CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 23.091 bijlage D Ontwerp bestemmingsplan Sionparck

Forum Stad 30 november 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan ''Sionsparck'' (RV 23-091)27.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

23

4

Omgevingsaspecten

4.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plan. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Ten slotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.

4.2

M.e.r-beoordeling

De realisatie van 54 nieuwe woningen kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals dat voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit m.e.r. (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden, dient evenwel aandacht te worden besteed aan het gegeven of er sprake kan zijn van nadelige milieueffecten. Voor de gebiedsontwikkeling RijswijkBuiten is aan het begin van het planologisch traject een Milieueffectrapportage (MER) opgesteld. Deze heeft zowel als Besluit-MER als Plan-MER gefungeerd. Na het volgen van beide m.e.r.-procedures is de m.e.r.-plicht uitgewerkt en is het derhalve niet noodzakelijk in ruimtelijke procedures voor de ontwikkelingen binnen RijswijkBuiten wederom de m.e.r.procedure te doorlopen. In het MER zijn verschillende varianten onderzocht. Gebleken is dat in de gekozen variant voor de ontwikkeling van RijswijkBuiten geen onevenredige milieubelasting optreedt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in woningbouw, waar de locatie aanvankelijk in het Masterplan voor RijswijkBuiten was aangewezen als bedrijfslocatie. Hoewel de ontwikkeling dus niet geheel in lijn is met het Masterplan en MER van destijds, zal de beoogde nieuwe functie geen grotere milieueffecten hebben.

De nieuwe invulling met 54 nieuwe grondgebonden woningen levert geen milieueffecten op die groter zijn dan een invulling van de locatie met bedrijvigheid. Het opstellen van een separate vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) is daarom niet nodig. Desalniettemin worden in de volgende paragrafen de verschillende milieu- en omgevingsaspecten in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling nader afgewogen.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

24 Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. 4.3.2 Onderzoek In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 54 woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn evenwel de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de omliggende wegen Laan van Sion, Van Rijnweg en de A4 de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald.

In afbeelding 6.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied weergegeven voor het peiljaar 2020.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

25

Afbeelding 4.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 (NSL monitoringstool).

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen respectievelijk 32,2 μg/m3, 18,9 μg/m3 en 10,8 μg/m3 is. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.3.3 Conclusie Zowel vanuit de Wet luchtkwaliteit als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Geluid

4.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waardoor akoestisch onderzoek benodigd is. Voorliggend plangebied bevindt zich binnen de onderzoekszone van meerdere wegen op grond van de Wgh. Het betreft de Laan van Sion en de Rijksweg A4. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai door deze wegen is zodoende benodigd. Het plangebied bevindt zich niet in de onderzoekszone van een spoorlijn of gezoneerd industrieterrein. Daardoor is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai niet aan de orde. 4.4.2 Onderzoek Door M+P is in het kader van dit bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 1. Hieronder worden de conclusies uit het onderzoek samengevat. estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

26

In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting vanwege de Laan van Sion lager is dan de voorkeursgrenswaarde, en daarmee niet relevant is. De berekende geluidsbelasting vanwege de Rijksweg A4 is hoger dan de voorkeursgrenswaarde bij diverse woningen, en bij de woonblokken 1 en 2 (rijwoningen aan de noordzijde) ook hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Om de woningbouw mogelijk te maken dienen er zodoende hogere waarden te worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. De woningen voldoen voor wat betreft de indeling wel aan de randvoorwaarden uit het nog vast te stellen (concept) hogere waardenbeleid van de gemeente Rijswijk. De benodigde hogere waarden per bouwblok zijn weergegeven in tabel 4.1.

Tabel 4.1: Benodigde hogere waarden (bron: M+P, 30-09-2021).

In de omgeving van het plangebied zijn er al bron- en overdrachtsmaatregelen toegepast; bij de Rijksweg A4 ter hoogte van het plangebied ligt er tweelaags ZOAB en zijn er geluidsschermen aanwezig. De huidige bron- en overdrachtsmaatregelen zijn echter onvoldoende om de geluidsbelasting voldoende te reduceren tot de gewenste voorkeursgrenswaarde voor het voorliggende bouwplan. Daarom zijn compenserende maatregelen nodig. Bij de woningen van blok 1 en 2 (de rijwoningen aan de noordzijde van het plangebied), zijn dove gevels nodig op de eerste en tweede verdieping. Voor blok 1 gaat het om de noord- en westzijde, voor blok 2 om de noordzijde. Bij een aantal woningen kan er een bloemenraam met zijraam overwogen worden op de eerste verdieping. Voor blok 1 zijn vanwege overschrijding van de maximale ontheffingswaarde maatregelen nodig voor de eerste en tweede verdieping. Wel kan er in plaats van een gesloten dakvlak overwogen worden om op de eerste verdieping bloemenraam met zijraam afgekeerd van de snelweg toe te passen voor de spuiventilatie. Dit raam heeft een geluidsbelasting van 53 dB of lager. De tweede verdieping krijgt een gesloten dakvlak (dit houdt in zonder draaiende ramen). Vanaf woning 2 van blok 2 geldt het bovenstaande ook. De eerste woning van blok 2 krijgt een gesloten dakvlak.

Bij de bouwvergunningsaanvraag dient een rapport ingediend te worden met daarin berekeningen van de geluidswering conform het Bouwbesluit 2012, om zo het binnenniveau te garanderen. Deze verplichting is aanwezig, omdat er sprake is van hogere waarden.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

27 4.4.3 Conclusie De geluidsbelasting vanwege de A4 is bij meerdere woningen hoger dan de voorkeursgrenswaarde, en bij de rijwoningen aan de noordzijde (blok 1 en 2) hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Het vaststellen van hogere waarden is benodigd. Wel wordt voldaan aan de randvoorwaarden uit het – nog vast te stellen – gemeentelijke hogere waardenbeleid. Daarnaast zijn dove gevels nodig bij de verdiepingen voor blok 1 en 2, en kan gedacht worden aan compenserende maatregelen zoals bloemenramen. Voor de bouwvergunning dient een berekening voor de geluidswering en het binnenniveau te worden uitgevoerd.

4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. 4.5.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Terra Milieu verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 2. Op basis van een vooronderzoek is hierbij een viertal onderzoeken uitgevoerd: een verkennend bodemonderzoek, verkennend asbest in bodem onderzoek, waterbodemonderzoek en een indicatief asfaltonderzoek. Het doel van de onderzoeken was om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond, het grondwater of waterbodem/bagger aanwezig zijn in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden.

Hieronder worden de belangrijkste bevindingen per uitgevoerd onderzoek samengevat. Resultaten verkennend bodemonderzoek - Overig terrein: op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond verhogingen van diverse metalen, OCB’s, PAK’s en PCB’s worden aangetroffen. Dit betreffen voornamelijk achtergrondwaarde verhogingen. Op basis van kolengruis/ koolas bijmenging is bij boring B37 zink verhoogd ten opzichte van de interventiewaarde aangetroffen; in B5.2 is koper verhoogd ten opzichte van de interventiewaarde aangetroffen. In het grondwater worden diverse metalen, naftaleen en xylenen verhoogt ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Ter plaatse van B2 wordt lood verhoogd ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen. - Deellocatie 1 (kassen): Ter plaatse van de boringen B4 en B14 (kas nr. 8a) zijn Drins verhoogd ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen. In de overige kassen zijn geen OCB parameters verhoogd aangetroffen. - Deellocatie 2 (ketelhuis / werkplaats): Hier zijn geen verhoogde parameters in de verdachte bovengrond aangetroffen. Ook in het grondwater zijn geen parameters verhoogd aangetroffen. - Deellocatie 3 en 4 (voormalige bovengrondse tanks): ter plaatse van (voormalige) bovengrondse tank 2 is in de steekbus van 80-100 cm -mv een tussenwaarde aan minerale estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

28

-

olie in de bodem aangetroffen. In peilbuis 201 zijn geen parameters verhoogd aangetroffen, ter plaatse van peilbuis 301-2 zijn xylenen en naftaleen verhoogd ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Vanwege de verhoogde tussen- en interventiewaarden blijft de locatie verdacht en wordt geadviseerd om ter plaatse van enkele deellocaties een nader bodemonderzoek (cf. NTA5755) met een gewijzigde onderzoeksopzet uit te voeren.

Resultaten asbest in bodem - Ter plaatse van de afwateringszone van de gebouwen zonder dakgoot wordt zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest in de bodem aangetroffen. - Ter plaatse van de boringen waar baksteenpuin in de bodem is aangetroffen wordt zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest in de bodem aangetroffen (NB: het aanwezige menggranulaat onder het asfalt is niet onderzocht op asbest). - Inpandig in de kassencomplexen wordt (daar waar geen betonverharding ligt), zintuigelijk en analytisch geen asbest in de bodem aangetroffen. Resultaten waterbodemonderzoek - Er is gemiddeld een laag slib van 25 cm aangetroffen. De onderzochte ‘waterbodem’ is op basis van het onderzoek is toepasbaar als ‘niet toepasbaar’ op landbodem en het is ‘niet verspreidbaar’ op aangrenzend perceel. Het slib kan tevens niet worden toegepast in Grootschalige Bodem Toepassingen. Resultaten indicatief asfaltonderzoek - De PAK’s parameters in het aanwezige asfalt op locatie blijven onder de detectiegrens. Het asfalt is indicatief teervrij. Aanbevelingen - De bevindingen uit het bodemonderzoek geven bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van het bodemonderzoek zijn er, op de locaties waar verhoogde tussenen interventiewaarden in de bodem zijn aangetroffen, belemmeringen met betrekking tot de geplande bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw.

Middels een nader bodemonderzoek conform NTA5755 moet voor de bovengenoemde deellocaties, de mate en omvang van de verontreiniging(en) worden vastgesteld. - Wanneer, in het kader van de herinrichting, grond van de locatie wordt afgevoerd is een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit noodzakelijk en er moet rekening worden gehouden met extra stort- of afvoerkosten. Nader bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek, en een toetsing daarvan door de Omgevingsdienst Haaglanden, is door IDDS een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Hierin zijn de aangetroffen verontreinigingen met zink, koper, OCB (drins) en minerale olie in de grond en koper in het grondwater per deellocatie aanvullend onderzocht. De aard en omvang van deze verontreinigingen waren onvoldoende bekend. Om de ernst van de verontreinigingen vast te stellen is nader inzicht gewenst in de verontreinigingssituatie. Doel van het nader onderzoek was na te gaan in hoeverre er vanuit de Wbb sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en saneringsnoodzaak. Ook is per deellocatie de grond aanvullend geanalyseerd op PFAS. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 3, de conclusies worden hieronder samengevat.

Op basis van het nader onderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten aanzien van zink, koper, OCB (drins) en minerale olie in de grond en koper in het grondwater in afdoende mate is vastgelegd. Verder onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

29 Ter plaatse van de eerder aangetoonde verontreinigingen zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond in zowel de grond als het grondwater. Daarom wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ter plaatse van het plangebied. Daarnaast wordt op basis van de aangetoonde gehalten PFAS de bodem ter plaatse van deellocatie B indicatief ingedeeld als ‘Niet Toepasbaar’. De overige deellocaties (A, C en E) zijn indicatief ingedeeld als ‘Klasse Landbouw en Natuur’, mits vergelijkbare waarden worden gemeten tijdens een officieel AP04 onderzoek. Voor deellocatie D is geen PFAS onderzoek uitgevoerd. Deellocatie D betrof namelijk enkel de bemonstering van de bestaande peilbuis. Belemmeringen inzake de wijziging van het plangebied naar een woonbestemming worden op basis van de verkregen onderzoeksresultaten niet voorzien. Verder wordt geadviseerd om, indien sprake is van grondverzet (en –afzet), een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit uit te voeren. 4.5.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 4.6.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn de volgende risicobronnen aanwezig: - de transportroute gevaarlijke stoffen over de rijksweg A4; estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

30 -

hogedruk aardgastransportleiding A-517; Gasdrukregel- en meetstation Gasunie A135; AWZI Harnaschpolder.

In dit kader is door KuiperCompagnons een onderzoek naar het aspect externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4, de bevindingen uit het onderzoek zijn hieronder beknopt samengevat. De locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van hogedruk aardgastransportleiding A-517. De hoogte van het groepsrisico is berekend met CAROLA. Hieruit blijkt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden in zowel de huidige als de plansituatie. Tevens is het plangebied gelegen binnen het verantwoordingsgebied van de rijksweg A4. De hoogte van het groepsrisico van de A4 is berekend met RBMII. Hieruit blijkt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden in zowel de huidige als de plansituatie. De risicocontouren van de nabij gelegen risicobronnen afvalwaterzuiveringsinstallatie Harnaschpolder en het (gasdruk)meet- en regelstation aan de Molenwetering 8 reiken niet tot het plangebied en vormen daarmee geen relevante risicobron voor het plangebied. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen aanwezig zijn.

Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende maatgevende ongeval scenario’s. In het geval van een BLEVE en fakkelbrandincident kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevindt. In het geval van een toxisch scenario kunnen aanwezigen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten. Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied: • in het stedenbouwkundig ontwerp rekening houden met de bereikbaarheid van hulpverleningsdiensten; • effectieve bluswatervoorziening; • E-Alert; • afsluitbare mechanische ventilatiesystemen; • risicocommunicatie naar bewoners. Het onderzoek naar het aspect externe veiligheid van KuiperCompagnons is voorgelegd bij de Veiligheidsregio Haaglanden. De veiligheidsregio onderschrijft de bevindingen uit het onderzoek. Enkele adviezen van de veiligheidsrisico worden opgevolgd. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Haaglanden. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Voor de vergunningverlening dient advies te worden gevraagd aan de VRH.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

31

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.7.2 Onderzoek Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI). In het vigerende bestemmingsplan ‘Harnaschpolder – Noord’ is hiervoor de bestemming ‘Bedrijf – Afvalwaterzuivering’ opgenomen. Daarbij is in het bestemmingsplan een geurzone aangegeven met de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurzone’, waarbinnen geen nieuwe geurgevoelige objecten mogen worden opgericht. Deze geurzone reikt niet tot in het voorliggende plangebied. Bovendien zijn ten noorden en oosten van de afvalwaterzuivering al woningen aanwezig. Deze bevinden zich op kortere afstand dan de woningen in voorliggend plangebied, en kunnen daarom als maatgevend worden beschouwd.

Ter plaatse van de nieuwe woningen is zodoende een goed woon- en leefklimaat geborgd, en het bedrijf wordt niet in haar bedrijfsvoering beperkt. Hiernaast zijn er op basis van vigerende bestemmingsplannen in de omgeving van het plangebied hoofdzakelijk woonfuncties aanwezig. Er is in de omgeving geen sprake van (bedrijfs)bestemmingen met een richtafstand met betrekking tot milieuzonering die relevant zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. 4.7.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

4.8

Water

4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

32 op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd.

De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.

Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

33 Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 De provincie herziet het regionaal waterbeleid eens in de 6 jaar. Het waterbeleid met een ruimtelijk component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021. Voor de overige onderwerpen is het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 ongewijzigd van kracht gebleven. Voor het ruimtelijk component hanteert de provincie het volgende beleid: vanuit de ambitie om ZuidHolland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. Omgevingsverordening In de omgevingsverordening is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.

Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten.

De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Keur en legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap van Delfland zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het hoogheemraadschap. estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

34

De Legger Oppervlaktewater is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Rijswijk (2021-2025) In juni 2021 heeft de gemeente Rijswijk een nieuw gemeentelijk riolerings- en waterplan vastgesteld, dat is opgesteld gezamenlijk met het Hoogheemraadschap van Delfland. De voorgaande jaren waren er op het gebied van water in Rijswijk twee plannen: het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en het Waterplan. Deze plannen zijn samengevoegd in een overkoepelend plan met een looptijd van 5 jaar. Dit gemeentelijk Riolerings- en Waterplan beschrijft hoe de gemeente samen met het hoogheemraadschap de aankomende jaren (2021-2025) invulling geven aan hun watertaken en hoe dit bijdraagt aan het realiseren van de gestelde ambities. Het gaat over de zorgplichten met betrekking tot afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook over oppervlaktewater in de stad. De gemeente Rijswijk en het Hoogheemraadschap van Delfland werken daarnaast al jaren nauw samen aan het stedelijk waterbeheer.

Met een gezamenlijk waterplan, de wateragenda en het bijhorende uitvoeringsprogramma willen zij een duurzaam, schoon, gezond en veilig watersysteem en een vitale aantrekkelijke leefomgeving realiseren. De komende jaren wil de gemeente blijven investeren in het vervangen van de bestaande riolering, maar ook aparte hemelwaterriolering aanleggen om te anticiperen op de klimaatverandering en de toename van afvalwater door de toename van woningen. Waterkwaliteit is belangrijk voor de biodiversiteit. De gemeente wil daarom gezamenlijk met Delfland de komende jaren ambities bepalen en kansen voor verbetering uitvoeren. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan ecologisch baggeren, foutaansluitingen van de riolering opsporen en inrichten van natuurvriendelijke oevers. 4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.

De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Oppervlakwatersysteem Het plangebied ligt in de polder Plaspoel- en Schaapweipolder in een peilgebied met een vastgesteld waterpeil van -1,25 m NAP (code GPG2017PSH 1). Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, en wordt geen extra oppervlaktewater aangelegd. Zoals te zien op de leggerkaart van het hoogheemraadschap in afbeelding 4.2, wordt het plangebied aan alle zijden begrensd door een watergang. Het gaat om een primaire watergang aan de west- en noordzijde, en secundair water aan de oost- en zuidkant. Langs de watergang ten westen en zuidwesten van het plangebied, de Noordhoornsche Wetering, ligt een regionale waterkering met bijbehorende waterstaatswerk- en beschermingszone. Deze watergang kent een vastgesteld waterpeil van -0,43 m estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

35 NAP. De sloot ten oosten van het plangebied kent een peilafwijking binnen het peilgebied, met een bekend waterpeil van -1,59 m NAP. Aan de noordkant van deze watergang bevindt zich een stuw, in het zuiden nabij de Pastoor Verburchweg vormt de sloot deels een duiker. Het bestaande oppervlaktewatersysteem blijft behouden en wordt door de voorliggende ontwikkeling niet aangepast. Daarnaast maakt dit bestemmingsplan het mogelijk om bij percelen grenzend aan de bestemming 'Water' (zoals die is opgenomen in aangrenzende bestemmingsplannen) over maximaal 1/3 deel van de oeverlengte van het perceel een terras te realiseren. Het terras moet daarbij ten minste 0,4 m boven het waterpeil worden aangelegd.

Afbeelding 4.2: Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Delfland (het plangebied is globaal omkaderd met rode stippellijn).

Veiligheid Zoals te zien in afbeelding 4.2, bevindt zich ten westen en zuidwesten van het plangebied een regionale waterkering. Dit betreft de boezemkade van de Noordhoornsche Wetering. De watergang ligt buiten het plangebied, de bijbehorende waterstaatswerk- en beschermingszone vallen deels binnen het plangebied. De nieuwe woningen aan de westkant van het plangebied zijn voor een deel binnen de beschermingszone geprojecteerd. Corresponderend met deze zone is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op deze gronden mogen in principe alleen bouwwerken ten dienste van de waterkering, -huishouding en -berging worden gebouwd. Daarvan kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken wanneer geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering en waterhuishouding, en een vergunning is verkregen van de beheerder van de waterkering. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling binnen de zone, en bestaande bebouwing binnen de zone ten westen en zuiden van het plangebied, levert de ontwikkeling naar verwachting geen onevenredige afbreuk aan de waterstaatsbelangen op. De dubbelbestemming is onverminderd estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

36 overgenomen in dit bestemmingsplan; voor werkzaamheden binnen deze zone zal separaat een watervergunning worden aangevraagd. In dit kader zal nog nader met het hoogheemraadschap worden afgestemd. Waterkwantiteit Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert de regel dat elk plan wordt getoetst aan het ‘stand still’beginsel; de ontwikkeling mag het watersysteem niet negatief beïnvloeden. Dit kan onder meer worden aangetoond door gebruik te maken van de zogenaamde ‘watersleutel’. Dit is een hulpmiddel om te bepalen of en hoeveel watercompensatie er bij een ontwikkeling moet worden gerealiseerd. Voor de gebiedsontwikkeling van RijswijkBuiten als geheel is in het kader van het stedenbouwkundig masterplan al nagedacht over een integraal watersysteem en watercompensatie voor het hele gebied. Dit bestemmingsplan is desondanks getoetst aan de actuele uitgangspunten van het waterschap, aan de hand van de watersleutel. Het plangebied in de voormalige situatie bestond uit grotendeels verhard oppervlak. De kassen, bedrijfsgebouwen en overige terreinverharding besloegen een groot gedeelte van het terrein. De opstallen zijn, vooruitlopend op de beoogde herontwikkeling van het gebied, in de loop van 2021 gesloopt. In de toekomstige situatie is voorzien een woongebied, met onder meer een groene dooradering en ruimte voor tuinen.

Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt zodoende aanzienlijk af. Omdat er in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is, gaat er met de ontwikkeling ook geen oppervlaktewater verloren. De bestaande watergangen langs de randen van het terrein bevinden zich buiten de plangrenzen, en blijven ongewijzigd. Watercompensatie door een toename in verharding of afname van oppervlaktewater is daardoor niet aan de orde. Oppervlakte Bestemmingsplangebied Te ontwikkelen deel plangebied (excl. bestaande woonpercelen)

Oude situatie 17.717 m2 15.474 m2

Nieuwe situatie 17.717 m2 15.474 m2

10.163 m2 937 m2

-

-

3.968 m2 1.161 m2 2.342 m2

-

2,000,75 m2

11.100 m2 4.374 m2

9.471,75 m2 6.002,25 m2

Voormalige bebouwing (kassen, bedrijfsgebouwen) Voormalige overige terreinverharding Nieuwe woningen (incl. bijgebouwen) Nieuwe parkeerterreinen Wegen nieuwe situatie (ontsluitingsweg, Pastoor Verburchweg) Verharding overig oppervlak nieuwe situatie (tuinen, parkeerplaatsen, paden – 25%) Totaal verhard Totaal onverhard Tabel 4.2: Overzicht verharding oude en nieuwe situatie.

Tabel 4.2 toont een overzicht van de verharding binnen het plangebied in de voormalige en toekomstige situatie. Daarbij is gefocust op het deel van het plangebied waar het plan direct voorziet in ontwikkelingen. De twee bestaande woonpercelen zijn hier buiten beschouwing gelaten. Indien hier op een later moment ontwikkelingen beoogd zijn, is in de planregels bepaald dat in het kader van de omgevingsvergunning separaat het wateraspect moet worden afgewogen. Binnen het te ontwikkelen deel van het plangebied (15.474 m2) besloegen de voormalige bebouwing en overige terreinverhardingen gezamenlijk een oppervlak van circa 11.100 m2. De beoogde nieuwe woningen die hiervoor in de plaats komen, kennen inclusief bijgebouwen een oppervlak van circa 3.968 m2. Daarbij wordt extra verharding gerealiseerd in de vorm van een ontsluitingsweg, en blijft het deel van de estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

37 bestaande Pastoor Verburchweg binnen de plangrenzen behouden. Gezamenlijk vormen deze wegen een oppervlak van 2.342 m2. Verder is voorzien in twee aparte parkeerterreinen, bij de hofwoningen in het middendeel van het plangebied, van circa 1.161 m2. Daarnaast is te verwachten dat een deel van het overig oppervlak van het plangebied verhard zal worden, in de vorm van verharding in tuinen, parkeerplaatsen en paden. De resterende delen van het plangebied worden grotendeels groen ingericht. Daarom wordt voor het overig oppervlak van het te ontwikkelen plangebied een verharding van 25% (2.000,75 m2) gerekend. In totaal komt het verhard oppervlak in de toekomstige situatie daarmee op circa 9.471,75 m2, wat een afname betekent van ruim 1.600 m2. Met de gegevens uit tabel 4.2 is de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland ingevuld. De ingevulde watersleutel is te zien in afbeelding 4.3. Hieruit volgt dat ten behoeve van de ontwikkeling geen watercompensatie nodig is, en ook om de effecten van klimaatverandering te compenseren geen wateropgave geldt.

Afbeelding 4.3: Watersleutel Hoogheemraadschap van Delfland.

Klimaatadaptatie Om te kunnen inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme neerslag, houdt het hoogheemraadschap met haar watersleutel ook rekening met klimaateffecten (gericht op 2050). Uit de ingevulde watersleutel in afbeelding 4.3 blijkt dat er voor dit plangebied geen sprake is van een wateropgave om de effecten van klimaatverandering te compenseren. De afname van verharding in het plangebied is dusdanig, dat het realiseren van extra oppervlaktewater of waterberging niet benodigd is. Op het gebied van klimaatadaptie hebben (onder andere) het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Rijswijk daarnaast het Convenant klimaatadaptief bouwen ondertekend. Bij de concrete uitwerking van de bouwplannen worden verschillende klimaatadaptieve maatregelen geïntegreerd. Daarbij wordt rekening gehouden met het programma van eisen en de leidraad klimaatadaptief bouwen, die onderdeel zijn van het convenant. In paragraaf 4.11 wordt hierop nog nader ingegaan. estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

38 Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). HemelwaterIn het plangebied worden diverse maatregelen genomen om hemelwater vast te houden, te bergen en vertraagd af te voeren. Het afvoeren van het hemelwater geschiedt voor de hofwoningen via een gescheiden rioolstelsel. De omringende woningen wateren af op het oppervlaktewater. Voor het openbaar gebied is gekozen voor twee wadi’s die het water afvoeren naar het oppervlaktewater. De wadi’s helpen tegen wateroverlast en droogte door het water langer vast te houden voordat het infiltreert in de bodem.

Daarnaast krijgt elke woning een regenton. Op deze manier wordt voldaan aan de trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’. Afvalwater & riolering In het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de bestemming ‘Bedrijf’. Met de voorgenomen ontwikkeling krijgt het plangebied de bestemming ‘Woongebied’. Binnen deze bestemming zijn geen bedrijven toegestaan. Er zal dus geen afvalwater van bedrijven komen. Het afvalwater van de te realiseren woningen zal via de gemeentelijke riolering worden afgevoerd. De riolering van afval- en hemelwater zal gescheiden plaatsvinden. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Grondwater Het terrein van het plangebied wordt niet opgehoogd of afgegraven. Ook worden anders dan heipalen geen ondergrondse constructies gerealiseerd. De drooglegging en ontwateringsdiepte van het plangebied zal dan ook niet wijzigen. Maatregelen zijn niet benodigd. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente.

Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater, het beheer en onderhoud aan de waterkering en de hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar. Activiteiten binnen de onderhoudsstroken zijn vergunningplichtig op grond van de Keur. Onderhoudsstroken dienen (zwaar) onderhoudsmaterieel te kunnen dragen. Er mogen zich geen obstakels bevinden in de onderhoudsstroken. In voorkomende gevallen kan van bovengenoemde maten worden afgeweken met een ontheffing van het hoogheemraadschap, mits het onderhoud gewaarborgd is en op een reguliere manier kan worden uitgevoerd.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

39 4.8.3 Conclusie Het plan voldoet aan de met het Hoogheemraadschap van Delfland gemaakte afspraken. De wateropgave is geborgd in de stedenbouwkundige uitwerking voor RijswijkBuiten als geheel. Omdat het verhard oppervlak afneemt is aanvullende watercompensatie niet benodigd. Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Bro, aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd. De door het Hoogheemraadschap aanbevolen maatregelen en extra toelichtingen zijn aan het bestemmingsplan toegevoegd.

4.9

Natuur en ecologie

4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

40 4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de voormalige bebouwing al gesloopt, en worden op het momenteel braakliggende terrein nieuwe woningen gebouwd. Een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming is hierom benodigd. Door NWC is daarom een quickscan uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in het plangebied. In oktober 2021 is de eerder uitgevoerde quickscan uit 2019 geactualiseerd. De gehele rapportage is opgenomen in bijlage 4. De resultaten zijn samengevat in tabel 4.3, en worden hieronder beknopt besproken.

Tabel 4.3: Samenvatting resultaten quickscan flora en fauna (bron: NWC, oktober 2021).

Vleermuizen Op de locatie zijn geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen als gevolg van de afwezigheid van gebouwen en bomen met holtes. Wel kunnen er vleermuizen foerageren. De plannen zullen hier geen negatieve effecten op hebben, maar het is wel raadzaam om tijdens de werkzaamheden zo min mogelijk verlichting te gebruiken om (licht)verstoring te voorkomen. Vogels met een vaste verblijfplaats Er zijn geen vogelsoorten aangetroffen met een vaste verblijfplaats waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen zijn. Overige vogelsoorten De aangetroffen overige vogelsoorten ondervinden geen significant negatieve effecten van de geplande werkzaamheden en er zijn geen verdere verplichtingen. Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid van beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren is niet aangetoond in het plangebied. Voor de haas zijn er geen extra maatregelen nodig. Amfibieën Er zijn geen beschermde amfibieënsoorten aangetroffen in het plangebied. Kijkend naar de verspreidingsgegevens is er geen verwachting dat er beschermde soorten voorkomen. Flora Er zijn geen beschermde soorten waargenomen waardoor er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen zijn ten aanzien van flora. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht.

Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld; estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

41 -

Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; - In verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Daarnaast zijn binnen een afstand van circa 7 kilometer geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Gezien deze afstand zijn directe nadelige effecten zoals trillingen en lichthinder uit te sluiten. Stikstof De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Westduinpark & Wapendal (circa 7 km afstand) en Solleveld & Kapittelduinen (circa 7 km afstand). Ondanks deze afstand, dient op grond van de Wnb voor elke ontwikkeling getoetst te worden of, en zo ja onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Meer concreet heeft deze toets de volgende twee doelen: 1. Zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast; 2.

Zekerheid bieden dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten niet optreedt. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Door KuiperCompagnons is voor de voorgenomen ontwikkeling een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 6. In dit onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en de gebruiksfase van de nieuwe woningen in het plangebied leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de woningen in het plangebied.

Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. 4.9.3 Conclusie Wat betreft natuur en ecologie zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op beschermde flora en fauna, en leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb aangaande soorten- en gebiedsbescherming. Er is geen sprake van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten.

estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

42

4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Kader Een aantal beleidsstukken en nota’s geeft richtlijnen en kaders voor de inrichting van gebieden in relatie tot cultuurhistorie en archeologie. Te noemen zijn de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) en de Erfgoedwet. Aanvullend op het beleid uit de Erfgoedwet geldt inzake ‘monumenten’ het volgende beleidskader. De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. 4.10.2 Onderzoek Archeologie Het beleid van de gemeente Rijswijk is om waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk intact in hun originele positie in de bodem te bewaren. Als er geen of onvoldoende informatie over een gebied voorhanden is, wordt een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd om na te gaan, of het gebied van het bestemmingsplan behoudenswaardige (dat wil zeggen wetenschappelijk waardevolle) archeologische resten bevat.

Percelen, die behoudenswaardige resten bevatten, worden gereserveerd voor behoud of voor een archeologisch vervolgonderzoek (opgraving). Opgravingen worden uitsluitend uitgevoerd, als behoud en bescherming van de resten in hun originele positie in de bodem niet mogelijk is. Deze gedragslijn zorgt voor bescherming van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden in het gebied. In grote delen van Sion en ‘t Haantje is inmiddels archeologisch onderzoek uitgevoerd en afgerond. Voor zover de gronden nog niet zijn vrijgegeven is de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” opgenomen. Deze dubbelbestemming geeft een beschermende regeling voor eventueel aanwezige archeologische waarden. De gronden in voorliggend plangebied kennen in het vigerende bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In de archeologische verwachtingsen beleidskaarten van de gemeente Rijswijk is aan het plangebied echter geen archeologische verwachtingswaarde toegekend. In dit kader heeft afstemming plaatsgevonden tussen archeologisch onderzoeksbureau Vestigia en de gemeente Rijswijk. Naar aanleiding daarvan is door de gemeente per mail (d.d. 17 april 2019) aangegeven dat voor de percelen sectie I 2153, 2015, 1988 en 2084 geen archeologisch onderzoek nodig is. De gronden zijn voor de beoogde ontwikkeling zodoende vrijgegeven.

Cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland is wat betreft het aspect ‘cultuurhistorie’ voor dit plangebied de structuur van de Noordhoorsche Wetering relevant. Deze is gekwalificeerd als landschappelijke lijn met een hoge waarde, en bevindt zich ten westen van het plangebied. Afbeelding 4.3 toont een uitsnede van de CHS-kaart. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de cultuurhistorische waarde van deze landschappelijke structuur niet aangetast. Voorheen stonden op korte afstand van de Noordhoornsche Wetering in het plangebied hoofdzakelijk aaneengesloten kassen, wat weinig recht deed aan de landschappelijke lijn. Met de voorgenomen ontwikkeling maken de kassen aan deze zijde plaats voor enkele twee-onder-een-kapwoningen. De woningen zijn met de tuin op de watergang georiënteerd, waardoor mogelijk een meer open en groen beeld ontstaat. Door zorgvuldige inpassing van vlonders aan het water kan betere beleving van of estemmingsplan ‘Sion-Parck’ Toelichting Ontwerp – 10 mei 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=60ab9e2c-370a-4a0d-9fe5-032ca88e8945