldaan aan de richtafstanden, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting ter plaatse van woningen binnen de gebiedstypering “gemengd gebied” van: 1.
Een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal LAr,LT = 50 dB(A) etmaalwaarde, dit komt overeen met LAr,LT = 50, 45 en 40 dB(A) in de dag (7.00 – 19.00 uur), de avond (19.00 – 23.00 uur) respectievelijk de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur); 2. Een maximaal (piek) geluidniveau van LA,max = 70 dB(A) etmaalwaarde, oftewel LA,max = 70, 65 en 60 dB(A) in de dag- (7.00 – 19.00 uur), de avond(19.00 – 23.00 uur) respectievelijk de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur); 3. Een equivalente geluidbelasting als gevolg van indirecte hinder van maximaal LA,eq = 50 dB(A) etmaalwaarde. Stap 3: Wanneer niet wordt voldaan aan de maximale geluidbelastingen conform stap 2, dan is inpassing mogelijk bij een geluidbelasting op woningen binnen de gebiedstypering “gemengd gebied” van: 1. Een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal LAr,LT = 55 dB(A) etmaalwaarde, dit komt overeen met LAr,LT = 55, 50 en 45 dB(A) in de dag (7.00 – 19.00 uur), de avond- (19.00 – 23.00 uur) respectievelijk de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur); 2. Een maximaal (piek) geluidniveau van LA,max = 70 dB(A) etmaalwaarde, oftewel LA,max = 70, 65 en 60 dB(A) in de dag (7.00 – 19.00 uur), de avond (19.00 – 23.00 uur) respectievelijk de nachtperiode (23.00 – 7.00 uur); 3. Een equivalente geluidbelasting als gevolg van indirecte hinder van maximaal LA,eq = 65 dB(A) etmaalwaarde.
In dit geval dient het bevoegd gezag echter te motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, hierbij dient tevens de cumulatie met reeds aanwezige overige geluidbelastingen te worden betrokken. Stap 4: Bij een hogere geluidbelasting dan opgenomen onder stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren, waarbij tevens de cumulatie met reeds aanwezige geluidbelastingen moet worden betrokken. 4.7.2
Betekenis voor het plan
Omgevingstype (Zorg)woningen zijn gevoelige functies in het kader van bedrijven en milieuzonering. Het plangebied wordt begrensd door een bestemming 'Gemengd' aan de zuidwestzijde, de bestemming 'Maatschappelijk' aan de westzijde en een bestemming 'Maatschappelijk' aan de noordoostzijde. Daarnaast is het plangebied gelegen aan een hoofdontsluitingsweg, te weten de Sr. Winston Churchilllaan. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'gemengd gebied'. De richtafstanden mogen derhalve met een afstandsstap worden verlaagd.
60
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost
Beoordeling functies buiten het plangebied Ter plaatse van de Karel Doormanlaan 1 zijn de gronden bestemd als 'Maatschappelijk'. Op grond van het daar geldende bestemmingsplan wordt hieronder verstaan: overheids-, medische, onderwijs-, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sociaal-recreatieve en daarmee vergelijkbare maatschappelijke voorzieningen, alsmede niet-commerciële voorzieningen ten behoeve van sportbeoefening, voorzieningen ten behoeve van het verenigingsleven, speelvoorzieningen, kinderdagverblijven en kinderopvang; alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Voor dergelijke functies geldt dat sprake is van milieucategorie 2 en geldt een te hanteren richtafstand van 10 meter. In de huidige situatie zijn reeds woningen gelegen op circa 7 meter van deze bestemming. In de toekomstige situatie wordt de dichtstbijzijnde woonfunctie in het plangebied op een afstand van circa 15 meter van de Karel Doormanlaan 1 gevestigd. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand. Gezien de omvang van het plan en de hoogbouw nabij het KDV wordt toch getoetst aan stap 2. Het maatgevende hinderaspect bij een kinderdagverblijf betreft geluid. Door M+P is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 13. De resultaten worden hieronder nader weergegeven.
Toetsing Activiteitenbesluit Voor het kinderdagverblijf is door M+P een rekenmodel opgesteld. Gerekend is naar de beoogde nieuwbouwwoningen. Alleen geluidsbronnen die relevant zijn voor wettelijke toetsing aan het Activiteitenbesluit zijn meegenomen in de berekeningen. Dit betreft de installaties op het dak en de parkeerbewegingen op het terrein van het kinderdagverblijf. Een overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in Bijlage C van het akoestisch onderzoek (Bijlage 13 van deze toelichting). Hieruit blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 47/37/34 dB(A) bedraagt in de dag/avond/nacht. De geluidspieken bedragen maximaal 67 dB(A) in zowel de dag- als de avondperiode. In de nachtperiode treden geen relevante piekgeluiden op. Het LAr,LT voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Voor de geluidspieken is er sprake van een overschrijding van 2 dB in de avondperiode. Dit wordt veroorzaakt door het dichtslaan van autoportieren in de avondperiode. Toets Handreiking bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar de totale geluidsimmissie ten gevolge van alle bronnen, inclusief menselijk stemgeluid. In Bijlage C van het akoestisch onderzoek (Bijlage 13 van deze toelichting) is een overzicht opgenomen van de resultaten.
De geluidsbelasting op de meest relevante toetspunten is opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel 4.1: resultaten LAr,LT en LA,MAX vanwege het kinderdagverblijf - totale geluidimmissie incl. menselijk stemgeluid (bron: Bijlage 13 van deze toelichting) Uit bovenstaande tabel volgt dat er een overschrijding plaatsvindt van de richtwaarden uit stap 2 van de
Toelichting (vastgesteld)
61
bestemmingsplan Te Werve Oost VNG-handreiking: Maximaal 1 dB overschrijding voor het LAr,LT in de dagperiode Maximaal 5 dB overschrijding voor het LA,max in de dagperiode Maximaal 2 dB overschrijding voor het LA,max in de avondperiode In Bijlage D en Bijlage E van het akoestisch onderzoek is de bijdrage analyse opgenomen van het LAr,LT en het LA,max. Hieruit blijkt dat de overschrijdingen van het LAr,LT met name wordt veroorzaakt door het stemgeluid van kinderen die buiten spelen. De overschrijdingen van de geluidspieken in de dagperiode worden ook veroorzaakt door het stemgeluid van kinderen. In avondperiode is er sprake van een overschrijding van de geluidspieken vanwege het dichtslaan van autoportieren op de parkeerplaats. Toetsing indirecte hinder Conform de circulaire “geluidshinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de wet milieubeheer” d.d. 29 februari 1996 is de geluidsbelasting berekend ten gevolge van inrichtingsgebonden parkeerbewegingen op de Karel Doormanlaan. In Bijlage A van het akoestisch onderzoek is het rekenmodel afgebeeld. Er is gerekend met een gemiddelde rijsnelheid van 10 km/uur. In deze lage rijsnelheid zijn ook de parkeerbewegingen langs de weg verdisconteerd. De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in en Bijlage C van het akoestisch onderzoek.
Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de indirecte hinder maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde van LA,etmaal = 50 dB(A). Beschouwing van de resultaten Zoals hiervoor reeds beschreven is sprake van een overschrijding van de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-handreiking voor zowel de geluidspieken als voor het langtijd gemiddelde beoordelingsniveau. Aangezien de overschrijdingen worden veroorzaakt door stemgeluid en bezoekende voertuigen is het treffen van bronmaatregelen niet mogelijk. Ook het plaatsen van een geluidsscherm is niet toereikend, omdat dit op grotere hoogte geen effect heeft. Overwogen kan worden om een dove gevel te plaatsen bij de woningen aan deze zijde van het gebouw. Dit levert echter nadelige consequenties op voor de indeling van de woningen en staat als maatregel niet in verhouding tot de beperkte mate van overschrijdingen van de geluidnormen die maar op een beperkt deel van de dag optreden. Het niet kunnen openen van ramen in de gevel doet daarbij afbreuk aan het wooncomfort. Zie ook de uitgebreide maatregelafweging, die is opgenomen in Bijlage 14 van deze toelichting. Uit deze maatregelafweging volgt dat het treffen van maatregelen bij zowel de bron als de ontvanger, niet mogelijk is dan wel op stedenbouwkundige of financiële bezwaren stuit.
Gelet op voorgaande is overgegaan naar stap 3 van de VNG-handreiking. Het LAr,LT voldoet hieraan. De geluidspieken zijn wel hoger dan de richtwaarden uit stap 3, waardoor naar stap 4 gegaan moet worden. Voorwaarde voor het toepassen van stap 4 is dat de keuze grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd wordt, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken. De gecumuleerde geluidsbelasting is weergegeven in tabel 4.2. De geluidsbelastingen zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoek met kenmerk M+P.SYNCH.21.01A.1 van 15 januari 2024 (zie ook Bijlage 15 bij deze toelichting).
62
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost
Tabel 4.2: cumulatie met andere geluidsbronnen, overschrijding Wgh/Activiteitenbesluit dikgedrukt (bron: Bijlage 13 van deze toelichting). Uit tabel 4.2 blijkt dat er nergens sprake is van meer dan één overschrijding van de (voorkeurs)grenswaarden uit het Activiteitenbesluit/de Wet geluidhinder. In het Rmg 2012 H2 wordt genoemd dat alleen bronnen met een relevante blootstelling (overschrijding van de voorkeursgrenswaarde) moeten worden gecumuleerd. Hierdoor is er in deze situatie nergens sprake van een gecumuleerde geluidsbelasting. De overschrijdingen van de richtwaarden uit stap 2 van de VNG-publicatie kunnen als acceptabel worden gezien om de volgende redenen: Er is geen sprake van een overschrijding ten gevolge van meerdere bronnen per rekenhoogte. Er vinden geen overschrijdingen plaats in de nachtperiode. Het treffen van bronmaatregelen is niet mogelijk, zonder de bedrijfsvoering van het kinderdagverblijf te beperken. Afschermende maatregelen zijn in deze situatie ook niet effectief omdat de nieuwbouw een hoogte heeft van 21 meter. Voor wat betreft de geluidspieken van de dichtslaande autoportieren geldt dat - los van eventuele stedenbouwkundige bezwaren - een carport gerealiseerd kan worden, zodat de parkeerplaatsen afgeschermd zijn. Een dergelijke carport beperkt echter niet het geluid als gevolg van de spelende kinderen.
In zijn totaliteit heeft deze maatregel qua geluidreductie dus (te) weinig effect. Ter verdere onderbouwing is de geluidimmissie van het stemgeluid van kinderen die buitenspelen bepaald, zonder toepassing van bedrijfsduurcorrectie en metocorrectie (Li). Deze resultaten zijn in onderstaande tabel weergegeven:
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het, uitgaande van een gevelwering van tenminste 20 dB, mogelijk is om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen op het moment dat de kinderen buitenspelen.
Toelichting (vastgesteld)
63
bestemmingsplan Te Werve Oost Het geluidsniveau vanwege de geluidspieken bedraagt dan maximaal 55 dB(A). Het kinderdagverblijf kan voldoen aan het Activiteitenbesluit (mits er maatwerk wordt aangevraagd voor geluidspieken in de avondperiode als gevolg van het dichtslaan van autoportieren). Er is dan geen sprake van een belemmering van de bedrijfssituatie en de nieuwbouwwoningen hoeven dan niet voorzien te worden van een dove gevel. Door het kinderdagverblijf is in juli 2024 een verzoek tot het treffen van maatwerk ingediend bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Onderdeel van dit verzoek tot maatwerk, is een maatregelafweging. Deze maatregelafweging is opgenomen in Bijlage 14 van deze toelichting. Uit deze maatregelafweging volgt dat het treffen van maatregelen bij zowel de bron als de ontvanger, niet mogelijk is dan wel op stedenbouwkundige of financiële bezwaren stuit. Het treffen van deze maatwerkvoorschriften loopt parallel aan de bestemmingsplanprocedure. Er is voldoende zicht op het verkrijgen van de maatwerkvoorschriften. Er wordt wel voldaan aan stap 3 uit de VNG-publicatie voor het LAr,LT. De geluidspieken voldoen niet aan stap 3, waardoor naar stap 4 gegaan moet worden.
Voorwaarde voor het toepassen van stap 4 is dat de keuze grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd wordt, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken. Overschrijdingen van de richtwaarden voor het LAmax vinden plaats in de dagperiode en avondperiode, waarbij de overschrijdingen in de avondperiode slechts beperkt zijn. Gelet op voorgaande achten wij de overschrijding van de geluidspieken als gevolg van het stemgeluid van spelende kinderen, aanvaardbaar. Aan de overzijde van de Sir Winston Churchilllaan is de inrichting Kiwa Nederland gelegen. Ter plaatse zijn de gronden bestemd als 'Kantoor' en geldt de specifieke functieaanduiding 'laboratorium'. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 44 meter. Er zijn reeds woningen gesitueerd op een kortere afstand. Daarnaast kent een dergelijke bestemming een te hanteren richtafstand van 10 meter en derhalve kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Ten oosten van het plangebied is het bedrijventerrein Plaspoelpolder gelegen. Ter plaatse zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Dergelijke bedrijven kennen een te hanteren richtafstand van 100 meter voor het omgevingstype 'rustige woonwijk'. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 140 meter en derhalve kan geconcludeerd worden dat dit geen belemmering vormt.
Beoordeling functies binnen het plangebied Binnen het plangebied wordt eveneens functiemenging toegestaan, door op pandniveau zowel de woonfunctie als maatschappelijke en dienstverlenende functies toe te staan. Dit betreffen met name functies in de categorie A van de VNG-publicatie voor functiemenging, maar ten hoogste categorie B. Deze functies zijn aanpandig aan woningen toelaatbaar (categorie A) en toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen of andere gevoelige functies (categorie B). Bij de nadere planuitwerking zal er derhalve voor gezorgd worden dat een niet-woonfunctie in categorie B, bouwkundig wordt afgescheiden van de woningen. 4.7.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Geluid
4.8.1
Wettelijk kader
In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: woningen; onderwijsgebouwen; ziekenhuizen; verpleeghuizen; verzorgingstehuizen; psychiatrische inrichtingen; kinderdagverblijven.
64
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost
Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Hiertoe hanteert de Wet geluidhinder een voorkeursvolgorde, te weten: maatregelen aan de bron; maatregelen in de overdrachtssfeer; maatregelen bij de ontvanger. Bij voorkeur wordt geluidhinder dus bij de bron aangepakt. Dat kan bijvoorbeeld door een stil wegdek aan te leggen, een snelheidsverlaging in te voeren of door het verkeer om te leiden. Helaas zijn bron maatregelen niet altijd mogelijk of hebben ze onvoldoende effect. In dat geval kan al dan niet aanvullend een geluidsscherm of -wal worden overwogen, mits.inpasbaar. Als het echt niet mogelijk is om bron- of overdrachtsmaatregelen te treffen kan worden gedacht aan het isoleren van woningen met gevelmaatregelen. Denk bijvoorbeeld aan suskasten of een sterker geluidwerende gevel.
Blijken bron- of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Voor het verlenen van hogere waarden wordt een apart besluit genomen. Geluidbeleid gemeente Rijswijk Het geluidbeleid van de gemeente Rijswijk is vastgelegd in het Actieplan geluid 2018-2022. Het actieplan gaat in op industrie-, wegverkeers- en railverkeerslawaai. Het actieplan heeft betrekking op het afwegen van maatregelen voor bestaande geluidsgevoelige bestemmingen en terreinen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden niet aan het Actieplan, maar aan de Wet geluidhinder getoetst. Het Actieplan geluid is geen beleidskader voor de toetsing van hogere grenswaarden. De gemeente Rijswijk is voornemens in de toekomst een hogere waarden beleid op te stellen. Vooralsnog is dergelijk beleid nog niet definitief vastgesteld, wel is het beleid in concept opgesteld. Voor de beoordeling van dit plan staat daarin het volgende: a. Geluidsbelaste woningen dienen een geluidsluwe zijde te hebben. Voor wegverkeer betekent geluidsluw dat de geluidsbelasting ten hoogste 58 dB (zonder aftrek) is. b.
Voor wat betreft de indeling van woningen is de voorwaarde dat elke woning minimaal één slaapkamer heeft die aan de geluidluwe zijde is gelegen. c. Als de woning een buitenruimte heeft, dan bevindt deze zich aan de geluidluwe zijde of is voldoende afgeschermd zodat er sprake is van een geluidluwe buitenruimte. 4.8.2
Betekenis voor het plan
Wegverkeerslawaai Door akoestisch onderzoeksbureau M+P is een akoestisch onderzoek verricht naar de optredende geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 15 van deze toelichting. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Uitgangspunten De geluidsbelastingsberekeningen zijn per weg uitgevooerd. Voor de wettelijke toetsing zijn de volgende wegen onderzocht: Weg
Maximale zonebreedte [m]
Maximale snelheid [km/u]1
Burgemeester Elsenlaan binnenstedelijk
350
50
Generaal Spoorlaan
binnenstedelijk
350
50
Sir Winson Churchilllaan binnenstedelijk
200
50
Toelichting (vastgesteld)
Zonering
65
bestemmingsplan Te Werve Oost
Omliggende 30 km/uur wegen2
n.v.t.
n.v.t.
30
1 het betreft hier de maximum representatieve snelheid voor lichte motorvoertuigen. 2 deze wegen zijn alleen beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Resultaten Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting op de geprojecteerde woningen vanwege de Sir Winston Churchilllaan maximaal 54 dB bedraagt en vanwege de Burgemeester Elsenlaan max 50 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidsbelasting vanwege de Generaal Spoorlaan voldoet overal aan de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting vanwege de 30 km/uur wegen bedraagt maximaal 53 dB na aftrek. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden met maximaal 5 dB. Het is echter niet nodig om hiervoor hogere waarden aan te vragen, omdat het geen gezoneerde wegen betreft. Ook is de geluidsbelasting vanwege de 30 km/uur wegen berekend volgens de Meet- en rekenmethode Geluid die in de Omgevingswet zal worden gehanteerd. Reden hiervoor is dat deze rekenmethode gebruik maakt van nieuwe emissiekentallen die passen bij de huidige stand der techniek. Uitgaande van deze rekenmethode is er geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Conclusies en aanbevelingen Voor overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dienen hogere waarden te worden aangevraagd. Om te voldoen aan het gemeentelijk beleid kan er een stil wegdek worden aangelegd op de Sir Winston Churchilllaan. Met de aanleg van een geluidreducerend wegdek op de Sir Winston Churchilllaan kan een reductie worden verwacht van 2-3 dB.
Voorafgaand aan de in gebruikname van de woningen zal alhier een geluidreducerend wegdek worden aangebracht tenzij voor die datum besloten zou worden de snelheid op deze weg te verlagen tot 30 km/uur, wat een vergelijkbaar geluidreducerend effect oplevert. Gezien de korte afstand tot de weg en de grote hoogte van de beoogde bebouwing biedt het plaatsen van geluidsschermen geen oplossing voor de overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde. Ook met het aanbrengen van geluidreducerend wegdek wordt de voorkeursgrenswaarde nog overschreden. Daarom is het nodig om hogere waarden vast te stellen. De geluidbelasting op de gevels van de woningen wordt daarmee lager dan 58 dB en de gevels worden daarmee als geluidluw aangemerkt conform het concept hogere waardenbeleid. In de Regels van dit bestemmingsplan is in ieder geval een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van geluid opgenomen. Middels deze voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ofwel aangetoond moet worden dat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt voldaan ofwel aangetoond moet worden dat aan het hogere grenswaarden besluit en de daarin opgenomen maatregelen wordt voldaan. De geluidsbelasting vanwege de omliggende 30 km/uur wegen bedraagt 53 dB.
Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar het is niet nodig om hogere waarden aan te vragen, omdat 30 km/uur wegen niet gezoneerd zijn. Wanneer de geluidsbelasting berekend wordt volgens de Meet- en rekenmethode Geluid (rekenmethode Omgevingswet) wordt wel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. 4.8.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader
In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
66
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Actieplan Luchtkwaliteit 2020-2024 De gemeente Rijswijk wil samen met andere overheden, organisaties, ondernemers en inwoners maatregelen nemen om de luchtkwaliteit in Rijswijk te verbeteren. Het Rijk heeft samen met de provincies en een aantal gemeenten op 13 januari 2020 het Schone Lucht Akkoord getekend. Hierin hebben de deelnemende partijen, waaronder gemeente Rijswijk, de ambitie uitgesproken om samen in alle relevante sectoren de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken om zo in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst ten opzichte van 2016 te halen. Het gaat hierbij om gezondheidseffecten van blootstelling aan de uitstoot van Nederlandse bronnen. Rijswijk realiseert zich dat voldoen aan de grenswaarden nog niet betekent dat de lucht schoon is. De ambitie reikt verder, het moet en kan schoner.
De gemeente Rijswijk streeft naar een gezonde leefomgeving voor haar inwoners en bezoekers. Met dit Actieplan luchtkwaliteit 2020-2024 werkt de gemeente aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het realiseren van gezondheidswinst door het uitvoeren van een pakket aan maatregelen, zoals het uitbreiden van milieuzone's, stimuleren van het gebruik van de fiets, OV en elektrische voertuigen. 4.9.2
Betekenis voor het plan
In onderhavig geval biedt het bestemmingsplan ruimte aan maximaal 583 woningen (bestaande uit 560 nieuwbouwwoningen en het behoud van 23 bestaande woningen). Daarnaast biedt het bestemmingsplan ruimte aan 30 zorgwoningen. Dit betreffen woningen met een intensieve (24-uurs)zorgvraag. Verder wordt planologisch ruimte geboden aan maximaal 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (µg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aangezien, de omvang van de beoogde ontwikkeling ruim onder de grenswaarden uit bovenstaande voorbeelden blijft.
In het kader van het Actieplan luchtkwaliteit dient opgemerkt te worden dat het plangebied wordt ingericht conform het STOMP-principe: 1) stappen, 2) trappen, 3) OV, 4) Mobility as a Service, 5) privéauto. Er wordt daarmee nadrukkelijk ingezet op het aantrekkelijk maken van de mobiliteitsinfrastructuur voor voetgangers en voor het gebruik van de fiets, het OV en deelmobiliteit. Goed woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de CIMLK Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige totale concentraties voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de totale concentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de
Toelichting (vastgesteld)
67
bestemmingsplan Te Werve Oost projectlocatie (geraadpleegd via CIMLK Monitoringstool op 2 mei 2024). Jaar
Totale concentratie rekenpunt 50681044_112167 NO2 (µg/m3)
PM10 (µg/m3)
PM2,5 (µg/m3)
2022
23,2
18,1
9,3
2030
17,0
15,1
7,4
Grenswaarden
40
40
25
Tabel 4.1 Totale concentratie stikstofdioxide en fijnstof (bron: CIMLK) Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van het plangebied, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. De maximale bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is niet van zodanige omvang dat een overschrijding van de grenswaarden hierdoor te verwachten is. 4.9.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit niet aan vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Wettelijke kader Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen.
Groepsrisico (GR): het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.10.2 Betekenis voor het plan Binnen onderhavig plangebied worden woningen gerealiseerd. (Zorg)woningen zijn kwetsbare objecten in het kader van externe veiligheid. Door AVIV is daarom een onderzoek naar het aspect externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 16 van deze toelichting. De resultaten worden hieronder beschreven. Risicobronnen Een deel van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A4 en de A13 die onderdeel uitmaken van het Basisnet. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing is inzicht in de externe veiligheidsrisico's nodig. In deze notitie wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid. De planlocatie ligt binnen 200 m van de Burgemeester Elsenlaan waarover LPG werd vervoerd ter bevoorrading van het daaraan gelegen tankstation. De vergunning voor de verkoop van LPG is inmiddels ingetrokken. De
68
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost Burgemeester Elsenlaan is daardoor niet langer een relevante risicobron en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Rijksweg A4 en Rijksweg A13 Op ca. 850 m ten zuidoosten van de planlocatie bevindt zich de rijksweg A4 (basisnetwegvak Z9) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De planlocatie ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van 880 m vanwege het transport van toxische vloeistoffen (stofcategorie LT2). Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Figuur 4.13 Ligging plangebied t.o.v. A4 (bron: AVIV) Op ca. 1 km ten zuidoosten van de planlocatie bevindt zich de rijksweg A13 (basisnetwegvak Z29) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt [5]. De planlocatie ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van 4 km vanwege het transport van toxische vloeistoffen (stofcategorie LT3).
Toelichting (vastgesteld)
69
bestemmingsplan Te Werve Oost
Figuur 4.14 Ligging plangebied t.o.v. A13 (bron: AVIV) Beperkte verantwoording van het groepsrisico Conform artikel 7 van het Bevt hoeft enkel te worden ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Bestrijdbaarheid Bij het vrijkomen van een toxische gaswolk kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Aan de westzijde van het plangebied, blijft ondanks dat ter plaatse geen ontsluiting voorzien is, de toegankelijkheid voor hulpdiensten gewaarborgd. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De planvorming betreft in hoofdzaak woningbouw. Uitgangspunt is dat de personen in de gebouwen zelfredzaam zullen zijn.
Voor de bewoners van de zorgwoningen geldt dat sprake is van 24-uurszorg. De zorgverleners zullen derhalve verantwoordelijk zijn voor de onttrekking van de bewoners aan het dreigende gevaar. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen 70
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Indien desalniettemin bij een toxische wolk door de hulpdiensten wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. De huidige infrastructuur biedt hiervoor voldoende mogelijkheden. Gerichte risicocommunicatie met gebruikers van het gebouw (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten). 4.10.3 Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Haaglanden is in het kader van het wettelijk vooroverleg in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen.
Op 9 november 2023 heeft de Veiligheidsregio Haaglanden advies uitgebracht. Uit het advies volgt dat het plangebied op circa 825 meter ten noordwesten van de rijksweg A4 ligt , op circa 1000 meter ten westen van knooppunt Ypenburg en op circa 1715 meter ten noordwesten van de rijksweg A13. In geval van een calamiteit kan zich een incident voordoen waarbij giftige stoffen vrijkomen. Gezien de afstand van het plangebied tot aan de rijksweg A4, knooppunt Ypenburg en rijksweg A13 zal het groepsrisico als gevolg van de (eventuele) ontwikkelingen niet significant toe- of afnemen. Gezien de afstand van deze risicobronnen tot aan het plangebied worden de volgende maatregelen geadviseerd: a. b. c. d.
Afschakelbare ventilatie; Voorbereiding interne organisatie; Risicocommunicatie; Bereikbaarheid en bluswatervoorziening.
De geadviseerde maatregelen worden bij de nadere uitwerking van het plan ter harte genomen. Voor het toepassen van afschakelbare ventilatie geldt dat dit per 1 januari 2024 voor alle nieuwbouwplannen verplicht is. 4.10.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Windhinder
4.11.1 Wettelijk kader In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel uit de NEN 8100. In de NEN 8100 is de beoordelingsmethodiek voor windhinder en windgevaar neergelegd. In het beslismodel van de NEN 8100 wordt weergegeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn. Een onderzoek is verplicht voor gebouwen hoger dan 30 meter. Voor onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter dient een specialist te beoordelen of windonderzoek noodzakelijk is. In de NEN 8100 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteitenklassen. Bij een laag activiteitenniveau zullen lagere snelheden sneller als hinderlijk ervaren kunnen worden dan bij een hoger activiteitenniveau. Bij hogere windsnelheden kan tevens sprake zijn van gevaarlijke situaties. Hiervoor wordt getoetst aan het specifieke gevaarcriterium.
Toelichting (vastgesteld)
71
bestemmingsplan Te Werve Oost
Figuur 4.15 Eisen voor de beoordeling van het lokale windklimaat voor windhinder
Figuur 4.16 Eisen voor de beoordeling van het lokale windklimaat voor windgevaar 4.11.2 Betekenis voor het plan Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Actiflow een windonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 18 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Het inpassen van de nieuwbouw zal leiden tot een wijziging van het lokale windklimaat. Daarnaast vragen de functies van de gebouwen en het verwachte gebruik van de openbare buitenruimte om een acceptabel comfortniveau ten aanzien van wind. Het is dan ook noodzakelijk het windklimaat inzichtelijk te maken, zodat mogelijke knelpunten kunnen worden aangepakt. Aanvullend wordt het netto-effect van de nieuwbouw inzichtelijk gemaakt door het optredende windklimaat in de toekomstige situatie te vergelijken met de het huidige windklimaat wat optreedt in het plangebied zonder nieuwbouw. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Resultaten bestaande situatie De resultaten geven weer dat in de bestaande situatie, in wijkdeel Te Werve Oost, een windluw klimaat optreedt, welke gekenmerkt wordt door windhinderklasse A. Deze conditie leent zich uitstekend voor de voetgangersactiviteiten: doorlopen, slenteren en langdurig zitten. In de bestaande situatie geldt tevens geen risico op windgevaar in de openbare ruimte.
Het windluwe klimaat in de bestaande situatie is het gevolg van de relatief lage residentiële bebouwing in het plangebied. Wind neemt over de hoogte toe in snelheid, met als resultaat dat middelhoge tot hoge bebouwing nadrukkelijker blootgesteld worden aan hogere windsnelheden. Voor de aanwezige lage residentiële bebouwing in het plangebied geldt dit niet of nauwelijks. Bovengenoemde in combinatie met de aanwezige vegetatie tussen de woonblokken resulteert in het optreden van een windluw klimaat. Resultaten toekomstige situatie Het inpassen van de gewenste nieuwbouw in het plangebied resulteert in een vergelijkbaar windluw klimaat, wat overwegend gekenmerkt wordt door windhinderklasse A in combinatie met zones klasse B nabij de hoogteaccenten aan de Sir Winston Churchilllaan. Deze condities lenen zich wederom uitstekend voor alle voetgangersactiviteiten. Het realiseren van gebouwentrees in deze windluwe condities resulteert in een comfortabel gebruik. Aan de zuidwestelijke gevel van het meest noordoostelijke hoogteaccent aan de Sir Winston Churchilllaan geldt een minimale zone met een klasse C classificatie. Deze condities lenen zich enkel nog voor de activiteiten doorlopen en slenteren. In de toekomstige situatie geldt tevens geen risico op windgevaar in de openbare ruimte.
72
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost
4.11.3 Conclusie Op grond van het windonderzoek kan geconludeerd worden dat er als gevolg van het plan geen sprake is van windgevaar. Als gevolg van het plan waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt is er sprake van een windluw klimaat. Nabij de zuidwestelijke gevel van het meest noordoostelijke hoogteaccent aan de Sir Winston Churchilllaan is een minimale zone met klasse C zichtbaar. Dit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect wind niet aan vaststeling van het bestemmingsplan in de weg staat.
4.12
Duurzaamheid
4.12.1 Wettelijk kader Nationaal klimaatbeleid Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken. Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (VN) uit 1992. Dit is het eerste klimaatverdrag. Kyoto-Protocol uit 1997. Hierin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnen worden. VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft daar ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord, dat in 2020 is ingegaan. Doel van het akkoord: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Nationale doelen voor terugdringen van broeikasgassen Nationale doelen voor terugdringen van broeikasgassen De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. De Klimaatwet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen: 55% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Om dit doel te halen, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Er staan ook afspraken in die partijen onderling hebben gemaakt. in 2050 klimaatneutraal. Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord staan afspraken met 5 sectoren over de maatregelen die deze sectoren de komende 10 jaar en in de jaren daarna gaan nemen om de klimaatdoelen te halen.
Deze sectoren zijn gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik, elektriciteit, industrie en mobiliteit. Relevant voor het plan zijn: Gebouwde omgeving: In 2050 moeten 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen van het aardgas af zijn. Dat betekent isoleren en gebruikmaken van duurzame warmte en elektriciteit. Er moet flink wat gebeuren, maar daar is 31 jaar de tijd voor. Als eerste stap moeten in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. Mobiliteit: In 2050 stoot het Nederlands verkeer en alle transport geen schadelijke uitlaatgassen en CO2 meer uit. Verkeer en transport kunnen schoner, én ook slimmer. Zo wordt ook de bereikbaarheid en de toegankelijkheid voor iedereen beter. Dit kan door voertuigen en infrastructuur, zoals wegen, spoor en vaarwater, optimaal te gebruiken. Elektrisch vervoer en aandrijving met duurzame waterstof is daarbij belangrijk. . Elektriciteit: In 2030 wil Nederland 70% van alle elektriciteit opwekken met windturbines op zee en op land en zonnepanelen op daken en in zonneparken. In 2050 wil Nederland helemaal geen fossiele brandstoffen, zoals aardgas en steenkool, gebruiken. Er is nog veel te doen om dat te bereiken, want in 2018 kwam nog maar 7,2% van alle elektriciteit uit duurzame bronnen. Tegelijk groeit de vraag naar elektriciteit. Gemeentelijk beleid Duurzaamheid kun je groeperen onder drie pijlers: 1.
Energietransitie 2. Klimaatadaptatie 3. Circulaire economie
Toelichting (vastgesteld)
73
bestemmingsplan Te Werve Oost
1. Energietransitie De gemeente Rijswijk wil in 2050 energieneutraal zijn en volgt daarmee de landelijke afspraken. Het basisdocument Energietransitie Rijswijk bevat de kaders en uitgangspunten voor de gemeentelijke bijdrage aan de Regionale Energiestrategie. In december 2021 is de gemeentelijke Transitievisie Warmte vastgesteld. In de Transitievisie Warmte heeft de gemeente aangegeven op welke wijze wordt gewerkt aan de overstap naar duurzame warmte voor de gebouwde omgeving. De hoofdlijn van de Transitievisie Warmte is: Inzetten op het verkleinen van de warmtevraag. Hiervoor wordt ingezet op het isoleren van woningen, maar ook gedragsverandering. Lokale initiatieven stimuleren en faciliteren. Het gaat hierbij om het bieden van maatwerk gericht op de behoefte van lokale initiatiefnemers. Betaalbaarheid. De overstap naar duurzame energie moet voor inwoners haalbaar en betaalbaar zijn. Stap voor stap en samen. Communicatie en participatie is onmisbaar in het proces van de overstap naar duurzame energie. Daarnaast is per wijk aangeven welke alternatieve warmte opties mogelijk zijn voor het verwarmen van woningen en gebouwen zonder aardgas. Dit is een belangrijke stap op weg naar het behalen van de doelstellingen uit het Nationaal klimaatakkoord.
Voor de wijken waar aansluiting op een warmtenet tot de opties behoort, is aangegeven in welke fasering de aanleg van warmtenetten wordt uitgewerkt. Energieprestatie - BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). 2. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert. Niet alleen stijgt de zeespiegel, maar extremere weertypen komen steeds vaker voor zoals langdurige droogte of extreme regenval. We werken daarom hard om verdere verandering van het klimaat door de energietransitie te beperken. Tegelijkertijd is het nodig om ons aan te passen aan de versnelde klimaatverandering zodat we schade zoveel mogelijk beperken. Hittestress en droogte zijn onderwerpen die de komende jaren ook onze aandacht behoeven. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland wil voorop lopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. In 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld dat ondertekend is door diverse partijen, zoals bouwbedrijven, gemeenten (waaronder Rijswijk), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties,
74
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost financiers en projectontwikkelaars. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.
RAAK 2023-2030 Rijswijk moet beter uitgerust worden om de veranderingen van het klimaat beter te kunnen opvangen, voor nu en voor in de toekomst. RAAK 2023-2030 (Rijswijk Adaptatiestrategie en Aanpak Klimaatverandering) is in de zomer 2023 door de gemeenteraad vastgesteld. De strategie bevat prioriteringsthema's als aanpak van Hittestress en Biodiversiteit en andere strategische doelstellingen, zoals bewustwording met activiteiten van Operatie Steenbreek, maar ook het reguleren en borgen van een gestructureerde aanpak van klimaatadaptatie. Zo is o.a. afgesproken om het Convenant Bouw adaptief, inclusief de Leidraad/PvE, toe te passen op alle nieuwbouwprojecten. Dit wordt in de toekomst aangevuld met een leidraad voor klimaatadaptieve inrichting van onze openbare ruimte. Dit betekent dat klimaatadaptatie niet langer vrijwillig en ad hoc kan worden toegepast. Met deze strategie tot 2030 kunnen we de klimaatrisico's als gevolg van klimaatverandering op termijn geleidelijk terugdringen, met positieve gevolgen voor de natuur, de economie en de leefbaarheid in onze stad. 3. Circulaire economie De Rijksoverheid werkt via het programma 'Nederland Circulair in 2050' aan een volledig circulaire Nederlandse economie. Op weg daar naar toe, wil Nederland in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen met 50% reduceren.
Het programma bouwt voort op een programma als VANG (Van Afval Naar Grondstof). VANG richt zich op preventie (het voorkomen van afval), afvalscheiding en het terugdringen van restafval bij huishoudens en bedrijven. In 2017 hebben maatschappelijke partners (bedrijven en kennisinstellingen) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Grondstoffenakkoord ondertekend. Dit akkoord is gericht op het bereiken van een schaalsprong in de transitie van een lineaire naar een circulaire economie. Daarmee levert het een bijdrage aan het bereiken van de doelstelling van het klimaatakkoord. Bij circulaire economie gaat het over het hergebruiken van producten en het delen van eigendom. Het efficiënter gebruik maken van wat we al hebben helpt om minder grondstoffen te verbruiken. De deeleconomie, waar het delen van eigendommen centraal staat, heeft een vlucht genomen. Ook in
Toelichting (vastgesteld)
75
bestemmingsplan Te Werve Oost Rijswijk groeit de deeleconomie (deelscooters, deelauto's). Het delen van eigendommen verbindt mensen en draagt bij aan sociale cohesie. 4.12.2 Betekenis voor het plan Als gevolg van het plan waar voorliggend bestemmingsplan ruimte aan biedt wordt de verouderde naoorlogse woonwijk gefaseerd herontwikkeld. Verouderde en nog op het gas aangesloten woningen worden vervangen door nieuwbouwwoningen die voldoen aan de laatste duurzaamheidseisen en voorschriften. Te Werve is een groene wijk. Deze kwaliteit wordt gekoesterd en versterkt, naar een groen beeld dat toekomstgericht, hoogwaardig en divers is. Het Rijswijkse uitgangspunt bij ontwikkelingen is: bomen handhaven. Om in het gebied een kwaliteitsslag te kunnen maken, met een gedifferentieerd woningbouwprogramma en een verkeersluw karakter (garages) zal dat in deze ontwikkeling niet mogelijk zijn. Het meeste bestaande groen wordt vervangen door nieuw groen. Op een aantal plekken worden bomen ingepast. Ook kunnen op een aantal plekken bomen worden verplant; om plaats te maken voor wonen of om plaats te maken voor een ander type boom. De beplantingskeus dient aan te sluiten op de gewenste stedenbouwkundige uitstraling en de bestaande delen van te Werve (bestaand assortiment, heesterstroken).
Daarnaast worden nieuwe typologieën toegevoegd (bijvoorbeeld begroeide laagtes en bloemrijke bermen) ten behoeve van een grotere biodiversiteit. De bomenstructuur en meer algemeen de groenstructuur, dient altijd ondersteunend te zijn aan de stedenbouwkundige opzet; met onderscheid tussen de hoofdstructuur en verblijfsplekken. Verblijfsplekken kunnen qua inrichting meer gethematiseerd zijn ingericht. Groenvakken (bermen, stroken) zijn robuust van maat en versnippering wordt tegengegaan. Naast groen in het openbaar gebied wordt de groene uitstraling van de wijk versterkt door groen op privé terrein: (gevel)tuinen, groene gevels, groene daken en daktuinen. Naast het groene beeld speelt leefbaarheid en klimaatadaptie een grote rol. Concreet wordt bij de nadere uitwerking van het ontwerp invulling gegeven aan het tegengaan van hittestress en voorzien in voldoende wateropvang. Door het planten van voldoende bomen die ook de kans krijgen volwassen te worden: in zowel openbaar gebied (straten en verblijfsplekken) als op daktuinen wordt hittestress zo veel als mogelijk beperkt. Door het minimaliseren van verharding en het toevoegen van groen wordt eveneens bijgedragen aan het tegengaan van hittestress. Voor wateropvang geldt dat minimaal 50 mm moeten kunnen worden opgevangen op privaat terrein. Bij piekbuien van 70 mm/uur geldt de verplichting dat er geen schade optreedt.
Ook moeten vitale voorzieningen blijven functioneren bij 90 mm/uur. In paragraaf 4.4 is reeds ingegaan op de wijze waarop wordt voorzien in het opvangen van hemelwater in het plangebied. 4.12.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13
Milieu effect beoordeling
4.13.1 Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan cq. inpassingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van een m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. is in onderdeel C benoemd voor welke type projecten het verplicht is om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Voor andere projecten die niet in onderdeel C maar in onderdeel D zijn genoemd, moet eerst beoordeeld worden of er belangrijke nadelige gevolgen kunnen zijn voor het milieu (dit heet een m.e.r.-beoordelingsplicht). Blijkt uit de m.e.r.-beoordeling dat er belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn, dan is alsnog een m.e.r.-procedure nodig.
76
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Te Werve Oost
4.13.2 Betekenis voor het plan De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.. De voorgenomen ontwikkeling voorziet immers in de sloop- en nieuwbouw van een woonwijk, waarbij het aantal woningen toeneemt. In de huidige situatie zijn 355 sociale woningen aanwezig, waarvan 51 grondgebonden woningen en 304 appartementen. Het bestemmingsplan biedt in de toekomstige situatie ruimte aan maximaal 583 woningen (waarvan 560 nieuwbouwwoningen en 23 bestaande woningen). De ontwikkeling blijft hiermee onder de getalsmatige drempel waarde van 200.000 woningen. Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in 30 zorgwoningen met een intensieve (24-uurs)zorgvraag en in 600 m2 aan maatschappelijke en dienstverlenende functies (waarvan de volledige 600 m2 mag worden ingevuld voor een buurthuis, maar slechts 300 m2 voor overige maatschappelijke en dienstverlenende functies). Hiermee is dit bestemmingsplan (vormvrij) m.e.r. –beoordelingsplichtig. Ten behoeve van het plan is een aanmeldnotitie opgesteld en bijgevoegd als Bijlage 17 bij voorliggende toelichting. Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling die ten behoeve het bestemmingsplan “Te Werve Oost” is opgesteld hebben Burgemeester en wethouders besloten dat voor het bestemmingplan geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden.
Deze conclusie is vastgelegd in een separaat besluit op de aanmeldnotitie. 4.13.3 Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14
Bezonning
4.14.1 Wettelijk kader In de gemeente Rijswijk is geen beleid in het kader van bezonning en beschaduwing van de gebouwde omgeving.Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom beoordeeld of wordt voldaan aan de in Nederland gangbare TNO-norm voor bezonning. De TNO-norm luid als volgt: "Een woning krijgt de waardering voldoende wanneer er sprake is van ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (acht maanden). Als beoordelingspunt geldt het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam van de woonkamer. De twee uur zon hoeven niet aansluitend plaats te vinden en de bezonning op de voor- en achtergevel mag bij elkaar opgeteld worden." 4.14.2 Betekenis voor het plan Ten behoeve van het plan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 19 opgenomen bij deze toelichting. Het bezonningsonderzoek volgt de richtlijnen uit de van de lichte TNO-norm. Hierbij is inzicht gegeven in de bezonning op de maatgevende referentiedag 19 februari. De resultaten tonen dat de beoogde nieuwbouw de grootste invloed heeft op de woningen die in de directe nabijheid van de hoogteaccenten aan de Sir Winston Churchilllaan staan of op korte afstand van de relatief lage bebouwing aan de Idenburglaan en Generaal Berenschotlaan.
Het aantal bezonningsuren op de gevels van de eerste woonlaag van het appartementencomplexen aan de Van Vollenhovenlaan, Generaal Berenschotlaan (nr. 14 en nr. 1 t/m 211) en Karel Doormanlaan nemen respectievelijk met maximaal 1:15, 1:20, 0:35 en 2:45 uur af. Voor de grondgebonden woningen aan de Idenburglaan wordt zelfs een verdere afname van maximaal 3:30 uur waargenomen. Desondanks voldoen de beschouwde gevels van de woningen aan het criteria van minimaal 2 uur bezonning. In de toekomstige situatie valt de schaduw op 19 februari tussen circa 08:00 en 10:00 uur op de woningen van het appartementencomplex aan de Van Vollenhovenlaan.
Toelichting (vastgesteld)
77
bestemmingsplan Te Werve Oost
Figuur 4.17 Overzicht van de bezonningsuren op de gevels van de woningen aan de Van Vollenhovenlaan, in zowel de bestaande als toekomstige situatie op de referentiedag 19 februari (bron: bezonningsonderzoek Actiflow) Tussen circa 10:00 en 12:00 uur is deze schaduw aanwezig op de grondgebonden woningen aan de Idenburglaan, om vervolgens later op de middag tussen 14:00 en 16:00 uur op de woningen van de appartementencomplexen aan de Generaal Berenschotlaan en Karel Doormanlaan te vallen.
Figuur 4.18 Overzicht van de bezonningsuren op de gevels van de woningen aan de Generaal Berenschotlaan en Karel Doormanlaan, in zowel de bestaande als toekomstige situatie op de referentiedag 19 februari (bron: bezonningsonderzoek Actiflow) 4.14.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van het plan voldaan wordt aan de licht TNO-norm. Het aspect bezonning staat niet aan vaststelling van het bestemmingsplan in de weg.
4.15
Niet Gesprongen Explosieven
4.15.1 Wettelijk kader In de voorbereiding van een project waarbij de grond/waterbodem wordt geroerd, is de opdrachtgever verplicht een onderzoek met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's betreffende Niet Gesprongen Explosieven (NGE) uit te voeren. Dit is vastgelegd in het Arbobesluit (artikelen 2.26 en 4.10 lid 1 t/m 4). Specifiek staat het volgende omschreven in artikel 4.10, lid 2: 'In alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, wordt, alvorens werkzaamheden worden aangevangen, hiernaar een oriënterend onderzoek ingesteld'. In het Arbobesluit wordt geen nadere omschrijving gegeven waaraan dit Oriënterend Onderzoek dient te voldoen. In de Nota van Toelichting met betrekking tot het Arbobesluit wordt hier aan toegevoegd dat het hier