SOL018929GH-B -Definitief- Geohydrologisch rapport Rijswijk (W-536-06)
Tekst van het document
Afzender: WSP Nederland B.V. Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden
N.V. Nederlandse Gasunie T.a.v. de heer R. Honkoop Postbus 19 9700 MA GRONINGEN
Leeuwarden, 1 augustus 2022 Uw kenmerk: I.014493.01 Ons kenmerk: SOL018929GH-B Status: Definitief Onderwerp: Geohydrologisch rapport verlegging W-514-01 te Rijswijk
Geachte heer Honkoop, Hierbij ontvangt u de geohydrologisch rapport voor de geplande verlegging van de gasleiding W-514-01 nabij de Van Rijnweg (ong.) te Rijswijk. Indien u hierover nog vragen en/of opmerkingen heeft, kunt u contact opnemen met ondergetekende (tel. 06 - 22 915 110 of via mail Anita.Heddes@WSP.com).
Met vriendelijke groet, WSP Nederland B.V.
Mevrouw ing. A.J.M. Heddes Projectmanager
Bijlage(n) Geohydrologisch rapport verlegging W-514-01 te Rijswijk
WSP Nederland B.V. Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden tel. +31 (0)88 910 20 00 Iban NL06 ABNA 0440 3394 21 kvk 20045963 btw NL0065.66.832.B.01 wsp.com
OPGESTELD VOOR: WSP NEDERLAND B.V. // OPGESTELD DOOR: STANTEC BV
Geohydrologisch rapport Verlegging gasleiding W-514-01 nabij de Van Rijnweg (ong.) te Rijswijk
M21B0003 1-8-2022
Geohydrologisch rapport Verlegging gasleiding W-534-01 nabij de Van Rijnweg (ong.) te Rijswijk
In opdracht van: WSP Nederland B.V. Opgesteld door: Dhr. L. Essink Projectnummer: M21B0003 Projectnummer opdrachtgever: SOL018929 Documentnaam: SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02.v7.lues2 Datum: 1 augustus 2022
Versie
Vrijgegeven door
Datum
SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02.v7.lues
Eline Heemskerk
1 augustus 2022
Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600
Bezoekadres Poortweg 4D 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl
KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA** gecertificeerd
Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen
SAMENVATTING Uitgangspunten Zie tabel 2
Inschatting debiet Waterbezwaar GHG (m3)
6.600 - 13.200
Waterbezwaar GLG (m3)
5.100 - 10.200
Maximaal uurdebiet (m3/uur)
13
Stationair uurdebiet GHG (m3/uur)
5
Stationair uurdebiet GLG (m3/uur)
4
Overige punten van belang Theoretische reikwijdte (in meter)
Freatisch: Max. 90 meter (GHG); Max. 80 meter (GLG) Tussenzandlaag: Max. 120 (GHG); Max 95 (GLG)
Zettingsrisico
Ja, zie paragraaf 5.3
Overige risico’s
Nee
Opbarstrisico
Ja, zie paragraaf 3.2
Geadviseerde bemalingswijze
Bronbemaling met volledig gesleufde filters tot 6,0 m -mv en bij werkput 1 een spanningsbemaling tot 8,0 m -mv
Beschermingszone / attentiegebied i.v.m. onttrekking
Nee
Eisen conform Waterwet
Grondwateronttrekking: Vergunningsplichtig Lozing op oppervlaktewater: Niet meldings- of vergunningsplichtig
Beschermings- of kernzone van een waterkering
Ja, beschermingszone van een waterkering
Peilbuis*
31 (filter 5,0 - 6,0 m -mv)
32 (filter 5,0 - 6,0 m -mv)
MB02A (8,3 - 9,3 m -mv)
IJzer totaal (mg/l)*
7,8
13
18
IJzer 2+ (mg/l)*
7,7
13
19
Chloride (mg/l)*
310
39
1.200
Onopgeloste bestanddelen (mg/l)*
3.300
860
3.470
Overige lozingsparameters*
De overige lozingsparameters zijn opgenomen in tabel 14 en bijlage 1.
Kwaliteit grondwater*
Plaatselijk licht verhoogde waarden aan barium (van nature) en xylenen
Benodigdheid van zuiverende maatregelen*
Op basis van de gemeten waarden ijzer en onopgeloste bestanddelen zijn, bij lozing op het oppervlaktewater, naar verwachting zuiverende maatregelen noodzakelijk. Hierbij wordt erop gewezen dat bij daadwerkelijke bemaling op deze locatie de waarden in het opgepompte water hiervan kunnen afwijken door onder andere plaatselijke variatie van de bodemopbouw, de wijze en diepte van bemaling en het debiet. Verder zijn in de tussenzandlaag hoge concentraties chloride gemeten. Geadviseerd wordt om in overleg te treden met het Hoogheemraadschap van Delfland omtrent de hoge concentraties chloride gemeten in peilbuis (MB02A) en de spanningsbemaling ter plaatse van werkput 1 waarbij wordt onttrokken in dit pakket.
Kwaliteit grond*
Maximaal licht verhoogde waarden. CROW400: Basishygiëne
* Deze resultaten volgen uit het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door WSP Nederland B.V. (kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 1 juni 2022) en het geotechnisch onderzoek (kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 5 juli 2022). Het geotechnisch onderzoek is opgenomen al bijlage 1.
Inhoudsopgave Samenvatting 1.0 Inleiding
1
2.0 Gegevens en uitgangspunten 2.1 Geologie en geohydrologie 2.2 Grondwaterstanden en stijghoogtes
4 4 10
3.0 Bemalingsadvies 3.1 Uitgangspunten 3.2 Opbarstrisico 3.3 Waterbezwaar 3.4 Waterwet onttrekking
12 12 12 15 17
4.0 Lozing 4.1 Waterwet lozing 4.2 Kwaliteit lozingswater 4.3 Landelijke regelgeving
20 20 20 21
5.0 Invloed van de bemaling 5.1 Inleiding 5.2 Reikwijdte 5.3 Zettingen 5.4 Overzicht van overige risico’s 5.5 Monitoring 5.6 Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling 5.7 Kenmerken van het potentiele effect
23 23 23 26 38 39 40 41
6.0 BRL12010 6.1 Checklist gegevens 6.2 Checklist risico’s
42 42 44
Bijlage 1: Bijlage 2:
Geotechnisch onderzoek Ligging van de geplande werkputten
1.0
INLEIDING
N.V. Nederlandse Gasunie wenst de gasleiding W-514-01 nabij de Van Rijnweg (ong.) te Rijswijk te verleggen. In het kader van deze werkzaamheden heeft WSP Nederland B.V. aan Stantec B.V., gevraagd een geohydrologisch rapport op te stellen. Tabel 1: Locatiegegevens Adres
Van Rijnweg
Gemeente
Rijswijk
Provincie
Zuid-Holland
Waterschap / Hoogheemraadschap
Hoogheemraadschap van Delfland
Routekaart Gasunie
W-514-01-KR-016-A21
X-coördinaat (RD)
81.900
Y-coördinaat (RD)
448.920
Maaiveldhoogte (m NAP)
-0,8 tot 0,0
Het graven van de werkputten vindt plaats tot onder de grondwaterstand. Om de werkzaamheden in den droge uit te kunnen voeren dient bemaling toegepast te worden. Het doel van deze geohydrologische rapportage is het bepalen van het te verwachten waterbezwaar, de benodigde debieten en de reikwijdte van de geplande bemaling. Tevens wordt het opbarstrisico beschouwd en wordt een indicatie van de risico’s op zettingen gegeven, alsmede het risico op andere nadelige effecten in de omgeving. Het advies is geschreven volgens de richtlijnen van de BRL 12000. Onderstaande tabel toont de configuratie van de werkputten. Deze afmetingen zijn worst-case; bij de uitvoering dienen indien mogelijk putlengtes kleiner gehouden te worden. De ligging van de werkputten is weergegeven in bijlage 2. Tabel 2: Configuratie werkputten Deellocatie 1 Werkput
01
02
Deellocatie 2 03
04
05
06
07
Maaiveldhoogte (m NAP)
-0,6
-0,1
0,0
-0,4
-0,4
-0,2
-0,8
Afmetingen putbodem (m x m)
9 x 6,5
10 x 3,6
3,6 x 3,6
17 x 3,6
18 x 3,6
50 x 3,6
10 x 3,6
Putdiepte (m -mv)
3,0
1,5
1,5
1,6
1,8
2,3
2,2
Ontwateringsdiepte (m -mv)
3,3
1,8
1,8
1,9
2,1
2,6
2,5
13 x 6,6
6,6 x 6,6
20,2 x 6,8
21,6 x 7,2
54,6 x 8,2
14,4 x 8
Afmetingen aan maaiveld (m x m) 9 x 6,5 Talud
Sleufbekisting
1:1
1:1
1:1
1:1
1:1
1:1
Duur werkzaamheden (dagen)
28
1
1
3
3
5
3
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 1
Deellocatie 2 (vervolg) Werkput
08A
08B
09
10
11
12
13
14
Maaiveldhoogte (m NAP)
-0,2
-0,2
0,0
0,0
0,0
0,0
-0,4
-0,2
Afmetingen putbodem (m x m)
3,6 x 3,6
3,6 x 3,6
15 x 3
10 x 2
10 x 2
2 x 3,6
2 x 3,6
10 x 10
Putdiepte (m -mv)
1,8
2,0
3,8
2,3
2,3
2,0
1,8
3,2
Ontwateringsdiepte (m -mv)
2,1
2,3
4,1
2,6
2,6
2,3
2,1
3,5
Afmetingen aan maaiveld (m x m) 6,6 x 6,6
6,6 x 6,6
15 x 3
14,6 x 6,6
14,6 x 6,6
6 x 7,6
5,6 x 7,2
10 x 10
Talud
1:1
1:1
Sleufbekisting
1:1
1:1
1:1
1:1
Sleufbekisting
Duur werkzaamheden (dagen)
1
1
28
3
3
1
1
5
De volgende figuren geven de locaties van de werkputten weer.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 2
Figuur 1: Ligging van de werkputten. Eventuele representatieve boringen uit DINOloket zijn weergegeven in oranje, sonderingen van Koops Grondmechanica in geel, peilbuizen uit DINOloket in blauw en lokale boringen en peilbuizen zijn weergegeven in groen.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 3
2.0
GEGEVENS EN UITGANGSPUNTEN
2.1
GEOLOGIE EN GEOHYDROLOGIE
De volgende boringen en sonderingen nabij de werklocatie zijn bekend. Tabel 3: Gegevens boringen en sonderingen Boring
Bron
Diepte (m)
Maaiveld- hoogte (m NAP)
Datum uitvoering
01 t/m 04, 11 t/m 21, 31 en 32
WSP*
Max. 6,0
Circa -0,6 tot +4,0
Mei 2022
Ter plaatse van de werklocatie
Max. 38,0
-5,7 tot +1,0
April 2022
Ter plaatse van de werklocatie
MB01 en MB02
Max. 33,0
+0,1
April 2022
Ter plaatse van de werklocatie
B37E4837
8,0
-0,8
2016
80 meter ten westen van de werklocatie
20,0
-0,4
Nb
130 meter ten noorden van de werklocatie
19,8
-1,0
1986
320 meter ten zuiden van de werklocatie
1 t/m 8
Opmerking
Koops*
B37E0231 B37E0526 *
DINOloket
Deze resultaten volgen uit de rapportage omtrent het uitgevoerde geotechnisch onderzoek welke is opgenomen als bijlage 1 (WSP Nederland B.V., kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 5 juli 2022).
2.1.1
Lokale bodemopbouw
Onderstaande tabellen tonen de bodemopbouw die afgeleid is uit de lokaal geplaatste boringen en sonderingen, door WSP Nederland B.V. en Koops Grondmechanica B.V. uitgevoerd. Vanwege een variërende bodemopbouw is de werklocatie onderverdeeld in 2 deellocaties (zie figuur 1).
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 4
Tabel 4: Lokale bodemopbouw ter plaatse van deellocatie 1 Laagdiepte
Laagdiepte (van…tot…m NAP)
Hoofdlithologie
Bijmenging / korrelgrootte
Bijzonderheden / opmerkingen
(van…tot…m -mv) 0,0 tot 1,0
+1,0 tot 0,0
Zand
Zeer tot matig fijn; zwak siltig, laagjes klei
Opgebracht
1,0 tot 4,0
0,0 tot -3,0
Klei
Matig zandig/siltig
Plaatselijk zandlaag tot maximaal 2,0 m -NAP aanwezig
4,0 tot 5,5
-3,0 tot -4,5
Zand
Zeer fijn; zwak siltig, laagjes klei
Ontbreekt plaatselijk
5,5 tot 6,0
-4,5 tot -5,0
Veen
-
-
6,0 tot 7,5
-5,0 tot -6,5
Klei
Siltig, plantenhoudend
-
7,5 tot 10,5
-6,5 tot -9,5
Zand
Fijn
-
10,5 tot 19,0
-9,5 tot -18,0
Klei
-
Veenlaagjes van circa 0,5 meter aanwezig rond 11,5 en 15,0 m -NAP
19,0 tot 20,0
-18,0 tot -19,0
Zand
Matig grof
-
20,0 tot 20,3
-19,0 tot -19,3
Klei
-
-
20,3 tot 39,0
-19,3 tot -38,0
Zand
Matig grof
-
Bijmenging / korrelgrootte
Bijzonderheden / opmerkingen
Tabel 5: Lokale bodemopbouw ter plaatse van deellocatie 2 Laagdiepte
Laagdiepte
(van…tot…m -mv)
(van…tot…m NAP)
Hoofdlithologie
0,0 tot 2,2
+0,2 tot -2,0
Zand
Zeer tot matig fijn; zwak siltig, laagjes klei
Plaatselijk betreft dit een kleilaag
2,2 tot 3,7
-2,0 tot -3,5
Klei
Sterk siltig
Plaatselijk is een zandlaag aanwezig
3,7 tot 6,2
-3,5 tot -6,0
Zand
Fijn; kleiig
-
6,2 tot 7,2
-6,0 tot -7,0
Klei
Sterk zandig
-
7,2 tot 11,0
-7,0 tot -10,8
Zand
Fijn; sterk plantenhoudend
-
11,0 tot 17,2
-10,8 tot -17,0
Klei
-
Veenlaagjes van circa 0,5 m aanwezig rond 11,5 en 15,0 m -NAP
17,2 tot 19,2
-17,0 tot -19,0
Zand
Matig grof
-
19,2 tot 19,5
-19,0 tot -19,3
Klei
-
-
19,5 tot 38,2
-19,3 tot -38,0
Zand
Matig grof
-
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 5
2.1.2
Regionale bodemopbouw
De volgende figuur toont de representatief gestelde boringen uit DINOloket. In onderstaande tabellen wordt de bodemopbouw ter plaatse van dit grondonderzoek geschematiseerd.
Figuur 2: Boringen uit DINOloket (links: B37E4837, midden: B37E0526, rechts: B37E0231)
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 6
Tabel 6: Regionale bodemopbouw aan de hand van de gepresenteerde boringen Laagdiepte
Laagdiepte
Lithologie
Bijmenging / korrelgrootte
Bijzonderheden / opmerkingen
(van…tot…m -mv)
(van…tot…m NAP)
0,0 tot 3,1
-0,4 tot -3,5
Klei
Zandig/siltig
-
3,1 tot 4,6
-3,5 tot -5,0
Zand
Zeer tot matig fijn; siltig/kleiig
Verschilt in dikte
4,6 tot 5,6
-5,0 tot -6,0
Veen/klei
-
-
5,6 tot 9,6
-6,0 tot -10,0
Zand
Uiterst tot matig fijn; siltig
-
9,6 tot 17,6
-10,0 tot -18,0
Klei
Siltig
Zandlaag aanwezig tussen 12,7 en 14,2 m -NAP; welke plaatselijk dikker is
17,6 tot 20,4
-18,0 tot -20,8
Zand
Matig fijn
-
De volgende figuur toont een dwarsprofiel uit REGIS II v2.2; het Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem van Nederland. De gegevens uit REGIS geven de te verwachten bodemlagen en de indeling in geohydrologische eenheden in ruimtelijk perspectief weer.
Figuur 3: Hydrogeologisch model REGIS II. Dwarsdoorsnede ter plaatse van de werklocatie (van west naar oost). De donkergroene laag betreft de Holocene deklaag, donkerrood betreft een kleilaag en de roze laag is een zandafzetting.
Op basis van het geohydrologisch dwarsprofiel uit REGIS is ter plaatse van de werklocatie sprake van de volgende bodemopbouw. Tabel 7: Geohydrologische bodemopbouw (REGIS II) Laagdiepte
Laagdiepte
Lithologie
Horizontale doorlatendheid Kh (m/dag)
Weerstand c (dagen)
(van…tot…m -mv)
(van…tot…m NAP)
0,0 tot 15,9
-0,5 tot -16,4
Holoceen
-
-
15,9 tot 16,9
-16,4 tot -17,4
Klei
-
50
16,9 tot 40,5
-17,4 tot -41,0
Zand
30 - 60
-
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 7
De volgende figuur toont een dwarsprofiel uit GeoTOP v1.2. GeoTOP geeft een gedetailleerd beeld van de Nederlandse ondergrond tot een diepte van 50 meter onder maaiveld. Hierbij wordt in tegenstelling tot REGIS voor de Holocene deklaag wel een onderverdeling gemaakt. De onderverdeling is gebaseerd op geologische eenheden, maar voor de weergave van het profiel kan ook gekozen worden voor het tonen van de ‘meest waarschijnlijke lithoklasse’.
Figuur 4: Lithostratigrafisch model GeoTOP v2.1. Dwarsdoorsnede ter plaatse van de werklocatie (van west naar oost).
2.1.3
Interpretatie bodemopbouw
Op basis van bovenstaande gegevens wordt de bodemopbouw ten behoeve van de berekeningen als volgt geschematiseerd. Hierbij dient vermeld te worden dat de bodem zeer heterogeen is in de bovenste twee lagen. Vanwege een variërende bodemopbouw is de werklocatie onderverdeeld in 2 deellocaties (zie figuur 1). Voor het waterbezwaar is worst-case uitgegaan van de bodemopbouw in tabel 8 en 9. Tabel 8: Gehanteerde bodemopbouw voor deellocatie 1 Laagdiepte
Lithologie
(van…tot…m NAP)
*
Bijmenging / korrelgrootte
Horizontale doorlatendheid Kh (m/dag)
Weerstand c (dagen)
+1,0 tot -0,0*
Zand
Zeer tot matig fijn; zwak siltig, laagjes klei
2-4
-
-0,0 tot -3,0
Klei
Matig zandig/siltig
-
100 - 200
-3,0 tot -4,5
Zand
Zeer fijn; zwak siltig, laagjes klei
1-2
-
-4,5 tot -5,0
Veen
-
200 - 300
-5,0 tot -6,5
Klei
Siltig, plantenhoudend
-6,5 tot -9,5
Zand
Fijn; sterk plantenhoudend
2-4
-
-9,5 tot -18,0
Klei
-
-
800 - 1.200
-18,0 tot -19,0
Zand
Matig grof
30 - 60
-
-19,0 tot -19,3
Klei
-
-
15 - 30
Deze laag bevindt zich deels boven de maaiveldhoogte ter plaatse van de werkputten door variatie in maaiveldhoogtes.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 8
Tabel 9: Gehanteerde bodemopbouw voor deellocatie 2 Laagdiepte
Lithologie
(van…tot…m NAP)
*
Bijmenging / korrelgrootte Horizontale doorlatendheid Kh (m/dag)
Weerstand c (dagen)
+0,2 tot -2,0*
Zand
Zeer tot matig fijn; zwak siltig, laagjes klei
2-4
-
-2,0 tot -3,5
Klei
Sterk siltig
-
40 - 80
-3,5 tot -6,0
Zand
Fijn; kleiig
1-2
-
-6,0 tot -7,0
Klei
Sterk zandig
-
25 - 50
-7,0 tot -10,8
Zand
Fijn; sterk plantenhoudend
2-4
-
-10,8 tot -17,0
Klei
-
-
800 - 1.200
-17,0 tot -19,0
Zand
Matig grof
30 - 60
-
-19,0 tot -19,3
Klei
-
-
15 - 30
Deze laag bevindt zich deels boven de maaiveldhoogte ter plaatse van de werkputten door variatie in maaiveldhoogtes.
Voor het opbarstrisico en de zettingsberekeningen is worst-case uitgegaan van de bodemopbouw zoals weergegeven in hoofdstuk 5.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 9
2.2
GRONDWATERSTANDEN EN STIJGHOOGTES
Onderstaande tabel en figuren tonen de gemeten freatische grondwaterstanden en stijghoogtes. Tabel 10: Peilbuizen en grondwaterstanden Peilbuis
Filter (m NAP)
Maaiveldhoogte (m NAP)
GWS (m NAP)
GHG (m NAP)
GLG (m NAP)
Datum
02
-2,6 tot -3,6
-0,6
-2,1
-
-
13 mei 2022
11
-2,0 tot -3,0
+0,0
-1,3
-
-
13 mei 2022
-1,9 tot -2,9
+0,2
-1,3
-
-
13 mei 2022
31
-3,7 tot -4,7
-0,6*
-1,9*
-
-
13 mei 2022
32
-5,0 tot -6,0
+0,0
-1,3
-
-
13 mei 2022
16
Bron
WSP
MB01A
MB02A
-9,7 tot -10,7
Koops
MB02B
-8,2 tot -9,2
-24,9 tot -25,9
B37E3648
-0,4 tot -1,4
B37E3647
-2,5 tot -3,5
+0,1
+0,1
+0,1
+0,2
+0,3
-1,4
-1,4
-3,5
-
-
-
-
-
-0,4
-1,0
B37E0561002
*
-1,7 tot -3,7
-6,6 tot -8,6
+0,2
+0,2
-
-
-1,7
-3,3
Freatisch, ter plaatse van de werklocatie
13 mei 2022
Stijghoogte, tussenzandlaag, ter plaatse van de werklocatie
13 mei 2022
Stijghoogte, tussenzandlaag, ter plaatse van de werklocatie
-
13 mei 2022
Stijghoogte, watervoerend pakket, ter plaatse van de werklocatie
-0,6
2010 tot 2019
Freatisch, 330 meter ten westen van de werklocatie
-1,4
2010 tot 2019
Freatisch, 250 meter ten noorden van de werklocatie
-2,0
1991 tot 2011
Freatisch, 880 meter ten westen van de werklocatie
1991 tot 2011
Stijghoogte, tussenzandlaag, 880 meter ten westen van de werklocatie
-
-
DINOloket B37E0561001
Opmerking
-3,6
Betreft schatting. GPS meting was niet mogelijk i.v.m. bomen.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 10
Figuur 5: Tijdreeks van een freatische grondwaterstand gemeten in een DINO peilbuis
2.2.1
Hydrologisch systeem
Op maps.bodemdata.nl is de grondwatertrap op de werklocatie geraadpleegd. De gemiddeld hoogste grondwaterstand op basis van deze kaart is <0,2 m -mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand is <0,5 m -mv. De omliggende watergangen bevinden zich volgens het peilbesluit in een peilvak met een streefpeil van 1,25 m -NAP. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; www.ahn.nl) is een inschatting gemaakt van de waterstand in nabijgelegen oppervlaktewateren op enkele meters van het tracé. Dit betreft een momentopname, maar helpt bij de inschatten van de GLG. De waterstand betrof 1,2 m -NAP. Vanwege de aanwezigheid van een scheidende deklaag wordt een beperkte extra toevoer van bemalingswater uit de omliggende watergangen verwacht.
2.2.2
Interpretatie grondwaterstanden en stijghoogtes
Op basis van de gemeten waarden en de karakteristieken van de weergegeven meetreeks wordt een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bepaald. In de volgende tabel worden de gehanteerde waarden weergegeven. Met de tussenzandlaag wordt de zandlaag tussen 6,5 en 10,8 m -NAP bedoeld. Tabel 11: Gehanteerde grondwaterstanden Freatisch
Stijghoogte tussenzandlaag
GHG
1,0 m -NAP
1,2 m -NAP
Gemeten GWS
1,3 m -NAP
1,4 m -NAP
GLG
1,4 m -NAP
1,6 m -NAP
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 11
3.0
BEMALINGSADVIES
3.1
UITGANGSPUNTEN
In de voorgaande hoofdstukken zijn de gehanteerde uitgangspunten beschreven. Opgemerkt dient te worden dat de berekeningen benaderingen van de werkelijkheid betreffen op basis van inschattingen, puntmetingen en openbaar beschikbare informatie. De resultaten worden weergegeven binnen een bandbreedte afhankelijk van de onzekerheid van de te verwachten situatie. Deze bandbreedte wordt verkregen door te rekenen met een onder- en bovengrens van de horizontale doorlatendheid en in sommige gevallen de weerstand van slechtdoorlatende lagen.
3.2
OPBARSTRISICO
Indien zich onder de bouwputbodem een slecht doorlatende laag bevindt, bestaat er een risico dat als gevolg van de waterdruk aan de onderzijde van deze laag de bouwputbodem opbarst of dat er welvorming optreedt. Het meest kritieke punt voor opbarsten is het midden van de werkput op een zo groot mogelijke afstand van het talud. Het opbarstrisico wordt bepaald door de verhouding tussen de netto opwaartse druk (Po) door waterspanning en de netto neerwaartse (Pn) druk door bovenliggende grondlagen in dit punt. Voor de opwaartse druk is de bovenkant van de zandlaag als opbarstniveau genomen en is uitgegaan van de GHG stijghoogte in deze zandlaag. Voor het bepalen van de neerwaartse druk van de (resterende) afsluitende lagen is een gewogen gemiddelde berekend van het volumegewicht van de verschillende bodemlagen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het deels verzadigde en deels onverzadigde volumegewicht van de resterende bodemlagen onder de bodem van de werkput, γg (d2), en het onverzadigde volumegewicht van de bodemlagen in het talud, γg (d1). Conform de NEN 9997-1 (Eurocode 7) wordt het volumiek gewicht vermenigvuldigt met een partiële materiaalfactor van 0,9.
Afhankelijk van de maximale afstand van het midden van de werkput tot het talud, (b), de breedte van het talud (a), en de dikte van de resterende bodemlagen onder de werkput telt het talud met een factor (f) mee voor de totale neerwaartse druk. Coëfficiënt f is een maat voor de spreiding van de belasting onder de bodem van de werkput. Er is sprake van een opbarstrisico als de opwaartse druk van het spanningswater groter is dan de neerwaartse druk van de afsluitende lagen (in dat geval is veiligheidsfactor Vf < 1,0). Ter plaatse van de werkputten wordt van maaiveld tot circa 7,0 à 8,0 m -NAP slecht doorlatende lagen bestaande uit veen en klei verwacht. De veen- en kleilagen worden afgewisseld met zandlagen. Bij de geplande ontgraving resteert (een deel van) deze slecht doorlatende (dek)laag onder de putbodem. Direct onder deze laag bevindt zich een zandpakket met een te verwachten GHG stijghoogte van 1,2 m -NAP. Geadviseerd wordt om volledig gesleufde filters toe te passen, zodat eventueel aanwezige kleilagen boven de tussenzandlaag niet opbarsten. De tussenzandlaag kan mogelijk nog opbarsten. Berekeningen ter bepaling van het opbarstrisico vanuit de tussenzandlaag zijn daarom uitgevoerd. Het resultaat is weergegeven in de volgende figuur.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 12
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 13
Figuur 6: Berekening opbarstrisico
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 14
Werkput 1 De resultaten in de voorgaande figuur laten zien dat er onder de huidige configuratie van werkput 1 in een situatie met GHG stijghoogte niet aan de veiligheidseis wordt voldaan bij de ontgraving van de werkput, tenzij de stijghoogte middels een spanningsbemaling wordt verlaagd tot een niveau van 1,4 m -mv (2,0 m -NAP). De verlaging ten opzichte van GHG stijghoogte bedraagt in dat geval 0,8 meter en ten opzichte van GWS en GLG stijghoogte bedraagt de verlaging respectievelijk 0,6 en 0,4 meter. Werkput 2 t/m 14 De resultaten in de voorgaande figuur laten zien dat er onder de huidige configuratie van werkputten 2 t/m 13 in een situatie met GHG stijghoogte aan de veiligheidseis wordt voldaan bij de ontgraving van de werkput.
3.3
WATERBEZWAAR
Op basis van de reeds beschreven geologie, geografie en de geohydrologie is een numeriek grondwatermodel opgesteld met het programma MicroFEM. Dit is een finite element model. Bij de modellering is rekening gehouden met een initieel kortdurend hoger debiet om de benodigde verlaging binnen enkele dagen te realiseren. De boven- en ondergrens van het debiet worden berekend door te rekenen met twee verschillende Kh-waarden welke in tabel 8 en 9 zijn weergegeven.
3.3.1
Bemalingstype
Algemeen Voor de uitvoering van een bemaling kan gekozen worden voor een ondiepe open bemaling middels een dompelpomp of drain (in freatisch pakket, lage debieten, lage doorlatendheden, kleiig pakket of dunne zandlaag), bronbemaling middels verticale filters (freatisch pakket, hoge debieten, hoge doorlatendheden, dikker zandpakket) of spanningsbemaling middels diepe filters (in combinatie met de twee eerder genoemde bemalingen, uitgevoerd in het watervoerende pakket onder de deklaag waarbij opbarsten een risico is). Uitgangspunt uitgevoerde berekening Bij de berekening van het waterbezwaar is uitgegaan van bronbemaling met volledig gesleufde filters tot 6,0 m -mv zodat een ontwateringsdiepte van 0,3 m -putbodem bereikt kan worden en opdat een eventueel opbarstingsrisico wordt gecompenseerd. Tevens dient ter plaatse van werkput 1 spanningsbemaling uitgevoerd te worden met filters tot 8,0 m -mv. Het definitieve ontwerp van de bronneringsinstallatie is ter keuze van de aannemer.
3.3.2
Bemalingsduur
Om de initiële grondwaterstandverlaging te realiseren is in geval van bronbemaling een voorbemaling nodig. Voor de berekening van het waterbezwaar wordt uitgegaan van een dag extra bemalingsdagen voor het voorbemalen van de werkputten. Na een dag voorbemalen (met een extra hoog debiet) zijn de werkputten droog en kunnen de werkzaamheden van start gaan. De te verwachten duur van de werkzaamheden is gegeven door de opdrachtgever en bedraagt 45 dagen. Samen met de voorbemaling (een dag) vormt dit een totale bemalingsduur van 46 kalenderdagen. Werkput 1 en 9 worden als eerste bemalen, daarna volgen de andere werkputten. Er staan steeds twee werkputten in bemaling. Hier is bij de berekening van het waterbezwaar rekening mee gehouden.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 15
3.3.3
Waterbezwaar
Onderstaande tabellen geven het te verwachten waterbezwaar weer voor een bemaling onder GHG en GLG. Het totale debiet van alle werkputten gezamenlijk is afgerond op 50 m3. Tabel 12: Het berekende waterbezwaar op basis van de te verwachten GHG Werkput
Bemalingsduur (dagen)
Benodigde verlaging (m)
Initieel debiet (m3/dag)
Stationair debiet (m3/dag)
Spanningsbemaling (m3/dag)
Totaal waterbezwaar (m3)
1
1 + 28
2,9 / 0,8
70 - 140
55 - 110
10 - 20
1.900 - 3.800
2
1+1
0,9
20 - 40
15 - 30
-
35 - 70
3
1+1
0,8
20 - 40
15 - 30
35 - 70
4
1+3
1,3
60 - 120
50 - 100
210 - 420
5
1+3
1,5
110 - 220
90 - 180
380 - 760
6
1+5
1,8
165 - 330
130 - 260
815 - 1.630
7
1+3
2,3
95 - 190
75 - 150
320 - 640
8A
1+1
1,3
25 - 50
20 - 40
45 - 90
8B
1+1
1,5
30 - 60
25 - 50
55 - 110
9
1 + 28
3,1
70 - 140
55 - 110
1.610 - 3.220
10
1+3
1,6
60 - 120
50 - 100
210 - 420
11
1+3
1,6
45 - 90
35 - 70
150 - 300
12
1+1
1,3
30 - 60
25 - 50
55 - 110
13
1+1
1,5
50 - 100
40 - 80
90 - 180
14
1+5
2,7
140 - 280
110 - 220
690 - 1.380
Totaal
6.600 - 13.200
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 16
Tabel 13: Het berekende waterbezwaar op basis van de te verwachten GLG Werkput
Bemalingsduur (dagen)
Benodigde verlaging (m)
Initieel debiet (m3/dag)
Stationair debiet (m3/dag)
Spanningsbemaling (m3/dag)
Totaal waterbezwaar (m3)
1
1 + 28
2,5 / 0,4
55 - 110
45 - 90
5 - 10
1.460 - 2.920
2
1+1
0,5
15 - 30
10 - 20
-
25 - 50
3
1+1
0,4
15 - 30
10 - 20
25 - 50
4
1+3
0,9
40 - 80
30 - 60
130 - 260
5
1+3
1,1
80 - 160
65 - 130
275 - 550
6
1+5
1,4
125 - 250
100 - 200
625 - 1.250
7
1+3
1,9
75 - 150
60 - 120
255 - 510
8A
1+1
0,9
20 - 40
15 - 30
35 - 70
8B
1+1
1,1
25 - 50
20 - 40
45 - 90
9
1 + 28
2,7
55 - 110
45 - 90
1.315 - 2.630
10
1+3
1,2
45 - 90
35 - 70
150 - 300
11
1+3
1,2
40 - 80
30 - 60
130 - 260
12
1+1
0,9
20 - 40
15 - 30
35 - 70
13
1+1
1,1
40 - 80
30 - 60
70 - 140
14
1+5
2,3
55 - 110
95 - 190
530 - 1.060
Totaal
5.100 - 10.200
Het maximaal benodigde debiet wordt bij het opstarten van de bemaling van de werkput gerealiseerd. Bij de keuze voor de bronneringsinstallatie dient, bij een worst-case benadering, rekening gehouden te worden met de maximale benodigde capaciteit (GHG). Bij bemaling onder GHG kan het debiet maximaal 330 m3 per dag ofwel circa 13 m3 per uur bedragen (worst-case, initieel debiet). Het gemiddelde te verwachten ‘stationaire’ debiet ten tijde van de bemaling bedraagt circa 5 m3 per uur (GHG) en 4 m3 per uur (GLG).
3.4
WATERWET ONTTREKKING
Voor zowel het onttrekken van grondwater als het lozen van het opgepompte grondwater is sinds 22 december 2009 het waterschap het bevoegd gezag. Het waterschap moet van zowel de onttrekking als de lozing in de bodem of op het oppervlaktewater op de hoogte worden gebracht. Dit kan door het indienen van een schriftelijke melding dan wel een vergunningsaanvraag bij het lokale waterschap. De werklocatie ligt in het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Delfland. Uit contact met bevoegd gezag (Arjan Zonneveld, d.d. 2 maart 2022) blijkt dat de regels uit de keur niet juist zijn. De ‘Uitvoeringsregels op grond van de keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem’ (kenmerk: Corsa 20.041820, d.d. 1 juni 2020) zijn leidend. Het is verboden om zonder vergunning grondwater aan de bodem te onttrekken of water te infiltreren. Wel kan in een groot aantal gevallen met een melding worden volstaan.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 17
Allereerst dient vastgesteld te worden waar de onttrekking zich bevindt: a) Kern- en/of beschermingszone van een waterkering. b) Provinciaal milieubeschermingsgebied. c) Kwetsbaar gebied voor grondwateronttrekking. d) Overige gebieden. Hieronder worden de regels per gebiedstype toegelicht. Grondwateronttrekkingen in Kern- en/of beschermingszone van een waterkering zijn altijd vergunningsplichtig. Grondwateronttrekkingen in provinciale milieubeschermingsgebieden zijn altijd vergunningsplichtig, tenzij: a) de bemaling duurt korter dan 6 maanden, tenzij het kabels- en/of leidingenwerk betreft, en; b) het debiet kleiner is dan 5 m3/uur, 2.500 m3/maand of 5.000 m3/jaar of de onttrekking minder lang duurt dan 3 maanden, of; c) het debiet kleiner is dan 10 m3/uur, 5.000 m3/maand of 20.000 m3/jaar. Indien punt b) van toepassing is dan geldt de zorgplicht met meldplicht op o.b.v. Waterbesluit. Indien punt c) van toepassing is dan geldt de algemene regel met meldplicht, tenzij de locatie zich bevindt in een strategische watervoorraad en het water niet volledig wordt geretourneerd, dan geldt de algemene regel met maatwerk.
Grondwateronttrekkingen in kwetsbare gebieden voor grondwateronttrekkingen zijn altijd vergunningsplichtig, tenzij: a) de bemaling duurt korter dan 6 maanden, tenzij het kabels- en/of leidingenwerk betreft, en; b) het debiet kleiner is dan 5 m3/uur, 2.500 m3/maand of 5.000 m3/jaar of de onttrekking minder lang duurt dan 3 maanden, of; c) als het debiet kleiner is dan 35 m3/uur, 10.000 m3/maand of 30.000 m3/jaar. Indien punt b) van toepassing is dan geldt de zorgplicht met meldplicht op o.b.v. Waterbesluit. Indien punt c) van toepassing is dan geldt de algemene regel met meldplicht, tenzij de locatie zich bevindt in een strategische watervoorraad en het water niet volledig wordt geretourneerd, dan geldt de algemene regel met maatwerk. Grondwateronttrekkingen in overige gebieden zijn altijd vergunningsplichtig, tenzij: a) de bemaling duurt korter dan 6 maanden, tenzij het kabels- en/of leidingenwerk betreft, en; b) het debiet kleiner is dan 10 m3/uur, 5.000 m3/maand of 12.000 m3/jaar, of; c) het debiet kleiner is dan 100m3/uur, 40.000 m3/maand of 100.000 m3/jaar. Indien punt b) van toepassing is dan geldt de zorgplicht met meldplicht op o.b.v. Waterbesluit.
Indien punt c) van toepassing is dan geldt de algemene regel met meldplicht, tenzij de locatie zich bevindt in een strategische watervoorraad en het water niet volledig wordt geretourneerd, dan geldt de algemene regel met maatwerk. Conform artikel 30 van de algemene regels behorende bij de Keur van Delfland is het volgende ook van toepassing. Een vrijstelling voor een meldplicht geldt indien niet meer dan 1 m 3 per uur wordt onttrokken buiten een milieubeschermingsgebied.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 18
Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 30, derde tot en met achtste lid: Algemeen 1. stemt de grondwateronttrekking af op de voortgang van de werkzaamheden zodat het onttrekkingsdebiet en het waterbezwaar worden geminimaliseerd; 2. retourneert 100% van het onttrokken grondwater als dit grondwater afkomstig is vanuit de strategische zoetwatervoorraad; 3. veroorzaakt geen schade aan het watersysteem; 4. draagt er zorg voor dat bij elk ontgravingsniveau sprake is van een verticale stabiliteit van de ontgraving; 5. begint met de onttrekking binnen 1 jaar na de melding; Calamiteiten 6. doet onmiddellijk een telefonische en schriftelijke kennisgeving aan het bestuur van het ontstaan van schade voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen, of van een dreiging tot het ontstaan van dergelijke schade; 7. stopt met de onttrekking op eerste aanzegging van het bestuur in een geval als bedoeld in het zesde lid; 8. diegene die grondwater onttrekt ten behoeve van het blussen van een brand doet hiervan een mededeling uiterlijk vier weken na het beëindigen van de onttrekking aan Delfland; Aanbrengen putten en peilbuizen 9. brengt peilbuizen en bronnen zodanig aan dat via het boorgat geen grondwaterstroming kan optreden tussen watervoerende pakketten; 10. dicht de bronnen of peilputten direct na beëindiging van de grondwateronttrekking; 11.
herstelt bij het dichten van bronnen en peilputten het oorspronkelijke bodemprofiel. Werkputten 3, 4 en 5 bevinden zich binnen een beschermingszone van een waterkering, zoals te zien is in onderstaande figuur.
Figuur 7: Waterkering met in het roze een waterstaatswerk en in het groen de beschermingszone van de waterkering
Op basis van de werklocatie is onderhavige onttrekking vergunningsplichtig in het kader van de Waterwet. De meet- en registratieplicht is hierbij van kracht. Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 19
4.0
LOZING
Bij lozing van bemalingswater moet eerst bepaald worden of lozing op oppervlaktewater mogelijk is voordat er op riolering geloosd gaat worden.
4.1
WATERWET LOZING
Voor het water brengen in en onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam is geen vergunning op grond van artikel 3.2 van de Keur Delfland nodig indien: a. het brengen, of onttrekken van water binnen hetzelfde peilgebied plaatsvindt; b. het debiet van één perceel op één oppervlaktewaterlichaam niet meer bedraagt dan 100 m³ per uur, en; c. de onttrekking niet tot doel heeft een peil permanent in stand te houden. Diegene die water brengt, of onttrekt als bedoeld in artikel 28: a. belemmert de aan- of afvoer van oppervlaktewaterlichamen niet; b. wijzigt of beschadigt geen waterstaatswerken, en c. verontreinigt het oppervlaktewaterlichaam niet. Op basis van het te verwachten waterbezwaar is lozing op oppervlaktewateren niet meldings- of vergunningsplichtig in het kader van de Waterwet.
4.2
KWALITEIT LOZINGSWATER
De kwaliteit van het lozingswater is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 14: Kwaliteit lozingswater Freatisch
Tussenzandlaag
Watervoerend pakket
Peilbuis 31 (5,0 - 6,0 m -mv)
Peilbuis 32 (5,0 - 6,0 m -mv)
Peilbuis MB01A (9,8 - 10,8 m -mv)
Peilbuis MB02A Peilbuis MB02B (8,3 - 9,3 m -mv) (25 - 26 m -mv)
IJzer totaal (mg/l)*
7,8
13
8,2
18
17
IJzer 2+ (mg/l)*
7,7
13
3,9
19
19
Chloride (mg/l)*
310
39
290
1.200
900
Onopgeloste bestanddelen / Indamprest (mg/l)*
3.300
860
1.450
3.470
2.280
* Deze resultaten volgen uit het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door WSP Nederland B.V. (kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 1 juni 2022) en het geotechnisch onderzoek (kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 5 juli 2022). Het geotechnisch onderzoek is opgenomen als bijlage 1.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 20
Tabel 14: Kwaliteit lozingswater (vervolg) Freatisch
Tussenzandlaag
Watervoerend pakket
Peilbuis 31 Peilbuis 32 (5,0 - 6,0 m -mv) (5,0 - 6,0 m -mv)
Peilbuis MB01A (9,8 - 10,8 m -mv)
Peilbuis MB02A (8,3 - 9,3 m -mv)
Peilbuis MB02B (25 - 26 m -mv)
Arseen (μg/l)*
<5
<5
10
1,9
<1
Barium (μg/l)*
51
28
-
-
-
Cadmium (μg/l)*
< 0,2
< 0,2
-
-
-
Kobalt (μg/l)*
<2
<2
-
-
-
Koper (μg/l)*
<2
<2
-
-
-
Kwik (μg/l)*
< 0,05
< 0,05
-
-
-
Lood (μg/l)*
<2
<2
-
-
-
Mangaan (μg/l)*
1.200
2.000
750
1.100
780
Molybdeen (μg/l)*
<2
<2
-
-
-
Nikkel (μg/l)*
<3
<3
-
-
-
Zink (μg/l)*
16
< 10
-
-
-
Ammonium (mg/l)*
19
1,2
-
-
-
Sulfide (totaal) (mg/l)*
< 0,1
< 0,1
-
-
-
Fosfor (totaal) (mgP/l)*
7,7
4,1
-
-
-
Stikstof-totaal (mgN/l)*
18
2,0
28
42
16
Sulfaat (mg/l)*
<5
260
-
-
-
* Deze resultaten volgen uit het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door WSP Nederland B.V. (kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 1 juni 2022) en het geotechnisch onderzoek (kenmerk SOL018929MK-B, d.d. 5 juli 2022). Het geotechnisch onderzoek is opgenomen als bijlage 1.
Op basis van de gemeten waarden aan ijzer en onopgeloste bestanddelen zijn, bij lozing op oppervlaktewater, naar verwachting zuiverende maatregelen noodzakelijk. Hierbij wordt erop gewezen dat bij daadwerkelijke bemaling op deze locatie de waarden in het opgepompte water hiervan kunnen afwijken door onder andere plaatselijke variatie van de bodemopbouw, de wijze en diepte van bemaling en het debiet. Verder zijn in de tussenzandlaag hoge concentraties chloride gemeten. Geadviseerd wordt om in overleg te treden met het Hoogheemraadschap van Delfland omtrent de hoge concentraties chloride gemeten in peilbuis (MB02A) en de spanningsbemaling ter plaatse van werkput 1 waarbij wordt onttrokken in dit pakket.
4.3
LANDELIJKE REGELGEVING
Voor lozingen van grondwater buiten inrichtingen is met ingang van 1 juli 2011 het Besluit lozen buiten inrichtingen in werking getreden. Naast deze landelijke regelgeving kunnen waterschappen als onderdeel van de Waterwet nog aanvullende eisen stellen aan de lozing in de bodem of op oppervlaktewater. Voor directe lozingen op het oppervlaktewater en op de rioolwaterzuiveringsinstallatie is de waterkwaliteitsbeheerder (het waterschap of Rijkswaterstaat) bevoegd gezag. Voor deze locatie is dit het Hoogheem-
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 21
raadschap van Delfland. Voor alle lozingen in de schoonwater- en vuilwaterriolering (indirecte lozingen) en lozingen op of in de bodem is de gemeente bevoegd gezag. In dit geval gemeente Rijswijk. Het te lozen grondwater moet op een doelmatige wijze bemonsterd kunnen worden. Voor alle lozingen geldt bovendien een algemene zorgplicht.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 22
5.0
INVLOED VAN DE BEMALING
5.1
INLEIDING
Ten gevolge van de voorgenomen bemaling wordt de grondwaterstand in de omgeving van de werkputten tijdelijk verlaagd. Dit kan leiden tot negatieve effecten, zoals bijvoorbeeld zettingen van bebouwing, het optreden van droogteschade aan gewassen of het verplaatsen van verontreinigingen. In hoofdstuk 6.0 is de checklist BRL 12010 bijgevoegd met een specificatie welke potentiële risico’s van toepassing zijn.
5.2
REIKWIJDTE
De reikwijdte moet worden gezien als een worst-case-benadering, die tijdsafhankelijk is en pas maximaal is op de laatste dag van de bemaling. Dit is een theoretische reikwijdte die in de praktijk mogelijk kleiner is door de voeding van het freatische pakket met infiltrerend hemelwater (het neerslagoverschot) of beperkt wordt door nabijgelegen oppervlaktewater. De bemaling van de diverse werkputten vindt in een periode van 46 dagen plaats. De theoretische reikwijdte (0,05 meter verlagingscontour) van de tijdelijke verlaging van de grondwaterstand en de 0,5 meter verlagingscontour bij bemaling onder GHG en GLG zijn weergegeven in onderstaande figuren. Figuur 7 weergeeft de freatische verlagingen en figuur 8 weergeeft de verlagingen in de tussenzandlaag.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 23
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 24
Figuur 8: Theoretisch invloedsgebied (verlagingscontour 0,05 meter en 0,5 meter) bij bemaling onder GHG (rode lijnen) en GLG (gele lijnen)
Figuur 9: Theoretisch invloedsgebied in de tussenzandlaag (verlagingscontour 0,05 meter en 0,5 meter) bij bemaling onder GHG (bruine lijnen) en GLG (oranje lijnen)
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 25
5.3
ZETTINGEN
Zettingen kunnen optreden in zettingsgevoelige lagen als de grondwaterstand of de stijghoogte daalt tot beneden de GLG. De verlaging van het grondwater reikt tot onder de GLG. De freatische GLG en de GLG in de tussenzandlaag is in paragraaf 2.2.2 weergegeven. Ten tijde van de voorgenomen bemaling wordt de freatische grondwaterstand ter plaatse van de werklocatie tijdelijk verlaagd tot onder het natuurlijke niveau. In paragraaf 2.1 is aan de hand van lokale en regionale boringen en sonderingen een zettingsgevoelige klei- of veenlaag aangetoond. Gezien de voorgenomen verlaging ten opzichte van de GLG, de diepteligging van zettingsgevoelige lagen, de duur van de bemaling en de theoretische reikwijdte, is er een risico op zettingen van de aanwezige bebouwing inclusief eventuele aanbouw, de waterkering en wegen, alsmede kabel- en leidingen. Om inzicht te verkrijgen in de zettingsrisico’s zijn zettingsberekeningen uitgevoerd.
5.3.1
Berekeningsmethode
De berekeningen zijn uitgevoerd met de methode Koppejan. Bij deze methode gaat men ervan uit dat de zettingen afhankelijk zijn van de relatieve toename van de korrelspanningen en dat zettingen tijdsafhankelijk zijn. Zettingen ontstaan door een toename van de korrelspanningen. Een deel van de zettingen wordt veroorzaakt door consolidatie en een deel door kruip. De gebruikte parameters zijn gebaseerd op tabel 2.b van NEN 9997-1. De snelheid van het consolidatieproces is afhankelijk van de aaneengesloten dikte en de verticale doorlatendheid van de zettingsgevoelige lagen. Met de in CUR 162 ‘Construeren met grond’ gepresenteerde formules en vuistregels is de grootte van de tijdsafhankelijke zetting bepaald.
5.3.2
Uitgangspunten zettingsberekening
De verlaging ten opzichte van de GLG is het grootst bij bemaling onder GLG-condities. Zodoende is de zetting in deze situatie maatgevend. Een belangrijk aandachtspunt bij de uitvoering van de bemaling is dat deze gestuurd wordt op het gewenste ontwateringsniveau en de benodigde verlaging van de stijghoogte en niet op het (worst-case) berekende debiet.
Bodemopbouw De locatie is opgedeeld in vier delen, voor elk deel is een aparte bodemopbouw gehanteerd. Voor de bodemopbouw ter plaatse van schuur op de Van Zijlweg 12 wordt uitgegaan van sondering DKP1 uit het geotechnisch onderzoek van Koops en boring 32 uit het bodemonderzoek van WSP. Deze is voor de zettingen maatgevend. De bodemopbouw is weergegeven in onderstaande tabel. Ter plaatse van verhardingen is rekening gehouden met de opbouw van de constructie.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 26
Tabel 15: Bodemopbouw op basis van sondering DKP1 van Koops en boring 32 van WSP t.p.v. de schuur op de Van Zijlweg 12 te Rijswijk Laagdiepte (van…tot…m -mv)
Laagdiepte (van…tot…m NAP)
Lithologie
Bijmenging / korrelgrootte
0 tot 0,3
-0,4 tot -0,7
Klei
Matig zandig
0,3 tot 0,8
-0,7 tot -1,2
Zand
Sterk siltig; kleiig
0,8 tot 2,9
-1,2 tot -3,3
Klei
Matig fijn; matig siltig
2,9 tot 5,9
-3,3 tot -6,3
Zand
Matig fijn; zwak siltig
5,9 tot 6,3
-6,3 tot -6,7
Klei
-
6,3 tot 10,3
-6,7 tot -10,7
Zand
-
10,3 tot 14,6
-10,7 tot -16,5
Klei
-
14,6 tot 15,1
-15,0 tot -15,5
Veen
-
15,1 tot 16,1
-15,5 tot -16,5
Klei
-
16,1 tot 29,6
-16,5 tot -30,0
Zand
-
Voor de bodemopbouw ter plaatse van de waterkering en werkput 1 t/m 3 wordt uitgegaan van sondering DKP7 en boring MB02 uit het geotechnisch onderzoek van Koops voor de noordzijde direct ten oosten van werkput 3. Voor de zuidzijde direct ten noordwesten van werkput 4 wordt uitgegaan van sondering CPT000000182581 uit het DINOloket. Deze is voor de zettingen maatgevend. De bodemopbouw is weergegeven in onderstaande tabel. Ter plaatse van verhardingen is rekening gehouden met de opbouw van de constructie. Tabel 16: Bodemopbouw op basis van sondering DKP7 en boring MB02 van Koops t.p.v. de noordzijde van de waterkering en werkput 1 t/m 3 Laagdiepte (van…tot…m -mv)
Laagdiepte (van…tot…m NAP)
Lithologie
Bijmenging / korrelgrootte
0 tot 5,2
0,2 tot -5,0
Klei
Zwak tot sterk organisch
5,2 tot 5,7
-5,0 tot -5,5
Veen
Slap
5,7 tot 7,2
-5,5 tot -7,0
Klei
Zwak tot sterk zandig
7,2 tot 10,2
-7,0 tot -10,0
Zand
Matig grof
10,2 tot 15,2
-10,0 tot -15,0
Klei
Zandig
15,2 tot 15,7
-15,0 tot -15,5
Veen
Vast
15,7 tot 26,9
-15,5 tot -26,7
Zand
Matig grof; kleiig
Tabel 17: Bodemopbouw op basis van sondering CPT000000182581 uit het DINOloket t.p.v. de zuidzijde van de waterkering Laagdiepte (van…tot…m -mv)
Laagdiepte (van…tot…m NAP)
Lithologie
Bijmenging / korrelgrootte
0,0 tot 7,2
0,2 tot -7,0
Klei
Organisch, laagjes zand mogelijk
7,2 tot 9,2
-7,0 tot -9,0
Zand
-
9,2 tot 10,2
-9,0 tot -10,0
Klei
-
10,2 tot 11,2
-10,0 tot -11,0
Veen
-
11,2 tot 17,2
-11,0 tot -17,0
Klei
-
17,2 tot 18,2
-17,0 tot -18,0
Zand
-
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 27
Voor de bodemopbouw ter plaatse van werkput 14 wordt uitgegaan van boring 21 uit het bodemonderzoek van WSP en sondering CPT000000176824 uit het DINOloket. Deze is voor de zettingen maatgevend. De bodemopbouw is weergegeven in onderstaande tabel. Ter plaatse van verhardingen is rekening gehouden met de opbouw van de constructie. Tabel 18: Bodemopbouw op basis van boring 21 van WSP en sondering CPT000000176824 uit het DINOloket t.p.v. werkput 14 Laagdiepte (van…tot…m -mv)
Laagdiepte (van…tot…m NAP)
Lithologie
Bijmenging / korrelgrootte
0 tot 1,5
-0,2 tot -1,7
Zand
Matig fijn; zwak siltig
1,5 tot 1,9
-1,7 tot -2,1
Klei
Zwak tot sterk siltig
1,9 tot 3,1
-2,1 tot -3,3
Zand
Zeer fijn; zwak siltig
3,1 tot 7,8
-3,3 tot -8,0
Klei
Laagjes zand mogelijk
7,8 tot 14,8
-8,0 tot -15,0
Zand
-
14,8 tot 15,8
-15,0 tot -16,0
Veen
-
15,8 tot 18,8
-16,0 tot -19,0
Zand
-
Grondwaterstanden en verlagingen Ten tijde van de voorgenomen bemaling wordt de freatische grondwaterstand tot onder de GLG-waarden verlaagd. In onderstaande figuur zijn de GLG verlagingscontouren opgenomen van werkputten die zich nabij kwetsbare infrastructuur bevinden. Dit betekent dat voor verschillende fietspaden geen zettingsberekeningen zijn uitgevoerd.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 28
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 29
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 30
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 31
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 32
Figuur 10: Theoretisch invloedsgebied (verlagingscontouren) bij bemaling onder GLG in het freatisch pakket
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 33
In de volgende tabel zijn de belangrijkste gegevens en uitgangspunten ter plaatse van de locaties of objecten waarvan de zettingen worden berekend gepresenteerd. Naast de GLG zijn dit de berekende verlaging ten opzichte van de GLG, de bemalingsduur en de maaiveldhoogte. Deze laatste waarde wordt gebruikt om de actuele korrelspanningen te berekenen. Tabel 19: Locatiespecifieke gegevens Object
Bemalingsduur (dagen)
Maaiveld (m NAP)
Max. verlaging (m)
Werkput 1
29
-0,6
2,5 / 0,4
Weg bij werkput 1 (Van der Kooijweg)
29
0,7
2,5 / 0,4
Werkput 9 (nabij Van Zijlweg 12)
29
+0,0
2,7
Werkput 14 (Princes Beatrixlaan)
6
-0,2
2,3
Schuur op Van Zijlweg 12
31
-0,4
0,4
Zuidzijde waterkering (direct naast werkput 4)
4
-0,1
0,9
Zuidzijde waterkering (kruin)
4
+0,3
0,2
Noordzijde waterkering (direct naast werkput 3)
31
+0,0
0,4
Noordzijde waterkering (kruin)
31
+0,3
0,1
5.3.3
Berekende zettingen en conclusies
Bij de te verwachten grondwaterstands- en stijghoogteverlaging zijn de volgende maximale maaiveldzettingen berekend. Gezien de te verwachten variaties in de geotechnische parameters worden de zettingen weergegeven als een bandbreedte. Tabel 20: Berekende maaiveldzettingen Object
Maaiveld (m NAP)
Max. verlaging (m)
Zetting (mm)
Werkput 1
-0,6
2,5
30 - 65
Weg naast werkput 1 (van der Kooijweg)
0,7
2,5
20 - 40
Werkput 9 (nabij Van Zijlweg 12)
0,0
2,7
15 - 35
Werkput 14 (Princes Beatrixlaan)
-0,2
2,3
6 - 11
Schuur op Van Zijlweg 12
-0,4
0,4
2-4
Zuidzijde waterkering (direct naast werkput 4)
-0,1
0,9
2-4
Zuidzijde waterkering (kruin)
0,3
0,2
<1
Noordzijde waterkering (direct naast werkput 3)
0,0
0,4
1-2
Noordzijde waterkering (kruin)
0,3
0,1
<1
Bebouwing Fundering op betonnen palen Bij gebouwen die zijn gefundeerd op palen treedt geen directe zetting van de fundering op, maar kan de negatieve kleefbelasting op de palen wel toenemen. Gezien de dikte van de slappe lagen is de toename van de negatieve kleefbelasting gering ten opzichte van de nuttige paalbelasting en de draagkracht. In deze situatie is de invloed van dit aspect praktisch gezien niet van invloed.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 34
Fundering op houten palen Bij gebouwen die zijn gefundeerd op houten palen waarbij de grondwaterstand tot onder de paalkop wordt verlaagd, kan houtrot optreden hetgeen resulteert in een afname van de draagkracht van de palen. Houtrot treedt op wanneer houten palen langdurig in aanraking komen met zuurstof. Indien in het verleden al houtrot is opgetreden, kan de extra belasting op de palen die ontstaat door een toename van de negatieve kleefbelasting mogelijk niet door de palen worden opgenomen waardoor schade kan ontstaan. De kop van houten palen staan doorgaans op circa 0,5 meter onder de laagste grondwaterstand. Aangezien de verlaging t.p.v. het pand 0,4 meter bedraagt, kan er dus geen sprake zijn van droogstand. Fundering op staal Indien de gebouwen op staal zijn gefundeerd, kunnen de berekende zettingen mogelijk niet door de constructie worden opgenomen. Als gevolg van de zettingen kan schade ontstaan, echter is dit mede afhankelijk van de constructieve staat van de panden en het type gebouw (beton, staal, metselwerk). Bebouwing binnen het invloedsgebied Binnen het invloedsgebied van de bemaling staan meerdere gebouwen op het adres Van Zijlweg 12. De maximale zetting die bij de schuur wordt berekend is 4 mm. Bij het woonhuis is de verwachte zetting kleiner dan 3 mm. De funderingswijze van de gebouwen is niet bekend.
Conclusie bebouwing Voor de kans op schade zijn met name de verschilzettingen van belang. Voor de verschilzettingen is uitgegaan van de helft van de te verwachten zettingen. Bij de Zijlweg 12 is een maximale zetting van 4 mm berekend. Uitgaande van een afstand van 3,0 m tussen de funderingselementen is de maximaal te verwachten hoekverdraaiing circa 1:1.500 (2,0 mm over 3.000 mm) zijn. Volgens bijlage H van NEN 9997-1 is een relatieve hoekverdraaiing van 1:500 vrijwel altijd toelaatbaar. Conform de F3O richtlijn ‘Onderzoek en beoordeling van funderingen op staal (ondiepe funderingen)’ is bij een scheefstand van minder dan 1:300 de kans op schade ‘nihil’. De berekende hoekverdraaiing van 1:1.500, is naar verwachting toelaatbaar. Bij de berekende zetting van 4 mm wordt geen schade aan de Zijlweg verwacht, ervan uitgaande dat er geen sprake is van een fundering op staal met aanbouw op palen. De funderingswijze van de gebouwen is niet bekend. De invloed van de berekende zettingen op de bebouwing is afhankelijk van de funderingswijze. Indien de bebouwing op palen is gefundeerd, wordt hiervan geen zetting verwacht. Indien het gebouw op staal is gefundeerd, zijn de berekende zettingen naar verwachting wel toelaatbaar. Er is bij de schuur naar verwachting geen sprake van een fundering op staal met een aanbouw op palen (of andersom).
Om onterechte schadeclaims te voorkomen wordt geadviseerd een bouwkundige vooropname te doen. In de zettingsberekeningen is geen rekening gehouden met eventueel eerder uitgevoerde bemalingen. In dat geval zullen de zettingen aanzienlijk kleiner of te verwaarlozen zijn, echter is dit met de beschikbare gegevens niet te zeggen.
ZW Landhoofd - Viaduct Van Rijnweg De maximale maaiveldzetting ter plaatse van het landhoofd wordt verwacht op 1 mm. Hiervoor zijn de berekende zettingen ter plaatse van de kruin van de waterkering gebruikt. Verwacht wordt dat het landhoofd van de brug op palen gefundeerd staat. Indien het op palen gefundeerd staat zijn de zettingen verwaarloosbaar. Indien het landhoofd toch op staal is gefundeerd, is de relatieve korrelspanningstoename als gevolg van de reeds aanwezige belasting van het gewicht van de brug zeer gering en wordt een zetting van maximaal 1 mm verwacht. Verwacht wordt dat de berekende zetting toelaatbaar is.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 35
Bij de overgang naar op palen gefundeerde delen, moet echter wel rekening gehouden worden met verschilzettingen. De verwachte verschilzetting is hier gelijk aan de berekende zetting. Tussen de aarden baan en de op palen gefundeerde landhoofden zijn normaal gesproken stootplaten toegepast. Met een bijkomende zetting van kleiner dan 1 mm en een lengte van de stootplaten van ten minste 3,0 meter, is de hoekverdraaiing minder dan 1:3.000. Een dergelijke waarde is normaal gesproken acceptabel. Bij het landhoofd aan de noordwest- en zuidoostzijde van de brug gaat nagenoeg geen zetting optreden ten gevolge van de bemaling. De verwachte verschilzetting tussen beide brugfunderingen is minder dan 1 mm, met een afstand van circa 100 meter tussen beide landhoofden is de hoekverdraaiing circa 1:100.000.
Wegen In het gebied zijn meerdere wegen gelegen. Op de drie meest zettingsgevoelige locaties zijn zettingsberekeningen uitgevoerd. De Van Der Kooijweg is gelegen direct ten noorden van werkputten 1 t/m 3. De Van Zijlweg en Van Rijnweg zijn direct naast werkput 4 gelegen. De Prinses Beatrixlaan is direct naast werkput 14 gelegen. De maximaal berekende zetting ter plaatse van werkput 1 bedraagt 40 mm. Deze zetting kan mogelijk scheurvorming in het asfalt tot gevolg hebben direct naast werkput 1. In dat geval dient het asfalt op deze locatie te worden hersteld. De maximale berekende zetting ter plaatse van werkput 4 bedraagt 4 mm en ter plaatse van werkput 14 bedraagt de maximaal berekende zetting 11 mm. De zettingen ontwikkelen zich over het algemeen evenredig met de grootte van de verlaging over een afstand van meerdere meters. Er is dus geen sprake van grote verschilzettingen over kleine afstanden. Voor de fiets- en wandelpaden in het gebied zijn geen zettingsberekeningen uitgevoerd. De verwachting is dat de zettingen niet groter zijn dan de zettingen ter plaatse van werkput 4 en 14 (4 mm en 11 mm), omdat de bemalingsduur ter plaatse van alle overige werkputten kleiner is, de werkdiepte minder diep en de bodemopbouw vergelijkbaar in vergelijking tot de werkput 4 en 14.
Indien de zettingen ter plaatse van werkput 4 en 14 acceptabel worden geacht, wordt verwacht dat de zettingen ter plaatse van de fiets- en wandelpaden ook acceptabel zijn. De berekende zetting is waarschijnlijk acceptabel. Wel dient rekening te worden gehouden met mogelijke scheurvorming in het asfalt vlak langs werkput 1. Hierbij wordt erop gewezen dat zowel zettingen als gevolg van de onttrekking als verzakkingen als gevolg van grondontspanning door de ontgraving kunnen optreden. Dit geldt ook voor de overige werkputten vlak naast of in een verharding. De berekende zettingen dienen door de wegbeheerder te worden beoordeeld.
Kabels en leidingen Binnen het invloedsgebied van de bemaling zijn vermoedelijk ook andere kabels en leidingen aanwezig in de wegbermen. Voor de te verwachten zetting kan ook hier worden uitgegaan van de maximaal berekende maaiveldzettingen van 65 mm ter plaatse van werkput 1 t/m 3. Ter plaatse van de overige werkputten worden kleinere zettingen verwacht van maximaal 11 mm. De zettingen ontwikkelen zich over het algemeen evenredig met de grootte van de verlaging over een afstand van meerdere meters. Er is dus geen sprake van grote verschilzettingen over kleine afstanden. Voor vrij-verval rioleringen geldt vaak dat al eerder een bemaling heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld tijdens de aanleg van de riolering. Vermoedelijk zijn bij deze eerdere bemalingen al zettingen opgetreden, zodat de zettingen van de vrij-verval riolering als gevolg van toekomstige bemalingen aanzienlijk kleiner of te verwaarlozen zijn. Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 36
Ondergrondse infrastructuur - Gasunie Voor de te verwachten zetting van de gasleiding kan worden uitgegaan van de maximaal berekende maaiveldzettingen van 65 mm in de nabijheid van werkput 1 t/m 3. Ter plaatse van de overige werkputten worden kleinere zettingen verwacht van maximaal 11 mm. De zettingen ontwikkelen zich min of meer evenredig met de grootte van de verlaging. Er is dus geen sprake van grote verschilzettingen over kleine afstanden. Of deze zettingen acceptabel zijn dient door de leidingbeheerder te worden beoordeeld.
Waterkering In het gebied is een waterkering bekend. De maximaal berekende zetting ter plaatse van de kruin van de waterkering bedraagt <1 mm en de maximaal berekende zettingen aan de rand van de waterkering bedraagt circa 4 mm. In verband met de grootte van de zettingen wordt niet verwacht dat onacceptabele schade optreedt ter plaatse van de waterkering. Het is echter niet aan ons om hierover te oordelen. Geadviseerd wordt om het hoogheemraadschap te laten beoordelen of de berekende zettingen acceptabel zijn.
5.3.4
Verzekering
Bij verzekeringen wordt voor het beoordelen van de kans op schade door zettingen geregeld uitgegaan van signaal- en actiewaarden van respectievelijk 3 en 5 millimeter. Hierbij wordt niet altijd onderscheid gemaakt tussen gelijkmatige en ongelijkmatige zettingen. Ter plaatse van ‘kwetsbare bebouwing’ worden verlagingen tot onder de GLG mogelijk niet geaccepteerd; onafhankelijk van welke zetting is berekend. Dit komt in de praktijk neer op dat enkel bemalingen met een zeer geringe kans op schade verzekerbaar zijn. Het kan hierdoor voorkomen dat de kans op schade in dit rapport beschreven wordt als acceptabel, maar dat dit door de verzekering niet zo wordt beoordeeld.
5.3.5
Overige opmerkingen
Mogelijk hebben vergelijkbare verlagingen van de grondwaterstand bij eerdere werkzaamheden nabij de projectlocatie al eens plaatsgevonden waarbij eventuele zettingen reeds zijn opgetreden. Indien dit het geval is, kunnen de werkelijk optredende zettingen significant lager zijn. Voorafgaand en gedurende de uitvoering van de bemaling wordt geadviseerd de grondwaterstand/stijghoogte in monitoringsbuizen in of zo dicht mogelijk bij de werkput te meten, zodat een onnodig grote verlaging wordt voorkomen. Het effect van eerdere bemalingen die enkele dagen of bijvoorbeeld twee weken hebben geduurd, is gezien de nu voorzien uitvoeringsduur van maximaal 29 dagen per werkput relatief gering.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 37
5.4
OVERZICHT VAN OVERIGE RISICO’S
In deze paragraaf wordt besproken wat de invloed is van de bemaling op het watersysteem, de omliggende natuur, landbouw, mobiele grondwaterverontreinigingen, overige onttrekkingen, archeologie en upconing van zout of brak grondwater.
5.4.1
Grondwaterbeschermingsgebieden
De werklocatie bevindt zich niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een strategisch zoet grondwatergebied. Dit wordt geconcludeerd op basis van gegevens uit het dataportaal van de provincie.
5.4.2
Watersysteem
Eventuele negatieve invloeden van de bemaling op het watersysteem, zoals de vermenging van grondwater uit verschillende watervoerende pakketten en/of het freatisch pakket en de verstoring van het oppervlakte- of grondwatersysteem (o.a. blokkeren van watergangen, verstoring natuurlijke stromingsrichting), worden gezien de relatief korte duur van de bemaling en/of de aanwezigheid van waterremmende lagen niet verwacht.
5.4.3
Natuur
Er bevinden zich geen gebieden getypeerd als Nationaal Park, Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 binnen het invloedsgebied van de bemaling. Dit wordt geconcludeerd op basis van gegevens uit het dataportaal van de provincie. Voor de gebieden die zich wel kenmerken als natuur maar niet onder de bovengenoemde categorische indelingen vallen worden er geen nadelige consequenties verwacht ten gevolge van de geplande werkzaamheden in verband met de bemalingsduur, aanwezigheid van waterremmende lagen en aanwezige sloten in het gebied.
5.4.4
Landbouw
Binnen het invloedsgebied van de bemaling bevindt zich geen landbouwgrond.
5.4.5
Grondwaterverontreinigingen
Indien er mobiele verontreinigingen binnen het invloedsgebied aanwezig zijn, moet worden nagegaan in welke mate deze door de voorgenomen bemaling worden beïnvloed en of dit acceptabel is of dat mitigerende maatregelen moeten worden genomen. Een verontreiniging mag in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) niet negatief beïnvloed worden. Om een indicatie te krijgen van de bodem- en grondwaterkwaliteit binnen het invloedsgebied van de bemaling, is de Bodemrisicokaart van Stantec geraadpleegd (http://www.stantec.com/nl/services/soil-riskmap). Deze kaart bevat een verzameling van verschillende openbaar beschikbare bodemkwaliteitsgegevens zoals Wbb-gevallen, historische overzichten, eerder uitgevoerde bodemonderzoeken en de bodemkwaliteitskaart. Op basis van de Bodemrisicokaart van Stantec wordt geconcludeerd dat er sprake is van een voormalige stortplaats onder de A4. Door WSP Nederland B.V. is gekeken wat hiervan de actuele status is. Hieruit volgt dat op de gemeentelijke bodemkaart de locatie niet is ingetekend als zijnde verontreinigd. Op basis van deze gegevens wordt de aanwezigheid van mobiele verontreinigingen niet verwacht.
Stantec | SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02 38
5.4.6
Overige onttrekkingen in de omgeving
Een overzicht met alle permanente onttrekkingen in de omgeving van de werklocatie die bij de provincie bekend zijn, is niet aangetroffen op het dataportaal. Daarom is de wkotool.nl geraadpleegd. Binnen het invloedsgebied van de bemaling zijn geen permanente onttrekkingen gelegen.
5.4.7
Archeologie en aardkundige waarden
Voor de geplande werkzaamheden is door RAAP archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (RAAP-rapport 5572, d.d. 12 mei 2022). Op grond hiervan werd voor de geplande werkzaamheden geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
5.4.8
Upconing van zout of brak grondwater
Volgens de Provincie Zuid-Holland bevindt de locatie zich in een zout watergebied. In de peilbuizen 31 en 32 (filterstelling 5,0 - 6,0 m -mv) is door WSP Nederland B.V. een chlorideconcentratie van respectievelijk 310 en 39 mg/l gemeten. Gezien de relatief korte duur van de bemaling en de aanwezigheid van slechtdoorlatende lagen, wordt upconing van zout of brak water niet verwacht.
5.4.9
Niet gesprongen explosieven
Voor de geplande werkzaamheden heeft AVG in 2022 (kenmerk 2162264, d.d. 1 maart 2022) een vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Hieruit volgt dat ter plaatse van de geplande graafwerkzaamheden en de HDD sprake is van een onverdachte locatie.
5.5
MONITORING
Een belangrijk aandachtspunt bij de uitvoering van de bemaling is dat deze gestuurd wordt op het gewenste ontwateringsniveau en niet op het (worst-case) berekende debiet. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan en gedurende de uitvoering van de bemaling de grondwaterstand in monitoringsbuizen in of zo dicht mogelijk bij de werkput te meten. Door de gemeten grondwaterstanden te vergelijken met het benodigde ontwateringsniveau, en het debiet hierop af te stemmen, kan de bemaling worden geoptimaliseerd. Hiermee wordt enerzijds voorkomen dat een onnodig hoog debiet onttrokken wordt. Anderzijds kan hiermee tijdig worden gesignaleerd of de minimaal benodigde ontwateringsdiepte daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Monitoring ten aanzien van de zettingsrisico’s zijn, indien van toepassing, weergegeven in de paragraaf waarin de zettingsrisico’s zijn beschreven. Op basis van onze inschatting van de risico’s is monitoring in verband met mogelijk negatieve effecten ten aanzien van de overige risico’s in de omgeving niet nodig.