CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 24 024 Bijlage 1 UrbanParks bijlage regels

Forum Stad 14 mei 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Urbanparks18.075 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan UrbanParks

<luchtfoto met ligging plangebied, mag groter of kleiner - aangeven met rode lijn>

vastgesteld 23-05-2024

UrbanParks Rijswijk

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identif icatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0603.bpUrbanparks-VA01

23-05-2022

projectnummer:

14-11-2023 23-05-2024

concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

20220226 opdrachtleider:

I. de Feijter

2

Inhoudsopgave

Bijlagen regels

3

Bijlage 1

Besluit hogere waarden

5

Bijlage 2

Rapportage natuurinclusief bouwen Tauw

9

Bijlage 3

Quickscan natuurinclusief UrbanParks

51

Bijlage 4

Convenant Klimaatadaptief Bouwen

67

Bijlage 5

Parkeernormen

85

bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld

3

Bijlagen regels

bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld

4

bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld

5

Bijlage 1 Besluit hogere waarden

bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld

Bezoekadres Zuid-Hollandplein 1 2596 AW Den Haag

Zaaknummer Ons Kenmerk Datum

: : :

Postadres Postbus 14060 2501 GB Den Haag (070) 21 899 02 vergunningen@odh.nl www.odh.nl

01086176 ODH883809 -

Ontwerpbeschikking Wet geluidhinder - hogere waarde(n) geluid Onderwerp In verband met de vaststelling van het bestemmingsplan UrbanParks dienen hogere waarden voor de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van maximaal 61 dB te worden vastgesteld voor 600 woningen op de locatie Burgemeester Elsenlaan 329 te Rijswijk vanwege wegverkeerslawaai.

Besluit Wij besluiten: de volgende hogere grenswaarden voor geluid vast te stellen voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai: Geluidsgevoelig object: Gesitueerd aan:

Burgemeester Elsenlaan 329

Geluidsbron** Aantal

600

Vastgestelde hogere waarde in dB t/m maximaal*

Rijkswegen A4/A13 Burgemeester Elsenlaan

53 61

Koopmanstraat Limpergstraat

58 54

*De hogere grenswaarde is inclusief de aftrek op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder **De hogere waarde is inclusief de bijdrage van de spoorweg vallend onder de definitie weg (in de zin van de Wet geluidhinder).

Ondertekening Burgemeester en wethouders van Rijswijk, namens dezen,

ing. L. Hopman Hoofd Toetsing & Vergunningverlening Milieu van de Omgevingsdienst Haaglanden

Rechtsmiddelen Voor de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze ontwerpbeschikking wijzen wij op de desbetreffende tekst in het begeleidende schrijven.

OVERWEGINGEN Aanleiding In verband met de vaststelling van het bestemmingsplan UrbanParks dienen hogere waarden voor de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van maximaal 61 dB te worden vastgesteld voor 600 woningen op de locatie Burgemeester Elsenlaan 329 te Rijswijk vanwege wegverkeerslawaai. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Deze woningen komen te liggen op de volgende grondpercelen of grondperceelgedeelten: Kadastrale gemeente : Rijswijk Sectie : G Grondpercelen : 1562, 2694, 2433, 2601, 2591, 2771 Bij de voorbereiding van dit besluit zijn de volgende stukken betrokken: - ”Burgemeester Elsenlaan 329 te Rijswijk -Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai”, Buro Bouwfysica, 22127.03v5, 13 november 2023, ODH883815; - Formulier hogere waarden, ODH900127; - Kadastrale kaart, ODH861838.

Procedure De uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is toegepast op deze beschikking. Zienswijzen PM

Toetsingskader en grondslag beschikking Bij vaststelling van het bestemmingsplan dienen op grond van artikel 76, tweede lid van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) de in dit besluit vastgestelde hogere waarden in acht genomen te worden. Artikel 110a van de Wgh vormt de grondslag van deze beschikking. Het vaststellen van een hogere waarde wordt getoetst aan de Wgh en het Besluit geluidhinder.

Beoordeling In de Wgh zijn normen opgenomen voor de toelaatbare geluidsbelasting van wegverkeerslawaai. De Wgh gaat daarbij uit van een voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. De voorkeursgrenswaarde ter plaatse van gevels van woningen bedraagt 48 dB. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is zonder meer toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan aanvaardbaar geacht. Een geluidsbelasting hoger dan de maximale grenswaarde is niet toelaatbaar. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen toelaatbaar na een afwegingsproces. Het afwegingsproces heeft vorm gekregen in de procedure vaststelling hogere waarde voor geluid. Indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen, onvoldoende doeltreffend zal zijn, of stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeers- of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, is een hogere waarde mogelijk. Gelet op artikel 82 van de Wgh is voor woningen de hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai vastgesteld op 48 dB. ODH883809

2/3

Ten behoeve van het bestemmingsplan UrbanParks is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek toont aan dat op de Burgemeester Elsenlaan 329 deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden met 13 dB. Wij zijn – gelet op artikel 83 van de Wgh - bevoegd hogere waarden vast te stellen tot maximaal 63 dB, mits aan de daartoe gestelde voorwaarde is voldaan. Deze voorwaarde is dat aangetoond moet worden dat geluidwerende voorzieningen: - onvoldoende doeltreffend zijn; of - overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In het akoestisch onderzoek zijn de volgende maatregelen overwogen: Bronmaatregelen De voor de uit te voeren gevelmaatregelen maatgevende weg A4 is reeds voorzien van geluidwerende voorzieningen. Het verder reduceren zou plaatselijk 2-3 dB verlaging van de geluidbelasting kunnen opleveren, echter hiervoor is bestuurlijke overeenstemming met het Rijk nodig waardoor er voor dit bouwplan geen eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van de A4. Dunne Deklagen B toepassen op de Burgemeester Elsenlaan levert 3 dB reductie op, echter door het wringende verkeer ter plaatse is deze weg niet geschikt voor dit type stil asfalt. Overdrachtsmaatregelen Met het plaatsten van een geluidscherm met een hoogte van zes meter langs de A4 over een effectieve lengte van ca.

1000 meter ter hoogte van het plangebied kan de geluidbelasting worden gereduceerd met ca. 1-2 dB, echter hiervoor is bestuurlijke overeenstemming met het Rijk nodig waardoor er voor dit bouwplan geen eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van de A4. Om ook op de hoger gelegen verdiepingen voor wegverkeerslawaai van gemeente wegen een voldoende grote reductie te bereiken zijn zeer hoge geluidschermen noodzakelijk. Deze zullen zowel op grote stedenbouwkundige en financiële bezwaren stuiten. Toekomstige bebouwing tussen het bouwplan en de A4 zal kunnen zorgen voor een afschermende werking. Het akoestisch onderzoek toont aan dat geluidwerende voorzieningen onvoldoende doeltreffend zijn en overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke en financiële aard, waardoor het mogelijk is om hogere waarden te stellen. Cumulatie Ten aanzien van de geluidsgevoelige objecten waar deze beschikking betrekking op heeft, is er sprake van samenloop van verschillende bronnen (Rijkswegen en de Burgemeester Elsenlaan). De cumulatie ter plekke van de woningen bedraagt maximaal 66 dB (exclusief de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh). Vanwege cumulatie neemt de maximale geluidsbelasting slechts met minder dan 1 dB toe. Gelet hierop zijn wij van oordeel dat de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare situatie.

Kadastrale registratie De in het besluit opgenomen grondpercelen komen voor registratie bij het Kadaster in aanmerking.

Conclusie Uit de overwegingen volgt dat hogere waarden als gevolg van wegverkeerslawaai kunnen worden vastgesteld.

ODH883809

3/3

9

Bijlage 2 Rapportage natuurinclusief bouwen Tauw

bestemmingsplan "UrbanParks" Toelichting c.q. Regels vastgesteld

Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk Inspiratie- en toetsingsinstrument 22 december 2021

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Verantwoording Titel

Natuurinclusief bouwen Havenkwartier Rijswijk Inspiratie- en toetsingsinstrument

Opdrachtgever

Gemeente Rijswijk

Projectleider

Tim Vaessen

Auteurs

Pim de Kwaadsteniet en Vincent Sanders

Tweede lezer

Vincent Sanders

Projectnummer

1284087

Aantal pagina’s

38

Datum

21 december 2021

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 6 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 6

1.2

Leeswijzer .......................................................................................................................... 6

Plankader (beknopt) .................................................................................................................. 7 2.1

Een schets van de plannen voor het havenkwartier .......................................................... 7

2.2

Relevant beleid betreffende biodiversiteit .......................................................................... 8

2.2.1

Het groenbeleidsplan Rijswijk 2010 – 2020 ................................................................ 9

2.2.2

Convenant Klimaatadaptief bouwen ........................................................................... 9

2.2.3

Motie Groen Havenkwartier ...................................................................................... 10

2.2.4

Vlietzone-visie (in ontwikkeling) ................................................................................ 10

Gebiedsanalyse (beknopt)....................................................................................................... 11 3.1

Havenkwartier in de groen- en waterstructuur Rijswijk .................................................... 11

3.2

Aangetroffen soorten in en rond het gebied ..................................................................... 12

3.3

Selectie van doelsoorten .................................................................................................. 13

Programma van eisen (per doelsoort) ..................................................................................... 14 4.1

Huismus ........................................................................................................................... 14

4.1.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 14

4.1.2

Voedsel ..................................................................................................................... 14

4.1.3

Veiligheid................................................................................................................... 14

4.1.4

Verbinding en variatie ............................................................................................... 14

4.1.5

Eisen- en maatregelenpakket ................................................................................... 14

4.1.6

Volgsoort huismus: zwarte roodstaart ....................................................................... 15

4.2

Merel ................................................................................................................................ 15

4.2.2

Voedsel ..................................................................................................................... 15

4.2.3

Veiligheid................................................................................................................... 15

4.2.4

Verbinding ................................................................................................................. 16

4.2.5

Variatie ...................................................................................................................... 16

4.2.6

Eisen- en maatregelenpakket ................................................................................... 16

4.2.7

Volgsoort merel: egel ................................................................................................ 17

4.3

Gewone dwergvleermuis .................................................................................................. 17

3/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

4.3.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 17

4.3.2

Voedsel ..................................................................................................................... 18

4.3.3

Verbinding ................................................................................................................. 18

4.3.4

Veiligheid................................................................................................................... 18

4.3.5

Eisen- en maatregelenpakket gewone dwergvleermuis ........................................... 19

4.3.6

Volgsoort gewone dwergvleermuis: laatvlieger ......................................................... 19

4.4

Grote bladsnijder .............................................................................................................. 20

4.4.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 20

4.4.2

Voedsel ..................................................................................................................... 20

4.4.3

Veiligheid................................................................................................................... 20

4.4.4

Variatie ...................................................................................................................... 20

4.4.5

Eisen- en maatregelenpakket grote bladsnijder ........................................................ 21

4.4.6

Volgsoort grote bladsnijder: diverse bijen en vlindersoorten .................................... 21

4.5

Meerkoet .......................................................................................................................... 22

4.5.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 22

4.5.2

Voedsel ..................................................................................................................... 22

4.5.3

Veiligheid................................................................................................................... 22

4.5.4

Verbinding ................................................................................................................. 22

4.5.5

Variatie ...................................................................................................................... 22

4.5.6

Eisen- en maatregelenpakket meerkoet ................................................................... 22

4.5.7

Volgsoort meerkoet: baars ........................................................................................ 23

4.6

Gierzwaluw ....................................................................................................................... 23

4.6.1

Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 23

4.6.2

Voedsel ..................................................................................................................... 23

4.6.3

Veiligheid................................................................................................................... 23

4.6.4

Verbinding ................................................................................................................. 24

4.6.5

Variatie ...................................................................................................................... 24

4.6.6

Eisen- en maatregelenpakket gierzwaluw ................................................................ 24

4.6.7

Volgsoort gierzwaluw: zwarte roodstaart .................................................................. 24

4.7

Muurvaren ........................................................................................................................ 24

4.7.1

Algemeen .................................................................................................................. 24

4.7.2

Eisen- en maatregelenpakket muurvaren ................................................................. 25

4/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

4.7.3 5

Werken aan biodiversiteit – werkwijze en bouwstenen ........................................................... 26 5.1

Definitie en reikwijdte natuurinclusief bouwen ................................................................. 26

5.2

Generieke voorwaarden ................................................................................................... 27

5.3

Bouwstenen private ruimte ............................................................................................... 29

5.3.1

(Dak- of binnen-)tuin ................................................................................................. 29

5.3.2

Gevelbegroeiing ........................................................................................................ 29

5.3.3

Geveltuin ................................................................................................................... 29

5.3.4

Groen dak ................................................................................................................. 31

5.3.5

Bruin dak ................................................................................................................... 31

5.3.6

Blauwdak................................................................................................................... 32

5.3.7

Groen balkons ........................................................................................................... 32

5.3.8

Paden en verharding ................................................................................................. 33

5.3.9

Parkeerplaatsen (met hagen).................................................................................... 33

5.3.10

Faunavoorzieningen -hout op het gebouw ................................................................ 34

5.3.11

Natuurvoorzieningen steen – geïntegreerd in het gebouw ....................................... 34

5.4

6

Volgsoort muurvaren: muurleeuwenbek ................................................................... 25

Bouwstenen openbare ruimte .......................................................................................... 35

5.4.1

Bosplantsoen en struweel ( mogelijk bij zone bij Sijthof) .......................................... 35

5.4.2

Bomen(rijen).............................................................................................................. 35

5.4.3

Struweel en hagen .................................................................................................... 35

5.4.4

Plantvakken............................................................................................................... 36

5.4.5

Bermen...................................................................................................................... 36

5.4.6

Ontmoetingsplekken ................................................................................................. 37

5.4.7

Binnenhavens met natuurvriendelijke oevers ........................................................... 37

5.4.8

Kademuren................................................................................................................ 38

5.4.9

Vissenbos.................................................................................................................. 38

5.4.10

(stads)Wadi’s ............................................................................................................ 39

Bronnen ................................................................................................................................... 40

Bijlage 1

Deelnemers aan de werksessie biodiversiteit Havenkwartier

5/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

In het Havenkwartier van Rijswijk worden tal van ontwikkelingen voorbereid, die zijn beschreven in het Ontwikkelkader Havenkwartier. Van een gebied met deels leegstaande bedrijfsgebouwen en een stilgevallen haven zal het worden omgevormd tot een gebied waar wordt gewerkt, gewoond en gerecreëerd. Biodiversiteit is één van de thema's bij het omvormingsproces. Dit rapport levert hiervoor een toetsingskader en inspiratiebron. Voor het ontwerp van de private ruimten (gebouwen, tuinen, parkeerplaatsen) alsmede de openbare ruimte kan dit rapport richting geven aan het natuurinclusief ontwerpen. Dit rapport is opgesteld in nauw overleg en in opdracht met de gemeente Rijswijk. Voor de inventarisatie van doelsoorten en mogelijke maatregelen is een werksessie georganiseerd met lokale natuurorganisaties. In bijlage 1 zijn de namen van de deelnemers aan deze sessie vermeld.

1.2

Leeswijzer

In dit rapport leest u in hoofdstuk 2 een beknopte schets van de plannen voor het Havenkwartier en een overzicht van het relevante beleid (uit oogpunt van biodiversiteit). Hoofdstuk 3 betreft een gebiedsanalyse, waarin het Havenkwartier binnen de relevante omgeving wordt geplaatst, een overzicht wordt gegeven van soorten die in het Havenkwartier voorkomen en een selectie van doelsoorten. Het programma van eisen van de doelsoorten wordt in hoofdstuk 4 gepresenteerd. Hoofdstuk 5 geeft aan hoe gewerkt dient te worden aan biodiversiteit in het Havenkwartier. Het betreft een definitie van natuurinclusief bouwen, een set generiek voorwaarden en uitgangspunten en ten slotte een set bouwstenen voor natuurinclusief bouwen in de private en de publieke omgeving. Veel leesplezier en inspiratie toegewenst.

Figuur 1 Luchtfoto van het Havenkwartier

6/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

2 Plankader (beknopt) 2.1

Een schets van de plannen voor het havenkwartier

Het havenkwartier maakt deel uit van de Plaspoelpolder, waarvoor een toekomstvisie geschreven is (Toekomstvisie Plaspoelpolder 2017 – 2027). Verder is er een uitvoeringsplan Plaspoelpolder, waarvan het Havenkwartier deel uit maakt. Voor het Havenkwartier is een Ontwikkelkader Havenkwartier opgesteld. De algemene doelstelling is: “Een plek waar mensen graag komen werken en fijn kunnen wonen. Die toekomstbestendig is. Waar je heerlijk kunt fietsen of wandelen langs het vele groen. Waar je tijd aan of zelfs óp het water kunt doorbrengen. Een uniek stukje stad waar iedere Rijswijker graag komt. Dat is de ambitie van het college van burgemeester en wethouders voor het Havenkwartier. Door er woningen te bouwen, de openbare inrichting sterk te verbeteren en het gebied met bijvoorbeeld meer horeca aantrekkelijker, maar ook veiliger te maken voor ondernemers wil gemeente Rijswijk deze ambitie waarmaken. In het Ontwikkelkader Havenkwartier staat hoe de verschillende opgaven wonen, bedrijvigheid, natuur en verkeer hier een plek kunnen krijgen.”

Figuur 2.1 Tekening van het stedenbouwkundige ontwerp (Bron: https://www.rijswijk.nl/projecten/havenkwartier)

7/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Eén van de thema's bij het Ontwikkelkader Havenkwartier is Natuurinclusief bouwen/biodiversiteit. Hiervoor zijn in het Ontwikkelkader diverse aanknopingspunten aanwezig en zijn in bijlage 8 ervan concrete aanwijzingen gegeven voor natuur en biodiversiteit.

“De evolutie gaat veel sneller dan we vroeger dachten, veel dieren passen zich succesvol aan de uitdijende bebouwde wereld aan. Dit proces willen we stimuleren door een flexibel, natuurvriendelijk stenen stadsbiotoop te maken. Een stad vol hoekjes, schuilmogelijkheden, holten, nissen, foerageerplekken, groen, water. Zo’n biotoop willen we waar mogelijk in het Havenkwartier ook maken. En dat dan natuurlijk wel verzorgd en mooi vormgegeven. Aan de vormgevers de uitdaging met slimme, niet orthodoxe ontwerpen te komen waarmee we voor de natuur een nieuwe leefomgeving creëren. De vijf V’s zijn belangrijk. Zorg voor Veiligheid (schuilplekken, rustplekken), Voortplantingsplekken (neststenen, water, holtes, nissen), Verbindingsplekken, Variatie (organismen hebben andere plekken nodig afhankelijk van temperatuur, neerslag, seizoen etc.) en vanzelfsprekend Voedsel.” Deze aanwijzingen worden in deze notitie nader uitgewerkt. Een ander uitgangspunt is dat de bestaande bomen worden behouden, indien deze goed inpasbaar zijn, en de groenstructuur verder uit te breiden. Over de Groensfeer wordt het volgende geschreven: “Qua sfeer wil de wijk zich ook qua groen onderscheiden van reguliere woonwijken door een bijzondere beplantingskeus. Veel variatie met een havenuitstraling. Grijsbladigen, droogtebestendigen, grassen, zuidelijke uitstraling etc. Geldt ook voor de boomsoortkeus.

Verder gevarieerd, insectentrekkend, bloeiend. Olijfwilg, Olijfpeer, grassen, kruiden, pioniersvegetatie. Biodiverse soortkeus, bij voorkeur inheems. In elke straat bomen, aan twee zijden, maar geen laanstructuur. In verband met wateropvang bij regen in de vakken zeer zorgvuldige beplantingskeus”. Verder zijn er aanwijzingen gegeven voor: • Wateropvang in bermen • Drijvende eilanden in de haven •

Inpassing van bestaande bomen.

De visie voor de zone langs de Vliet en de groenstrook tussen Sijthofterrein en Vliet wijkt af van de visie in het Groenbeleidsplan. Met name voor deze laatstgenoemde zone wordt er een spanningsveld tussen ecologie enerzijds en stedenbouw en landschap anderzijds geconstateerd.

2.2

Relevant beleid betreffende biodiversiteit

De gemeente heeft op het vlak van groen, biodiversiteit en natuur beleid. De meest relevante zijn in de volgende paragrafen uitgewerkt.

8/40

Kenmerk

2.2.1

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Het groenbeleidsplan Rijswijk 2010 – 2020

Het Groenbeleidsplan geeft onder meer de hoofdgroenstructuur, met daarin ook de natuurstructuur (inclusief ecologische verbindingszone)s van Rijswijk aan (inclusief de samenhang met het omringende gebied. In figuur 2.2. is dit verbeeld.

Figuur 2.2 Rijswijkse Hoofdgroenstructuur (Bron: Groenbeleidsplan 2010-2020)

2.2.2

Convenant Klimaatadaptief bouwen

De gemeente Rijswijk heeft het convenant Klimaatadaptief bouwen ondertekent. Op de website bouwadaptief.nl zijn voor natuurinclusief bouwen handvatten en inspiratie te vinden. Een belangrijk handvat is de onderstaand figuur.

Figuur 2.3 stappenplan voor natuurinclusief bouwen Bron: bouwadaptief.nl

9/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Conform de aanpak van Bouwadaptief wordt in dit rapport soorten geïnventariseerd en geselecteerd (doelsoorten) en vervolgens worden de voorwaarden van de doelsoorten vastgelegd in een programma van eisen. Hiermee kunnen de ontwerpen voor de particuliere en openbare ruimte worden getoetst. In het programma van eisen Bouwadaptief is vermeld: Doel: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving. Eis: Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste gebouw bewonende soorten. Range: 1-3 Soorten-categorieën. 2.2.3

Motie Groen Havenkwartier

In een motie is onder meer vastgelegd dat het college er zorg voor draagt dat: • De door hoogbouw-accenten vrijkomende ruimte benut wordt voor daadwerkelijk zichtbaar en fraai aangelegde groenzones - onder het motto: liever nog een onsje meer groen dan water met bomen en sierlijke beplanting, als een eigentijdse invulling van het oorspronkelijk karakter van Rijswijk als park- en rozenstad. Waarbij gevarieerd wordt in soort en hoogte van bomen en heesters en de uitstraling hiervan bij het door de wijk lopen duidelijk aanwezig is •

•

Onderzoek wordt gedaan naar huidige ecologische waarden in het gebied en de directe omgeving, rekening houdend met historie en het belang van bestaande groenvoorzieningen. Met dit onderzoek te zorgen dat de ontwikkelingen in het Havenkwartier aansluiten op de verbetering van de biodiversiteit en het groen in heel Rijswijk Bij het uitwerken van de visie breder te kijken dan alleen de openbare ruimte. Door in te zetten op natuurinclusief bouwen door de private partijen. Met daktuinen, groene gevels, vogelkasten in gevels en bijenhotels in de muren. Waarbij als uitgangspunt geldt dat het groen in de hele wijk aanwezig is, zodat in de wijk als geheel rekening wordt gehouden met de biodiversiteit

•

Bij de verharding in het gebied zoveel mogelijk gebruik te maken van waterdoorlatende verharding op opritten en parkeerplaatsen, zowel in publieke als private zones

2.2.4 Vlietzone-visie (in ontwikkeling) De ontwikkeling Havenkwartier is ingebracht als een lopende ontwikkeling bij de inventarisatie ten behoeve van de onder regie provincie op te stellen Vlietzonevisie. Gezien de groene en recreatieve (haven) ambities van het kwaliteitskader is de verwachting dat het plan een positieve bijdrage zal leveren aan het Vlietzonegebied.

10/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

3 Gebiedsanalyse (beknopt) 3.1

Havenkwartier in de groen- en waterstructuur Rijswijk

Het Groenbeleidsplan geeft op de kaart van de hoofdgroenstructuur (zie figuur 2.2) aan dat het Havenkwartier aantakt op twee belangrijke ecologische zones door Rijswijk: de Vlietzone (aan de westzijde van het plangebied) en de Zwethzone (aan de zuidzijde van het Havenkwartier). Deze twee raken elkaar in het zuiden van het Havenkwartier en hebben een ecologische verbinding onder de A4 door met een slinger naar het noorden. Voor de biodiversiteit van het Havenkwartier is biedt deze ruimtelijke relatie met de Vlietzone en de Zwethzone extra kansen.

Figuur 3.1 Ecologische structuur rond het Havenkwartier. Bron: Urban Parks, 2021

11/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Het plangebied grenst aan de Burgemeester Elsenlaan, die de verbinding vormt tussen de landgoederenzone met het Rijswijkse bos in het noordwesten en de polder met het Elsenburgerbos en de Vliet in het zuidoosten. Haaks op de Burgemeester Elsenlaan vormt de Sir Winston Churchilllaan een groene verbinding in de andere richting. De haven verbindt het gebied van oudsher over de Vliet met Delft in het zuiden en Leiden in het noorden. Verder is de begraafplaats ten noorden van het Havenkwartier voor de biodiversiteit een waardevol aangrenzend groengebied.

3.2

Aangetroffen soorten in en rond het gebied

In de Nationale Databank Flora en Fauna worden waarnemingen van soorten geregistreerd. De databank geeft inzicht het voorkomen en de verspreiding van soorten in een bepaald gebied. Om vast te stellen welke soorten in het Havenkwartier en omgeving voorkomen is de databank geraadpleegd. Hierbij is als selectiecriteria een periode van de afgelopen 10 jaar aangehouden. De Nationale Databank Flora en Fauna bevat waarnemingen van verschillende soorten in het Havenkwartier en de omgeving daarvan. In totaal zijn er circa 700 soorten waargenomen in en om het gebied, waarbij het merendeel planten betreft (366 soorten). Omdat het aantal soorten te veel is om in deze rapportage op te nemen is in tabel 3.1 is een selectie van de soorten weergegeven. Voor soortgroepen waarbij de soortenlijst te groot was om op te nemen, zijn soorten met kenmerkende en aansprekende eigenschappen geselecteerd. Tabel 3.1 Een selectie van kenmerkende, aangetroffen soorten in en de directe omgeving van het Havenkwartier (NDFF, 2021) Soortgroep

Soorten

Flora

Gele lis en muurvaren,

Grondgebonden

Bruine rat, bunzing, egel, haas, huismuis, konijn, mol en vos

zoogdieren Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis

Vogels

Aalscholver, ekster, gierzwaluw, huismus, ijsvogel, meerkoet, merel, ransuil, slechtvalk, sperwer, spreeuw, tjiftjaf, Turkse tortel, waterhoen en zwarte roodstaart

Amfibieën

Bruine kikker

Vissen

Baars, blankvoorn, brasem, Europese aal, karper, kolblei, pos, snoekbaars en winde

Dagvlinders

Atalanta, bont zandoogje, boomblauwtje, citroenvlinder, dagpauwoog, distelvlinder, gehakkelde aurelia, groot koolwitje, icarusblauwtje, klein geaderd witje, klein koolwitje en kleine vos

Sprinkhanen

Bruine sprinkhaan, grote groene sabelsprinkhaan en struiksprinkhaan

Bijen en

Aardhommel, grote bladsnijder, lathyrusbij, meidoornzandbij en rosse metselbij

hommels

12/40

Kenmerk

3.3

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Selectie van doelsoorten

Door natuurinclusief bouwen draagt Rijswijk bij aan het vergroten van de biodiversiteit in de bebouwde kom. Door het treffen van stimulerende maatregelen ontstaan geschikte habitats voor specifieke soorten. Generalistische soorten kunnen uit de voeten met enkele maatregelen, terwijl specialistische soorten maatregelen op maat vragen. De ontwikkelingen in het Havenkwartier betreft voornamelijk renovatie van bestaande gebouwen. Hierdoor ontstaan veel kansen voor soorten die gebruik maken van gebouwen. Sommige soorten planten zich voort in gebouwen, maar stellen aanvullende eisen aan de leefomgeving. Hierdoor beperkt het natuurinclusief bouwen niet tot het nemen van enkele maatregelen in of op gebouwen. Ook de samenhang tussen de private en openbare ruimte is van belang. Door het selecteren van doelsoorten wordt getracht in een pakket aan eisen te voorzien, waarbij zowel eisen voor de private als de openbare ruimte worden opgenomen. Door doelsoorten te selecteren die veel eisen stellen aan de omgeving, zijn meer maatregelen nodig dan bijvoorbeeld alleen het inbouwen van neststenen in gevels. Bij de selectie van doelsoorten is rekening gehouden met verschillende soortgroepen, zodat in elk (micro)habitat maatregelen worden uitgevoerd ten gunste van biodiversiteit. Wanneer maatregelen voor doelsoorten getroffen worden ontstaat niet enkel voor de doelsoort een geschikt habitat.

Zo kan in kieren en nissen in gebouwen niet alleen zwarte roodstaart broeden, maar kunnen insecten zoals spinnen en overwinterende vlinders er schuilen. Door bijvoorbeeld de bloei van kruiden te stimuleren, heeft dit niet enkel effect op een specifieke bijensoort, maar hebben ook andere nectarminnende soorten profijt van de maatregelen. Dergelijke soorten worden volgsoorten genoemd. Ze volgen als het ware de doelsoorten. In tabel 3.2 zijn de geselecteerde doel- en volgsoorten opgenomen. In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eisen de doelsoorten stellen en de te nemen maatregelen. Tabel 3.2 Doelsoorten en volgsoorten voor het Havenkwartier Doelsoort

Volgsoort

Huismus

Zwarte roodstaart

Merel

Egel

Gewone dwergvleermuis

Laatvlieger

Grote bladsnijder

Algemene bijen en vlindersoorten

Meerkoet

Baars

Gierzwaluw

Zwarte roodstaart

Muurvaren

Muurleeuwenbek

13/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

4 Programma van eisen (per doelsoort) 4.1

Huismus

4.1.1 Verblijfplaatsen Huismus is sterk gebonden aan mensen en broedt in gebouwen met openingen. Nest- en rustlocaties zijn vaak aan te treffen onder dakpannen of in huismusnestkasten die in de gevel zijn ingebouwd. De functionele leefomgeving is voor huismus dermate essentieel, dat wanneer een onderdeel hiervan ontbreekt, het gehele gebied ongeschikt wordt als voortplantingslocatie van huismus. 4.1.2 Voedsel Er dient in de omgeving van nest- en rustlocaties voldoende voedsel (en water) aanwezig te zijn. In het voortplantingsseizoen betreft dit voor de jongen dierlijk voedsel, in overige periodes in het jaar wordt voornamelijk zaad van kruiden, maar worden ook bessen en bloemknoppen gegeten. 4.1.3 Veiligheid Er dient nabij de nesten voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. Dit zijn vaak groenblijvende bomen en struiken en hagen, waar een mussenpredator zoals sperwer niet of nauwelijks in kan doordringen. Huismus weert zich tegen parasieten door het nemen van stofbaden. Dit gebeurt vaak op zandige plekken nabij de nest- en rustlocatie. 4.1.4 Verbinding en variatie Huismus is een uitgesproken standvogel, die zijn hele leven op één locatie doorbrengt. De essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving dienen dan ook binnen het bereik van huismus te liggen.

De schuilgelegenheid (groenblijvende struiken en bomen) dient binnen enkele meters van de nest-/rustlocatie en de foerageerplekken te liggen. De foerageergebieden dienen niet verder te liggen dan enkele honderden meters rondom de nestlocaties. Huismus leeft in kolonieverband, waardoor altijd meerdere nest- en rustvoorzieningen voorhanden moeten zijn. 4.1.5

Eisen- en maatregelenpakket

In tabel 4.1 zijn de eisen en maatregelen opgenomen die voor huismus toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen het inbouwen van neststenen heeft geen effect. De huismus zal door het ontbreken van voldoende groen in de wijk zich niet vestigen.

14/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Tabel 4.1 Eisen- en maatregelenpakket huismus Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal per gebouw Nest- en rustgelegenheid

Inbouwen neststenen

50

http://www.vivarapro.nl/NK-MU06-Nestkast-Mus

Schuilgelegenheid

Plaatsen van groenblijvende

2*75 m2

struiken en bomen etc. (hulst,

nestlocaties en foerageergebied,

conifeer, klimop, taxus, liguster) Foerageergelegenheid

Ontwikkelen van kruidenrijke

Realisatie grenzend aan

minimaal 3 soorten kiezen 400 m

vegetatie

2

Binnen enkele honderden meters rondom in te bouwen neststenen

Stofbaden

Creëren van zandige plekken

1

Nabij in te bouwen neststenen

Water

Watervoorziening maken

1

Water dient bereikbaar te zijn door flauwe oevers of vegetatie die boven het water uitsteekt

4.1.6 Volgsoort huismus: zwarte roodstaart Door het nemen van maatregelen ten gunste van huismus zal ook de zwarte roodstaart volgen. Zwarte roodstaart nestelt in nissen van en openingen in gebouwen. Het is een echte insecteneter, waarvan de meeste individuen in zuidelijkere contreien overwinteren. In milde winters overwinteren ook enkele exemplaren in Nederland. Door het aanleggen van kruidenrijke vegetatie neemt de rijkdom aan insecten toe, die weer geconsumeerd worden door zwarte roodstaart.

4.2

Merel

4.2.1.1 Verblijfplaatsen Merel is algemene vogelsoort die overal in Nederland aan is te treffen. De soort broedt voornamelijk in bomen, struweel en klimplanten. Voorwaarde aan de broedlocatie is dat deze voldoende dichtbegroeid moet zijn. 4.2.2 Voedsel Het voedsel van merel bestaat uit wormen, insecten, bodemdieren, bessen en fruit. Door het creëren van verschillende (micro)habitats is er ten alle tijden een ruime keuze in de voedselvoorziening. 4.2.3

Veiligheid

Door in de openbare ruimte groots in te zetten om groen (dichtbegroeide bomen, struweel, hagen en klimplanten) kan merel altijd een veilige broedplek uitzoeken. Ook bij naderend gevaar kan de merel op deze plekken veiligheid zoeken.

15/40

Kenmerk

4.2.4

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Verbinding

Merel stelt geen harde eis aan natuurlijke verbindingszones in zijn leefgebied. Wel zijn er mogelijkheden om het habitat voor merel te optimaliseren en veiliger te maken. Door de verschillende dichtbegroeide bomen, struiken, hagen en klimplanten niet op grote afstand van elkaar te plaatsen ontstaat een (veilige) verbinding tussen broedlocatie en foerageergebied. 4.2.5 Variatie Door een variatie aan te bieden aan broedhabitat heeft een merel veel keuzemogelijkheid in de nestlocatie. Zo kan de merel bijvoorbeeld in een groene gevel met klimop broeden, maar ook in een meidoorn in de openbare ruimte. Ook het type beplanting en het beheer is van belang om te voorzien in de voedselbehoefte van merel. Door bijvoorbeeld verschillende soorten besdragende struiken te planten in binnentuinen en/of in de openbare ruimte is gedurende verschillende periodes in het jaar voldoende voedsel beschikbaar. Het beheer dient gericht te zijn op behoud van dichtbegroeide groene elementen en de ontwikkeling van besdragende planten. 4.2.6 Eisen- en maatregelenpakket In tabel 4.2 zijn eisen en maatregelen opgenomen die voor merel toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen het plaatsen van een enkele klimop heeft geen zin, als er in de directe omgeving onvoldoende voedsel beschikbaar is.

Tabel 4.2 Eisen- en maatregelenpakket merel Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

Nest- en rustgelegenheid

Aanplanten inheemse

20

Voorbeelden:

dichtbegroeide planten

(waarvan

•

(bijvoorbeeld klimop, meidoorn,

minimaal 3

sleedoorn, liguster en inheemse

soorten)

aantal

gevels)

•

bomen)

Beheer van beplanting

Struweelhagen (meidoorn, sleedoorn en liguster)

• Schuilgelegenheid

Klimop tegen muren (groene

N.v.t.

Inheemse bomen

Bijvoorbeeld voldoende ruimte

afstemmen zodat

voor groei van klimop langs

schuilgelegenheid ontstaat

groene gevels reserveren en alleen beheren wanneer deze buiten aangewezen plekken groeit.

Foerageergelegenheid

Aanplanten van verschillende

20

Voorbeeld:

voedselplanten

(minimaal 5

•

Klimop

soorten)

•

Meidoorn

•

Sleedoorn

•

Appelboom

16/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal Foerageergelegenheid

Creëren van beschutte vochtige

1

plekken onder de struiklaag

Vochtige beschutte plekken zijn plekken waar veel bodemdieren worden aangetroffen, die merel consumeert

Verbinding

Aaneengesloten beplanting creëren

N.v.t.

Aaneengesloten of min of meer aaneengesloten door verspreide elementen te creëren

4.2.7 Volgsoort merel: egel Aangezien merel een struweelsoort bij uitstek is, is er enige overlap met egel. Door de maatregelen voor merel te treffen volgt egel. Niet het hele havenkwartier is geschikt voor egel. Voornamelijk de oostkant van Sijthof is in de huidige situatie geschikt voor egel door de oudere bomenrij en de dichtbegroeide laag met ondergroei. Op deze locatie kunnen maatregelen getroffen worden om het voor egel aantrekkelijker en veiliger te maken. Denk aan het uitbreiden van de groenstrook waardoor een grote leefgebied ontstaat. Ook dienen maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat egel verkeersslachtoffer wordt of te water raakt in de diepe bak van de haven. Denk hierbij aan opstaande randen of schermen langs wegen kademuren en faunatunneltjes.

4.3

Gewone dwergvleermuis

4.3.1

Verblijfplaatsen

Gewone dwergvleermuis komt in Nederland algemeen voor en verblijft in gebouwen. Het een kleine vleermuis, waardoor een opening zo breed als een gemiddelde duim al geschikt is als opening naar een verblijfplaats. Verblijfplaatsen in gebouwen zijn te vinden in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten of onder dakpannen. Verblijfplaatsen hebben een specifiek binnenklimaat die afhankelijk van de oriëntatie en thermische buffering geschikt zijn. Bij wisselende weersomstandigheden kan er gewisseld worden tussen verschillende verblijfplaatsen. Ook kunnen verblijfplaatsen geschikt zijn als zomer-, paar-, kraam- en winterverblijfplaats. Elk type verblijfplaats heeft zijn eigen binnenklimaat. Zodoende maakt een vleermuis gedurende het jaar gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Verblijfplaatsen zijn te realiseren door vleermuis -inbouwstenen in gevels te plaatsen. Een enkele inbouwsteen, omgeven door een spouwmuur, is geschikt als een zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats en individuele winterverblijfplaats. Kraamverblijfplaatsen vragen om meer geschakelde inbouwstenen bij elkaar in de gevel.

17/40

Kenmerk

4.3.2

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Voedsel

Foerageergebieden liggen tot 5 kilometer rondom de verblijfplaats en bestaan uit groenstructuren zoals bossen en kleinere bosschages. De soort jaagt in een gesloten tot halfopen landschap. Geschikte foerageergebieden, waarvan het aannemelijk is dat ze door gewone dwergvleermuizen worden gebruikt, zijn het Rijswijkse Bos, de Rijswijkse Golfclub en het Elsenburgerbos. Ook de Vliet- en Zwethzone zijn geschikt voor gewone dwergvleermuizen om te foerageren. 4.3.3 Verbinding Om foerageergebieden en de verschillende verblijfplaatsen te bereiken maken vleermuizen gebruik van lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen. Dit kunnen groenstructuren zoals bomenrijen zijn, maar ook lijnvormige wateren kunnen dienst doen als vliegroute. Zonder deze verbindingen kan een verblijfplaats en/of foerageergebied niet functioneren. Het is daardoor van belang om naast het realiseren van verblijfplaatsen te voorzien in lijnvormige groenstructuren richting foerageergebieden. Naast dat de lijnvormige groenstructuren als vliegroute dienen, worden deze ook gebruikt om te foerageren vlak na of voor het in- en uitvliegen uit de verblijfplaats. 4.3.4

Veiligheid

Vleermuizen zijn zeer gevoelig voor licht. Zeer lichte plaatsen zullen vleermuizen mijden. Bij het aanlichten van verblijfplaatsen en/of groenstructuren worden deze minder geschikt of geheel ongeschikt. In het ergste geval kan een vleermuis zijn verblijfplaats niet meer verlaten en zal deze daar overlijden door voedselgebrek. In het ontwerp dient dan ook rekening gehouden te worden met kunstmatige verlichting. Deze dient niet uit te stralen naar de te realiseren verblijfplaatsen en lijnvormige groenstructuren. Ook dienen verblijfplaatsen buiten bereik van predatoren (zoals katten) te worden geplaatst.

18/40

Kenmerk

4.3.5

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Eisen- en maatregelenpakket gewone dwergvleermuis

In tabel 4.3 zijn maatregelen opgenomen die voor gewone dwergvleermuis toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen door de combinatie van maatregelen wordt het grootste effect bereikt. Tabel 4.3 Eisen- en maatregelenpakket gewone dwergvleermuis Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal per gebouw Zomer-, paar- en

Inbouwen inbouwstenen voor

individuele

vleermuizen

50

•

In te bouwen in spouwmuur.

•

http://www.vivarapro.nl/IB-

winterverblijfplaats

VL-06-InbouwsteenVleermuizen

Kraamverblijfplaats

Inbouwen geschakelde

2*3

inbouwstenen

•

Buiten bereik van predatoren

•

Hoger dan 3 meter

•

Voldoende verspreid

Minimaal 3 geschakelde inbouwstenen naast elkaar

Lijnvormige

Lijnvormige groenstructuren

n.v.t

groenstructuren vanaf

creëren vanaf in te bouwen

gerealiseerd met inheemse

De lijnvormige structuur wordt

verblijfplaats richting

verblijfplaats naar nabijgelegen

beplanting, bij voorkeur zo divers

foerageergebieden

foerageergebied en/of lijnvormig

mogelijk.

element Donkere plekken rond

Voorkom uitstralende verlichting

verblijfplaatsen en

naar te realiseren verblijfplaatsen

groenstructuren

en groenstructuren

n.v.t.

Betrek een ecoloog in het verlichtingsplan

4.3.6 Volgsoort gewone dwergvleermuis: laatvlieger Door het nemen van maatregelen ten gunste van gewone dwergvleermuis kan laatvlieger volgen. Laatvlieger kan net zoals de gewone dwergvleermuis verblijven in gebouwen en gebruik maken van dezelfde groenstructuren om te foerageren en om langs te vliegen. Wel dient er rekening gehouden te worden dat in te bouwen stenen voor vleermuizen een opening hebben die groot genoeg is voor de laatvlieger. Laatvlieger is een iets grotere soort dan gewone dwergvleermuis.

19/40

Kenmerk

4.4

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Grote bladsnijder

4.4.1 Verblijfplaatsen De grote bladsnijder komt in Nederland vooral voor in stedelijk gebied. De soort nestelt in allerlei natuurlijke en kunstmatige holten in dood hout (oude kevergangen, gangen van de wilgenhoutrups), nestblokken, muren, dikke rietstengels en ook in de grond. Voor het nest worden stukjes blad van diverse heesters en bomen (bijvoorbeeld roos, berk en eik) verwerkt. De nesten zitten doorgaans tot 10 centimeter diep in de bodem. Nestgelegenheid kan gecreëerd worden door bruine daken aan te leggen en open kale (vergraafbare) bodem te realiseren. Ook kunnen insectenhotels bijdragen aan nestgelegenheid. Wel dient ervoor gewaakt worden dat de binnenzijde van de nestgangen glad is afgewerkt. 4.4.2

Voedsel

Grote bladsnijder is een polylectische soort wat betekend dat de soort een brede variatie van soorten planten bezoekt en verschillende typen bloemen worden gebruikt voor het verzamelen van stuifmeel. Bloembezoek van grote bladsnijder is onder andere vastgesteld op composieten, heiachtigen, klokjesachtigen en vlinderbloemen. Door gericht het beheer kunnen diverse kruiden tot ontwikkeling komen. Het is ook mogelijk om een inheems, bloemrijk mengsel in te zaaien. De voorkeur heeft echter spontane ontwikkeling van kruidenvegetaties. 4.4.3 Veiligheid Geschikt nesthabitat voor grote bladsnijder dient op plekken gerealiseerd te worden waar verstoring is uitgesloten. Voorbeelden van verstoring zijn het lopen door mensen en dieren over nestgangen en een insectenhotel afzetten met dubbel kippengaas om predatie door grote bonte specht te voorkomen. 4.4.3.1 Verbinding Nestel- en voedsellocaties dienen met elkaar verbonden te zijn. In de directe omgeving van de nestplekken moeten de voedselbronnen aanwezig zijn. Door een bloemrijk habitat te realiseren rondom de nestlocaties (bijvoorbeeld op een bruin dak, in een binnentuin of in groenstroken van de openbare ruimte) ontstaat voldoende verbinding tussen nest- en voedselgronden. Het bloemrijk habitat dient binnen 200 meter van de nestgelegenheid aangelegd te worden.

Door de aan te leggen bloemenweides te verbinden met overige groenstructuren ontstaat uitwisseling met andere populaties en kan het Havenkwartier sneller gekoloniseerd worden. 4.4.4 Variatie Door een variatie aan te bieden aan nestgelegenheid en voedselbronnen ontstaat een ideaal habitat voor grote bladsnijder. Nestgelegenheid kan bestaan uit een combinatie van bruine daken, open kale grond in de openbare ruimte en uit insectenhotels. Door op verschillende plekken in het Havenkwartier groenstroken te realiseren en het beheren ervan te richten op bloemrijkdom ontstaan verschillende (micro)habitats. Hierdoor ontwikkelen zich verschillende soorten voedselplanten (bijvoorbeeld zon- en schaduwminnende soorten).

20/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Bij de aanplant van bomen dient rekening gehouden te worden met voldoende afwisseling van soorten. Hierdoor heeft grote bladsnijder voldoende keus voor de nestbekleding. 4.4.5

Eisen- en maatregelenpakket grote bladsnijder

In tabel 4.4 zijn maatregelen opgenomen die voor grote bladsnijder toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen door de combinatie van maatregelen wordt het grootste effect ten gunste van grote bladsnijder bereikt. Tabel 4.4 Eisen- en maatregelenpakket grote bladsnijder Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal per gebouw Nestgelegenheid

Bruine daken (minimaal 10

25 m2

Op bruine daken ontstaat

centimeter hoog)

spontaan vegetatie, waardoor open plekken aanwezig zijn die gebruikt worden door grote bladsnijder.

Nestgelegenheid

Insectenhotel

5

•

Zuidelijk georiënteerd

•

Gladde afwerking in de nestholtes

Nestgelegenheid

Voedselvoorziening

Verbinding

Aanplant van diverse inheemse

Min. 10

Zorg voor voldoende soorten voor

bomen (bijvoorbeeld berk en eik)

soorten

een gevarieerd aanbod

Richt groenstroken in waar

100 m

2

Inzaaien met een inheems

kruidenrijk grasland kan

zaadmengsel is ook mogelijk,

ontwikkelen

maar niet wenselijk

Zorg ervoor dat via bloemrijk

N.v.t

grasland en bloemrijke

Binnen 200 meter van nestgelegenheid creëren

plantvakken verbindingen ontstaat met overige groenstructuren Veiligheid

Zorg dat nestplekken niet

N.v.t.

Het dubbele kippengaas dient

frequent worden betreden en zet

enkele centimeters voor de

insectenhotels af met dubbel

opening van de nestingang te

kippengaas

zitten.

4.4.6 Volgsoort grote bladsnijder: diverse bijen en vlindersoorten Door het nemen van maatregelen ten gunste van grote bladsnijder volgen diverse bijen en vlindersoorten. Zo kunnen in kale bodemstructuren en insectenhotels verschillende bijen (bijvoorbeeld rosse metselbij) zich voortplanten. In bloemrijke vegetaties kunnen naast bijensoorten verschillende vlindersoorten profiteren van het nectaraanbod.

21/40

Kenmerk

4.5

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Meerkoet

4.5.1 Verblijfplaatsen Meerkoet rust op eilandjes in water, drijvende takken en zelfgemaakte nesten op deze locaties. Voor nestbekleding wordt meestal riet, wortels en afval gebruikt. De nesten zijn vaak aan te treffen in de oeverzone. Door drijvende constructies te maken langs de oever van de haven ontstaat geschikt nest- en rusthabitat voor meerkoet. Ook het maken van een klein eiland in de haven behoort tot de mogelijkheden. 4.5.2

Voedsel

Meerkoet eet allerlei waterplanten, maar wanneer er jongen zijn ook waterdieren zoals slakken en visjes. Meerkoet eet ook gras. Door de oevers natuurvriendelijk in te richten en eventueel een (drijvend) eiland in de haven te creëren ontstaat na ontwikkeling van voldoende oevervegetatie, voldoende voedsel voor meerkoet. 4.5.3 Veiligheid Meerkoet is niet mensenschuw en komt daardoor voor tot diep in stedelijk gebied. Op deze plekken zijn ook nesten van meerkoet aan te treffen. Meerkoet stelt daarom geen aanvullende eisen aan veiligheid. 4.5.4 Verbinding Meerkoet stelt geen harde eis aan verbinding in zijn leefgebied. In het Havenkwartier is voldoende verbinding met open water aanwezig, zodat hier geen aanvullende eisen voor nodig zijn. 4.5.5

Variatie

Door over de hele lengte van de haven een drijvende oeverconstructie te maken ontstaat een gevarieerd aanbod aan nest- en rustplekken. Door dit te combineren met een eiland in de haven een optimaal en gevarieerd leefgebied. 4.5.6

Eisen- en maatregelenpakket meerkoet

In tabel 4.5 zijn maatregelen opgenomen die voor de meerkoet toegepast kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. De maatregelen dienen allemaal uitgevoerd te worden. Alleen door de combinatie van maatregelen wordt het grootste effect ten gunste van grote bladsnijder bereikt.

22/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Tabel 4.5 Eisen- en maatregelenpakket meerkoet Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal per object Nest-, rust- en

Drijvende, natuurvriendelijke

foerageergelegenheid

oeverconstructie maken

Nest-, rust- en

Creëren (evt. drijvend)

foerageergelegenheid

natuureiland in haven

Nest-, rust- en

Aanbrengen vissenbos (zie 5.4)

foerageergelegenheid

200 meter

Aanbrengen van substraat zodat oevervegetatie kan ontwikkelen

400 m

2

Flauwe oevers, onbereikbaar voor mensen

10 meter

Vooral bedoeld als habitat voor vis. Bovenop het vissenbos kan meerkoet broeden.

4.5.7 Volgsoort meerkoet: baars Door de haven in te richten voor meerkoet ontstaat ook geschikt habitat voor baars. Door het creëren van drijvende, natuurvriendelijke oeverconstructies, een natuureiland en/of een vissenbos ontstaat er verschillende dieptes in de haven met diversie schuilmogelijkheden. Door ontwikkeling van oevervegetatie krijgt de waterkwaliteit een positieve impuls. Op termijn zal een ideaal habitat voor baars ontstaan.

4.6

Gierzwaluw

4.6.1 Verblijfplaatsen Gierzwaluwen nestelen in gebouwen met openingen. Nesten zijn vaak aan te treffen onder dakpannen of in speciaal voor gierzwaluw geschikte neststenen. Door op hoogte voor gierzwaluw geschikte neststenen in te bouwen in gevels zijn relatief eenvoudig nestlocaties voor gierzwaluw te realiseren. 4.6.2 Voedsel Gierzwaluw kan grote afstanden afleggen op zoek naar voedsel. Voedsel wordt veelal hoog in de lucht gevangen. Hierdoor is gierzwaluw niet afhankelijk van groenstructuren in de wijk waar de soort broedt. Maatregelen om te voorzien in de voedselbehoefte van gierzwaluw zijn niet nodig. 4.6.3 Veiligheid De broedlocatie van gierzwaluw dient buiten bereik van predatoren (zoals katten) gerealiseerd worden. Daarnaast dient de neststeen op voldoende hoogte (>3 meter) ingebouwd te worden. Er is geen maximale hoogte, hoe hoger hoe beter. Door neststenen in te bouwen in noord- en oostgevels wordt voorkomen dat de nestlocatie in de zomerzon oververhit raakt.

23/40

Kenmerk

4.6.4

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Verbinding

Gierzwaluw stelt geen bepaalde voorwaarden aan natuurlijke verbindingen. Hiervoor zijn dan ook geen maatregelen van toepassing. 4.6.5 Variatie Door neststenen optimaal te spreiden over het gebouw (uitgezonderd zuid- en westgevels) ontstaan vrijstaande gierzwaluwnestlocaties. Hiermee wordt voorkomen dat een gierzwaluw per ongeluk in een nest van een ander gierzwaluwpaar vliegt. 4.6.6

Eisen- en maatregelenpakket gierzwaluw

In tabel 4.6 zijn eisen en maatregelen opgenomen die voor gierzwaluw opgenomen kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. Tabel 4.6 Eisen- en maatregelenpakket gierzwaluw Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal per gebouw Nest- en rustgelegenheid

Inbouwen neststenen

50

•

Buiten bereik van predatoren

•

Hoger dan 3 meter

•

Voldoende verspreid over noord- en oostgevels

http://www.vivarapro.nl/IB-GZ-03Inbouwsteen-Gierzwaluw

4.6.7 Volgsoort gierzwaluw: zwarte roodstaart Net als bij de huismus is zwarte roodstaart in staat om de gierzwaluw te volgen. Door het inmetselen van nestkasten ontstaat ook broedgelegenheid voor zwarte roodstaart. Door het aanbrengen van inheemse beplanting (voor onder andere grote bladsnijder) ontstaat eveneens voldoende voedselaanbod voor de zwarte roodstaart.

4.7

Muurvaren

4.7.1

Algemeen

Muurvaren groeit op zonnige tot half beschaduwde, droge tot vochtige, niet te voedselarme tot niet te voedselrijke, kalkrijke en stikstofarme muren. In het Havenkwartier is een groeiplaats aanwezig op een kademuur onder de brug over het water tussen de Steenplaetsstraat en de Huis te Hoornkade. In tegenstelling tot andere varens die op muren groeien kan verdraagt muurvaren ook op het zuiden georiënteerde locaties. Muurvarens kunnen door de lichte sporen, die door de wind verspreid worden, geschikte muren zelf eenvoudig koloniseren.

24/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

Het is lastig om een muur geschikt te maken voor muurvaren. Muurvarens groeien voornamelijk op oude, verweerde muren. Het creëren van geschikt habitat voor muurvaren vergt daarom een lange adem, maar is niet onmogelijk. Bij het realiseren van geschikt habitat voor muurvaren moet men rekening houden met de volgende aandachtspunten: • • • •

Hoge vochtigheidsgraad van de muur Gebruik van kalkhoudende specie (verhouding zand:kalk is 2:1) Zeer diepe en ruw afgewerkte voegen Verschillende oriëntaties van de muur

Een dergelijke muur kan op een vochtige beschaduwde plek (bijvoorbeeld beschaduwd door een boom of gebouw) worden gerealiseerd. Een andere optie is om verspreid op verschillende plekken grote, maar lage ronde gemetselde muren te realiseren. De binnenzijde van deze muur kan als het ware gebruikt worden als een grote bloembak met inheemse beplanting. De grond in de ronde muur zorgt voor een stabiel en vochtig klimaat. 4.7.2 Eisen- en maatregelenpakket muurvaren In tabel 4.7 zijn eisen en maatregelen opgenomen die voor muurvaren opgenomen kunnen worden tijdens de herontwikkeling van het Havenkwartier. Tabel 4.7 Eisen- en maatregelenpakket Muurvaren Eis

Maatregel

Minimum

Overige informatie

aantal per object Oude verweerde,

Realiseren van (oude),

kalkhoudende muren

verweerde kalkhoudende muren

10 meter

Zie opsomming in paragraaf

Oude verweerde,

Realiseren van ronde (lage)

10 ronde

Zie opsomming in paragraaf

kalkhoudende muren

muren die gevuld worden als

muren van

4.1.7.1 voor eisen aan de muur.

‘bloembak’

2 meter

Beplanting van de ‘bloembak’ met

doorsnee

inheemse beplanting.

4.1.7.1 voor eisen aan de muur

4.7.3 Volgsoort muurvaren: muurleeuwenbek Maatregelen ten gunste van muurvaren komen ook ten gunste aan muurleeuwenbek. Muurleeuwenbek groeit voornamelijk op zonnig georiënteerde muren. Door rekening te houden met een zuidelijke expositie van de muur (of ‘bloembak’) ontstaat geschikt habitat voor muurleeuwenbek.

25/40

Kenmerk

R001-1284087PDK-V01-srb-NL

5 Werken aan biodiversiteit – werkwijze en bouwstenen 5.1

Definitie en reikwijdte natuurinclusief bouwen

Onder natuurinclusief bouwen wordt vaak het volgende verstaan: het zodanig oprichten van bouwwerken en inrichten van de directe omgeving van gebouwen dat natuurwaarden hier baat bij hebben. Daarbij kunnen maatregelen worden getroffen die ‘hard’ zijn (denk aan neststenen voor vogels of vleermuizen), maar ook maatregelen die ‘zacht’ zijn (denk aan het inzaaien van de juiste bloemen of het behouden van bestaande bomen). Dergelijke maatregelen kunnen op verschillende wijzen worden in- of toegepast: • In gebouwen (bijvoorbeeld inbouwneststenen voor bijvoorbeeld de huismus) • • •

Aan en op gebouwen (bijvoorbeeld groene of bruine daken en begroeide gevels) Gebouw gebonden buitenruimtes (bijvoorbeeld groene tuinen) Publieke/openbare ruimtes

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=41c411ee-ccd0-432c-b0ee-6cb85a231c92