CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

SOL018929.RAP002-Definitief V2- Aanmeldnotitie m.e.r. A4 Rijswijk

Raadsvergadering 1 juni 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan "Verleggen gastransportleiding Van der Kooijweg” (RV 23-038)4.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk

—

AUTEUR

N.V. Nederlandse Gasunie De heer R. Honkoop Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk I.014492.01 SOL018929A_aanmeldnotitie Rijswijk Mevrouw A.J.M. Heddes 06 - 22 915 110 Anita.Heddes@WSP.com Mevrouw D.R. Boer

DATUM

9 november 2022

STATUS

Definitief (versie 2)

OPDRACHTGEVER CONTACTPERSOON BETREFT UW KENMERK ONS KENMERK CONTACTPERSOON WSP TELEFOONNUMMER E-MAIL

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING

WSP Nederland B.V. Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden tel. +31 (0)88 91 020 00 Iban NL06 ABNA 0440 3394 21 KvK 20045963 BTW NL0065.66.832.B.01 wsp.com

Gasunie beheert alle hogedrukgastransportleidingen in Nederland. Dit zijn gasleidingen (met een druk van 40 tot 80 bar) die onder andere regionale leveranciers en industrieën voorzien van gas. Ter hoogte van de A4 in Rijkswijk wordt een deel van gasleiding W-514-01 verlegd, door middel van een gestuurde boring. Voor de verlegging van de gasleiding is een gestuurde boring voorzien waarbij het intredepunt zich aan de westzijde van de A4 (ter hoogte van de Van der Kooijweg) bevindt. Het uittredepunt van de gestuurde boring bevindt zich aan de oostzijde van de A4, ter hoogte van het pand aan de Van Zijlweg 12. Na het aankoppelen van deze nieuwe gasleiding wordt de oude leiding en de nabijgelegen BB-gasleiding W-512-01-BB verwijderd. Zie onderstaande afbeelding voor de verleggingslocatie.

Figuur 1-1 tracé verlegging (roze stippellijn)

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 1/12

1.2

BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE 1994

De activiteiten in het plangebied vallen onder de volgende categorie van bijlage II bij het Besluit milieueffectrapportage 1994: − categorie D 8.21 : de aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van aardgas, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een buisleiding die, over een lengte van 5 kilometer of meer, is gelegen/geprojecteerd in een gevoelig gebied (beschermd natuurmonument, vogel- of habitatrichtlijn, Nederlands Natuur Netwerk voor zo ver vastgelegd in bestemmingsplan, grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden). Het tracé ligt niet in een gevoelig gebied en de lengte van de verlegging is circa 435 meter. Er worden geen drempelwaarden overschreden. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage 1994 moet ook voor activiteiten die onder de drempelwaarde(n) blijven, worden beoordeeld of er belangrijke nadelige milieugevolgen zijn die het doorlopen van een milieueffectrapportage vereisen. Dit is de zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorloopt dezelfde procedure als een formele m.e.r.-beoordeling: een particulier of ondernemer die initiatiefnemer is van een bepaalde activiteit, dient een aanmeldnotitie in bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te besluiten op de aanvraag waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt.

Het bevoegd gezag neemt vervolgens een beslissing of al of niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

1.3

PROCEDURE

Het bevoegd gezag moet (binnen 6 weken) beslissen of een milieueffectrapportage moet worden doorlopen (artikel 7.17 onder 1 Wet milieubeheer). De beslissing moet worden gemotiveerd op grond van de informatie (aanmeldnotitie) en de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. De beslissing wordt gepubliceerd in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis bladen en, als geen milieueffectrapport moet worden gemaakt, in de Staatscourant. Tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing is alleen bezwaar of beroep mogelijk als deze beslissing de belanghebbende, los van het voor te bereiden besluit, rechtstreeks in zijn belang treft. Verder staat er tegen een m.e.r.-beoordelingsbeslissing geen direct bezwaar en beroep open, maar alleen via het besluit waar de beslissing bij hoort, bijvoorbeeld het vaststellen van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Deze notitie is de aanmeldnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling van de activiteit die hiervoor is beschreven.

1.4

GEBRUIKTE INFORMATIE

Voor het opstellen van deze aanmeldnotitie en de toets aan de verschillende criteria (zie onderdeel 2) is mede gebruik gemaakt van onderzoeken die zijn uitgevoerd voor de onderbouwing van de toelaatbaarheid van de werkzaamheden, waaronder onderzoek naar archeologie, bodem, niet gesprongen explosieven en flora en fauna.

1

Categorie C 8.1, op basis waarvan een rechtstreekse m.e.r.-plicht kan gelden, is hier niet van toepassing (gasleidingen met een lengte van minimaal 40 km).

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 2/12

2 M.E.R.-BEOORDELING In de m.e.r.-beoordeling moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De aanmeldnotitie is weliswaar onderdeel van een verplichte procedure, maar is inhoudelijk en naar voorkomen nog steeds ‘vormvrij’. In het vervolg van dit onderdeel worden de criteria daarom kort en bondig beschouwd. Een uitgebreide beschouwing van de effecten van de activiteit is te vinden in (onder meer) de stukken die in onderdeel 2 zijn genoemd en hier niet inhoudelijk worden herhaald.

2.1

KENMERKEN VAN HET PROJECT

Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën .

2.1.1

OMVANG EN ONTWERP VAN HET PROJECT

Het project omvat de verlegging van een bestaande gasleiding over een totale lengte van circa 435 meter. De werkzaamheden worden uitgevoerd via een gestuurde boring. Hiervoor worden sleuven en een werkput gegraven, mogelijk tot onder de grondwaterstand. Om de werkzaamheden droog te kunnen uitvoeren is mogelijk een beperkte bemaling nodig. Het oude leiding deel en een daarnaast gelegen leiding worden vervolgens verwijderd.

2.1.2 CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN Voor zover op dit moment bekend, worden er in de omgeving geen andere projecten uitgevoerd die een relevante cumulatie met de aanleg van de leidingen veroorzaken.

2.1.3 HET GEBRUIK VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN Bij het graven en het bemalen worden machines en generatoren ingezet. Deze gebruiken brandstof. De uitvoeringsduur, in combinatie met het aantal machines en generatoren, zorgt niet voor een dusdanig gebruik van brandstoffen dat hierdoor belangrijke nadelige milieugevolgen ontstaan.

2.1.4 PRODUCTIE VAN AFVALSTOFFEN Bij de aanleg van de leidingen komen slechts beperkt afvalstoffen vrij, in de vorm van aan het werk gerelateerd leidingenafval, hout, enz. Ook hierdoor ontstaan geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 3/12

2.1.5 VERONTREINIGING EN HINDER De werkzaamheden zorgen op zichzelf niet voor verontreiniging. De activiteiten zorgen alleen in de aanlegfase - mogelijk - voor hinder, maar gezien de ligging van de locatie in de directe nabijheid van een autosnelweg, is hinder voor bijvoorbeeld omwonenden uit te sluiten. In de eindsituatie, als de werkzaamheden volledig zijn uitgevoerd, bestaat er geen enkele hinder. De hinder veroorzakende werkzaamheden bestaan uit graven, bemalen, transport, enz.

2.1.6 RISICO OP ONGEVALLEN OF VOOR MENSELIJKE GEZONDHEID De aard en omvang van de werkzaamheden op zich zorgen niet voor een risico op ongevallen. De aanwezigheid van een in werking zijnde gasleiding is wel van belang uit oogpunt van externe veiligheid. Voor beide leidingen is een kwalitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd 2. Voor de toekomstige situatie, dus na aanleg, zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) berekend. Dit onderwerp wordt verder uitgewerkt in de paragraaf over externe veiligheid.

2.2 PLAATS VAN HET PROJECT Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: − wetlands; − kustgebieden; − berg- en bosgebieden; − reservaten en natuurparken; − gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); − gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Ad a. De locatie van de verlegging ligt onder/rond de A4 in Rijkswijk. An de westzijde en de zuidoostzijde van de locatie liggen woningen. In de directe nabijheid van de oostelijke werkput ligt ook een woning. Verder is sprake van groen en recreatiegebied.

2

QRA leiding W-514-01. De verlegging van de leiding in de gemeente Rijswijk (Arcadis, kenmerk D10048124:15, d.d. 3 februari 2022).

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 4/12

Figuur 2-1 ligging locatie verlegging

De locatie ligt binnen meerdere vigerende bestemmingsplannen. Ten westen van de A4 geldt het bestemmingsplan Steenvoorde en ten oosten van de A4 het bestemmingsplan Sion – ’t Haantje. Er gelden verschillende enkelbestemmingen, waaronder Verkeer, Groen en Recreatie. Voor de huidige ligging van de gasleiding geldt de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’.

Figuur 2-2 uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplannen Steenvoorde (west van A4) en Sion – ’t Haantje (tweede herziening)

Het aanleggen van de leiding past niet in de verschillende bestemmingsplannen en bovendien is na aanleg de bescherming van de leiding planologisch niet geregeld. Hiervoor wordt nog een planologische procedure doorlopen. Ad. b en c Het gebied waar de leiding wordt verlegd, heeft geen bijzondere kwaliteiten en maakt geen deel uit van een beschermd gebied.

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 5/12

2.3 KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); b. het grensoverschrijdende karakter van het effect; c. de waarschijnlijkheid van het effect; d. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. In deze paragraaf worden de verschillende relevante effecten beschreven.

2.3.1 GEOHYDROLOGIE De geplande verlegging wordt via een gestuurde boring uitgevoerd. Om dit mogelijk te maken worden in totaal 12 werkputten gemaakt. In verband hiermee is en geohydrologisch onderzoek uitgevoerd 3. Op onderstaande afbeelding zijn de geplande werkputten te zien.

Figuur 2-3 ligging geplande werkputten

Uit het onderzoek blijkt het volgende: 3

Geohydrologisch rapport verlegging gasleiding W-514-01 nabij de Van Rijnweg (ong.) te Rijswijk (Stantec, kenmerk SOL018929_M21B0003_Rijswijk.r02.v7.lues2, d.d. 1 augustus 2022).

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 6/12

Opbarstrisico Gezien de aangetroffen bodemsituatie bestaat er ter hoogte van werkput 1 een risico op opbarsten in de GHG situatie. Ter hoogte van de overig putten is er geen risico op opbarsten of welvorming. Waterbezwaar Voor de uitvoering van de bemaling is uitgegaan van bronbemaling met verticale onttrekkingsfilters met volledige gesleufde filters tot 6 meter onder maaiveld zodat een ontwateringsdiepte van 0,3 meter onder de putbodem bereikt kan worden. Bij werkput 1 moet een spanningsbemaling (filters tot 8,0 m -mv) worden toegepast teneinde opbarsting te voorkomen. Het uiteindelijke ontwerp van de bronneringsinstallatie is aan de aannemer. De bemalingsduur is, inclusief een dag voorbemaling, 46 dagen. Werkputten 1 en 9 worden als eerste bemalen, daarna volgen de andere werkputten. Er staan telkens maar twee werkputten in bemaling. Bij bemaling onder GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) kan het debiet maximaal 330 m 3 per dag ofwel circa 13 m3 per uur bedragen (worst-case, initieel debiet). Het gemiddelde te verwachten ‘stationaire’ debiet ten tijde van de bemaling bedraagt circa 5 m3 per uur (GHG) en 4 m3 per uur (GLG). Waterwetonttrekking Bij het uitvoeren van de bemaling wordt grondwater onttrokken en weer geloosd in de bodem of op het oppervlaktewater. Het Hoogheemraadschap van Delfland is hiervoor bevoegd gezag.

De werkputten 3, 4 en 5 bevinden zich binnen de beschermingszone van een waterkering. Voor de onttrekking van het grondwater is een vergunning van het Hoogheemraadschap nodig. Lozing bemalingswater Het opgepompte bemalingswater kan in dit geval op het oppervlaktewater worden geloosd. Op grond van het te verwachten waterbezwaar is hiervoor geen vergunning of melding nodig. Het water moet bemonsterd kunnen worden en zo nodig moeten zuiveringstechnische voorzieningen voor ijzer en onopgeloste bestanddelen worden toegepast. Het spanningswater van werkput 1 is mogelijk sterk chloridehoudend, hiervoor dient vooroverleg met het hoogheemraadschap plaats te vinden. Invloed bemaling De reikwijdte van de tijdelijke verlaging van de grondwaterstand door de bemaling is ingeschat. Gezien de voorgenomen verlaging van het grondwater ten opzichte van het GLG bestaat er een risico op zettingen van de aanwezige bebouwing inclusief de eventuele aanbouw, de waterkering, wegen en kabels en leidingen. Er zijn derhalve zettingsberekeningen uitgevoerd. Er worden geen onacceptabele zettingen verwacht, maar daar waar nodig dient dit nog te worden beoordeeld door de eigenaar/beheerder. De berekeningen zijn gebaseerd op een worst-case debiet. Het is van belang om te sturen op het gewenste ontwateringsniveau door het debiet af te stemmen op het gemeten grondwaterstanden in nabij gelegen peilbuizen.

Conclusie: Het aspect geohydrologie leidt vooralsnog niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 7/12

2.3.2 ECOLOGIE Er is een natuurtoets uitgevoerd4. Het doel van de natuurtoets is het bepalen of er beschermde natuurwaarden in het plangebied of directe omgeving aanwezig zijn én of de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op deze beschermde soorten en gebieden. Bij negatieve effecten en/of onvoldoende informatie dient een aanvullend nader onderzoek te worden uitgevoerd. Op grond van de uitgevoerde natuurtoets kan het volgende worden geconcludeerd: − Opstart van de werkzaamheden dient buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Globaal loopt het broedseizoen van half februari tot en met eind augustus. o Werkzaamheden kunnen worden opgestart vanaf september en kunnen dan doorlopen in de broedperiode. o Indien de werkzaamheden in de broedperiode uitgevoerd worden, kan het plangebied ongeschikt gemaakt worden voor de meeste broedvogels door de ondergroei (rietkragen en graslanden) kort te houden. o Ten aanzien van de struweel- en boomvogels dienen aanvullende maatregelen getroffen te worden in de vorm van het tijdelijk plaatsen van plastic haviken en/of linten. Deze verjagingsmiddelen dienen, om gewenning te voorkomen, wekelijks verplaatst te worden. o Indien de werkzaamheden in de broedperiode uitgevoerd worden, wordt een overleg gepland voorafgaand aan het broedseizoen (februari) met een ecoloog voor de te nemen maatregelen.

Deze maatregelen worden daarna toegevoegd aan het advies van deze rapportage. − Het plangebied is geschikt voor algemene grondgebonden zoogdieren, deze zijn vrijgesteld ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, hetgeen in deze situatie inhoudt dat bij het aantreffen van deze soorten, zij de gelegenheid krijgen te vluchten. − Het plangebied is mogelijke geschikt als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen. Mits geen bomen worden gekapt aan de Van Zijlweg en de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd, wordt een mogelijk negatief effect op een vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen voorkomen. Zodra werkzaamheden na zonsondergang uitgevoerd worden, dient te worden gewerkt met vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige verlichting). Zodra bomen van de Van Zijlweg worden gekapt, is nader onderzoek naar een mogelijke vliegroute noodzakelijk. − Er is geen sprake van een effect op Natura 2000-gebieden of NNN-gebieden. Op basis van het verrichte onderzoek is er geen aanvullend ecologisch onderzoek benodigd en geen ontheffing in het kader van de Wnb. Hierbij is wel zoals hierboven beschreven aandacht vereist voor een aantal soorten/ soortgroepen. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.

2.3.3 ARCHEOLOGIE Er is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke archeologische waarden. 5 In het kader van dit onderzoek is onder andere gekeken naar bekende informatie over archeologische waarden in de omgeving en is bureau- en veldonderzoek gedaan. Werkputten en tracé HDD Op basis van het onderzoek blijkt de kans zeer klein dat op de locaties van de te graven werkputten bij de in- en uittredepunten van de HDD en het tracé van de HDD archeologische resten aanwezig zijn. Er worden relatief beperkte ingrepen uitgevoerd in al geroerde grond en/of in zones met een lage archeologische verwachting.

4 5

Natuurtoets Verlegging W-514-01 te Rijswijk (WSP Nederland B.V., SOL018929FF, d.d.d6 juli 2022). Archeologisch onderzoek Plangebied Verlegging W-514-01 v/d Kooijweg te Rijswijk (RAAP Rapport 5572, d.d. 11 juli 2022).

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 8/12

Werkterreinen Op enkele boorlocaties op de omliggende werkterreinen blijkt de bodemopbouw beter intact en onder meer te bestaan uit een oude bouwvoor op oeverafzettingen. Er wordt aanbevolen om op de werkterreinen rondom boringen 5 en 9-10 geen bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv te laten plaatsvinden (niet dieper dan 0,54 m –NAP rondom boring 5 in deelgebied Van Zijlweg en niet dieper dan 0,8 m -NAP in deelgebied Van der Kooijweg). Deze ‘grens’ van 50 cm –mv is gebaseerd op basis van de resultaten van het veldonderzoek en komt overeen met de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek. Door minder diep dan deze niveaus te graven wordt de kans op het verstoren van archeologische resten geminimaliseerd. Indien op deze werkterreinen plaatselijk, in het kader van de huidige of toekomstige plannen, toch diepere bodemingrepen noodzakelijk blijken, wordt geadviseerd om op deze locaties gravend vervolgonderzoek uit te voeren. Verwijderen bestaande leidingen De bodemopbouw ter hoogte van de bestaande leidingen is bij de aanleg daarvan geroerd. Om deze te verwijderen worden smallere sleuven gegraven dan bij de aanleg, daarom is ook hier de kans dat archeologische resten worden verstoord klein.

Als bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, meer specifiek de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Conclusie Het aspect archeologie vormt geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.

2.3.4 EXTERNE VEILIGHEID Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: — Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. — Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Er is een Kwantitatieve Risicoanalyse uitgevoerd voor dit deel van het leidingtracé, waarbij is gekeken naar de situatie zonder verlegging en met verlegging. Plaatsgebonden risico: De bestaande leiding heeft in de huidige situatie géén plaatsgebonden risicocontour PR 10-6. Ditzelfde is het geval bij de toekomstige situatie na verlegging van de leiding. Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie kunnen er hierdoor geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour van de leiding liggen. De verlegging van de leiding voldoet aan de Regeling externe veiligheid buisleidingen. Het plaatsgebonden risico op een afstand van 4 meter, gemeten vanuit het hart van de verlegging van de leiding, is niet hoger dan 10-6 per jaar.

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 9/12

Groepsrisico: Zowel de maximale overschrijdingsfactor voor leiding W-514-01 exclusief de verlegging als de maximale overschrijdingsfactor voor leiding W-514-01 inclusief de verlegging is kleiner dan 1. Zowel de fN-curve voor de leiding exclusief de verlegging als de fN-curve voor de leiding inclusief de verlegging blijft onder de oriëntatiewaarde. De maximale overschrijdingsfactor voor leiding W-514-01 inclusief de verlegging is kleiner dan de maximale overschrijdingsfactor voor leiding W-514-01 exclusief de verlegging. Ten opzichte van in de huidige situatie neemt het GR (het hoogste GR per kilometer) in de toekomstige situatie af als gevolg van de verlegging van de leiding. Conclusie: Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De toekomstige situatie verbetert zelfs in dat opzicht.

2.3.5 EXPLOSIEVEN Om te kunnen beoordelen of in het gebied resten van niet gesprongen explosieven aanwezig zijn, is een vooronderzoek uitgevoerd.6 Voor wat betreft de verlegging van leiding W-514-01 geldt dat in de omgeving een bombardement door een bommenwerper heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat er in het verdachte gebied afgeworpen munitie in de bodem aanwezig kan zijn. Het onderzoeksgebied is dus gedeeltelijk verdacht op ontplofbare oorlogsresten.

Figuur 2-4 Bodembelastingskaart explosievenonderzoek

6

Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Rijswijk-Den Haag (AVG Explosieven Opsporing NL, kenmerk 2162264, versie 02, 1 maart 2022).

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 10/12

In de niet-verdachte gebieden kunnen de werkzaamheden normaal worden uitgevoerd. Voor de verdachte gebieden geldt het advies om een verdiepingsslag te maken en het gebied zo mogelijk te verkleinen. Gezien de ligging van het verdachte gebied in relatie tot het werkgebied is er geen risico op het aantreffen van oorlogsresten. Conclusie Het aspect explosieven vormt geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.

2.3.6 BODEM Om de bodemkwaliteit te kunnen bepalen is een verkennend (water-)bodemonderzoek uitgevoerd.7 Uit het onderzoek blijkt het volgende: Bodem • tijdens de veldwerkzaamheden zijn zeer zwakke tot plaatselijk sterke bijmengingen met puin, baksteen, glas, bitumen en/of slib waargenomen in de boven- en/of ondergrond langs de te verwijderen gasleidingen. Onder het fietspad langs de Van der Kooijweg is een puinfundering aangetroffen; • uit de analyseresultaten komt naar voren dat in de boven- en ondergrond plaatselijk licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en/of PCB voorkomen; • in het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium (van nature verhoogd) en xylenen gemeten; • in de onderzochte mengmonsters van de puinfundering en de zeer zwak tot matig puin- en baksteenhoudende bovengrond is geen asbest aangetoond die de triggerwaarde voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s. overschrijdt. Waterbodem • in de onderzochte watergang is een sliblaag waargenomen die van dikte varieert tussen de 5 en 50 centimeter. In de sliblaag en de vaste waterbodem zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen; • de onderzochte sliblaag is altijd toepasbaar op de landbodem of in oppervlaktewater en is vrij verspreidbaar op aangrenzende percelen.

Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een (water)bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en/of sanerende maatregelen. Voorlopige veiligheidsklasse Ter bepaling van de veiligheidsklasse zijn de gemeten waarden tevens getoetst aan de CROW400. Uit deze toetsing blijkt dat er bij graafwerkzaamheden in de land- en waterbodem, naast de basishygiëne, geen veiligheidsklasse van toepassing is. Conclusie Het aspect bodem vormt geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.

7

Verkennend (waterbodem-) bodemonderzoek verlegging van de Gasleiding W-514-01 nabij de Van Rijnweg (ong.) te Rijswijk (WSP Nederland B.V., kenmerk SOL018929MK-B, versie 1, d.d. 1 juni 2022).

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 11/12

3 CONCLUSIE Uit de informatie in deze aanmeldnotitie blijkt dat, gelet op de kenmerken van het plan, de plaats van het plan, de kenmerken van de potentiële effecten en de te treffen maatregelen, geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage in het kader van het bestemmingsplan.

SOL018929 - Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Verlegging W-514-01 A4 Rijswijk SOL018929.RAP002, versie 2 N.V. Nederlandse Gasunie

WSP 2 augustus 2022 pagina 12/12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=6c9e4033-31b3-44c2-9dc8-3160e52e11d7