RV 23-090 Bijlage C Was-wordt-tabel APV 2024 versie 9 november 2023 (002)
Tekst van het document
Nota bene: in de oude versie is de huidige nummering aangehouden van de APV 2021. In de nieuwe versie komt vernummering voor omdat we nu het VNGmodel aanhouden. In de was-wordt-tabel hebben we de was-wordt-bepalingen daarom op onderwerp naast elkaar gezet en niet op artikelnummer.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Was Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning; c. bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; d. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; e. college: het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk; f. gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; g. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
Wordt Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
Toelichting De definities zijn niet langer een sublid, maar maken als een opsomming onderdeel uit van het artikel. Dit maakt de APV toegankelijker en leesbaarder. Daarnaast verschuift de nummering niet. De definitie beperkingengebiedactiviteit is toegevoegd vanuit de vereisten van de Omgevingswet. De wetgeving is waar nodig aangepast aan de Omgevingswet. Voor enkele definities geldt dat deze al zijn opgenomen in de Omgevingswet en daar dus naar verwezen kan worden. Dit maakt het artikel korter.
h. motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; i. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; j. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; k. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; l. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; m. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; n. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning voor: a. een groot evenement als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid; b. een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid; c.
een seksinrichting of escortbedrijf als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid.
- openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op de aanvraag om een omgevingsvergunning. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om vergunning voor: a. een evenement als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid; b. een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid; c. een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28d, derde lid;
Dit artikel heeft een extra lid omdat de omgevingsvergunning niet meer in de APV is opgenomen. De artikelen voor een evenement, horecabedrijf en seksinrichting zijn vernummerd. Verder is een exploitatievergunning zoals bedoeld in artikel 2:28d toegevoegd. Artikel 2:28d heeft betrekking op het tegengaan van een malafide ondernemersklimaat. Bij het toetsen van de vergunningaanvraag voor het exploiteren van een inrichting die in het kader van het tegengaan van een malafide ondernemersklimaat is aangewezen als vergunningsplichtig, wordt een toetsing uitgevoerd in het kader van de Wet Bibob. Dit vraagt soms veel tijd. In artikel 2:28d is daarom een afwijkende beslistermijn opgenomen.
Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:5 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.
d. een seksinrichting of escortbedrijf als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Vernummering. Dit artikel heeft een extra lid, omdat geen omgevingsvergunning meer in de APV is opgenomen. Dit kan zorgen voor verwarring. Het derde lid is toegevoegd om die verwarring te voorkomen.
Vernummerd, inhoudelijk hetzelfde gebleven. Vernummering. Dit artikel heeft een extra lid, omdat geen omgevingsvergunning meer in de APV is opgenomen. Dit kan zorgen voor verwarring. Het derde lid is toegevoegd om die verwarring te voorkomen.
Artikel 1:6 Termijnen Artikel 1:7 Weigeringsgronden
Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden
Vernummerd, inhoudelijk hetzelfde gebleven Vernummerd, inhoudelijk hetzelfde gebleven
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Was Artikel 2:1a Verstoren openbare orde 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis van het Wetboek van Strafrecht is het verboden, op of aan de openbare weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten. 2.Het is verboden, op een in het eerste lid bedoelde plaats een voorwerp en/of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben. Artikel 2:2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Artikel 2:3 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden: a. op doordeweekse dagen tussen 22.00 uur en 10.00 uur; b. in de overdekte winkelpassages in winkelcentrum In de Boogaard. 2. Het verbod is niet van toepassing op het huisaan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 3. Tijdens het op openbare plaatsen verspreiden dan wel openlijk aanbieden van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder het publiek:
Wordt Artikel 2:1a Verstoren openbare orde 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424 en 426 bis van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan de openbare weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten. 2.Het is verboden op een in het eerste lid bedoelde plaats een voorwerp en/of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben. Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden: a. op doordeweekse dagen tussen 22.00 uur en 10.00 uur; b. in de overdekte winkelpassages in winkelcentrum In de Boogaard. 2. Het verbod is niet van toepassing op het huisaan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 3. Tijdens het op openbare plaatsen verspreiden dan wel openlijk aanbieden van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder het publiek:
Toelichting Enkele verschrijvingen opgelost.
Vernummerd, inhoudelijk hetzelfde gebleven. Vernummerd. De mogelijkheid voor het aanvragen van een ontheffing is toegevoegd. Waar mogelijk moeten verboden voorzien worden van een mogelijkheid tot het aanvragen van een ontheffing.
a. mag de veiligheid van het publiek op geen enkele wijze in gevaar worden gebracht; b. moeten alle bevelen en aanwijzingen van de politie, gegeven in het belang van de openbare orde en veiligheid, stipt en onmiddellijk worden opgevolgd; c. mogen evenementen niet worden verstoord. 4. Na het op openbare plaatsen verspreiden van wel openlijk aanbieden van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder het publiek dient als het uitgereikte, weggeworpen en resterende (folder)materiaal onmiddellijk te worden verwijderd.
a. mag de veiligheid van het publiek op geen enkele wijze in gevaar worden gebracht; b. moeten alle bevelen en aanwijzingen van de politie, gegeven in het belang van de openbare orde en veiligheid, stipt en onmiddellijk worden opgevolgd; c. mogen evenementen niet worden verstoord. 4. Na het op openbare plaatsen verspreiden van wel openlijk aanbieden van gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder het publiek dient als het uitgereikte, weggeworpen en resterende (folder)materiaal onmiddellijk te worden verwijderd. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:4 Vertoningen op openbare plaatsen -
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 2 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels
Vernummerd, geen inhoudelijke wijziging Dit artikel is nieuw in de APV, maar heeft veel relevantie voor het beheer van de openbare ruimte. Er is nu een grondslag om hierop te handhaven wanneer het beheer wordt belemmerd of er schade wordt toegebracht aan de weg.
Artikel 2:5 Markeringseisen afzetcontainers Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg Artikel 2:6 Winkelwagentjes 1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2.Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg of openbare plaats te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in
stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. (gereserveerd); c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Zuid-Holland of de Waterschapsverordening Delfland, het omgevingsplan of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:10a Markeringseisen afzetcontainers
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
Vernummerd, geen inhoudelijke wijziging Dit is opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving (paragraaf 6.2).
Het artikel is vernummerd. Daarnaast is het flink ingekort (volgens het VNG-model). Het verbod om met een winkelwagentje buiten de directe omgeving van de winkel of het winkelcentrum is overbodig omdat, wanneer je verder bij de winkel vandaan gaat, je het winkelwagentje ook terug zult moeten brengen. Dit brengt met zich mee dat óf je het winkelwagentje terugbrengt, waardoor niemand hier schade of hinder van ondervindt, óf dat het tweede lid overtreden wordt. De handhaving wordt daarmee al gedekt.
een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of de openbare plaats binnen een straal van 100 meter van dat bedrijf of dat winkelcentrum en tevens een aan die weg of openbare plaats aansluitende parkeerplaats. 3.Het is verboden een gebruikt winkelwagentje op de weg of openbare plaats onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. -
Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:4 en 2:20; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Nieuw artikel in de APV. Omdat deze nutsvoorzieningen van groot belang zijn en misbruik flinke consequenties kan hebben voor het algemeen belang en op de openbare ruimte, is het aan te raden om dit artikel op te nemen.
Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
Lid 3 is verwijderd omdat er geen herdenkingstocht meer voorkomt in deze afdeling. Wel is in lid 2 aangesloten bij de model-APV en is daarmee het benoemen van een herdenkingsplechtigheid als evenement behouden. Lid 5 is aangepast en vernummerd omdat het laten bepalen door de burgemeester wat een groot evenement is of niet kan zorgen voor willekeur. Daarnaast zou een restcategorie kunnen ontstaan tussen het gedefinieerde kleine evenement en het (slechts) aangewezen grote evenement. Dit zorgt voor rechtsonzekerheid. Lid 6 is verwijderd omdat het evenemententerrein niet voorkomt in deze afdeling.
2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:2; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. ‘ 3. Onder herdenkingstocht wordt verstaan: een tocht met het doel het herdenken van een persoon of gebeurtenis. 4. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10m2 vierkante meter per object. f. er een organisator is; en g. de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5.
Onder een groot evenement wordt verstaan: een evenement dat door de burgemeester als zodanig wordt aangemerkt op grond van een meer dan gemiddelde belasting op de woon- en leefomgeving en een meer dan gemiddelde inzet van de hulpdiensten.
2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10m2 vierkante meter per object. f. er een organisator is; en g. de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. Onder een groot evenement wordt verstaan: ieder evenement dat geen klein evenement is.
6.Onder evenemententerrein wordt verstaan: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken en/of er aan deel te nemen. Artikel 2:8 Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement of groot evenement te organiseren, toe te laten en/of feitelijk te leiden. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.De melding als bedoeld in artikel 2:7, vierde lid, onder g bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder/organisator, en een beschrijving van de aard en omvang van het evenement waarvoor de melding wordt gedaan. 4.De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
5.Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze verordening vergunningplichtig zijn of waarvoor een ontheffing of voorafgaande kennisgeving is vereist, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning/ontheffing/kennisgeving nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 15 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een
Het artikel is vernummerd. Lid 1 bevatte de criteria ‘toe te laten en/of feitelijk te leiden.’ Dit is overbodig omdat het organiseren al verboden is. Zo’n evenement zal dus helemaal niet door kunnen gaan. Het derde lid is gewijzigd omdat dit in de huidige APV niet goed geregeld is: hieruit blijkt niet duidelijk dat een klein evenement niet vergunningsplichtig is. Op het meldingsformulier kunnen verplichte velden worden aangegeven; deze eisen hoeven niet specifiek in de APV. Lid 5 en 6 zijn overbodig omdat het beoordelen van een aanvraag evenementenvergunning pas gestart wordt wanneer de gegevens compleet zijn aangeleverd. In de nieuwe tekstversie is lid 7 nieuw: een evenementenvergunning voor een vechtsportevenement kan worden geweigerd als de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Dit geeft mogelijkheden om hierop strenger te toetsen en verstoring van de openbare orde te voorkomen. Het oude lid 10 is overbodig.
6.Op een evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden die op grond van deze verordening vergunningplichtig zijn of waarvan een ontheffing of voorafgaande kennisgeving is vereist tenzij die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
7.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.een krachtens artikel 2:7, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s is geen klein evenement in de zin van artikel 2:7, vierde lid. 9.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 10.In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). Artikel 2:8a Weigering evenementenvergunning Artikel 2:8b Beslistermijn Artikel 2:8c Ordeverstoring Artikel 2:9 Definitie 1.In deze afdeling wordt onder horecabedrijf verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
Artikel 2:25a Weigering evenementenvergunning Artikel 2:25b Beslistermijn Artikel 2:26 Ordeverstoring
Vernummering, inhoudelijk niet gewijzigd
Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
Dit artikel is vernummerd. In deze afdeling hebben wij ervoor gekozen de aanduiding ‘openbare ruimte’ te volgen zoals in de model-APV is omschreven in plaats van de oude omschrijving ‘horecabedrijf’. Een horecabedrijf kan wel vallen onder de omschrijving ‘openbare
2.Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; 3.Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel van het horecabedrijf waar staof zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Artikel 2:10 Exploitatie horecabedrijf 1.Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of - restaurant; of e. een rouwcentrum of crematorium. 3.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4.In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). Artikel 2:10c Weigering en intrekking exploitatievergunning horecabedrijf
bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
ruimte’, maar het werkt niet andersom. Wanneer een bedrijft wordt gestart wat niet onder het horecabedrijf valt, kan de afdeling niet van toepassing worden verklaard op de nieuwe inrichting.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. c. de exploitant of de leidinggevende(n) in de 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten is geweest.
Het artikel is vernummerd. Zie voor de wijziging horecabedrijf openbare inrichting de toelichting bij artikel 2:27.
Let op: deze wijziging geldt voor deze hele afdeling, maar wordt in de was-wordt-tabel niet steeds opnieuw toegelicht. Voor de overige artikelen in deze afdeling wordt deze wijziging als ingelast beschouwd.
De nieuwe leden 2 en 3 geven meer mogelijkheden om de vergunning te weigeren. Lid 2 is een verplichte weigeringsgrond, lid 3 is een keuze om al dan niet te weigeren. Hierdoor is het oude artikel 2:10c niet meer van toepassing. De nieuwe leden 5 en 6 zijn toegevoegd in het kader van de verplichtingen die voortvloeien uit de nieuwe Alcoholwet. Het oude lid 4 vervalt omdat deze overbodig is.
1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning indien de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 en 1:7 weigert dan wel trekt de burgemeester de vergunning voorts in indien de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 en in afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken dan wel weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4.De burgemeester kan de vergunning voorts weigeren dan wel onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 intrekken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
Artikel 2:10a Indieningsvereisten vergunningaanvraag In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld dan wel bijgevoegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de leidinggevende(n); c. een bewijsstuk waaruit blijkt dat de exploitant rechtmatig verblijf heeft in Nederland; d. de aard van het horecabedrijf; e. een plattegrond van het horecabedrijf met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk de
4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:28a Indieningsvereisten vergunningaanvraag In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld dan wel bijgevoegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de leidinggevende(n); c.
een bewijsstuk waaruit blijkt dat de exploitant rechtmatig verblijf heeft in Nederland; d. de aard van de openbare inrichting;
Het artikel is vernummerd. Daarnaast willen wij het indieningsvereiste van het aanleveren van de VOG laten vervallen. Dit vanwege een wijziging in de wet Bibob. Wij kunnen daardoor nu ook de antecedenten van de leidingggevenden bij de Justitiële Informatiedienst opvragen. Inzage daarin verschaft ons een gedetailleerd overzicht van de antecedenten, anders dan de VOG dit doet. Hierdoor is het niet meer nodig om een VOG op te vragen.
afmetingen van de inrichting en een eventueel terras zijn aangegeven; f. een recente (maximaal drie maanden oude) verklaring omtrent gedrag; g. een op grond van de Wet Bibob vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.
e. een plattegrond van de openbare inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk de afmetingen van de inrichting en een eventueel terras zijn aangegeven; f. een op grond van de Wet Bibob vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.
Artikel 2:10b Buiten behandeling laten vergunningaanvraag De burgemeester laat de aanvraag om vergunning buiten behandeling indien de aanvraag niet voldoet aan de in artikel 2:10a gestelde indieningsvereisten. Artikel 2:11 Beslistermijn Artikel 2:22 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.In dit artikel wordt verstaan onder a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die feitelijk leiding geeft of de leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid
-
Dit is al geregeld in hoofdstuk 1. Dit artikel is dus overbodig.
Artikel 2:28b Beslistermijn Artikel 2:28c Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die feitelijk leiding geeft of de leiding heeft over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de
Vernummerd, niet inhoudelijk gewijzigd. Dit artikel is vernummerd. Daarnaast is het voorbereid op de komst van de Omgevingswet door tweemaal het omgevingsplan toe te voegen. Daarnaast is een afwijkende termijn ten opzichte van artikel 1:2 toegevoegd. Lid 15 en 16 vervallen. Lid 16 is overbodig, lid 15 is niet meer van toepassing onder de Omgevingswet.
onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f.
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend
leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e.
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid 5 en 6 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5.De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6.Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of het Besluit activiteiten leefomgeving. 5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8.Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
9.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10.De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet
d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of het Besluit activiteiten leefomgeving. 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10.
De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig
langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. Na het indienen van een aanvraag voor een wijziging in de exploitatie, verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12.Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14.In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15.Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 16.In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’).
Artikel 2:10e Wijziging leidinggevende Artikel 2:22a Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 2:10f Overgangssituatie
mogelijk aan de burgemeester te melden. Na het indienen van een aanvraag voor een wijziging in de exploitatie verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. In afwijking van artikel 1:2 wordt op een aanvraag om een vergunning binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 16. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28d Wijziging leidinggevende Artikel 2:28eSluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 2:28f Overgangssituatie Artikel 2:28g Duur van de af te geven exploitatievergunningen
Vernummerd, niet inhoudelijk gewijzigd Artikel 2:28g is opgenomen om vooraf duidelijk te maken dat een exploitatievergunning een beperkte duur heeft. Dit zorgt voor meer rechtszekerheid.
Artikel 2:11 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 05.00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 7. In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). Artikel 2:12 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:13 Verboden gedragingen Het is verboden in een horecabedrijf: a. de orde te verstoren;
1. Aan bestaande horecabedrijven, waarvan over de laatste jaren geen (overlast)incidenten of klachten van omwonenden bekend zijn, zal een exploitatievergunning voor de duur van 5 jaar worden afgegeven. 2. Aan nieuwe horecabedrijven, die aan de criteria voldoen, en bestaande horecabedrijven waarvan wel (overlast)incidenten of klachten bekend zijn, wordt een exploitatievergunning voor de duur van 1 jaar worden afgegeven. Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 05.00 uur. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens het omgevingsplan of het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren;
Het artikel is vernummerd. Verder is het oude lid 7 vervallen omdat dit overbodig is.
Vernummerd, niet inhoudelijk gewijzigd Het artikel is vernummerd. Het derde lid is vanuit de model-APV toegevoegd om meer toezicht te kunnen uitoefenen op het terrasgebruik.
b. zich als bezoeker te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat het horecabedrijf gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:12, eerste lid.
Artikel 2:14 Handel binnen openbare inrichtingen Artikel 2:15 Het college als bevoegd bestuursorgaan -
b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van maatschappelijke activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speel kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van 12.00 uur tot 2400 uur. 2. Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.
Vernummerd, inhoudelijk niet gewijzigd
Dit is een nieuwe afdeling in de APV. Deze afdeling moet worden toegevoegd vanuit de nieuwe Alcoholwet. Hierbij is de tekst van de model-APV gevolgd en zijn de (sluitings-)tijden en plaatsen naar lokale context aangepast. De Verordening paracommerciële rechtspersonen wordt, naar aanleiding hiervan, ingetrokken.
3. Een paracommercieel rechtspersoon kan tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, in afwijking van het eerste en tweede lid, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken met inachtneming van het volgende: a. de drank wordt verstrekt van 12.00 uur tot 24:00 uur. b. er wordt geen drank verstrekt als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging. Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven (Gereserveerd) Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden (Gereserveerd) Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven (Gereserveerd) Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’ (Gereserveerd) Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld. Artikel 2:34h Facultatieve ontheffing
Artikel 2:16 Definitie Artikel 2:17 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:18 Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:19 Definities Artikel 2:20 Speelgelegenheden Artikel 2:21 Kansspelautomaten Artikel 2:22a Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:22b Betreden gesloten woning, lokaal of voor publiek openstaand gebouw Artikel 2:23 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:23a Vervoer geprepareerde voorwerpen Artikel 2:24 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1.De burgemeester kan conform het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van de Alcoholwet, met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard op aanvraag voor een aaneengesloten periode van ten hoogste zes dagen ontheffing verlenen van de in dit artikel gestelde verboden en beperkingen. 2.Een dergelijke ontheffing kan uitsluitend verkregen worden voor activiteiten die direct aansluiten bij de statutaire doelstellingen van de paracommerciële rechtspersoon of bij de door deze rechtspersoon dagelijks uit te voeren activiteiten. 3.Per paracommerciële rechtspersoon worden maximaal 12 ontheffingen per kalenderjaar verleend. 4.De te verlenen ontheffing tot het schenken van alcoholhoudende drank kan maximaal strekken tot 24.00 uur. 5.De ontheffing moet uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de gelegenheid worden aangevraagd Artikel 2:35 Definitie Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Artikel 2:38a Definities Artikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:40 Kansspelautomaten Artikel 2:41a Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:41 Betreden gesloten woning, lokaal of voor publiek openstaand gebouw Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:44a Vervoer geprepareerde voorwerpen Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen