CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RV 23.089 Bijlage C Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2024

Forum Stad 30 november 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024 (RV 23-089)14.470 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk Tekst van de regeling Intitulé De gemeenteraad; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. […], no. […]; gelet op artikel 10.23, 10.24, tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 147, eerste lid, 149, 154, 156, 160 en 229 van de Gemeentewet, artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2 en 5.4 van de Telecommunicatiewet, artikel 6 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, artikel 14.2 en 14.3 van het Omgevingsbesluit, artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, 5.3, 5.4, 5.5, 4.4, tweede lid, 5.18, 5.20, 5.21, 16.55, tweede lid, 16.64, 16.65, 16.68 en §16.5.3 van de Omgevingswet en afdeling 8.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; BESLUIT: vast te stellen de volgende verordening: Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024

Hoofdstuk 1. Inleidende regels Artikel 1.1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Aanbieder:

De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet.

Andere inzamelaars:

De krachtens artikel 2, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2021 aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen.

Adres:

Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Afgebakend terrein:

Een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is.

Artikelengroepen of branches:

De door burgemeesters en wethouders vastgestelde goederen die op de markt worden aangeboden.

Bedrijfsafvalstoffen:

Afvalstoffen, met uitzondering van gevaarlijke afvalstoffen en nog niet ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen.

Belanghebbendenplaats:

Een parkeerplaats die a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd.

Bevoegd gezag:

Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.

Beperkingengebiedactiviteit:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

Bouwwerk:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

Bromfiets:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

College:

Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

Complex:

Geheel van bij elkaar horende gebouwen.

Convenant:

Het tussen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Koninklijke TPG Post BV gesloten Kader Convenant en Nader Convenant inzake postcodes.

Dagplaats:

De standplaats2 die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen.

Dunning:

Kappen als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van een houtopstand.

Gebouw:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Gevoelige gebouwen:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Handelsreclame:

Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

Houder van een inrichting:

Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft.

Houtopstand:

Hakhout, een houtwal of een of meer bomen.

Huishoudelijke afvalstoffen:

Huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Inrichting:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Instemmingsbesluit:

Besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder b, van de Telecommunicatiewet.

Inzameldienst:

De krachtens artikel 2, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2021, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. De activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan.

Inzamelen:

Kabels en leidingen:

Eén of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie.

Kampeermiddel:

Een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Ligplaats:

Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Markt:

De door het college ingestelde warenmarkt.

Marktcommissie:

De commissie die het college adviseert inzake marktaangelegenheden.

Marktmeester:

De persoon die als zodanig is aangewezen door het college.

Motorvoertuigen:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; met uitzondering van motorfiets zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 en de geldigheid van het kenteken van het motorvoertuig niet door de Rijksdienst Wegverkeer is geschorst.

NEN:

Norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven.

Netbeheerder:

Degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Onder netbeheerder wordt tevens verstaan een aanbieder.

Nummeraanduiding:

Door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie.

Object:

Een bouwwerk, gebouw, complex, afgebakend terrein, ligplaats of standplaats.

Omgevingsvergunning voor het bouwen:

Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

Onversterkte muziek: Openbaar elektronisch communicatienetwerk:

Muziek die niet elektronisch is versterkt. Netwerk als bedoeld in artikel 1.1, onder h, van de Telecommunicatiewet.

Openbaar water:

Wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn.

Openbare gronden:

Openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1, onder a, van de Telecommunicatiewet.

Openbare plaats:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties.

Openbare ruimte:

Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Pand:

Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Parkeerapparatuur:

Parkeerautomaten, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan.

Parkeerapparatuurplaats: Een parkeerplaats ten aanzien waarvan het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur. Parkeren:

Het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Rechthebbende:

Degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.

Selectiecommissie:

De commissie die het college adviseert inzake de selectieprocedure.

Selectieprocedure:

Procedure waarbij de toewijzing van een vrijkomende vaste standplaats2 op de markt plaatsvindt. Vanaf een vaste locatie te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Standplaats1:

Standplaats2:

De ruimte die voor de duur van de markt beschikbaar is voor houders van een marktvergunning.

Telecomkabel:

Een kabel als bedoeld in artikel 1.1, onder z, van de Telecommunicatiewet.

Ter inzameling aanbieden:

De wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats.

Vastestandplaatsvergunning:

Vergunning voor een standplaats2 voor de duur van 15 jaar voor het op de markt bedrijven van handel.

Vellen:

Rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Venten:

Het drijven van handel uit een klein voertuig, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van de klanten nodig is.

Verblijfsobject:

Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Vergunninghouder:

De natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend.

Voertuig:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens, en rolstoelen.

Weg:

Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Werkzaamheden van niet Categorieën van werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of ingrijpende aard: vergunning noodzakelijk is, maar waarbij kan worden volstaan met een melding. Wijk- en buurtindeling:

Een indeling van de gemeente in wijken en buurten conform de eisen die het CBS aan deze indeling verbindt.

Woonplaats:

Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.

Hoofdstuk 2. Economie 2.1 Markt Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 2.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeesters en wethouders een standplaats1 in te nemen of te hebben. 2. Burgemeesters en wethouders weigert de vergunning indien sprake is van strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats1 hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning voor standplaats1 verlenen voor de duur van 15 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. Artikel 2.1.2 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeesters en wethouders standplaats1 wordt of is ingenomen. Artikel 2.1.3 Afbakeningsbepalingen

1. Artikel 2.1.1, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet. 2. De weigeringsgrond van artikel 2.1.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel 2.1.4 Inrichtingsplan van de warenmarkt 1. Burgemeester en wethouders stellen een inrichtingsplan voor de markt in Bogaard Stadscentrum en de markt in Oud Rijswijk vast, met daarin in ieder geval: a. De dagen en uren waarop de markt wordt gehouden; b. Een kaart van de markt; c. De verdeelprocedure die zij toepassen bij de verlening van vastestandplaatsvergunningen. 2. Op de kaart van de markt zijn aangegeven: a. De grenzen van de markt; b. De standplaatsen2 die worden toegewezen als vaste standplaats. 3. Op de kaart van de markt kunnen zijn aangegeven: a. De standplaatsen die bij voorrang zijn bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen; b. Het maximumaantal vaste-standplaatsvergunningen dat voor een of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kan worden afgegeven; c. De dagplaatsen; 4. Burgemeesters en wethouders kunnen op grond van dringende redenen, in afwijking van het bepaalde in het inrichtingsplan, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden: a. op een andere dag; b. op een andere tijd; c. op een andere plaats. 5.

Burgemeesters en wethouders zijn bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Winkeltijdenwet genoemde feestdagen. Artikel 2.1.5 Vergunningplicht 1. Het is verboden op een markt een standplaats2 in te nemen zonder vastestandplaatsvergunning. 2. Burgemeester en wethouders verlenen alleen een vergunning aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten. Artikel 2.1.6 Selectiecommissie Burgemeester en wethouders stellen een selectiecommissie in voor het adviseren van burgemeester en wethouders over het bepaalde in artikel 2.1.12. Artikel 2.1.7 Voorschriften en beperkingen 1. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning voor standplaats1 en voor een vaste-standplaatsvergunning. 2. De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel 2.1.8 Marktcommissie Burgemeester en wethouders kunnen een marktcommissie instellen.

Artikel 2.1.9 Mandaatverboden 1. De bevoegdheid tot het vaststellen of wijzigen van een inrichtingsplan wordt niet gemandateerd. 2. De bevoegdheid tot het verlenen of intrekken van een vergunning voor standplaats1 en voor een vaste-standplaatsvergunning wordt niet gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. Artikel 2.1.10 Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen op grond van deze verordening in een marktreglement nadere regels stellen betreffende het bepaalde in deze verordening, voor zover die bevoegdheid niet reeds voortvloeit uit artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet. Afdeling 2. Verdeelprocedures beschikbare vaste-standplaatsvergunningen Artikel 2.1.11 Verlenging na afroep 1. Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning vanwege het einde van de vergunningsduur kunnen burgemeester en wethouders de procedure van verlenging na afroep toepassen, als voldoende aannemelijk is dat er naast de betreffende vergunninghouder geen andere gegadigden voor deze vergunning zijn. 2. Bij de verlenging na afroep maken burgemeester en wethouders acht weken voor het einde van de duur van de vaste-standplaatsvergunning door een openbare kennisgeving in ieder geval in het Gemeenteblad bekend dat deze vergunning beschikbaar komt voor de duur van 15 jaar.

De bekendmaking kan daarnaast ook geschieden via een advertentie in een weekblad, een advertentie in een vakblad en/of een website. 3. Bij deze openbare kennisgeving worden gegadigden uitgenodigd om hun belangstelling voor de vaste-standplaatsvergunning binnen vier weken na de kennisgeving kenbaar te maken op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. 4. Als binnen de gestelde termijn alleen de betreffende vergunninghouder belangstelling kenbaar heeft gemaakt en is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, verlengen burgemeester en wethouders zijn vaste-standplaatsvergunning met de in het tweede lid genoemde duur. 5. Als binnen de gestelde termijn naast de betreffende vergunninghouder ook een of meer andere gegadigden belangstelling kenbaar hebben gemaakt, wordt de vergunning niet verlengd. In dat geval passen burgemeester en wethouders de in het inrichtingsplan vastgelegde procedure van artikel 2.1.12 toe, met uitzondering van het tweede lid van deze artikelen. 6. In het in het vijfde lid bedoelde geval stellen burgemeester en wethouders de gegadigden ervan in kennis dat de procedure van artikel 2.1.12 wordt toegepast en dat zij vóór de door burgemeester en wethouders genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. Artikel 2.1.12 Verdeling vaste-standplaatsvergunning via selectie 1.

Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning kunnen burgemeester en wethouders deze verdelen via selectie. 7. Bij de verdeling via selectie maken burgemeester en wethouders door een openbare kennisgeving in ieder geval in het Gemeenteblad bekend dat de vaste-standplaatsvergunning voor de duur van 15 jaar beschikbaar komt, voor welke branche of artikelgroep deze vergunning verleend wordt, om welke plaats en branche het gaat, welke faciliteiten aanwezig zijn en dat gegadigden vóór de in de kennisgeving genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. De bekendmaking kan daarnaast ook geschieden via een advertentie in een weekblad, een advertentie in een vakblad en/of een website.

2. Als een aanvraag vóór de indieningsdatum is ingediend maar onvolledig is, krijgt de aanvrager een termijn van twee weken om zijn aanvraag aan te vullen. 3. Uitsluitend volledige aanvragen die tijdig zijn ingediend en waarbij is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, komen voor beoordeling als bedoeld in het vijfde lid in aanmerking. 4. Bij de beoordeling van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal: a) De sollicitatiebrief en de motivering van de aanvraag: maximaal 10 punten; b) De mate waarin het gevoerde assortiment aanvullend is ten opzichte van het op de warenmarkt reeds aanwezige aanbod: maximaal 10 punten; c) Netheid, onderhoudsniveau en uitstraling van de kraam: maximaal 10 punten; d) Presentatie en klantvriendelijkheid: maximaal 10 punten; e) Aantoonbare ervaring van de ondernemer in de ambulante handel (eerdere standplaatsvergunning en/of diploma’s/certificaten van opleidingen): maximaal 10 punten; f) Maatschappelijke betrokkenheid (bijv.

fairtrade producten, afvalscheiding, recycling, erkend leerbedrijf, ondersteuning goede doelen): maximaal 10 punten; g) De verkoop van streekproducten die vervaardigd zijn in Rijswijk of directe omgeving: maximaal 10 punten; h) Geen antecedenten bij andere gemeenten of marktorganisatoren: maximaal 10 punten; i) De kandidaat-vergunninghouder met het hoogste aantal punten of, bij een gelijk aantal punten, de kandidaat-vergunninghouders, wordt of worden in de gelegenheid gesteld twee keer de leeggekomen standplaats in te nemen; maximaal 10 punten. 5. Burgemeester en wethouders verlenen de vaste-standplaatsvergunning aan de gegadigde met het op basis van de beoordeling hoogste aantal punten. 6. Als meer gegadigden hetzelfde aantal punten krijgen toegekend, vindt de verdeling van de vergunning tussen hen plaats via loting door middel van een trekking, waarvoor zij worden uitgenodigd en in aanwezigheid van een door burgemeester en wethouders aangewezen vertegenwoordiger van de gemeente. Afdeling 3. Vaste-standplaatsvergunning Artikel 2.1.14 Algemene bepalingen vaste-standplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste-standplaatsvergunning verlenen voor de duur van 15 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 2. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen tijdelijk een andere standplaats aanwijzen. 3.

Een vaste-standplaatsvergunning is niet overdraagbaar. 4. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Artikel 2.1.15 Overschrijven vaste-standplaatsvergunning 1. Als de vergunninghouder niet langer zelf van de vaste-standplaatsvergunning wil gebruikmaken, overleden is of onder curatele gesteld is, kunnen burgemeester en wethouders op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoont of samenwoonde, of zijn kind. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 2.1.12, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 2.1.12, vijfde lid. Als de over te schrijven

2.

3.

4. 5. 6.

vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. Als de in het eerste lid bedoelde overschrijving niet kan worden gedaan, kunnen burgemeester en wethouders de vaste-standplaatsvergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator overschrijven op naam van een medewerker van de vergunninghouder of een mede-eigenaar van diens bedrijf als deze ten minste 3 maanden in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of heeft gefunctioneerd als mede-eigenaar. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 2.1.12, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria genoemd in artikel 2.1.12, vijfde lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. De overschrijving van de vaste-standplaatsvergunning geldt voor de resterende vergunningsduur. Na het einde van de duur van de vergunning komt deze beschikbaar voor verdeling volgens de in het inrichtingsplan vastgelegde verdeelprocedure van artikel 2.1.12. In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend.

Burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag tot overschrijving af als niet wordt voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde. Als de nieuwe vergunninghouder al over een vaste-standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, kunnen burgemeester en wethouders deze intrekken.

Artikel 2.1.16 Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders trekken de vaste-standplaatsvergunning in: a. op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder; of b. twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.15 een aanvraag tot overschrijving is ingediend. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de vaste-standplaatsvergunning intrekken als: a. de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; b. de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden; c. van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; d. de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van de geldende marktgeldverordening; e. de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd. 3. Als de in het tweede lid bedoelde intrekking voor bepaalde tijd is, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde vaste standplaats tijdelijk vervalt. 4.

Als de vergunninghouder of zijn rechtmatige vervanger de standplaats niet uiterlijk om 9.00 uur inneemt, vervalt de vaste-standplaatsvergunning voor de rest van de dag. Artikel 2.1.17 Persoonlijk innemen vaste standplaats; vervanging 1. De vergunninghouder neemt de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde standplaats persoonlijk in.

2. Aan de vergunninghouder die zijn standplaats niet persoonlijk wenst in te nemen en zich laat vertegenwoordigen, kunnen burgemeesters en wethouders toestemming geven zich te laten vervangen door een met name genoemd persoon. 3. Ter verkrijging van toestemming om zich te laten vervangen dient de vergunninghouder een aanvraag in waaruit blijkt door wie de vergunninghouder wordt vervangen. De vervanger is iemand die ten minste 3 maanden als mede-eigenaar in de onderneming staat ingeschreven, of een medewerker in loondienst die ten minste 3 maanden op de loonlijst van de onderneming staat. 4. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder en handelt namens de vergunninghouder. Het bij of krachtens bepaalde in de Verordening Fysieke Leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Alle handelingen van de vervanger op de markt worden aan de vergunninghouder toegerekend. De vergunninghouder blijft, ook bij een vervanger, altijd verantwoordelijk voor het gebruik van de standplaats. 5. In geval van vakantie of bijzondere omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders erin toestemmen dat een vervanger de standplaats inneemt. Een aanvraag om toestemming vermeldt de reden en verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger. Artikel 2.1.18 Plaatsverandering na beschikbaar komen vaste standplaats 1.

Als een vaste standplaats beschikbaar komt voor het einde van de duur van de vastestandplaatsvergunning, kunnen burgemeester en wethouders deze standplaats voor de resterende vergunningsduur toewijzen aan een houder van een vaste-standplaatsvergunning op de betrokken markt. De toewijzing gebeurt op aanvraag. 2. Als meerdere aanvragen zijn ingediend voor plaatsverandering, wijzen burgemeester en wethouders de vaste standplaats toe via loting. 3. De plaatsverandering wordt alleen toegewezen wanneer deze technisch en fysiek passend is. 4. Als de beschikbaar gekomen vaste standplaats op grond van het inrichtingsplan bij voorrang is bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen, kunnen burgemeester en wethouders deze standplaats alleen toewijzen aan een vergunninghouder die tot die branche behoort of die handelt in die artikelgroep. Afdeling 4. Dagplaatsvergunning Artikel 2.1.19 Dagplaatsvergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning verlenen voor de duur van een dag, voor de op de vergunning vermelde en op de kaart van de markt als zodanig aangegeven dagplaats of voor het innemen van een vaste standplaats, wanneer die niet is ingenomen door de houder van de vaste-standplaatsvergunning of zijn rechtmatige vervanger. 2.

Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking de gegadigden die op de marktdag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een toewijsbare aanvraag om een dagplaatsvergunning hebben ingediend, mits zij voldoen aan het geldend branche- of artikelgroepvereiste. 3. Een dagplaatsvergunning is niet overdraagbaar en de vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. 4. De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Artikel 2.1.20 Verdeling beschikbare dagplaatsvergunningen

1. Burgemeester en wethouders verdelen de beschikbare dagplaatsvergunningen op volgorde van ontvangst van de toewijsbare aanvragen, mits de beschikbare dagplaats technisch en fysiek passend is en de branchemaxima niet worden overschreden. 2. Aanvragers die een nog niet op de markt verkrijgbaar artikel of artikelgroep wensen te verkopen, hebben voorrang bij de verdeling. Artikel 2.1.21 Weigering dagplaatsverguning 1. Burgemeester en wethouders weigeren een dagplaatsvergunning als de aanvrager op een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: a. zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden; of b. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld heeft voldaan dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning weigeren wanneer de aanvrager eerder een vaste-standplaatsvergunning had die niet langer dan twee jaar geleden is ingetrokken. Afdeling 5. Algemene bepalingen voor vergunninghouders Artikel 2.1.22 Toonplicht vergunning of toestemming Degene die een standplaats inneemt of wil innemen is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel 2.1.23 Markttijden in acht nemen 1.

Het is verboden meer dan drie-en-een-half (3,5) uur voor de aanvang en meer dan twee-en-eenhalf (2,5) uur na afloop van de markt op welke wijze dan ook ruimte in te (doen) nemen op het marktterrein, of goederen aan of af te (laten) voeren. 2. De vergunninghouder neemt zijn standplaats in voor aanvang van de markt en tot de sluitingstijd van de markt, behoudens door burgemeester en wethouders verleende ontheffing. 3. Burgemeester en wethouders kunnen aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de ontheffing is vereist. De houder van de ontheffing is verplicht de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel 2.1.24 Marktterrein schoonhouden 1. De vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat op zijn standplaats vrijkomt tijdens de door hem bedreven handel zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af, of laat het afvoeren. 2. De vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Afdeling 6.

Handhaving Artikel 2.1.25 Naleven van aanwijzingen in het kader van openbare orde en veiligheid In het kader van openbare orde en veiligheid zijn vergunninghouders verplicht zich te houden aan: 1. Aanwijzingen van de hulpdiensten;

2. Aanwijzingen van de marktmeester met betrekking tot weersomstandigheden waaronder exploitatie voor eigen risico van de vergunninghouder is; 3. Aanwijzingen van de marktmeester bij wangedrag. Artikel 2.1.26 Uitsluiting dagplaatshouder Burgemeesters en wethouders kunnen een vergunninghouder van de toewijzing van een dagplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de de Verordening Marktgeld Gemeente Rijswijk 2023.

Artikel 2.1.27 Onmiddellijke verwijdering Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder of degene die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden. Afdeling 7. Overgangsbepaling Artikel 2.1.28 Overgangsbepaling Vergunningen verleend krachtens het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2022 vóór het van kracht worden van deze verordening blijven – voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken – nog gedurende een halfjaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.

Hoofdstuk 3. Bodem en milieu 3.1 Afvalstoffen Afdeling 1. Zwerfafval Artikel 3.1.1 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; b. het thuis composteren van groente -, fruit- en tuinafval; c. voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.

Artikel 3.1.2 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 1. De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: a. een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten; b. zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd; c. zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd. Artikel 3.1.3 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 1. Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed. 2.

Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: a. direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; b. direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; c. indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden.

3.2 Opslag Artikel 3.2.1 Verbod opslag van afvalstoffen 1. Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 3.2.2 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de

openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.1.1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

3.3 Wrakken Artikel 3.3.1 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden 1. Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken. Artikel 3.3.2 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.4 Bouw Afdeling 1. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel 3.4.1 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 5.7a en 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat uit: a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol. b. vervallen. c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien voor toepassing van artikel 3.4.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Afdeling 2. Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Artikel 3.4.2 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a.

waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 3.4.3 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het saneringsplan overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling 3.

Overige administratieve bepalingen 3.4.4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en de vervanging van de NENnormen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften, waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm of praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Hoofdstuk 4. Natuur en recreatie 4.1 Natuur en groen

Artikel 4.1.1 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. houtopstanden met een diameter kleiner dan 15 cm op een hoogte gemeten van 1.30 meter; b. houtopstanden gelegen in een voortuin kleiner dan 20m2 en een achtertuin tot 50m2; c. (schub)coniferen, zoals de Chameacyparis, Cupressocyparis leylandii en Thuja; d. houtopstanden die bij wijze van dunning moeten worden geveld; e. dode houtopstanden; f. houtopstanden die een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormen (noodkap); g. houtopstanden met een besmettelijke (boom)ziekte. 3. In afwijking van artikel 9.1.7 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 4.1.1a Bescherming groenvoorzieningen Het is een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen en/of planten te plukken. Artikel 4.1.1b Afstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Artikel 4.1.2 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats1 wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 4.1.2a Crossterreinen 1.

Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 4.1.2b Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c.

de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 4.1.2c Gebruik recreatiegebieden Het is verboden een voor recreatief gebruik beschikbaar terrein te gebruiken in strijd met de bepalingen geldend voor dat terrein door: a. het parkeren of aanwezig hebben van een voertuig of een vaartuig, anders dan tot doel van dagrecreatie; b. met geluid voortbrengende apparatuur overlast te veroorzaken; c. te graven of te spitten of doen graven of spitten buiten het strand, de zandhelling, speelkuilen of zandbakken gelegen gedeelten; d. anders dan in de aanwezige afvalbakken wegwerpen, neerleggen en/of achterlaten van afval, vuilnis, resten van levensmiddelen, papier, blikken, flessen of verpakkingsmateriaal; e. een afvalmand, -bak of soortgelijk voorwerp op andere wijze gebruiken dan tot het deponeren van klein afval; f. zich als eigenaar of houder van een hond zich met die hond in een vastgestelde periode bevinden buiten een aangewezen gebied waar het verblijf van de hond is toegestaan.

4.2 Kampeerterreinen en -plaatsen Artikel 4.2.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap; of b. een stadsgezicht. Artikel 4.2.2 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Artikel 4.2.1, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4.2.1, vierde lid.

Hoofdstuk 5. Parkeren en liggen 5.1 Parkeren Artikel 5.1.1 Gebruik parkeerplaatsen 1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: a. op een parkeerapparatuurplaats; b. op een belanghebbendenplaats. 2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel 5.1.2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5.1.3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is op alle wegen binnen de gemeente verboden een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5.1.4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.1.5 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins wordt gebruikt: a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen, zonder wezenlijke tijdsonderbreking, te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a als uit beoordeling van een aanvraag blijkt dat: een camper ook wordt gebruikt als dagelijks vervoermiddel, een camper qua afmetingen niet afwijkt van een personenbusje en niet valt onder de bepalingen in artikel 5.1.7. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden. 3.

Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Artikel 5.1.6 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel 5.1.7 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen, zonder wezenlijke tijdsonderbreking, op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5.

Het college kan, in uitzonderlijke gevallen, ontheffing verlenen van de verboden. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden. Artikel 5.1.8 Uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

5.2 Liggen Artikel 5.2.5 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement. 4.

Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Hoofdstuk 6. (Ondergrondse) Infrastructuur 6.1 Ondergrondse infrastructuur Afdeling 1. Inleidende bepalingen Artikel 6.1.1 Toepasselijkheid 1. Deze verordening is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2. Het college voert de regie over de efficiënte ordening van werkzaamheden in verband met kabels en leidingen zoals bedoeld in het eerste lid. Afdeling 2. Instemmingsbesluit en vergunning Artikel 6.1.2 Vereiste van instemming of vergunning 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden.

2. In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard en kan aan de uitvoering van deze werkzaamheden voorschriften en beperkingen verbinden als bedoeld in artikel 6.1.5. 3. Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4. Werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk of niet gewenst is, dienen onverwijld te worden gemeld aan de burgemeester. Ingeval de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar zich verzet tegen de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden kan de burgemeester besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak. 6.

Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het provinciale Omgevingsbeleid of de Waterschapskeur. Artikel 6.1.3 de aanvraag en de melding 1. Een aanvraag wordt ingediend bij het college. 2. De aanvrager levert op verzoek van het college de resultaten van het overleg tussen de aanvrager en de andere grondeigenaren of grondbeheerders aan, indien het college dit noodzakelijk acht voor de besluitvorming. 3. Een melding wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan. 4. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Artikel 6.1.4 Beslistermijnen 1. Het college beslist op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2. Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 3.

Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn van ten hoogste zes weken waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 4. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling. Artikel 6.1.5 Voorschriften, beperkingen en weigergronden 1. Het college kan aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van: a. de openbare orde; b. de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; c. het voorkomen of beperken van overlast;

d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; f. de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en van beplantingen; g. het uiterlijk aanzien van de omgeving; 2. De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald. 3. De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 4. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen. Artikel 6.1.6 Wijziging en intrekking 1. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a. de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen; b.

de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; c. het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; d. de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft; e. na het verlenen van het instemmingsbesluit of de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van het instemmingsbesluit of de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan het verleende instemmingsbesluit of de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen. 2. Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: a. de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; b. dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 3. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=57aacfc4-ae53-4cf5-8df7-ee87d73f9ab5